Gemeenteblad van Raalte
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Raalte | Gemeenteblad 2025, 568863 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Raalte | Gemeenteblad 2025, 568863 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Besluit van de raad van de gemeente Raalte tot wijziging van de Verordening domein sociaal gemeente Raalte
Hoofdstuk 4. Gezond en Veilig opgroeien komt te luiden:
Hoofdstuk 4. Gezond en veilig opgroeien
Jongeren in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van jongeren, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te verminderen. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. In deze verordening spreken we niet over jongeren, maar over jeugdigen, net zoals dat in de Jeugdwet is gedaan. Hiermee bedoelen we kinderen en jongeren tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 die in de zin van de jeugdwet worden aangemerkt als jeugdige.
4.1 Uitgangspunten bij het bieden van hulp
Bij het bepalen of jeugdhulp nodig is, onderzoekt de gemeente in ieder geval:
a. wat de jeugdige en zijn ouder(s) zelf kunnen doen;
b. welke gebruikelijke hulp geboden kan worden;
c. welke hulp mogelijk is vanuit het sociale netwerk, mantelzorg en andere voorliggende voorzieningen (bijv. zorgverzekering, WLZ, onderwijs of maatschappelijke ondersteuning).
Indien het beoogde resultaat van de jeugdhulp niet kan worden bereikt op eigen kracht of met inzet van het sociaal netwerk, maar wel met een vrij toegankelijke voorziening, wordt die voorziening ingezet. Het gaat daarbij om algemene voorzieningen, zoals ondersteuning via het Centrum voor Jeugd en Gezin of een (jeugd)welzijnsorganisatie. Pas indien met deze hulp het gewenste resultaat niet kan worden bereikt, komt een individuele voorziening in beeld.
4.2 Vrij toegankelijke jeugdhulp
j | Veilig Thuis IJsselland: De Rijksoverheid biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling.
4.3 Niet vrij toegankelijke jeugdhulp (hulp-op-maat)
Jeugdigen of hun ouder(s) komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening als de gemeente van oordeel is dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen, en de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn.
a | begeleiding individueel (door een aanbieder voor specialistische jeugdhulp)
b | begeleiding groep (door een aanbieder voor specialistische jeugdhulp)
d | specialistische diagnostiek (door een aanbieder voor specialistische jeugdhulp) en behandeling;
f | vervoer van de jeugdige van en naar de plek waar jeugdhulp wordt aangeboden;
h | spoedzorg met en zonder verblijf;
Artikel 4.4 Onderzoek en verslaglegging
De gemeente onderzoekt bij een hulpvraag van een jeugdige of ouder(s):
a. wat de hulpvraag is en wat deze heeft doen ontstaan;
b. de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid en gezinssituatie;
c. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en ouder(s);
d. in hoeverre het sociaal netwerk of andere voorzieningen ondersteuning kunnen bieden;
Artikel 4.5 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
(Jeugdwet, Awb, Burgerlijk Wetboek)
Uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen primair bij de ouder(s) ligt. Dit volgt uit de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Deze verantwoordelijkheid strekt zich ook uit tot situaties waarin sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen van de jeugdige.
Een individuele voorziening wordt niet verstrekt indien uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om, zo nodig met ondersteuning van hun sociale netwerk of andere (hulpverlenende) instellingen, de noodzakelijke hulp te bieden die past bij de hulpvraag.
Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoren in ieder geval:
a. gebruikelijke hulp door de ouder(s) of andere gezinsleden. Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de zorg en ondersteuning die naar algemeen aanvaarde maatstaven in redelijkheid van ouder(s) of andere gezinsleden verwacht mag worden, gelet op de leeftijd, ontwikkelingsfase en de mogelijkheden van de jeugdige.
b. hulp van familie, vrienden, kennissen of bekenden binnen het sociale netwerk;
c. het benutten van een aanvullende zorgverzekering indien die is afgesloten;
d. het gebruik maken van overige passende en beschikbare voorzieningen, zoals onderwijsvoorzieningen, maatschappelijke ondersteuning of zorg.
