Gemeenschappelijke Regeling Westrom

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Echt-Susteren, Leudal, Roerdalen en Roermond, ieder voor zover ze voor de eigen gemeente bevoegd zijn,

 

Overwegende

 

  • -

    dat een integrale aanpak in het sociaal domein gewenst is teneinde zoveel mogelijk werkzoekenden met een afstand tot de arbeidsmarkt naar passend werk toe te leiden;

  • -

    dat het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Westrom de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening via het aanwijzingsbesluit van 20 november 2024 per 1 januari 2025 bij Doon Roermond BV heeft belegd;

  • -

    dat enkel het formele werkgeverschap onder de Wet sociale werkvoorziening bij de Gemeenschappelijke Regeling Westrom belegd blijft;

  • -

    dat een wijziging van de regeling naar een lichtere vorm van samenwerking, te weten een bedrijfsvoeringsorganisatie, derhalve passender wordt geacht;

  • -

    dat de raden toestemming hebben verleend om de Gemeenschappelijke Regeling Westrom te wijzigen;

Gelezen

 

Het voorstel van het algemeen bestuur tot aanpassing van de Gemeenschappelijke Regeling

 

Gelet op

 

  • -

    de Wet gemeenschappelijke regelingen

  • -

    de Wet sociale werkvoorziening

  • -

    de Gemeentewet

  • -

    de Algemene wet bestuursrecht

Besluiten

 

vast te stellen de vierde wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling Westrom met ingang van 1 januari 2026, waardoor deze als volgt komt te luiden:

 

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

 

  • 1.

    regeling : de gemeenschappelijke regeling Westrom

  • 2.

    Wsw : de Wet sociale werkvoorziening

  • 3.

    gemeenten : de aan deze regeling deelnemende gemeenten

  • 4.

    colleges : de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten

  • 5.

    gedeputeerde staten : Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg

  • 6.

    wet : de Wet gemeenschappelijke regelingen

Artikel 2 Bedrijfsvoeringsorganisatie

  • 1.

    Er is een rechtspersoonlijkheid bezittende bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet, hierna te noemen 'Westrom'.

  • 2.

    Westrom is gevestigd te Roermond.

Artikel 3 Belang en taken

Het belang ter behartiging waarvan de regeling is getroffen omvat de volledige uitvoering van de Wsw en de daaruit voortvloeiende en daarmee verband houdende voorschriften en regelingen, gericht op het realiseren van de doelstelling van de Wsw.

Artikel 4 Bevoegdheden

Ter uitvoering van de taken als genoemd in artikel 3 dragen de colleges hierbij middels delegatie hun wettelijke bevoegdheden en verplichtingen op grond van de Wsw volledig over.

Hoofdstuk 2 Het bestuur

Artikel 5 Samenstelling bestuur

  • 1.

    De colleges wijzen uit hun midden ieder één collegelid aan tot lid van het bestuur.

  • 2.

    De colleges wijzen voor ieder lid tevens één plaatsvervangend lid uit hun midden aan, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt.

Artikel 6 Zittingsduur

  • 1.

    De leden van het bestuur worden aangewezen voor een periode gelijk aan die van de zittingsduur van de colleges met dien verstande dat het lidmaatschap van het bestuur van rechtswege eindigt zodra men ophoudt lid te zijn van het college uit wiens midden men is aangewezen.

  • 2.

    De aanwijzing van de leden van het bestuur en hun plaatsvervangers vindt zo spoedig mogelijk na ingang van de wettelijke zittingsperiode plaats.

  • 3.

    Zo spoedig mogelijk na de in het tweede lid bedoelde aanwijzing vindt de eerste bijeenkomst van het bestuur in de nieuwe samenstelling plaats.

  • 4.

    Indien tussentijds een vacature in het bestuur ontstaat, wijst het betreffende college zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

  • 5.

    Het lid dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreden opengevallen plaats tot lid van het bestuur is aangewezen, treedt af op het tijdstip waarop diegene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.

Artikel 7 Ontslag

  • 1.

    Het college kan een door hem aangewezen lid van het bestuur ontslaan als deze het vertrouwen van het college niet meer bezit.

  • 2.

    Een lid van het bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt het voornemen hiertoe mede aan het college dat hem heeft aangewezen en aan de voorzitter van het bestuur.

    Hij die ontslag heeft genomen, blijft in functie totdat zijn opvolger is aangewezen.

Artikel 8 Vergaderingen van het bestuur

  • 1.

    Het bestuur vergadert jaarlijks tenminste twee keer en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt.

  • 2.

    Het bestuur vergadert tevens wanneer dit door tenminste twee leden van het bestuur schriftelijk en met opgave van redenen, aan de voorzitter wordt gevraagd. In dit geval wordt de vergadering binnen een maand gehouden.

