Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020, vierde wijziging

De raad van de gemeente Roerdalen heeft;

 

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 oktober 2025,

 

gelet op het bepaalde in de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Roerdalen 2020;

 

het volgende besluit genomen:

 

Besluit:

 

  • 1.

    Vast te stellen de navolgende Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020, vierde wijziging:

Artikel I  

De Verordening wordt als volgt gewijzigd:

 

  • Artikel 1, onder f wordt gewijzigd in:

    bovengebruikelijke hulp: hulp die in omvang, intensiteit of frequentie uitstijgt boven wat als algemeen gebruikelijk geldt in vergelijkbare situaties.

  • Artikel 1 onder k wordt gewijzigd in:

    eigen kracht: het vermogen van een persoon om zelf of met het sociaal netwerk, mantelzorg, gebruikelijke hulp en/of algemene voorziening(en) oplossingen te vinden voor de hulpvraag en deze oplossingen (deels) zelf uit te voeren.

  • Artikel 3 lid 1. wordt gewijzigd in:

    • 1.

      Na ontvangst van een hulpvraag, start het college het onderzoek volgens artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en artikel 2.3 lid 4 van de Jeugdwet. Een gesprek met de cliënt en eventueel zijn vertegenwoordiger, zijn mantelzorger(s), zijn familie en/of een onafhankelijke cliëntondersteuner maakt deel uit van het onderzoek. Voor zover het onderzoek plaatsvindt op grond van de Jeugdwet, worden daarbij tevens de aspecten zoals genoemd in Bijlage 3 in acht genomen.

  • In artikel 3 worden de leden 2 tot en met 5 vernummerd tot 3 tot en met 6, en wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

    • 2.

      Voor zover het een hulpvraag in het kader van de Jeugdwet betreft, is het college bevoegd de uitvoering van haar taken te mandateren aan een daartoe aangewezen instantie. Deze instantie handelt binnen de kaders van het mandaatbesluit en is gehouden aan de kwaliteitseisen zoals genoemd in artikel 4.

  • Er wordt een nieuw artikel 3 lid 7 ingevoegd, dat luidt als volgt:

    • 7.

      Voor de toepassing van de begrippen ‘eigen kracht’ en ‘gebruikelijk hulp’ in het kader van de Jeugdwet wordt uitgegaan van het gestelde in Bijlage 2 bij deze verordening. Bij de beoordeling hiervan wordt tevens aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wet langdurige zorg 2024, zoals deze luidde op 1 januari 2024.

  • Het huidige artikel 3 lid 6 wordt vernummerd naar lid 8.

  • Er wordt een nieuw artikel 4 ingevoegd, dat luidt als volgt:

    Artikel 4. Gemeentelijke toegang en kwaliteitseisen van toegang [Jeugdwet]

    • 1.

      Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van relevante deskundigheid met betrekking tot:

      • a.

        opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

      • b.

        opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd;

      • c.

        taal- en leerproblemen;

      • d.

        somatische aandoeningen;

      • e.

        lichamelijke- of verstandelijke beperkingen, en

      • f.

        kindermishandeling en huiselijk geweld.

    • 2.

      Indien het college besluit over het verzoek om een maatwerkvoorziening gelden de navolgende kwaliteitseisen:

      • a.

        Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional;

      • b.

        De geregistreerde professional beschikt bij de aanvraag over de passende deskundigheid en/of ervaring conform de indeling genoemd in lid 1;

      • c.

        Indien de geregistreerde professional deze kennis of ervaring niet zelf heeft, dient ten minste één andere geregistreerde professional te worden geraadpleegd en om advies te worden gevraagd over de aanvraag. Dit advies wordt opgenomen in de weergave van het onderzoek.

    • 3.

      Om de deskundigheid van het besluit tot inzet van een voorziening te waarborgen geldt dat:

      • a.

        Bij het onderzoek gebruik wordt gemaakt van gevalideerde instrumenten door een daartoe opgeleide professional;

      • b.

        Indien er geen instrument beschikbaar is wordt een daartoe opgeleide professional met relevante kennis en kundigheid over de gestelde hulpvraag betrokken bij de advisering over, bepaling van en het inzetten van voorzieningen;

      • c.

