Besluit van de raad van de gemeente Raalte tot wijziging van de Verordening domein sociaal gemeente Raalte

 

De raad van de gemeente Raalte;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 25 november 2025;

gelet op artikel 2.9 van de Jeugdwet;

gezien het advies van de Adviesraad domein sociaal d.d. 6 november 2025;

 

 

Besluit:

  • 1.

    De Verordening domein sociaal gemeente Raalte wordt gewijzigd als volgt:

 

Artikel I  

 

A

 

Hoofdstuk 4. Gezond en Veilig opgroeien komt te luiden:

Hoofdstuk 4. Gezond en veilig opgroeien

Jongeren in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van jongeren, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te verminderen. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. In deze verordening spreken we niet over jongeren, maar over jeugdigen, net zoals dat in de Jeugdwet is gedaan. Hiermee bedoelen we kinderen en jongeren tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 die in de zin van de jeugdwet worden aangemerkt als jeugdige.

 

Kernwaarden:

  • De jeugdige moet gezond en veilig kunnen opgroeien.

  • De ouder(s) is (zijn) zelf verantwoordelijk, de gemeente ondersteunt als dat nodig is.

  • De eigen mogelijkheden en de hulp van het sociaal netwerk van de jeugdige gaan voor.

  • De gemeente stemt de hulp af op de jeugdige en zijn ouders en zorgt voor goede aansluiting met andere hulp.

  • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen.

  • Vrij toegankelijke jeugdhulp gaat voor hulp-op-maat.

 

4.1 Uitgangspunten bij het bieden van hulp

(Jeugdwet, Gemeentewet, Awb)

  • 1.

    De gemeente ondersteunt jeugdigen en hun ouder(s) zodat zij gezond en veilig kunnen opgroeien, kunnen groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam zijn en kunnen participeren in de maatschappij.

  • 2.

    Uitgangspunt is dat ouder(s) primair verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen (art. 1:247 BW). De gemeente biedt alleen jeugdhulp als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn.

  • 3.

    Bij het bepalen of jeugdhulp nodig is, onderzoekt de gemeente in ieder geval:

    a. wat de jeugdige en zijn ouder(s) zelf kunnen doen;

    b. welke gebruikelijke hulp geboden kan worden;

    c. welke hulp mogelijk is vanuit het sociale netwerk, mantelzorg en andere voorliggende voorzieningen (bijv. zorgverzekering, WLZ, onderwijs of maatschappelijke ondersteuning).

  • 4.

    Slechts voor zover deze mogelijkheden ontoereikend zijn, kan de gemeente een individuele voorziening toekennen.

  • 5.

    Indien het beoogde resultaat van de jeugdhulp niet kan worden bereikt op eigen kracht of met inzet van het sociaal netwerk, maar wel met een vrij toegankelijke voorziening, wordt die voorziening ingezet. Het gaat daarbij om algemene voorzieningen, zoals ondersteuning via het Centrum voor Jeugd en Gezin of een (jeugd)welzijnsorganisatie. Pas indien met deze hulp het gewenste resultaat niet kan worden bereikt, komt een individuele voorziening in beeld.

  • 6.

    Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en de ouder(s).

 

4.2 Vrij toegankelijke jeugdhulp

(Jeugdwet)

  • 1.

    De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. De volgende vormen van hulp zijn vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen verwijzing en/of een besluit van de gemeente nodig.

  • a | informatie en advies door het CJG;

  • b | activiteiten zoals trainingen, cursussen en themabijeenkomsten (CJG);

  • c | ondersteuning door vrijwilligers;

  • d | jeugdgezondheidszorg (GGD);

  • e | jongerenwerk;

  • f | mantelzorgondersteuning;

  • g | (school)maatschappelijk werk;

  • h | individuele- en gezinsondersteuning (CJG);

  • i | vertrouwenspersoon;

  • j | Veilig Thuis IJsselland: De Rijksoverheid biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling.

  • 2.

    De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp voor wordt geboden. Waar mogelijk biedt de gemeente jeugdhulp op vrijwillige basis.

