Gemeenteblad van Voorne aan Zee
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Voorne aan Zee | Gemeenteblad 2025, 569158 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Voorne aan Zee | Gemeenteblad 2025, 569158 | beleidsregel |
Beleidsregels Leerlingenvervoer Voorne aan Zee 2026
Deze beleidsregels behoren bij de Verordening Leerlingenvervoer Voorne aan Zee 2026, alsmede de toelichting op de verordening en zijn erop gericht om de uitvoering van het leerlingenvervoer van duidelijke handvatten te voorzien voor de beoordeling van de aanvragen. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de rechtszekerheid van de burger vergroot.
De gemeente heeft de wettelijke taak om voor passend vervoer te zorgen naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school die aansluit op de beperking van een kind en/of de levensovertuiging van de ouders/verzorgers. In eerste instantie wordt gekeken of de leerling zelf met de fiets naar school kan. Daarna wordt gekeken naar de mogelijkheden om te reizen met het eigen vervoer of openbaar vervoer (OV). Waar nodig wordt een medisch advies van een externe deskundige opgevraagd door de gemeenten.
Bij de beoordeling van de aanvragen om een vervoersvoorziening geven de Verordening Leerlingenvervoer en toelichting aan, dat de voorziening die verstrekt wordt, passend moet zijn.
Dit houdt in dat aangepast vervoer niet passend is in de volgende situaties:
Pas als deze mogelijkheden geen optie zijn, wordt aangepast vervoer ingezet. Aangepast vervoer vindt plaats in taxibusjes. Eventuele begeleiding dienen de ouder(s)/verzorger(s) zelf te organiseren en kan in overleg met de taxivervoerder plek geregeld worden.
Wat passend vervoer precies inhoudt, beschrijft de wetgeving, jurisprudentie en/of de verordening Leerlingenvervoer van de gemeente Voorne aan Zee niet. Dit zorgt ervoor dat op individueel niveau een beoordeling plaats moet vinden, om de juiste vervoersvoorziening voor de leerling te kunnen bepalen. De passende vervoersvoorziening wordt bepaald door de leeftijd, de medische mogelijkheden van de leerling en de infrastructurele mogelijkheden op het traject woning-school en vice versa.
Bij de beoordeling welke vervoersvoorziening past bij de eigen kracht van de leerling, die valt binnen de verordening leerlingenvervoer, dient de ouder/verzorger een toelaatbaarheidsverklaring en bewijs van inschrijving bij de aanvraag toe te voegen.
Betreft de aanvraag voor een vervoersvoorziening een leerling die naar het speciaal basisonderwijs gaat, wordt aangepast vervoer toegekend.
De gemeente kan ook medisch advies inwinnen bij onafhankelijke deskundigen. De beoordelingsrichtlijn hierbij is als volgt:
Als ouders/verzorgers een medische verklaring kunnen overhandigen, waarom de leerling niet (zelfstandig) kan fietsen of (zelfstandig) met het openbaar vervoer kan reizen, die door een arts/therapeut (BIG/SKJ geregistreerd) ondertekend is, dan hoeft de leerling niet voor een medische keuring aangemeld te worden.
Het onafhankelijke adviesbureau gaat uit van bovenstaande beoordelingsrichtlijn. Leerlingen die zelfstandig met fiets of het openbaar vervoer naar school gaan, worden niet voor een medische indicatie opgeroepen. De kosten voor de onafhankelijke medische indicatiestelling zijn voor rekening van de gemeente Voorne aan Zee. Eventuele kosten voor door de ouders/verzorgers niet nagekomen of niet tijdig afgezegde afspraken worden aan de ouders/verzorgers doorberekend.
Als onderdeel van inclusiever onderwijs in Voorne aan Zee ontstaan er meer scholen die als reguliere school zijn aangewezen, maar ook speciale klassen hebben. Deze speciale klassen zijn voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften die deels of volledig in een reguliere schoolomgeving les volgen, al dan niet in aparte klassen of groepen. Voorbeelden hiervan zijn symbiose onderwijs, integratieklassen of onderwijs-zorgarrangementen. Een passende vervoersvoorziening kan worden toegekend wanneer de leerling naar een als regulier aangewezen school gaat en in één van deze speciale klassen les gaat volgen. Ouders/verzorgers dienen een verklaring van de school als bewijsstuk in te dienen bij de gemeente om aanspraak te maken op de passende vervoersvoorziening voor de leerling.
