Gemeenteblad van Krimpenerwaard
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Krimpenerwaard | Gemeenteblad 2025, 569835 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Krimpenerwaard | Gemeenteblad 2025, 569835 | beleidsregel |
Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2026
Het college van burgemeester en wethouders van het college Krimpenerwaard;
vast te stellen de Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2026.
In deze beleidsregels worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten en de verordening waarop deze beleidsregels zijn gebaseerd. In deze beleidsregels worden ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten en de Verordening. Deze zijn hier omschreven.
algemeen geaccepteerde arbeid: arbeid die passend is voor de inwoner, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van de inwoner.
arbeidsbeperkt: de inwoner die door ziekte of een gebrek belemmerd wordt bij het verkrijgen van een baan of het verrichten van arbeid. Een arbeidsbeperking kan een zintuiglijk of lichamelijk probleem zijn - bijvoorbeeld slechthorendheid of in een rolstoel zitten - maar ook een psychische of verstandelijke handicap.
benadelingsbedrag: het netto bedrag dat het college ten onrechte of teveel aan uitkering heeft verstrekt als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht door de inwoner. Het is het bedrag voor aftrek van de gereserveerde vakantietoeslag.
beslagvrije voet: het deel van de inkomsten waarop de schuldeiser in feite geen beslag kan leggen. Dit is zo geregeld in de wet, omdat iedereen recht heeft op een bepaald minimuminkomen. Van deze beslagvrije voet moet iemand zijn vaste lasten betalen en voorzien in zijn levensonderhoud. De hoogte van de beslagvrije voet bedraagt in principe 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. In de enkele gevallen wordt de beslagvrije voet verhoogd of verlaagd. De hoogte van de beslagvrije voet wordt analoog aan artikel 475d & g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vastgesteld.
boete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a PW, artikel 20a eerste lid van de IOAW/IOAZ.
bruteren: het verhogen van de vordering met de loonheffing en premies volksverzekeringen waardoor het college die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.
debiteur: degene van wie wordt teruggevorderd.
draagkracht: het (restant) gedeelte van de middelen die moet worden gebruikt om de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan te betalen.
draagkrachtperiode: de periode van 12 maanden waarover de draagkracht berekend wordt.
vermogen: is een vermogen op of boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet.
forfaitaire loonkostensubsidie: tijdens de eerste 6 maanden van een arbeidsovereenkomst geldt een fictieve loonwaarde van 50%. Dit betekent dat er 50% van het minimumloon (naar rato van het aantal werkuren) wordt gecompenseerd, plus een wettelijk vastgesteld percentage werkgeverslasten over dat bedrag.
gift: een onverplichte betaling van geld of goederen uit vrijgevigheid door een natuurlijk persoon of een instelling.
inkomsten uit arbeid: alle (parttime) inkomsten uit arbeid in loondienst en inkomsten uit eigen onderneming.
inkomstenvrijlating algemeen: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2 onderdeel n van de PW , artikel 8, lid 2 van de IOAW en artikel 8, lid 3 van de IOAZ.
inkomstenvrijlating aanvullend: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2 onderdeel r van de PW, artikel 8, lid 5 van de IOAW en artikel 8, lid 9 van de IOAZ.
inkomstenvrijlating medisch urenbeperkte inwoner: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2, onderdeel y van de PW, artikel 8, lid 7 van de IOAW en artikel 8, lid 11 van de IOAZ.
inlichtingenplicht: de verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de PW en artikel 13, eerste lid IOAW en artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de SUWI.
invorderen: het innen van een vordering.
inwoner: de persoon die zijn woonplaats heeft binnen het college volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft. Gaat het om schuldhulpverlening, dan betreft het degene die in de basisregistratie personen van het college als ingezetene is ingeschreven. Voor de toepassing van hoofdstuk 6 wordt onder inwoner ook verstaan: de persoon die hulp van het college heeft gehad maar zijn woonplaats niet meer daar heeft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor hulp door het college.
IOAW: Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkeloze werknemers.