 

4.3 Niet vrij toegankelijke jeugdhulp (hulp-op-maat)

(Jeugdwet, Awb)

  • 1.

    Jeugdigen of hun ouder(s) komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening als de gemeente van oordeel is dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen, en de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn.

  • 2.

    De gemeente verstrekt geen individuele voorziening als de hulpvraag kan worden opgelost met: a. eigen mogelijkheden van jeugdige of ouder(s); b. gebruikelijke hulp; c. hulp vanuit het sociaal netwerk; d. een andere of overige voorziening die beschikbaar, passend en toereikend is.

  • 3.

    Een individuele voorziening wordt slechts toegekend als deze doeltreffend en passend is en naar verwachting wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. De gemeente kiest daarbij voor de goedkoopst adequate voorziening.

  • 4.

    De volgende vormen van hulp zijn niet vrij toegankelijk (hulp-op-maat). De jeugdige heeft hiervoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig

a | begeleiding individueel (door een aanbieder voor specialistische jeugdhulp)

b | begeleiding groep (door een aanbieder voor specialistische jeugdhulp)

c | persoonlijke verzorging

d | specialistische diagnostiek (door een aanbieder voor specialistische jeugdhulp) en behandeling;

e | dyslexiezorg;

f | vervoer van de jeugdige van en naar de plek waar jeugdhulp wordt aangeboden;

g | verblijf;

h | spoedzorg met en zonder verblijf;

i | pleegzorg;

j | forensische zorg;

k | gesloten jeugdzorg.

 

Artikel 4.4 Onderzoek en verslaglegging

(Jeugdwet, Awb)

  • 1.

    De gemeente onderzoekt bij een hulpvraag van een jeugdige of ouder(s):

    a. wat de hulpvraag is en wat deze heeft doen ontstaan;

    b. de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid en gezinssituatie;

    c. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en ouder(s);

    d. in hoeverre het sociaal netwerk of andere voorzieningen ondersteuning kunnen bieden;

    e. de noodzakelijke hulp en in welke vorm deze passend is.

  • 2.

    De jeugdige en zijn ouder(s) kunnen een familiegroepsplan overleggen. Het college wijst hen actief op deze mogelijkheid en biedt ondersteuning bij het opstellen ervan. Dit plan wordt altijd bij het onderzoek betrokken.

  • 3.

    De aanvraag middels het daartoe bestemde aanvraagformulier is de basis voor het onderzoek zoals genoemd in lid 3. Een aanvraagformulier dient altijd ondertekend te zijn. Dit is tevens het startpunt van de aanvraag en het onderzoek.

  • 4.

    De gemeente legt de uitkomsten van het onderzoek vast in een verslag, ook wel het ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan wordt aan de jeugdige en/of ouder(s) verstrekt. Opmerkingen of aanvullingen van ouders en/of de jeugdige worden toegevoegd.

 

Artikel 4.5 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

(Jeugdwet, Awb, Burgerlijk Wetboek)

  • 1.

    Uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen primair bij de ouder(s) ligt. Dit volgt uit de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Deze verantwoordelijkheid strekt zich ook uit tot situaties waarin sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen van de jeugdige.

  • 2.

    Een individuele voorziening wordt niet verstrekt indien uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om, zo nodig met ondersteuning van hun sociale netwerk of andere (hulpverlenende) instellingen, de noodzakelijke hulp te bieden die past bij de hulpvraag.

  • 3.

    Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoren in ieder geval:

    a. gebruikelijke hulp door de ouder(s) of andere gezinsleden. Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de zorg en ondersteuning die naar algemeen aanvaarde maatstaven in redelijkheid van ouder(s) of andere gezinsleden verwacht mag worden, gelet op de leeftijd, ontwikkelingsfase en de mogelijkheden van de jeugdige.

    b. hulp van familie, vrienden, kennissen of bekenden binnen het sociale netwerk;

    c. het benutten van een aanvullende zorgverzekering indien die is afgesloten;

    d. het gebruik maken van overige passende en beschikbare voorzieningen, zoals onderwijsvoorzieningen, maatschappelijke ondersteuning of zorg.