Artikel 2: Meerjarenbeschikking
Een meerjarenbeschikking voor leerlingenvervoer is een toekenning van vervoer voor een langere periode dan één schooljaar, vaak voor meerdere jaren.
Voor het speciaal basisonderwijs wordt een meerjarenbeschikking afgegeven aan een leerling voor de gehele basisschoolperiode.
Leerlingen die potentie hebben om uiteindelijk zelfstandig te kunnen reizen, zullen vanaf groep 7 samen met hun ouders/verzorgers uitgenodigd worden door de gemeente om gezamenlijk een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan op te stellen (zie artikel 5). Het doel hiervan is om de leerling zelfstandig naar het voortgezet (speciaal) onderwijs te laten reizen, of al eerder naar het speciaal basisonderwijs.
Voor het Speciaal Voortgezet Onderwijs wordt een meerjarenbeschikking minimaal 1 jaar, maximaal 4 jaar toegekend, afhankelijk van de uitslag van het onafhankelijk medisch advies.
Een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) van het samenwerkingsverband is een vereiste om een meerjarenbeschikking te ontvangen voor het voortgezet speciaal onderwijs.
Artikel 3: Verantwoordelijkheid ouders/verzorgers
Uit wetgeving en jurisprudentie blijkt steeds weer dat de ouders/verzorgers verantwoordelijk zijn voor het naar school brengen van hun kinderen. Daar waar de beperking van het kind echter financiële ondersteuning vraagt, kan de gemeente bijspringen. Uit jurisprudentie blijkt dat ouders/verzorgers eventuele begeleiding niet zelf hoeven te leveren, maar wel zelf moeten verzorgen/organiseren. Veel kinderen kunnen ondanks hun (soms lichte) beperking prima onder begeleiding van een volwassene fietsen of gebruik maken van het openbaar vervoer. Ouders/verzorgers hebben echter vaak grote moeite om de begeleiding van hun kind (door henzelf of door een ander) te organiseren. Hoe moeilijk dit ook te organiseren is, er blijkt voor de rechter vrijwel geen reden te zijn om de verantwoordelijkheid van ouders/verzorgers over te dragen aan de gemeente.
De gemeente Voorne aan Zee is zich bewust van de dilemma’s in de gezinnen betreffende het begeleidingsvraagstuk in het leerlingenvervoer. Toch wil ze, rekening houdende met het amendement van de Kamerleden Dijkgraaf en Ferrier van 5 maart 2012, aansluiten bij de bestaande jurisprudentie, waarbij ouders/verzorgers zelf verantwoordelijk zijn voor de schoolgang en begeleiding van hun kind. De inzet die van ouders/verzorgers wordt gevraagd moet redelijk zijn. Van ouders/verzorgers mag uiteraard een bepaalde mate van inzet verwacht worden, maar die inzet mag niet zover gaan dat de mogelijkheid van leerlingenvervoer onmogelijk wordt. Ze wil er echter ook voor haar burgers zijn, als het nodig is. Er kunnen omstandigheden zijn (bijv. een beperking bij de ouder(s), meerdere kinderen in het gezin naar het speciaal onderwijs) die maken dat ouders/verzorgers onmachtig zijn om de begeleiding voor hun kind te organiseren. In dergelijke situaties kan de gemeente overgaan tot het aanbieden van aangepast vervoer indien door de ouders/verzorgers wordt aangetoond dat zij alles hebben gedaan om de begeleiding van hun kind te organiseren.
Als het echt onmogelijk is hun kind in het openbaar vervoer te begeleiden, of deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden (bezwarende gezinsomstandigheden), dienen de ouders/verzorgers dit op een voor de gemeente bevredigende wijze aan te tonen. Van ouders/verzorgers wordt verwacht dat zij allereerst zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun kinderen, wanneer dat nodig is.
Artikel 4: Bezwarende gezinsomstandigheden
In artikel 23 van de verordening wordt gesproken over ‘ernstige benadeling van het gezin’ om aangepast vervoer te verstrekken in plaats van bijvoorbeeld openbaar vervoer met begeleiding. Bij een eenoudergezin wordt gekeken naar de mogelijkheden van de ene ouder; bij een gezin met twee ouders naar de mogelijkheden van beide ouders. Daarnaast wordt ook gekeken naar de begeleidingsmogelijkheden in het sociale netwerk van de ouders.