IOAZ: Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen.
kind: ten laste komend kind zoals beschreven in de PW (artikel 4, eerste lid onder e).
kinderopvang: opvang van kinderen:
loopjaar: van 1 maart van een kalenderjaar tot 1 maart van het volgende kalenderjaar.
maatwerkvoorziening Wmo/Jeugd: persoonlijke hulp die op grond van de Wmo of Jeugdwet wordt verleend.
MAP: Module Arbeidsparticipatie.
peildatum: meetmoment voor het vaststellen van het recht op een inkomensvoorziening
peiljaar: het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.
PIP: Persoonlijk Inburgeringsplan
PVT: Participatieverklaringstraject.
Rv: Wetboek van burgerlijke rechtsvordering.
terugvorderen: door het college ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering of lening die wordt teruggevorderd op basis van een terugvorderingsbesluit.
toevoeging: gesubsidieerde mediation of gesubsidieerde rechtsbijstand van de Raad voor Rechtsbijstand
tussenschoolse opvang: opvang van schoolkinderen in de middagpauze.
UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
Verordening: Verordening Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2022.
vordering volgend uit schending inlichtingenplicht: vordering die is ontstaan op grond van artikel 58 lid 1 PW, artikel 25 lid 1 IOAW of artikel 25 lid 1 IOAZ als gevolg van schending inlichtingenplicht op grond van artikel 17 lid 1 van de Participatiewet.PW.
verzekeringsjaar: van 1 januari tot 1 januari, een kalenderjaar.
voedingsgeld: Dit is geld dat wordt verstrekt door een instelling en is bedoeld voor aanschaf maatlijden ter vervanging van maaltijden die anders geregeld worden door de instelling zelf.
volledig arbeidsongeschikt: arbeidsongeschiktheid van minimaal 80%.
werkplekaanpassing: aanpassing op of rond de werkplek, die ervoor zorgt dat de werknemer met een structurele functionele beperking zijn werk kan uitvoeren.
Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
zakelijke lasten woning: de lasten die het college en het waterschap jaarlijks bij de inwoner in rekening brengen. Denk bijvoorbeeld aan de onroerendezaakbelasting (OZB) of het rioolrecht.
Deze beleidsregels geven gemeentelijke regels over de uitvoering van de volgende onderwerpen:
Deze beleidsregels ondersteunen net als de Verordening Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2022 (inclusief de Eerste en Tweede Wijziging) (hierna: “de Verordening”) de werkwijze van het college. Er wordt meegedacht met de inwoner over het effect dat hij wil bereiken en bekeken wordt of dit past binnen de doelstelling van de wetten van het sociaal domein. Vervolgens wordt bekeken welke wettelijke instrumenten het college heeft om dit doel met en voor de inwoner te realiseren.
In Hoofdstuk 1 van de Verordening zijn de doelstellingen beschreven die het college Krimpenerwaard belangrijk vindt, namelijk:
Het is de taak van het college om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:
Deze beleidsregels geven invulling aan de Verordening en de wettelijke regels. Het zijn regels voor de uitvoering.
De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de wet en in de Verordening. Nieuwe begrippen worden toegelicht in Hoofdstuk 8.
1.4 Artikel, wet en verordening
In deze beleidsregels is per artikel aangegeven op welke wetten (zie de wetten genoemd in artikel 1.1) het artikel is gebaseerd. Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht) genoemd. Die verwijzing staat er als er in de Awb specifieke bepalingen zijn die op dat artikel van toepassing zijn. Als de beleidsregels een nadere uitwerking zijn van de Verordening wordt dit ook aangegeven.
PW | IOAW | IOAZ | Wgs | Wi2021 | Wmo | Gemeentewet | Awb | Burgerlijk Wetboek | Verordening
In Hoofdstuk 3 van de Verordening wordt beschreven welke hulp het college kan bieden aan inwoners bij participatie, bij het vinden van de weg naar werk en inburgering. In dit hoofdstuk wordt waar nodig een verdere invulling gegeven aan de regels van de Verordening. Het college kan de hulp zoals beschreven in dit hoofdstuk, ook zonder aanvraag van de inwoner of werkgever toekennen.