        Te allen tijde bij de vraag passende academisch opgeleide professionals beschikbaar zijn voor advisering en besluitvorming.

    • 4.

      Voor de besluitvorming kan informatie van gecontracteerde aanbieders worden gebruikt, de besluitvorming mag niet aan deze aanbieders worden overgedragen.

    • 5.

      Er dient te worden gehandeld conform de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming.

    • 6.

      De betrokken jeugdigen worden waar mogelijk gesproken:

      • a.

        Vanaf 12 jaar gebeurt dit in ieder geval, tenzij de jeugdige niet tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is;

      • b.

        Onder de 12 jaar wordt een jeugdige gehoord tenzij dit niet mogelijk is of in strijd is met het belang van het kind.

  • Het huidige artikel 4 wordt vernummerd naar artikel 5.

  • Het huidige artikel 5 lid 2 wordt gewijzigd als volgt:

    • 2.

      Jeugdhulp die op verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts die is ingezet door een niet gecontracteerde of niet gesubsidieerde aanbieder, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Dit is slechts anders als aan de voorwaarden voor een pgb wordt voldaan én het college geen vergelijkbare hulp kan aanbieden via een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder.

  • Het huidige artikel 5.lid 3 wordt gewijzigd als volgt:

    • 3.

      De jeugdhulpaanbieder beoordeelt de hulpvraag overeenkomstig deze verordening en handelt volgens de afspraken die hierover zijn vastgelegd in het met de gemeenten gesloten contract of de verleende subsidie.

  • Er wordt een nieuw artikel 6 ingevoegd, dat luidt als volgt:

    Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter [Jeugdwet]

    • 1.

      Het college draagt, in overeenstemming met de Jeugdwet, zorg voor de inzet van jeugdhulp die rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van een justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.

    • 2.

      De gecertificeerde instelling is in beginstel gebonden aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht.

  • Er wordt een nieuw artikel 7 ingevoegd, dat luidt als volgt:

    Artikel 7. Identificatie [Wmo/Jeugdwet]

    • 1.

      Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en de ouder of wettelijk vertegenwoordiger grond van de Jeugdwet vast aan de hand van door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op identificatieplicht.

    • 2.

      Voor cliënten op grond van de Wmo 2015 geldt dat het college de identiteit vaststelt met een geldig identiteitsdocument alvorens tot besluitvorming over te gaan op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel uit de Awb.

  • Het huidige artikel 5 wordt vernummerd naar artikel 8.

  • Het huidige artikel 6 wordt vernummerd naar artikel 9.

  • In artikel 9 worden de leden 4 en 5 vernummerd tot 5 en 6, en wordt een nieuw lid 4 ingevoegd, luidende:

    Een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet wordt, met inachtneming van het gestelde in lid 2 en 3 van dit artikel, toegekend als deze naar het oordeel van het college doeltreffend is in het oplossen van de hulpvraag. Daarbij wordt in beginsel gekozen voor een bewezen effectieve voorziening.

  • Het huidige artikel 7 wordt vernummerd naar artikel 10.

  • Er wordt een nieuw artikel 11 ingevoegd, dat luidt als volgt:

    Artikel 11: Afstemming met andere voorzieningen [Wmo/Jeugdwet]

    • 1.

      Het college draagt zorg voor afstemming met:

      • a.

        Gezondheidszorg:

        • 1.

          Het college draagt zorg dat wanneer zij een besluit neemt over de inzet van zorg die vanaf de 18e verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de jeugdige door zal lopen, het besluit voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden door de zorgverzekeraars;

        • 2.

          Het college draagt er zorg voor dat in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige en zijn ouders worden gewezen op de consequentie dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet valt, en spant zich in voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.

      • b.

        Langdurige zorg:

        • 1.

          Het college draagt zorg dat de lokale toegang de jeugdige of zijn ouders ondersteunt richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg;

        • 2.

          Indien de jeugdige of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening.

      • c.

        Voorschoolse voorzieningen en het onderwijs:

        • 1.