  • 4.

    Slechts indien uit het onderzoek blijkt dat deze mogelijkheden ontoereikend zijn vanwege:

    a. geobjectiveerde beperkingen bij de ouder(s) of de jeugdige;

    b. een aantoonbaar gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of

    c. (dreigende) overbelasting van de ouder(s), kan de gemeente besluiten tot het verstrekken van een individuele voorziening.

  • 5.

    Bij de beoordeling van (dreigende) overbelasting geldt dat van de ouder(s) redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij hun maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren, voor zover dit nodig is om de noodzakelijke hulp zelf te kunnen bieden.

  • 6.

    Bij de beoordeling van (dreigende) overbelasting betrekt de gemeente in ieder geval:

    a. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    b. de duur van de benodigde inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet leidt tot overbelasting;

    c. de planbaarheid van de hulp;

    d. de intensiteit van de benodigde ondersteuning;

    e. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    f. de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.

  • 7.

    Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp hanteert de gemeente in ieder geval de volgende maatstaven:

a. of de zorg aansluit bij de normale opvoedings- en verzorgingspraktijk die ouders in gelijke omstandigheden bieden aan kinderen van dezelfde leeftijd en ontwikkelingsfase;

b. of de zorg naar duur, frequentie en intensiteit gebruikelijk is binnen een gezinssituatie met opgroeiende kinderen;

c. of de zorg van korte duur is of juist structureel noodzakelijk;

d. of de ouder(s) de zorg kunnen bieden zonder dat sprake is van overbelasting als bedoeld in lid 5 en 6.

 

Artikel 4.6 Overgang van 18- naar 18+

(Jeugdwet)

  • 1.

    De gemeente draagt- als stelselverantwoordelijke- zorg voor een tijdige en zorgvuldige overgang van jeugdigen die jeugdhulp ontvangen naar de volwassenheid. Dit houdt in dat de gemeente, uiterlijk vóór het bereiken van de 18-jarige leeftijd, samen met de jeugdige en diens ouder(s) of netwerk een integraal plan opstelt voor de periode na de 18e verjaardag.

  • 2.

    Dit plan bevat in ieder geval aandacht voor de volgende leefgebieden:

    a. scholing, werk en participatie;

    b. wonen;

    c. inkomen en financiële voorzieningen;

    d. zorg en ondersteuning;

    e. vrije tijd en dagbesteding;

    f. het sociale netwerk en betrokkenheid van het systeem.

  • 3.

    Bij de overgang naar volwassenheid draagt de gemeente zorg voor afstemming met andere relevante wet- en regelgeving en voorzieningen, waaronder in ieder geval de Wmo 2015, de Participatiewet en de Zorgverzekeringswet, zodat continuïteit van zorg en ondersteuning is gewaarborgd.

  • 4.

    Indien voortzetting van jeugdhulp noodzakelijk is, kan het college besluiten deze te verlengen. De verlenging kan maximaal duren tot de dag waarop de jeugdige 23 jaar wordt en maakt onderdeel uit van het in lid 1 bedoelde plan.

 

Artikel 4.7 Afstemming met andere vormen van hulp

(Jeugdwet, Wmo, Participatiewet, Wgs, Gemeentewet)

  • 1.

    De gemeente stemt jeugdhulpvoorzieningen af op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, werk en inkomen, maatschappelijke ondersteuning en schuldhulpverlening.

  • 2.

    Het college voorkomt zoveel mogelijk dat jeugdigen of hun ouder(s) worden geconfronteerd met tegenstrijdige of overlappende besluiten.

  • 3.

    Om dit te bereiken maakt de gemeente afspraken met in ieder geval:

    • partijen in het kader van gezondheidszorg;

    • gecertificeerde instellingen;

    • instellingen die voorschoolse voorzieningen aanbieden;

    • onderwijsinstellingen voor primair, voortgezet en speciaal onderwijs;

    • het samenwerkingsverband passend onderwijs;

    • het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG);

    • de afdelingen Wmo, Leerplicht en Participatiewet van de gemeente.