3.1 Voorzieningen – Werk en Participatie
Onder vervoersvoorzieningen worden in ieder geval verstaan: een kilometervergoeding voor het gebruik van een eigen (aangepaste) auto of van een –aangepaste- bruikleenauto, inzet van een chauffeur voor de privéauto, begeleiding bij het reizen met het openbaar vervoer, een (rolstoel-)taxikostenvergoeding, aanpassing van de eigen auto of ander vervoermiddel.
3.1.6 Vrij besteedbaar budget voor uitvoering
Het college kan een vergoeding van maximaal € 500,- per inwoner verstrekken voor een voorziening die noodzakelijk is voor het krijgen of behouden van arbeid, een re-integratietraject, inburgeringstraject, scholingstraject of voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het college maakt alleen van deze mogelijkheid gebruik als andere voorzieningen uit de Verordening en deze beleidsregels geen oplossing bieden en er geen andere (voorliggende) voorziening is. Het college bepaalt wanneer en hoe vaak de vergoeding per inwoner wordt ingezet.
3.2.3 Persoonlijk Inburgeringsplan (PIP)
In het PIP worden de volgende onderwerpen vastgesteld:
3.2.5 Voortgangsgesprekken inburgering plichtige
Tijdens de Brede Intake wordt in het PIP het aantal voortgangsgesprekken afgesproken, waarbij de resultaten en de voortgang van het inburgeringstraject worden besproken. In het eerste jaar vindt er een voortgangsgesprek plaats. De inburgering plichtige krijgt een verslag van dit voortgangsgesprek.
3.2.6 Maatschappelijke begeleiding statushouders
Statushouders hebben recht op maatschappelijke begeleiding. Zij worden ondersteund in praktische zaken en krijgen voorlichting over de Nederlandse samenleving en basisvoorzieningen zoals wonen, onderwijs en zorg. De maatschappelijke begeleiding start op het moment dat de statushouder in het college is ingeschreven. Maatschappelijke begeleiding wordt verleend door Stichting Vluchtelingenwerk.
Als het college de inwoner een tegenprestatie oplegt dan geeft hij de inwoner eerst de mogelijkheid om zelf op zoek te gaan naar een instelling of organisatie waar de tegenprestatie kan worden uitgevoerd. Als de inwoner zelf geen geschikte instelling of organisatie vindt, kan het college een instelling of organisatie aanwijzen. Het college kan de tegenprestatie elk jaar opnieuw opleggen.
Het college betaalt de onkosten, reiskosten en de nodige verzekeringen als de instelling of organisatie waar de tegenprestatie wordt uitgevoerd dit niet betaalt.
5. Inkomen, armoede en schulden
In dit hoofdstuk wordt eerst geregeld in welke gevallen het college de uitkering verlaagd en met welke middelen het college rekening houdt bij de beoordeling van het recht op een uitkering. Het college kan volgens de wet de hoogte van de uitkering afstemmen op de persoonlijke situatie van de inwoner. Ook wordt verder uitgewerkt wat de voorwaarden en mogelijkheden van bijzondere bijstand en andere regelingen voor de ondersteuning van het inkomen zijn.
Als er bij een koopwoning, waar de overwaarde meer bedraagt dan de vrijlating genoemd in artikel 34 lid 2 onderdeel d PW, bijstand wordt verleend, gebeurt dat in de vorm van een geldlening. Hiertoe kan het college een hypotheek- of pandovereenkomst vestigen. Tot de geldlening worden ook gerekend de eventuele kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, en bijkomende kosten;
De te verstrekken bijstand moet over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag dat bijstand wordt verleend, hoger zijn dan eenmaal het netto minimum maandloon inclusief vakantietoeslag voor een gehuwde werknemer. Als er naar verwachting minder bijstand verstrekt zal worden, wordt er bijstand om niet verstrekt;
Het college kan binnen de wettelijke kaders bepalen welke middelen niet tot het inkomen of vermogen worden gerekend. Deze paragraaf geeft hiervoor de kaders.