Dat feitelijk sprake is van bezwarende gezinsomstandigheden moet door de ouder(s) worden aangetoond. Het feit dat ouders beiden werken vormt geen zelfstandige reden om aangepast vervoer per taxi(busje) toe te kennen. De verantwoording voor het schoolbezoek dragen zij zelf. Begeleiding is primair een taak van de ouders. Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Die kan gevonden worden door bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of anderen in te schakelen. Overigens blijft naast de hier genoemde gevallen altijd artikel 28 van de verordening (afwijken van bepalingen) van toepassing.
Van ernstige benadeling van het gezin kan sprake zijn, als één van de volgende situaties aanwezig is (enkel van toepassing voor die gezinnen van leerlingen die in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening):
Het een eenouder gezin betreft waarin het oudste kind naar het voortgezet speciaal onderwijs gaat en een 2e kind jonger dan 12 jaar aanwezig is, maar door een medische aandoening extra zorg van de ouder nodig heeft. Dit dient door een medische deskundige te worden vastgesteld en ouders dienen hiervoor een medische verklaring te leveren;
Het feit dat beide ouders werken is geen reden om aanspraak te maken op aangepast vervoer. Wel bestaat aanspraak op aangepast vervoer als bij het vervoer naar een school naar (voortgezet) speciaal onderwijs die verder weg ligt dan 6 kilometer de tijdsduur van de begeleiding langer is dan 4 uur per dag;
De ouder(s) een werkgeversverklaring kunnen indienen waarin wordt vermeld dat ontslag volgt zodra de ouder(s)/verzorger(s) minder uren gaan werken om het kind naar school te brengen en op te halen.[NN2.1] Dit geldt alleen voor ouders/verzorgers waarvan de leerlingen naar het VSO gaan die niet zelfstandig met de fiets of het openbaar vervoer kunnen reizen.
Bewijsstukken dienen door ouders/verzorgers overlegd te worden indien een beroep wordt gedaan op bezwarende gezinsomstandigheden. De gemeente kan hierin mee denken.
Artikel 5: Stimuleren reizen met fiets en openbaar vervoer
Om het vervoer per fiets te stimuleren, wordt bij de toekenning van de fietsvergoeding het drempelbedrag aan deze groep leerlingen niet in rekening gebracht. Er wordt uitgegaan van maximaal 15 kilometer die een leerling moet afleggen op de fiets om op het voortgezet (speciaal) onderwijs te komen.
Van kinderen die naar het voortgezet (speciaal) onderwijs gaan, wordt verwacht dat zij zelfstandig kunnen fietsen of gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer (eventueel met begeleiding). Vanaf groep 7 wordt een afspraak met ouders/verzorgers en de leerling ingepland om een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan op te stellen. Het doel van het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan is om de leerling in staat te stellen alsnog zelfstandig te kunnen reizen, waarbij hij niet langer op een vervoersvoorziening is aangewezen. Als dat niet mogelijk is dan wordt de leerling door middel van de vervoerstraining ondersteund in het zo zelfstandig mogelijk reizen, waardoor hij gebruik kan maken van een goedkopere vervoersvoorziening, waarbij hij bijvoorbeeld niet langer afhankelijk is van een begeleider die met hem meereist.
Het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan wordt samen met ouders/verzorgers en de desbetreffende leerling opgesteld. In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan wordt uitgegaan van de stimulering vanuit de ouders/verzorgers om dit met hun kind(eren) te oefenen.
Het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan wordt tussentijds geëvalueerd met ouders en leerling. Aan de hand van het evaluatiemoment wordt de voortgang besproken. Ook kan het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan tijdens dit evaluatiemoment aangepast worden wanneer dit nodig blijkt te zijn.
Indien er twijfel bestaat over de fietsmogelijkheden van de leerling kan advies worden opgevraagd over de medische beperkingen van de leerling met betrekking tot reizen met de fiets. Hiervoor moet een medische verklaring (BIG/SKJ) aangeleverd worden.
De mogelijkheid wordt geboden om een fietsvergoeding voor de zomermaanden te verstrekken en een andere vervoersvoorziening voor de overige maanden. (openbaar vervoer of eigen vervoer tussen herfstvakantie en voorjaarsvakantie, tot 1 maart).