  • 3.

    In de vergadering van het bestuur hebben alle leden ieder één stem.

  • 4.

    Besluiten van de vergadering van het bestuur vinden plaats op basis van gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen.

  • 5.

    Andere personen kunnen worden uitgenodigd om als adviseur een bepaalde vergadering van het bestuur bij te wonen.

  • 6.

    Het bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

  • 7.

    De vergaderingen van het bestuur worden met gesloten deuren gehouden, voor zover het bestuur niet anders heeft bepaald. Het reglement van orde voor de vergaderingen kan regels geven omtrent de openbaarheid van de vergaderingen van het bestuur.

Artikel 9 Informatie en verantwoording

  • 1.

    Een lid van het bestuur verstrekt aan het college en/of de raad van zijn gemeente alle inlichtingen die door het college en/of de raad worden verlangd op de in die gemeente gebruikelijke wijze.

  • 2.

    Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het bestuur gevoerde beleid.

  • 3.

    Het bestuur verstrekt aan de raden van de gemeenten alle inlichtingen die door één of meer leden van die raden worden gevraagd.

  • 4.

    Het bestuur geeft de raden van de gemeenten schriftelijk alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.

  • 5.

    Het bestuur rapporteert hoe dan ook per kwartaal aan de gemeenten over de personele en financiële ontwikkeling en voortgang van Westrom aan de hand van door het bestuur van Westrom te hanteren kengetallen.

Artikel 10 Taken en bevoegdheden

Tot de taken en bevoegdheden van het bestuur behoren in ieder geval:

 

  • a.

    het vaststellen en wijzigen van de begroting;

  • b.

    het vaststellen van de jaarrekening;

  • c.

    het vaststellen van het sociaal jaarverslag;

  • d.

    het beheren van de inkomsten en uitgaven van Westrom;

  • e.

    het aangaan van geldleningen en van rekening-courant overeenkomsten;

  • f.

    het uitvoeren van de overgedragen taken als bedoeld in artikel 3 en 4 van de regeling;

  • g.

    het aanwijzen van een uitvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 15;

  • h.

    de bevoegdheden inzake het Wsw-personeel;

  • i.

    het houden van toezicht op al hetgeen de regeling aangaat.

Artikel 11 Zienswijzen

  • 1.

    Het bestuur besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen dan nadat de raden van de gemeenten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun zienswijzen op het concept bij het bestuur naar voren te brengen.

  • 2.

    Het bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste twee gemeenteraden van de gemeenten het bestuur hierom verzoeken. In spoedeisende gevallen kan het bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte.

  • 3.

    Indien het tweede lid wordt toegepast, dan hebben de gemeenteraden twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven zijn, stelt het bestuur de gemeenteraden schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

Artikel 12 Inspraak

Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de gemeenten betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van uitvoeringsbeleid.

Hoofdstuk 3 De voorzitter, de secretaris en het personeel

Artikel 13 De voorzitter

  • 1.

    De voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van Westrom worden zo spoedig mogelijk na ingang van elke zittingsperiode door het bestuur uit zijn midden aangewezen.

  • 2.

    De voorzitter leidt de vergaderingen van het bestuur, conform het bepaalde daaromtrent in het reglement van orde bedoeld in artikel 8 van deze regeling.

  • 3.

    De voorzitter ontvangt alle aan het bestuur gerichte stukken en brengt die zo spoedig mogelijk ter tafel van het bestuur.

  • 4.

    De voorzitter is in spoedeisende gevallen bevoegd een voorlopig onderzoek van stukken te doen plaatshebben en geeft daarvan kennis in de eerstvolgende vergadering van het bestuur.

  • 5.

    De voorzitter vertegenwoordigt Westrom in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging schriftelijk aan een door hem aan te wijzen persoon opdragen.

  • 6.

    De voorzitter is belast met de uitvoering van besluiten van het bestuur.

  • 7.

    De voorzitter tekent alle stukken die van het bestuur uitgaan.

  • 8.

    De voorzitter geeft de raden van de gemeenten schriftelijk alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.

Artikel 14 De secretaris

  • 1.

    Het bestuur benoemt vanuit de uitvoeringsorganisatie zoals vermeld in artikel 15 van deze regeling een secretaris en een plaatsvervangend secretaris.

  • 2.

    Het bestuur stelt voor de functie van secretaris een werkinstructie op.

  • 3.

    De secretaris is het bestuur en de voorzitter in alles wat hun opgedragen taak aangaat, behulpzaam.

  • 4.

    Door de secretaris worden alle stukken die van het bestuur uitgaan, medeondertekend.