5.3.1 Inlichtingenplicht en medewerkingsplicht
De inwoner informeert het college uit zichzelf zo snel en volledig mogelijk over alles wat van belang kan zijn voor het recht op bijstand, zoals bijvoorbeeld ontvangen inkomsten en vermogen. Het college ontvangt binnen twee weken nadat het college om informatie heeft gevraagd alle informatie, documenten en bewijsstukken van de inwoner.
5.3.3 Vrijlating van een vergoeding van materiële en immateriële schade
Onderstaande betreffen materiële en immateriële schadevergoedingen die buiten artikel 31 lid 2 onderdeel l PW vallen.
De waarde van een uitvaartverzekering wordt niet tot het vermogen gerekend. Ook uitvaartverzekeringen voor minderjarige kinderen worden niet tot het vermogen gerekend. Indien de inwoner geld op een rekening heeft vastgezet voor de uitvaart, dat uitsluitend wordt uitgekeerd bij overlijden wordt niet tot het vermogen gerekend.
Eén motorvoertuig per uitkering met een waarde tot maximaal € 5.000,- wordt beschouwd als algemeen gebruikelijk. Als de waarde meer bedraagt dan € 5.000,-, wordt het meerdere aangemerkt als vermogen. Wanneer de inwoner over meerdere voertuigen beschikt, wordt de vrijlating toegepast op het voertuig met de hoogste waarde. Overige voertuigen worden volledig tot het vermogen gerekend. De waarde kan aangetoond worden via de ANWB-koerslijst of taxatierapport.
Het college heeft de bevoegdheid om binnen de wettelijke kaders bijzondere bijstand te verstrekken voor noodzakelijke kosten die voortkomen uit bijzondere omstandigheden en die naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit het inkomen.
In Bijlage 1 worden de kosten waar vaak bijzondere bijstand voor wordt aangevraagd beschreven.
Ook de voorwaarden en de wijze waarop de aanvraag beoordeeld wordt staan in deze bijlage vermeld. Het uitgangspunt is daarbij niet, dat de vaak aangevraagde voorzieningen in Bijlage 1 per definitie noodzakelijk zijn. In de Bijlage 1 staan enkel voorbeelden welke worden toegekend op het moment, dat in het individuele geval bijstandsverlening noodzakelijk wordt geacht.
5.4.1.1 Hoogte bijzondere bijstand
Bij (losse) aanvragen bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen, stofferingskosten en overig inventaris bedraagt de hoogte van de noodzakelijke kosten voor het aan te schaffen goed maximaal 80% van het bedrag dat als richtprijs wordt genoemd in de Nibud-prijzengids. De goederen uit de Nibud-prijzengids zijn niet per definitie noodzakelijk. Dit zijn enkel de goederen met bedragen die worden toegekend indien op het moment en in het individuele geval noodzakelijk zijn.
5.4.1.2 Hoogte bijzondere bijstand voor inrichtings- en stofferingskosten
De hoogte van de bijzondere bijstand wordt als volgt bepaald:
Indien de aanvraag betrekking heeft op de volledige inrichting van een woning bedraagt de hoogte van de noodzakelijke kosten maximaal 45% voor tabel 2.1A en maximaal 50% voor tabel 2.1B van het bedrag dat in de Nibud-prijzengids genoemd wordt per inventarisatiepakket. De inrichtingskosten wordt verstrekt als renteloze geldlening.
Indien de aanvraag betrekking heeft op de volledige inrichting van een kamer bedraagt de hoogte van de noodzakelijke kosten maximaal 25% van het bedrag dat in de Nibud-prijzengids genoemd wordt per inventarisatiepakket naar huishoudtype. De inrichtingskosten wordt verstrekt als renteloze geldlening.
Indien de aanvraag betrekking heeft op de volledige stoffering van een woning bedraag de hoogte van de noodzakelijke kosten maximaal 80% van het bedrag dat in de Nibud-prijzengids genoemd wordt bij het inventarisatiepakket voor stoffering naar huishoudtype. De stofferingskosten wordt verstrekt om niet.
5.5 Individuele inkomenstoeslag
Een individuele inkomenstoeslag wordt toegekend per peildatum. De inwoner mag vanaf 4 weken voor de nieuwe peildatum een aanvraag indienen.