          Het college draagt zorg dat locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs een contactpersoon/contactteam hebben bij de gemeentelijke toegang;

        • 2.

          Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen en onderwijszorg worden vastgelegd in het plan voor de jeugdhulp van de jeugdige en zijn ouders.

      • d.

        Maatschappelijk ondersteuning:

        • 1.

          Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de lokale toegang en de Wet maat- schappelijke ondersteuning aanbieders, indien een jeugdige of zijn ouders naast jeugdhulp- voorzieningen ook in aanmerking komen voor voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

        • 2.

          Het college draagt zorg dat wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning, de continuïteit gewaarborgd wordt en de lokale toegang een besluit hiertoe zo nodig (mede)voorbereidt.

      • e.

        Werk en inkomen:

        • 1.

          Het college draagt zorg dat de lokale toegang en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, minimaregelingen, begeleiding naar werk - te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.

  • Er wordt een nieuw artikel 12 ingevoegd, dat luidt als volgt:

    Artikel 12: Voorwaarden en weigeringsgronden [Jeugdwet]

    • 1.

      Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet indien:

      • a.

        sprake is van een hulpvraag die behoort tot de gebruikelijke opvoedingsopgaven en/ of normale ontwikkelingsuitdagingen van jeugdigen, zoals bedoeld in Bijlage 2;

      • b.

        de jeugdige of zijn ouder of wettelijk vertegenwoordiger, al dan niet met inzet van het sociaal netwerk of van andere (hulpverlenende instanties), in voldoende mate in staat zijn de noodzakelijke hulp te organiseren die aansluit bij de hulpvraag;

      • c.

        de noodzakelijk hulp naar het oordeel van het college op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met voorliggende, algemeen toegankelijke voorzieningen kan worden gerealiseerd;

      • d.

        van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger in redelijkheid kan worden verwacht dat deze zelf de benodigde hulp biedt, mede in het licht van hun wettelijke opvoedingsverantwoordelijkheid als bedoeld in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

      • e.

        redelijkerwijs van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan worden verlangd dat deze zijn maatschappelijke activiteiten, waaronder werk, aanpassen om overbelasting te voorkomen of op te heffen;

      • f.

        de benodigde hulp op andere wijze wordt bekostigd, bijvoorbeeld via de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg of de Wet kinderopvang;

      • g.

        de ouder of wettelijk vertegenwoordiger beschikt over een aanvullende zorgverzekering die de benodigde hulp dekt, en gebruik hiervan in redelijkheid kan worden verlangd;

      • h.

        de benodigde jeugdhulp uitsluitend voortkomt uit maatschappelijke, psychische of relationele problemen van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger, en naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag zoals bedoeld in de Jeugdwet. Dit geldt niet wanneer er, naast deze ouderproblematiek, sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.

  • Het huidige artikel 8 wordt vernummerd naar artikel 13.

  • In artikel 13 wordt lid 4 vernummerd naar lid 5, er wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

    • 4.

      De schriftelijke weergave van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015 en artikel 3.4 van de Jeugdwet, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.

  • Het huidige artikel 9 wordt vernummerd naar artikel 14.

  • In artikel 14 worden de leden 2 tot en met 5 vernummerd tot 3 tot en met 6, en wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

    • 2.

      Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

      • a.

        het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder dan wel het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die geen onafhankelijke organisatorische of financiële relatie heeft met de persoon of organisatie die de jeugdhulp levert, tenzij

        • I.

          hiervoor door het college toestemming is verleend of

        • II.

          de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige

      • b.

        er sprake is van onvoldoende nabijheid tot de cliënt in de vorm van (fysieke) aanwezigheid en tijd;

      • c.

        schuldenproblematiek;

      • d.

        ernstige verslavingsproblematiek;

      • e.

        aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      • f.

        een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

      • g.

        een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

      • h.

        een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

      • i.

        het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;

      • j.

        het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.

  • Het artikel 14 lid 5 wordt gewijzigd en luidt als volgt:

    • 5.