Artikel 6: Alternatieve adressen
Het leerlingenvervoer is bedoeld voor het vervoer tussen de woning en de school en vice versa. Een aantal kinderen bezoekt na de school echter nog een andere activiteit, zoals een buitenschoolse opvang, een oppasadres, een medische behandeling, etc. Hiervoor is het leerlingenvervoer niet bedoeld. De basisregel is dat deze vorm van vervoersvoorziening niet kan worden gebruikt voor vervoer van leerlingen naar bijvoorbeeld sportvoorzieningen en/of andere naschoolse activiteiten. Onder bepaalde voorwaarden is vervoer van school naar buitenschoolse opvang of vast oppasadres mogelijk.
Vervoer van school naar buitenschoolse opvang of een door ouders/verzorgers aangewezen ander opvangadres, dat niet is aangemerkt als woning, is alleen mogelijk als wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden:
Artikel 7: Gescheiden ouders, twee woningen
Een kind van gescheiden ouders kan twee woningen hebben in de zin van de verordening. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van co-ouderschap, waarbij het kind zowel bij de ene als bij de andere ouder verblijft, is er sprake van twee hoofdverblijven. Waar de leerling staat ingeschreven doet niet ter zake; doorslaggevend is de feitelijke verblijfplaats van de leerling. Om aanspraak te maken op bekostiging van leerlingenvervoer moeten beide ouders afzonderlijk, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is. De gemeente toetst de aanvraag aan de eigen verordening leerlingenvervoer, waarbij onder meer wordt bekeken of er sprake is van een woning in de zin van de verordening, of de school wel de dichtstbijzijnde toegankelijke is en of voldaan is aan de afstandsgrens. Het komt voor dat slechts in één van beide gemeenten aanspraak op leerlingenvervoer bestaat, doordat de school niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is.
Artikel 8: Aangepaste schooltijden/Wendagen
Het leerlingenvervoer betreft enkel de vaste schooldagen en schooltijden zoals die zijn vastgelegd in de schoolgids. In een enkel geval kan er een aanvraag worden gedaan voor bekostiging van het aangepaste vervoer op afwijkende schooltijden. In veel gevallen betreft het latere aanvangstijden of vroegtijdige beëindiging van de schooldag in verband met de lichamelijke, emotionele en/of geestelijke gesteldheid van de desbetreffende leerling. Dit vervoer op aangepaste tijden valt niet binnen de normale rijtijden van de vervoerder. De verantwoordelijkheid en bekostiging voor het vervoer van en/of naar de school komt in dit geval ten laste van de ouders/verzorgers.
Een uitzondering wordt gemaakt wanneer aangetoond wordt dat een leerling tijdelijk geen reguliere schooltijden naar school kan. Wanneer deze uitzondering wordt aangevraagd, dient de school een plan voor te leggen waarin wordt beschreven hoe de leerling binnen maximaal 3 maanden de reguliere schooltijden kan volgen.
Wendagen zijn er om de leerling kennis te laten maken met de school, de omgeving en gezichten. Aanvragen voor de bekostiging van aangepast vervoer voor leerlingen die naar wendagen gaan, worden door de gemeente niet verleend. De reden hiervoor is dat leerlingenvervoer pas aangevraagd kan worden als een leerling ingeschreven staat op een school. In dit geval is de ouder/verzorger verantwoordelijk voor het vervoer naar de ‘te wennen’ school.
Artikel 9: Wachtlijst dichtstbijzijnde toegankelijke school
Het spreekt voor zich dat op een voor de leerling geschikte school wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school vol is, wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school.
Deze beleidsregel zorgt ervoor dat, ook al is de wachtlijst van de dichtstbijzijnde school opgeheven, er recht blijft bestaan op een vervoersvoorziening zolang de leerling op de school staat ingeschreven, ondanks dat de wachtlijst van de dichterbij gelegen school opgeheven is. De gemeente Voorne aan Zee gaat ervan uit dat ouders/verzorgers handelen in het belang van hun kind. In sommige gevallen is het in het belang van het kind dat de schoolloopbaan op de verder weg gelegen school kan worden voortgezet, terwijl voor een ander kind het wenselijk is om dichterbij naar school te gaan, zodra de wachtlijst is opgelost. In beide gevallen, blijft er dus een vervoersvoorziening bestaan. (zie artikel 12, van de verordening voor meer informatie)
Leerlingen die dagelijks leerlingenvervoer naar school ontvangen, kunnen een aanvraag doen voor een vervoersvoorziening naar het stageadres. Daarvoor dient de stage opgenomen te zijn in de schoolgids, waar de leerling staat ingeschreven en de stage moet onderdeel uitmaken van het onderwijsprogramma. Het stageadres dient door de school te worden aangemerkt als zodanig. Tevens dient dit te gaan om de meest passende stageplek. Stageplekken moeten zoveel mogelijk dicht bij het huis en/of school zijn. De stagetijden dienen eveneens zoveel mogelijk overeen te komen met de reguliere schooltijden. ’s Avonds, in het weekend of tijdens vakanties kan er geen aanspraak worden gedaan op stagevervoer. Daarnaast kan er geen sprake zijn van verschillende stageadressen.