Er wordt bij een aanvraag voor een voorziening uit deze paragraaf geen rekening gehouden met toegepaste verlagingen van de bijstand als gevolg van het niet hebben van woonlasten. Bij een aanvraag voor een voorziening uit deze paragraaf zijn de gestelde bepalingen uit de verordening van toepassing.
5.6.1.2 Schoolkosten en computer
Een ouder kan voor zijn/haar kind van 0 tot 18 jaar één keer per jaar een kindpas van €85,- aanvragen. Een kindpas is een betaalpas waarmee onder andere kleding, jassen, schoenen en leesboekjes kan worden gekocht. Deze pas kan ieder jaar van 1 januari tot en met 31 oktober worden aangevraagd en kan worden besteed van 2 januari tot en met 31 december.
Een ouder kan voor zijn/haar kind van 4 tot 18 jaar in het basis- of voortgezet onderwijs voorzieningen aanvragen voor een:
schoolspullenpas. De Schoolspullenpas is een betaalpas waarmee schoolspullen zoals schriften, pennen, etuis, tassen en rekenmachines kunnen worden gekocht. Deze pas kan ieder schooljaar worden aangevraagd van 1 januari tot en met 31 oktober en kan worden besteed van 1 juni tot en met 31 december. De bijdrage is € 25,- het basisonderwijs, € 150,- voor de brugklas en € 75,- voor de overige jaren in het voortgezet onderwijs;
De inwoner kan ieder jaar voor 1 januari een aanvraag indienen via www.gezondverzekerd.nl. Het college beoordeelt de aanvraag.
Het college controleert inwoners die een collectieve zorgverzekering hebben, maar die gedurende het verzekeringsjaar uitstromen naar werk of verhuizen naar een andere gemeente. Ook controleert het college via een steekproef inwoners die een collectieve zorgverzekering hebben, maar geen bijstandsuitkering of in de 12 maanden voorafgaand aan de steekproef geen minimaregeling of bijzondere bijstand hebben ontvangen. De steekproef omvat 10% van de niet-uitkeringsgerechtigden zonder AOW-uitkering, Wajonguitkering of IVA-uitkering. De steekproef kan als dat nodig is worden uitgebreid.
Inwoners kunnen de collectieve zorgverzekering tijdens het verzekeringsjaar opzeggen bij het college of de zorgverzekeraar. De verzekering wordt gestopt per de eerst mogelijk datum; dit is in principe 1 januari van het volgende verzekeringsjaar. De inwoner is verantwoordelijk voor het op tijd opzeggen van de zorgverzekering bij de zorgverzekeraar.
Deze voorziening is er voor inwoners met een laag inkomen die chronisch ziek zijn of een beperking hebben en hierdoor hoge ziektekosten hebben. In deze paragraaf worden de verdere regels besproken.
De doelgroep van deze voorziening is de inwoner met laag inkomen of een laag besteedbaar inkomen vanwege schulden, die:
Indien de inwoner niet voldoet aan één van de indicaties uit lid 1, kan de inwoner met een bewijs (bijvoorbeeld een diabetespas, medicijnoverzicht van de apotheek, of een document waaruit blijkt dat de inwoner een chronische ziekte heeft) aantonen dat hij of zij een chronische ziekte of een beperking heeft. Het college gaat er dan van uit dat sprake is van meerkosten.
6. Afspraken tussen inwoner en gemeente
In de Verordening is beschreven op welke manier het college en de inwoner met elkaar omgaan. Opgenomen is hoe het college zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Verder wordt in de Verordening beschreven wat het college doet als de inwoner zich niet houdt aan de afspraken die te maken hebben met Werk en Participatie. In dit hoofdstuk staat wat het college doet als inwoners zich niet houden aan de verplichting om informatie te verschaffen, en op welke manier een uitkering van de inwoner wordt teruggevorderd.
Het college geeft geen boete maar een waarschuwing als:
Als de inwoner binnen een periode van twee jaar nadat een waarschuwing is gegeven opnieuw de inlichtingenplicht overtreedt met een benadelingsbedrag dat lager is dan € 150,-, kan niet opnieuw een waarschuwing worden gegeven maar wordt een boete opgelegd van € 150,-.