Slechts indien uit het onderzoek blijkt dat deze mogelijkheden ontoereikend zijn vanwege:
a. geobjectiveerde beperkingen bij de ouder(s) of de jeugdige;
b. een aantoonbaar gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of
c. (dreigende) overbelasting van de ouder(s), kan de gemeente besluiten tot het verstrekken van een individuele voorziening.
Bij de beoordeling van (dreigende) overbelasting betrekt de gemeente in ieder geval:
a. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;
b. de duur van de benodigde inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet leidt tot overbelasting;
c. de planbaarheid van de hulp;
d. de intensiteit van de benodigde ondersteuning;
e. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;
f. de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.
a. of de zorg aansluit bij de normale opvoedings- en verzorgingspraktijk die ouders in gelijke omstandigheden bieden aan kinderen van dezelfde leeftijd en ontwikkelingsfase;
b. of de zorg naar duur, frequentie en intensiteit gebruikelijk is binnen een gezinssituatie met opgroeiende kinderen;
c. of de zorg van korte duur is of juist structureel noodzakelijk;
d. of de ouder(s) de zorg kunnen bieden zonder dat sprake is van overbelasting als bedoeld in lid 5 en 6.
Artikel 4.6 Overgang van 18- naar 18+
De gemeente draagt- als stelselverantwoordelijke- zorg voor een tijdige en zorgvuldige overgang van jeugdigen die jeugdhulp ontvangen naar de volwassenheid. Dit houdt in dat de gemeente, uiterlijk vóór het bereiken van de 18-jarige leeftijd, samen met de jeugdige en diens ouder(s) of netwerk een integraal plan opstelt voor de periode na de 18e verjaardag.
Artikel 4.7 Afstemming met andere vormen van hulp
(Jeugdwet, Wmo, Participatiewet, Wgs, Gemeentewet)
Om dit te bereiken maakt de gemeente afspraken met in ieder geval:
• partijen in het kader van gezondheidszorg;
• gecertificeerde instellingen;
• instellingen die voorschoolse voorzieningen aanbieden;
• onderwijsinstellingen voor primair, voortgezet en speciaal onderwijs;
• het samenwerkingsverband passend onderwijs;
• het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG);
• de afdelingen Wmo, Leerplicht en Participatiewet van de gemeente.
Artikel 4.8 Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs
(Jeugdwet, Wet passend onderwijs)
Artikel 4.9 Afbakening Jeugdwet en Wet langdurige zorg (Wlz)
Indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een jeugdige recht heeft op zorg op basis van de Wlz, werken de jeugdige en zijn ouder(s) mee aan het aanvragen van een Wlz-indicatie. Indien zij dit weigeren, kan het college besluiten om geen (specialistische) voorziening op grond van de Jeugdwet te verstrekken.
Artikel 4.10 Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet (Zvw)
Artikel 4.11 Afbakening Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo)
Onder de Jeugdwet kan jeugdhulp in de vorm van begeleiding of persoonlijke verzorging uitsluitend worden verstrekt aan jeugdigen tot 18 jaar, indien deze noodzakelijk is vanwege opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen van de jeugdige. Vanaf 18 jaar- tenzij er sprake is van verlengde Jeugdwet- vallen begeleiding en persoonlijke verzorging onder de Wmo 2015.
Artikel 4.12 Afstemming met voorzieningen voor werk en inkomen
(Jeugdwet, Participatiewet, Wgs)
Artikel 4.13 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
Onverminderd de toegang via huisarts, medisch specialist of jeugdarts, komt een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking voor een door de gemeente te verlenen individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of zijn ouder(s) jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen, en voor zover: a. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn; en b. gebruikmaking van andere of overige voorzieningen deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.
a. daadwerkelijk beschikbaar, toegankelijk en tijdig inzetbaar is; en
b. naar aard en doel passend en toereikend is voor de hulpvraag, waarbij voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen (zoals de Zvw of de WLZ) als passend en toereikend worden aangemerkt voor zover die regelingen daarin voorzien. Een voorziening waarvoor een wachttijd geldt, voldoet niet aan de criteria onder a en b indien de hulp voor de jeugdige aantoonbaar en onderbouwt niet kan wachten. Indien de jeugdige de inzet van de voorziening redelijkerwijs kan afwachten, wordt de voorziening wel geacht aan de criteria te voldoen. Van de jeugdige of zijn ouder(s) wordt verwacht dat zij tijdig aanspraak maken op de voorliggende voorziening, zodat deze ook daadwerkelijk kan worden benut.