      De hoogte van een pgb bedraagt voor:

      • a.

        diensten, door:

        • 1.

          een professionele organisatie: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura, zoals door het college vastgesteld op grond van artikel 18 lid 1 van deze verordening dan wel gecontracteerd voor het betreffende jaar;

        • 2.

          een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.;

        • 3.

          een niet-zorgprofessional in loondienst: het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld en vakantie uren) en daarna vermeerderd met 20% van dat loon ten behoeve van werkgeverslasten;

        • 4.

          naaste familie: het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld);

      • b.

        begeleiding, in afwijking van sub a van dit lid, door:

        • 1.

          een professionele organisatie: maximaal een kostprijs van € 53,40 per uur voor begeleiding individueel en maximaal een kostprijs van € 35,97 per dagdeel voor begeleiding groep (prijspeil 2021), met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar);

        • 2.

          een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel;

        • 3.

          Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Indien werkgeverslasten moeten worden afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd.

      • c.

        kortdurend verblijf, in afwijking van sub a van dit lid, door:

        • 1.

          een professionele organisatie: maximaal een kostprijs van € 86,90 per etmaal (prijspeil 2021), met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar).

        • 2.

          een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.;

      • d.

        Hulp bij het huishouden, in afwijking van sub a van dit lid door:

        • I.

          Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Indien werkgeverslasten moeten worden afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd.

      • e.

        regulier vervoer van en naar de dagbesteding, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal het bedrag van € 7,79 per dag (prijspeil 2021) met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar); voor rolstoelvervoer maximaal het bedrag van € 21,73 per dag (prijspeil 2021) met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar).

      • f.

        taxi- en rolstoeltaxivervoer, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura zoals gecontracteerd voor het betreffende jaar, met een maximum van 2000 kilometers per jaar;

      • g.

        een zaak:

        • 1.

          maximaal het bedrag van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten;

        • 2.

          maximaal het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten.

  • Het huidige artikel 10 wordt vernummerd naar artikel 15. In artikel 15 komt lid 3 te vervallen.

  • Het huidige artikel 11 wordt vernummerd naar artikel 16.

  • Het huidige artikel 12 wordt gewijzigd en wordt vernummerd naar artikel 17. Lid 3 wordt gewijzigd en luidt als volgt:

    • 3.

      Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een collectieve voorziening voor vervoer, ter hoogte van €0,94 per zone (prijspeil 2025), met een jaarlijkse indexering conform de Landelijke Tarieven Index (LTI).

  • Er wordt een nieuw artikel 18 ingevoegd, dat luidt als volgt:

    Artikel 18. Controle en toezicht [Wmo/Jeugdwet]

    • 1.

      Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

    • 2.

      Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verwijzingen door derden rechtmatig zijn.

    • 3.

      Het college kan een onderzoek starten op basis van ontvangen informatie van andere instanties, zoals andere gemeenten, GGD, zorgverzekeraar of vanuit andere beleidsvelden zoals de Wmo 2015, de Participatiewet etc.

    • 4.

      Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot deze controle.

    • 5.

      Het college kan toezichthoudende ambtenaren aanwijzen die belast zijn met he toezicht op de naleving van het bepaalde bij of op grond van artikel 2.9 van de Jeugdwet en artikel 6.1. van de Wmo 2015.

    • 6.

      De aangewezen toezichthouder is, aanvullend op het gestelde in de Awb, Wmo 2015 en Jeugdwet, belast met:

      • a.

        de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener;

      • b.

        de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de pgb-beheerder;

      • c.

        controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de contracten met het college naleeft;

      • d.

        ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie.

      • e.

        eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.

  • Het huidige artikel 13 wordt vernummerd naar artikel 19. In dit artikel 19 wordt lid 10 vernummerd naar lid 11, en er wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

    • 10.

      Ter voorkoming en bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik of niet gebruik van voorzieningen op grond van de Jeugdwet kan het college maatregelen treffen. Deze maatregelen kunnen onder meer bestaan uit:

      • a.

        Het vooraf toetsen, bij een pgb- aanvraag, van de regiemogelijkheden van de ouder, jeugdige of beoogd wettelijk vertegenwoordiger, en van de kwaliteit van de zorgovereenkomst, mede met het oog op de te bereiken resultaten;

      • b.