  • 4.

    Het belang van de jeugdige en/of zijn ouder(s) staat bij de afstemming steeds centraal.

 

Artikel 4.8 Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs

(Jeugdwet, Wet passend onderwijs)

  • 1.

    Ondersteuning die primair gericht is op het volgen van onderwijs, het behalen van onderwijsdoelen of de onderwijsontwikkeling, valt onder de Wet passend onderwijs en niet onder de Jeugdwet.

  • 2.

    Voorzieningen uit de Wet passend onderwijs zijn voorliggend op jeugdhulp.

  • 3.

    Indien onduidelijkheid bestaat, werkt het college samen met school en samenwerkingsverband om tot een passende oplossing te komen.

 

Artikel 4.9 Afbakening Jeugdwet en Wet langdurige zorg (Wlz)

(Jeugdwet, Wlz)

  • 1.

    Als een jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft, valt dit onder de Wlz en niet onder de Jeugdwet.

  • 2.

    Het college treft in dat geval géén voorziening op basis van de Jeugdwet, er dient een Wlz-aanvraag gedaan te worden.

  • 3.

    Indien er naast een Wlz-besluit behoefte is aan aanvullende behandeling, kan het college jeugdhulp verlenen voor zover dit aantoonbaar geen onderdeel is van de Wlz-zorg.

  • 4.

    Indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een jeugdige recht heeft op zorg op basis van de Wlz, werken de jeugdige en zijn ouder(s) mee aan het aanvragen van een Wlz-indicatie. Indien zij dit weigeren, kan het college besluiten om geen (specialistische) voorziening op grond van de Jeugdwet te verstrekken.

 

Artikel 4.10 Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet (Zvw)

(Jeugdwet, Zvw)

  • 1.

    Medisch noodzakelijke zorg, hulpmiddelenzorg, ziekenvervoer en (geneeskundige) persoonlijke verzorging vallen onder de Zvw en niet onder de Jeugdwet.

  • 2.

    Persoonlijke verzorging gericht op zelfredzaamheid kan onder de Jeugdwet vallen, mits dit nodig is vanwege opgroei- of opvoedingsproblemen of psychische stoornissen.

  • 3.

    Het college verstrekt alleen jeugdhulp als de zorgvraag (aantoonbaar) niet op grond van de Zvw kan worden opgelost. Hiertoe kan het college een afwijzing van de Zvw opvragen.

 

Artikel 4.11 Afbakening Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo)

(Jeugdwet, Wmo)

  • 1.

    Als de problematiek valt onder de Wmo 2015, treft het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet.

  • 2.

    Voorliggend op de Jeugdwet zijn in ieder geval voorzieningen zoals hulpmiddelen, woningaanpassingen, vervoersvoorzieningen en opvangvoorzieningen op grond van de Wmo 2015, zoals maatschappelijke opvang en beschermd wonen.

  • 3.

    Onder de Jeugdwet kan jeugdhulp in de vorm van begeleiding of persoonlijke verzorging uitsluitend worden verstrekt aan jeugdigen tot 18 jaar, indien deze noodzakelijk is vanwege opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen van de jeugdige. Vanaf 18 jaar- tenzij er sprake is van verlengde Jeugdwet- vallen begeleiding en persoonlijke verzorging onder de Wmo 2015.

 

Artikel 4.12 Afstemming met voorzieningen voor werk en inkomen

(Jeugdwet, Participatiewet, Wgs)

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat jeugdhulp waar nodig wordt afgestemd met voorzieningen voor werk, inkomen en schuldhulpverlening.

  • 2.

    Daarbij worden financiële belemmeringen voor de ontwikkeling van jeugdigen zo vroeg mogelijk gesignaleerd en aangepakt.

  • 3.

    De inzet is gericht op het wegnemen van obstakels, zodat jeugdigen optimaal kunnen deelnemen aan onderwijs, werk en samenleving.

 

Artikel 4.13 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

(Jeugdwet, Awb)

  • 1.