Hoofdstuk 4 Uitvoeringsorganisatie

Artikel 15 Aanwijzing uitvoeringsorganisatie

Het bestuur wijst ter uitvoering van de belangen zoals genoemd in artikel 3 van deze regeling een uitvoeringsorganisatie aan, onder door het bestuur te bepalen voorwaarden.

Hoofdstuk 5 Sociaal jaarverslag

Artikel 16 Sociaal jaarverslag

  • 1.

    Het bestuur stelt het sociaal jaarverslag, dat ziet op de over de in het voorgaande dienstjaar behaalde sociale resultaten, jaarlijks vóór 1 juli vast.

  • 2.

    Het bestuur stelt het jaarverslag meteen na vaststelling beschikbaar aan de gemeenten.

Hoofdstuk 6 Financiën

Artikel 17 Financieel beheer

  • 1.

    Het bestuur stelt een regeling vast betreffende het financieel en administratief beheer van Westrom.

  • 2.

    In de regeling als bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven welke functionaris belast wordt met het geldelijk beheer en de zorg voor de financiële administratie van Westrom.

  • 3.

    De regeling als bedoeld in het eerste lid van dit artikel geeft aan op welke wijze de controle op het financiële en administratieve beheer van Westrom wordt uitgeoefend en tevens op welke wijze de uitkomsten van die controle worden meegedeeld.

  • 4.

    Een exemplaar van de regeling als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, alsmede eventuele wijzigingen daarin, wordt door het bestuur aan de gemeenten en aan gedeputeerde staten toegezonden.

Artikel 18 Bijdrageplicht

  • 1.

    De colleges zullen er steeds voor zorgdragen dat Westrom te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 2.

    Indien aan het bestuur van Westrom blijkt dat een college weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek om over te gaan tot toepassing van de artikel 194 en 195 Gemeentewet.

  • 3.

    In geval van opheffing van de regeling is artikel 28 van deze regeling van toepassing.

Artikel 19 Begroting

  • 1.

    Het bestuur zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de gemeenten.

  • 2.

    Het bestuur stelt jaarlijks voor 30 april een ontwerpbegroting met de daarbij behorende toelichting op voor het daarop volgende jaar. In de begroting wordt een raming gemaakt voor de door elke gemeente verschuldigde bijdrage voor de uitvoering van de regeling.

  • 3.

    Het bestuur zendt de ontwerpbegroting in ieder geval twaalf weken voordat zij door het bestuur wordt vastgesteld, toe aan de raden van de gemeenten.

  • 4.

    De raden van de gemeenten kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

  • 5.

    Het bestuur stelt de raden van de gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Het bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting.

  • 6.

    Het bestuur stelt vervolgens vóór 1 september de begroting vast.

  • 7.

    Het bestuur deelt de vaststelling zo spoedig mogelijk mee aan de raden van de gemeenten.

  • 8.

    Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar aan gedeputeerde staten.

Artikel 20 Begrotingswijziging

  • 1.

    Het bepaalde in artikel 19, leden 1 tot en met 5, is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.

  • 2.

    Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op wijzigingen van de begroting, die niet leiden tot een overschrijding van de jaarlijkse bijdragen van de gemeenten.

Artikel 21 Jaarrekening

  • 1.

    Het bestuur zendt de voorlopige jaarrekening jaarlijks vóór 30 april aan de raden van de gemeenten.

  • 2.

    Het bestuur stelt uiterlijk 1 juli volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft, de jaarrekening alsmede de berekening van de door de gemeenten te betalen bijdrage vast. Het bestuur informeert de gemeenten over de vaststelling.

  • 3.

    Bij de jaarrekening wordt gevoegd een verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid van de jaarrekening, ingesteld door de op grond van artikel 213 van de Gemeentewet aangewezen deskundige.

  • 4.

    Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft, met de daarbij behorende stukken ter kennisname aan gedeputeerde staten.

  • 5.

    De vaststelling van de jaarrekening door het bestuur strekt, voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft, het bestuur en de in artikel 17, tweede lid, van deze regeling genoemde functionaris tot décharge behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden.

Artikel 22 Financiering

Het bestuur stelt nadere regels vast met betrekking tot het aangaan van geldleningen, het uitlenen van gelden, het aangaan van rekening-courant overeenkomsten en hetgeen verder de geldmiddelen van Westrom aangaat.

Artikel 23 Verdeling baten en lasten

  • 1.

    De gemeenten verbinden zich jaarlijks eventuele nadelige exploitatiesaldi van Westrom te betalen.

  • 2.

    De verrekening van baten en lasten verbonden aan de uitvoering van deze regeling vindt plaats overeenkomstig de ter zake door het bestuur vast te stellen regeling.

  • 3.