6.1.5 Geen boete of waarschuwing
Er wordt geen boete opgelegd en er wordt geen waarschuwing gegeven als de inlichtingenplicht niet wordt nagekomen als het gaat om wijzigingen in de situatie van een medebewoner van 27 jaar of ouder. Hierbij kan het gaan om een wijziging in de studie (stoppen of starten), verhuizing (in komen wonen of vertrekken) en het bereiken van de leeftijd van 27 jaar.
6.2.2 Uitzonderingen terugvorderen
Het college vordert geen uitkering terug als voldaan is aan de inlichtingenplicht en als:
6.2.4 Kwijtschelden van terugvordering
In de wet is bepaald wanneer het college kan stoppen met terugvorderen bij vorderingen die zijn ontstaan door het schenden van de inlichtingenplicht (artikel 58, lid 7 PW, artikel 25 lid 2 en 3, IOAW/IOAZ). Deze voorwaarden gelden ook voor vorderingen die niet zijn ontstaan door het schenden van de inlichtingenplicht. In dit geval wordt geen termijn van 10 jaar, maar van 5 jaar, aangehouden.
6.2.7 Stoppen met terugvorderen niet mogelijk
Het college ziet niet af van (verdere) terugvordering als de openstaande bedragen door pand of hypotheek op een goed of op goederen zijn gedekt, voor zover zij op die goederen verhaald kunnen worden.
Als de inwoner met een inkomen hoger dan de bijstandsnorm kan aantonen dat terugbetaling binnen drie jaar onmogelijk is, dan wordt de betalingsafspraak afgestemd op de persoonlijke situatie. Uitgangspunt hierbij is een aflossing van 35% van het inkomen boven de bijstandsnorm. Dit komt bovenop de verplichte minimale aflossing van 5% van de bijstandsnorm. Er wordt altijd rekening gehouden met de beslag vrije voet.
In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke beleidsregels vervangen worden door deze beleidsregels en wanneer deze beleidsregels ingaan. Hier is ook opgenomen dat het college met regelmaat beoordeelt of de beleidsregels nog goed werken, wat de officiële naam is van deze beleidsregels en dat het college van deze beleidsregels kan afwijken als dit echt nodig is.
7.1 Onderzoek naar de werking van de beleidsregels
Het college heeft de mogelijkheid om te onderzoeken of de beleidsregels voldoende bijdragen aan de doelen die het college wil bereiken. Om dat te kunnen nagaan verzamelt het college systematisch informatie over alles wat van belang is om tot een goede evaluatie te komen. Het college houdt zich daarbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
7.2 Afwijken van de beleidsregels (hardheidsclausule)
Het college kan afwijken van een bepaling uit deze beleidsregels als toepassing van die bepaling volgens het college een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is volgens artikel 4:84 Awb. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1 genoemde wetten en Verordening of de doelen van deze beleidsregels door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.
Aldus besloten in de vergadering van het college en wethouders van het college Krimpenerwaard, gehouden op 2 december 2025.
De secretaris,
J. Hennip
de burgemeester,
Ir. J. Beenakker
Bijlage 1: Bijzondere bijstand
Werkwijze Beoordeling aanvraag
Welk doel wil de inwoner bereiken?
Wat wil de inwoner? Wat wil het college? Is er een gedeeld doel?
Kan het gewenste doel worden ondersteund vanuit de principes van de wetten en de belangrijkste waarden van het college?
Bekijk de doelen op korte en lange termijn, voor de inwoner en de omgeving. Wat zijn de overwegingen?
Stap 4: randvoorwaarden (wet- en regelgeving)
Wat zijn de juridische en organisatorische randvoorwaarden om de oplossing mogelijk te maken? Onder welke voorwaarden kan het plan tot uitvoering komen.
Geef waar mogelijk de wetsartikelen aan die de randvoorwaarden bepalen.
Bespreek wat van de inwoner, van het college en van betrokken hulpverleners wordt verwacht.
Vaak aangevraagde voorzieningen
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-569835.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.