    Onverminderd de toegang via huisarts, medisch specialist of jeugdarts, komt een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking voor een door de gemeente te verlenen individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of zijn ouder(s) jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen, en voor zover: a. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn; en b. gebruikmaking van andere of overige voorzieningen deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.

  • 2.

    Geen individuele voorziening wordt verstrekt voor ondersteuning die behoort tot de normale ontwikkeling van een jeugdige, passend bij leeftijd en omstandigheden.

  • 3.

    Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen indien deze:

a. daadwerkelijk beschikbaar, toegankelijk en tijdig inzetbaar is; en

b. naar aard en doel passend en toereikend is voor de hulpvraag, waarbij voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen (zoals de Zvw of de WLZ) als passend en toereikend worden aangemerkt voor zover die regelingen daarin voorzien. Een voorziening waarvoor een wachttijd geldt, voldoet niet aan de criteria onder a en b indien de hulp voor de jeugdige aantoonbaar en onderbouwt niet kan wachten. Indien de jeugdige de inzet van de voorziening redelijkerwijs kan afwachten, wordt de voorziening wel geacht aan de criteria te voldoen. Van de jeugdige of zijn ouder(s) wordt verwacht dat zij tijdig aanspraak maken op de voorliggende voorziening, zodat deze ook daadwerkelijk kan worden benut.

  • 4.

    Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate en tijdig beschikbare voorziening.

  • 5.

    Een individuele voorziening wordt alleen toegekend als deze naar verwachting doeltreffend is en wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag.

 

Artikel 4.14 Inhoud beschikking individuele voorziening

(Jeugdwet, Awb)

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval vastgelegd of de voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij een voorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:

    a. welke voorziening wordt verstrekt;

    b. de omvang en het beoogde resultaat;

    c. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;

    d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Bij een voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:

    a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    c. de hoogte van het pgb en hoe dit bedrag is vastgesteld;

    d. de voorwaarden die aan het pgb zijn verbonden;

    e. de duur van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

    f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 4.

    Het ondersteuningsplan bedoeld in artikel 4.4, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.

 

Artikel 4.15 Persoonsgebonden budget (pgb)

(Jeugdwet, Awb)

  • 1.

    Indien een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komt voor een individuele voorziening, kan het college deze voorziening verlenen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), mits aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan.

  • 2.

    Voor de aanvraag van een pgb dient de jeugdige of zijn ouder(s) een budgetplan in volgens een door het college vastgesteld format. Het budgetplan bevat in ieder geval:

    a. de motivatie waarom de voorziening in natura niet passend is;

    b. de omschrijving van de gewenste voorziening en het beoogde resultaat;

    c. de wijze waarop de jeugdhulp wordt georganiseerd;

    d. de waarborging van de kwaliteit van de in te kopen hulp;

    e. de kosten, uitgedrukt in eenheden en tarieven;

    f. indien van toepassing, de inzet van personen uit het sociale netwerk.

  • 3.

    Het college verstrekt een pgb uitsluitend indien: a. de jeugdige of zijn ouder(s) gemotiveerd aangeven waarom het natura-aanbod niet passend is; b. uit toetsing blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder voldoende pgb-vaardig is om het budget verantwoord te beheren; c. gewaarborgd is dat de met het pgb in te kopen voorziening van goede kwaliteit is en voldoende bijdraagt aan het bereiken van het beoogde resultaat.

  • 4.

    Bij de beoordeling van pgb-vaardigheid betrekt het college in ieder geval of de budgethouder of budgetbeheerder:

    a. in staat is de hulpvraag te verwoorden en passende hulp te kiezen;

    b. kennis heeft van de regels en verplichtingen die horen bij een pgb;

    c. een overzichtelijke administratie kan voeren;

    d. afspraken kan maken en verantwoorden richting het college;

    e. voldoende vaardig is om de kwaliteit van de ingekochte hulp te beoordelen en zorgverleners aan te sturen.

  • 5.