Artikel 11: OV-vergoeding voor niet beperkte leerling naar voortgezet speciaal onderwijs
Als gevolg van de wetswijziging Passend Onderwijs worden leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs (VSO) voor het leerlingenvervoer gelijkgesteld aan leerlingen van het regulier voortgezet onderwijs. Artikel 23 van de verordening stelt dat een vervoersvoorziening mogelijk is als de leerling, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische beperking niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van openbaar vervoer gebruik te maken, of wanneer de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 100% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht.
Indien een leerling wel zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer, bestaat er volgens de verordening geen aanspraak op een vervoersvoorziening. Echter, de VSO-school is vaak verder weg gelegen dan een reguliere VO-school. De meeste VSO-scholen voor deze regio zitten in Rotterdam. Om ouders/verzorgers tegemoet te komen in de kosten voor het openbaar vervoer, voor hun kind, die is aangewezen op een verder weg gelegen school, kunnen zij middels deze beleidsregel, aanspraak maken op een gedeeltelijke OV-vergoeding. Deze regeling geldt voor leerlingen die aangewezen zijn op het voortgezet speciaal onderwijs of de praktijkschool, maar niet beperkt zijn in de zin van de verordening leerlingenvervoer en dus zonder begeleiding kunnen reizen naar hun school. De school moet wel de dichtstbijzijnde toegankelijke school zijn. Om ouders/verzorgers tegemoet te komen in de kosten, krijgen zij 100% van het OV-abonnement vergoed. Er kan hier geen sprake zijn van aangepast vervoer (taxi).
Artikel 12: Vervoer van leerlingen naar onderwijs-zorgvoorzieningen
Leerlingen die naar een voorziening gaan die een combinatie van onderwijs en jeugdhulp/-zorg aanbieden, kunnen een aanvraag doen voor een vervoersvoorziening.
Een leerling komt in aanmerking voor het leerlingenvervoer wanneer de onderwijs-/zorgvoorziening overwegend (méér dan 50%) onderwijs aanbiedt, ten opzichte van de geleverde jeugdhulp/-zorg. De voorziening dient dit aantoonbaar te maken door middel van een schriftelijke verklaring welke naar het oordeel van het college voldoende gemotiveerd is. Het doel van de voorziening moet zijn dat leerlingen terugkeren naar het onderwijs. De voorziening dient in het bezit te zijn van een BRIN-nummer. Tevens dienen de reguliere schooltijden aan te worden gehouden.
Documentatie waaruit blijkt/een verklaring/notulen (van een zorg-overleg)/een ondersteuningsplan (van het samenwerkingsverband) waarin wordt beargumenteerd dat de onderwijs-/zorgvoorziening volgens alle betrokkenen de dichtstbijzijnde en best passende onderwijsplek is voor het kind, dient als bijlage te worden toegevoegd aan de aanvraag. Het samenwerkingsverband dient hierbij betrokken te zijn.
Artikel 13: Vervoer van leerlingen naar zomerschool
Sommige scholen organiseren zomerschool. Een zomerschool is een extra periode van onderwijs, vaak tijdens de zomervakantie, waarin leerlingen extra lessen kunnen volgen om achterstanden in te halen of nieuwe stof te leren. Leerlingen uit Voorne aan Zee die tijdens de reguliere schooltijden gebruik maken van aangepast vervoer of een andere vervoersvoorziening naar de desbetreffende school, maken aanspraak op dezelfde vervoersvoorziening om naar zomerschool te gaan. Dit kan aangevraagd worden bij de gemeente door de desbetreffende school die de zomerschool organiseert. Tijdens de aanvraag moeten ook de tijden voor halen en brengen afgestemd worden met het taxibedrijf.