        Het instellen van een meldpunt waar signalen over misbruik, oneigenlijk gebruik en niet- gebruik van voorzieningen kunnen worden gemeld

  • Het huidige artikel 14 wordt vernummerd naar artikel 20, en wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

    • 1.

      Aanbieders die voorzieningen leveren op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet, zorgen voor een goede kwaliteit van dienstverlening. Dit houdt in ieder geval in dat:

      voorzieningen worden afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt of jeugdige;

      • a.

        Voorzieningen worden afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt of jeugdige;

      • b.

        voorzieningen worden afgestemd op andere vormen van zorg en ondersteuning, waaronder informele zorg, die de cliënt of jeugdige of diens ouder of wettelijke vertegenwoordiger ontvangt;

      • c.

        beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard, voor zover van toepassing;

      • d.

        voorzieningen veilig, doeltreffend, cliëntgericht en resultaatgericht worden geleverd;

      • e.

        de aanbieder beschikt over een toegankelijke klachtenregeling en voorziet in cliëntmedezeggenschap, voor zover wettelijk vereist;

      • f.

        de aanbieder medewerking verleent aan het cliëntervaringsonderzoek van de gemeente;

      • g.

        aanbieders voldoen aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van transparantie en verantwoording, waaronder de jaarverantwoording, tenzij zij vallen onder een wettelijke uitzondering.

    • 2.

      Aanvullend op het eerste lid gelden voor aanbieders van jeugdhulp op grond van de Jeugdwet de volgende kwaliteitseisen:

      • a.

        jeugdhulp wordt verleend in overeenstemming met paragraaf 4.1 van de Jeugdwet en artikel 5.1.1 van het Besluit Jeugdwet;

      • b.

        beroepskrachten zijn, voor zover vereist, geregistreerd in het BIG-register of het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ);

      • c.

        de aanbieder levert de verplichte gegevens aan voor de jaarverantwoording in de zorg, tenzij sprake is van een wettelijke uitzondering, zoals bij solistisch werkende jeugdhulpverleners;

      • d.

        jeugdhulpaanbieders die zorg leveren vanuit het buitenland, voldoen aan het Afsprakenkader Buitenlands Verblijf Jeugd;

      • e.

        jeugdhulp wordt niet geleverd door aanbieders die alle ondersteuning bieden buiten de lidstaten van de Europese Unie;

      • f.

        de aanbieder voldoet aan de Wet normering topinkomens.

    • 3.

      Het college ziet toe op de naleving van de in dit artikel genoemde eisen, onder meer door:

      • a.

        periodiek overleg met aanbieders;

      • b.

        het uitvoeren van cliëntervaringsonderzoek;

      • c.

        het uitvoeren van controles op geleverde voorzieningen, zo nodig in overleg met de cliënt, jeugdige, diens ouder of wettelijk vertegenwoordiger;

      • d.

        het betrekken van inspectiegegevens en meldingen van derden bij het toezicht.

    • 4.

      Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen ter uitvoering van dit artikel.

  • De huidige artikelen 15 tot en met 18 worden vernummerd naar 21 tot en met 24.

  • Aan artikel 24 worden de leden 7 en 8 toegevoegd, en wordt lid 6 gewijzigd. Deze luiden als volgt:

    • 6.

      Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering op grond van de Jeugdwet, op ten minste de volgende kostprijselementen:

      • a.

        cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;

      • b.

        cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;

      • c.

        overheadkosten;

      • d.

        kosten voor indexering.

    • 7.

      Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste 6.

    • 8.

      Het zesde en zevende lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.

  • De huidige artikelen 19 tot en met 24 worden vernummerd naar 25 tot en met 30.

  • Toegevoegd worden bijlage 1 tot en met 3.

Artikel II  

Deze wijzigingsverordening treedt in werking op 1-1-2026 en wordt aangehaald als Vierde wijziging verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 11 december 2025.

De gemeenteraad van Roerdalen,

De griffier,

mr. M. Heijnens-Coenjaerts

De voorzitter,

ing. J.M.A. van Agtmaal

Naar boven