    Het college weigert een pgb indien er sprake is van:

    a. twijfel aan de integriteit van de uitvoerder van de hulp;

    b. fraude of strafbare feiten in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

    c. omstandigheden waardoor het beheer van het pgb niet verantwoord kan plaatsvinden, zoals ernstige schuldenproblematiek, verslaving, verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek van de budgethouder of budgetbeheerder.

    d. een situatie waarin de budgethouder of budgetbeheerder tevens optreedt als de uitvoerder van de zorg. In dit kader wordt ter aanvulling verwezen haar hoofdstuk 8 van deze verordening.

  • 6.

    Ter waarborging van de kwaliteit stelt het college nadere eisen aan de inzet van pgb-middelen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.

  • 7.

    Het college legt de hoogte van het pgb vast op basis van de goedkoopst adequate voorziening en met inachtneming van de door de gemeente vastgestelde tarieven.

 

Artikel 4.16 Kwaliteitseisen persoonsgebonden budget (pgb)

(Jeugdwet, Awb)

  • 1.

    Ter waarborging van de kwaliteit van met een pgb ingekochte hulp stelt het college de volgende eisen:

    a. de uitvoerder beschikt over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG), niet ouder dan drie maanden bij de start van de zorgovereenkomst en gedurende de looptijd niet ouder dan drie jaar;

    b. de uitvoerder beschikt over de vaardigheden en deskundigheid die nodig zijn om verantwoorde hulp te bieden;

    c. de uitvoerder houdt een deugdelijke administratie bij van de geleverde hulp;

    d. de uitvoerder kan in de Nederlandse taal communiceren met het college, de Sociale Verzekeringsbank en de jeugdige of zijn ouder(s);

    e. de hulp wordt uitgevoerd volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

    f. de hulp wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van de jeugdige en zijn ouder(s), en waar nodig op andere voorzieningen die worden ingezet;

    g. de privacy van de jeugdige en zijn ouder(s) wordt gerespecteerd en informatie wordt vertrouwelijk behandeld;

    h. de uitvoerder volgt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling de meldcode.

  • 2.

    Het college kan aanvullende kwaliteitseisen stellen en kan nadere regels vaststellen over de inzet van formele en informele hulp via een pgb.

 

Artikel 4.17 Medewerkingsplicht

(Jeugdwet, Awb)

  • 1.

    De jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger zijn verplicht aan het college alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor:

    a. het uitvoeren van het onderzoek naar de hulpvraag;

    b. het vaststellen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen;

    c. het beoordelen van de noodzaak en de aard van de jeugdhulpvoorziening;

    d. het vaststellen van de kwaliteit van de geboden hulp.

  • 2.

    De jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger verstrekken het college tijdig alle gegevens en bewijsstukken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en de uitvoering van de verordening.

  • 3.

    Het college kan het recht op een individuele voorziening weigeren, opschorten, beëindigen of intrekken indien de jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger de verplichtingen uit dit artikel niet nakomen, tenzij hen dit niet kan worden toegerekend.

 

B.

 

Artikel 9.5.4 komt te luiden:

 

9.5.4 Toezichthouders

(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)

  • 1.

    De gemeente wijst een of meer ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van de Jeugdwet, de Wmo, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Leerplichtwet, de Wet kinderopvang en de Gemeentewet, alsmede de daarop berustende bepalingen.

  • 2.

    Met betrekking tot jeugdhulp wijst de gemeente een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de Jeugdwet en de daarop berustende bepalingen, waaronder mede begrepen de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 3.

    De gemeente onderzoekt, met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b van de Regeling Jeugdwet, de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.

  • 4.

    De gemeente onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van persoonsgebonden budgetten met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

 

 

Artikel II Overgangsrecht

  • 1.

    Aanvragen voor jeugdhulp die zijn ingediend vóór 1 januari 2026 maar waarop na die datum wordt beslist, worden beoordeeld op grond van de verordening zoals deze geldt ná 1 januari 2026.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid geldt ook voor bezwaren en beroepen die zijn ingesteld tegen besluiten die zijn genomen ná de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit.

 

Artikel III  

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2026.

Aldus besloten in de vergadering van 18 december 2025.

 

de griffier

Karin Zomer

de voorzitter

Rob Zuidema

Naar boven