    In de regeling als bedoeld in het tweede lid kunnen afspraken gemaakt worden over een bonusregeling.

Hoofdstuk 7 Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing

Artikel 24 Wijziging regeling

  • 1.

    De regeling wordt gewijzigd op grond van een door de gemeenten daartoe met twee derde meerderheid genomen besluit.

  • 2.

    Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen uitgaan van het bestuur of één of meerdere gemeenten.

  • 3.

    Indien het voorstel uitgaat van het bestuur, zendt het bestuur het voorstel ter besluitvorming aan de gemeenten.

  • 4.

    Indien het voorstel uitgaat van één of meer gemeenten wordt het voorstel aan het bestuur gezonden.

  • 5.

    Het bestuur doet het voorstel, zoals omschreven in het vierde lid van dit artikel, met zijn beschouwingen ter zake, binnen drie maanden aan de gemeenten toekomen, waarna deze besturen verder handelen als voor het geval bepaald in het derde lid van dit artikel.

  • 6.

    Het bestuur geeft de gemeentebesturen kennis van het aanvaarden, verwerpen, goedkeuren of niet goedkeuren van de in dit artikel bedoelde voorstellen, respectievelijk besluiten.

Artikel 25 Toetreding

  • 1.

    Toetreding tot de regeling door andere gemeenten vindt plaats op voorstel van het bestuur en met instemming van twee derde van de reeds aan de regeling deelnemende gemeenten. Het bestuur kan aan de toetreding voorwaarden verbinden.

  • 2.

    De toetreding gaat in op een in overleg met de toetredende gemeente te bepalen datum.

  • 3.

    Het bestuur regelt de financiële gevolgen alsmede de overige gevolgen van een toetreding.

Artikel 26 Uittreding

  • 1.

    Een college kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet.

  • 2.

    Een college zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van twee jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen.

  • 3.

    Het bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het bestuur vast te stellen uittredingsplan.

  • 4.

    Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende gemeente omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.

  • 5.

    Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende gemeente gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende gemeente omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.

Artikel 27 Uittredingsplan

  • 1.

    Het in artikel 26, derde lid, bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende gemeente.

  • 2.

    Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende gemeente.

  • 3.

    Het bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende gemeente en de voorzitter. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het bestuur van de uittredende gemeente.

  • 4.

    De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel en in artikel 26 in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 5% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende gemeente van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.

  • 5.

    Het bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende gemeente de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de gemeente.

Artikel 28 Opheffing en liquidatie

  • 1.

    De regeling kan worden opgeheven met instemming van alle gemeenten minus één. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden van de gemeenten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij het college naar voren te brengen.

  • 2.

    Indien de regeling wordt opgeheven, geschiedt de liquidatie door het bestuur.

  • 3.

    Uiterlijk zes maanden voor het tijdstip waarop de regeling ophoudt te bestaan, stelt het bestuur een liquidatieplan op dat aan de colleges en raden van de gemeenten wordt voorgelegd. In het liquidatieplan regelt het bestuur de financiële gevolgen van opheffing.

  • 4.

    De colleges en raden van de gemeenten kunnen hun zienswijzen over het liquidatieplan binnen twee maanden na ontvangst daarvan aan het bestuur meedelen. Het bestuur stelt het liquidatieplan vervolgens vast.

  • 5.

    Zo nodig blijft het bestuur ook na het tijdstip van opheffing voortbestaan ten behoeve van de liquidatie.

Hoofdstuk 8 Archief

Artikel 29 Archief

  • 1.

    Het bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen van Westrom.

  • 2.

    De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van Westrom, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

  • 3.

    Het bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van Westrom, die niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.

  • 4.

    Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de bestuursorganen van Westrom wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Roermond.

  • 5.

    Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van Westrom, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van de gemeente Roermond.

  • 6.

    De archivaris van de gemeente Roermond brengt tweejaarlijks aan het bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van Westrom, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

  • 7.

    Het bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan de colleges over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van Westrom.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 30 Evaluatie

De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien twee gemeenten hierom verzoeken. Het bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de gemeenten voorleggen.

Artikel 31 Bekendmaking

  • 1.

    Het college van de gemeente Roermond zorgt overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 van de wet voor de bekendmaking van deze regeling alsmede van besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling.

  • 2.

    Het bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet.

Artikel 32 Citeerregel en duur van de regeling

  • 1.

    De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

  • 2.

    De regeling is in werking getreden op 1 januari 2001.

  • 3.

    De vierde wijziging van de regeling treedt in werking op 1 januari 2026, doch niet eerder dan bekend gemaakt conform artikel 26 van de wet.

  • 4.

    De regeling kan worden aangehaald als Gemeenschappelijke Regeling Westrom.

Naar boven