Artikel 4.14 Inhoud beschikking individuele voorziening
Bij een voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:
a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;
b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
c. de hoogte van het pgb en hoe dit bedrag is vastgesteld;
d. de voorwaarden die aan het pgb zijn verbonden;
e. de duur van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;
f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
Artikel 4.15 Persoonsgebonden budget (pgb)
Voor de aanvraag van een pgb dient de jeugdige of zijn ouder(s) een budgetplan in volgens een door het college vastgesteld format. Het budgetplan bevat in ieder geval:
a. de motivatie waarom de voorziening in natura niet passend is;
b. de omschrijving van de gewenste voorziening en het beoogde resultaat;
c. de wijze waarop de jeugdhulp wordt georganiseerd;
d. de waarborging van de kwaliteit van de in te kopen hulp;
e. de kosten, uitgedrukt in eenheden en tarieven;
f. indien van toepassing, de inzet van personen uit het sociale netwerk.
Het college verstrekt een pgb uitsluitend indien: a. de jeugdige of zijn ouder(s) gemotiveerd aangeven waarom het natura-aanbod niet passend is; b. uit toetsing blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder voldoende pgb-vaardig is om het budget verantwoord te beheren; c. gewaarborgd is dat de met het pgb in te kopen voorziening van goede kwaliteit is en voldoende bijdraagt aan het bereiken van het beoogde resultaat.
Bij de beoordeling van pgb-vaardigheid betrekt het college in ieder geval of de budgethouder of budgetbeheerder:
a. in staat is de hulpvraag te verwoorden en passende hulp te kiezen;
b. kennis heeft van de regels en verplichtingen die horen bij een pgb;
c. een overzichtelijke administratie kan voeren;
d. afspraken kan maken en verantwoorden richting het college;
e. voldoende vaardig is om de kwaliteit van de ingekochte hulp te beoordelen en zorgverleners aan te sturen.
Het college weigert een pgb indien er sprake is van:
a. twijfel aan de integriteit van de uitvoerder van de hulp;
b. fraude of strafbare feiten in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
c. omstandigheden waardoor het beheer van het pgb niet verantwoord kan plaatsvinden, zoals ernstige schuldenproblematiek, verslaving, verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek van de budgethouder of budgetbeheerder.
d. een situatie waarin de budgethouder of budgetbeheerder tevens optreedt als de uitvoerder van de zorg. In dit kader wordt ter aanvulling verwezen haar hoofdstuk 8 van deze verordening.
Artikel 4.16 Kwaliteitseisen persoonsgebonden budget (pgb)
Ter waarborging van de kwaliteit van met een pgb ingekochte hulp stelt het college de volgende eisen:
a. de uitvoerder beschikt over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG), niet ouder dan drie maanden bij de start van de zorgovereenkomst en gedurende de looptijd niet ouder dan drie jaar;
b. de uitvoerder beschikt over de vaardigheden en deskundigheid die nodig zijn om verantwoorde hulp te bieden;
c. de uitvoerder houdt een deugdelijke administratie bij van de geleverde hulp;
d. de uitvoerder kan in de Nederlandse taal communiceren met het college, de Sociale Verzekeringsbank en de jeugdige of zijn ouder(s);
e. de hulp wordt uitgevoerd volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;
f. de hulp wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van de jeugdige en zijn ouder(s), en waar nodig op andere voorzieningen die worden ingezet;
g. de privacy van de jeugdige en zijn ouder(s) wordt gerespecteerd en informatie wordt vertrouwelijk behandeld;
h. de uitvoerder volgt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling de meldcode.
Artikel 4.17 Medewerkingsplicht
De jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger zijn verplicht aan het college alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor:
a. het uitvoeren van het onderzoek naar de hulpvraag;
b. het vaststellen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen;
c. het beoordelen van de noodzaak en de aard van de jeugdhulpvoorziening;
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Gemeentewet)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-568863.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.