Artikel 14: Vervoer van leerlingen naar taalklassen
Leerlingen die vanuit het buitenland in gemeente Voorne aan Zee komen wonen en een grote achterstand hebben in de Nederlandse taal, kunnen onderwijs krijgen in een zogenoemde taalklas. Deze leerlingen kunnen aanspraak maken op aangepast vervoer (taxi). Het toegewezen vervoer is enkel voor de dichtstbijzijnde taalschool: De Kameleon te Spijkenisse.
De vervoersvoorziening wordt toegekend per schooljaar, voor de duur van één schooljaar. Wanneer onderwijs van de taalklas stopt, stopt ook de vervoersvoorziening. Het melden van de beëindiging van het taalklasonderwijs is de verantwoordelijkheid van de ouder(s)/verzorger(s). Indien ouder(s)/verzorger(s) hiertoe niet in staan zijn, dient de taalklas de gemeente te informeren over het beëindigen van het taalklasonderwijs.
Streven van de taalklas is dat de kinderen binnen 12 maanden dusdanig taalvaardig zijn, dat zij onderwijs kunnen volgen op de wijkschool in de eigen gemeente. Indien verlenging noodzakelijk is, dient een verklaring bij de aanvraag voor de vervoersvoorziening te worden toegevoegd, waarin wordt beargumenteerd waarom verlenging op de taalklas noodzakelijk is.
Artikel 15: Ontoelaatbaar gedrag in aangepast vervoer
Leerlingen die met aangepast vervoer (taxi) naar school gaan, kunnen onacceptabel gedrag vertonen. Zij kunnen met dit gedrag een gevaar voor zichzelf en/of voor anderen veroorzaken, maar ook zorgen voor bedreigende en/of onhygiënische situaties. In de brochure en op de website van de vervoerder staan de gedragsregels van de vervoerder vermeld. Deze gedragsregels vormen de basis bij het bepalen of het gedrag onacceptabel is.
Afhankelijk van de ernst van het ontoelaatbaar gedrag in het taxivervoer, kan er een sanctie worden opgelegd. Er zijn in principe vier sancties mogelijk:
In samenwerking met de vervoerder zijn er door de gemeente duidelijke afspraken gemaakt over hoe te handelen bij ontoelaatbaar gedrag. Deze zijn vastgelegd in het operationeel protocol tussen gemeente en vervoerder. Sancties kunnen worden opgelegd aan de hand van de ernst van het incident. De vervoerder kan sancties A en B zelfstandig opleggen en brengt de gemeente hiervan op de hoogte. Wanneer ernstige incidenten zich voordoen en sancties C en D worden overwogen, is de vervoerder betrokken, echter wordt de definitieve beslissing genomen door het college van B&W.
Aantoonbaar wangedrag kan in principe geen reden zijn om een indicatie voor individueel vervoer af te geven. Bij iedere vorm van uitsluiting voor het leerlingenvervoer worden ouders/verzorgers verantwoordelijk voor de schoolgang en vervoer van hun kind.
Op basis van artikel 28 van de verordening leerlingenvervoer 2026 kan het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders/verzorgers afwijken van de bepalingen in deze verordening.
De verordening leerlingenvervoer 2026 kent een hardheidsclausule. Dat betekent dat in gevallen die niet in de verordening geregeld zijn en waarin dit tot een kennelijk onbillijke situatie zou leiden, er met een beroep op deze bepaling alsnog een vervoersvoorziening kan worden verleend. Toepassing van de hardheidsclausule is bedoeld voor uitzonderlijke situaties, omdat het overgrote deel van de voorkomende situaties in de verordening is geregeld. Het betreft situaties waar, bij het opstellen van onderliggende beleidsregels, geen rekening mee kon worden gehouden. Ook van de beleidsregels zelf kan worden afgeweken op grond van de zogenaamde inherente afwijkingsbevoegdheid van het college. Dit geldt dan eveneens voor situaties waarin de toepassing van de beleidsregels tot een kennelijk onbillijke uitkomst zou leiden.
De hardheidsclausule wordt niet toegepast als er alleen sprake is van de omstandigheid waarbij ouders/verzorgers wegens werkzaamheden of andere bezigheden de leerling niet naar school kunnen brengen. De reden daarvan is, dat ook ouders/verzorgers die geen aanspraak maken op leerlingenvervoer in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van een oplossing voor het schoolvervoer wegens werk of opleiding. De genoemde omstandigheden kunnen wel in combinatie met andere relevante omstandigheden aanleiding zijn voor het toepassen van de hardheidsclausule.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-569158.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.