Gemeenteblad van Groningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Gemeenteblad 2025, 568700 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Gemeenteblad 2025, 568700 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen,
gezien het voorstel van 16 december 2025;
gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en gelet op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2024;
vast te stellen de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2026:
2 Persoonsgebonden budget (pgb)
De zorgverlener moet met een totaaltarief werken. In dit tarief moeten in ieder geval reistijd, vervoers- en parkeerkosten, en overheadkosten zijn opgenomen.
In de gevallen zoals bedoeld in artikel 4.6 lid 1 onder a of b van de Verordening moet cliënt minimaal één offerte zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 2 opsturen. Het college beoordeelt deze offerte. Als het college de offerte accepteert, wordt de hoogte van het budget voor het kopen van een hulpmiddel of woningaanpassing vastgesteld op de hoogte van het bedrag van deze offerte. Hierbij geldt dat het budget niet hoger is dan de grens uit artikel 4.6 lid 1 onder a of b van de Verordening.
In het geval zoals bedoeld in artikel 4.6 lid 1 onder c van de Verordening moet cliënt minimaal twee offertes zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 2 opsturen. Het college beoordeelt deze offerte. Als het college de offerte accepteert, wordt de hoogte van het budget voor het kopen van een hulpmiddel of woningaanpassing vastgesteld op de hoogte van het bedrag van de goedkoopste van deze offertes. Het college kan ook zelf een offerte opvragen. In dat geval wordt deze offerte meegenomen bij het bepalen van het budget.
Als cliënt het pgb wil gebruiken om een andere voorziening te kopen dan de goedkoopst passende tijdig beschikbare voorziening, moet hij naast de in lid 1 en 2 bedoelde offertes ook een offerte opsturen voor deze andere voorziening. Het college beoordeelt of het pgb voor het kopen van deze voorziening gebruikt mag worden. Als het bedrag van deze offerte lager is dan het budget op basis van lid 1 en 2, wordt het budget op dit lagere bedrag vastgesteld. Als het bedrag van deze offerte hoger is, blijft het budget op basis van lid 1 en 2 van toepassing.
Het college stelt een pgb beschikbaar voor onderhoud, reparatie, keuring en verzekering van het hulpmiddel of de woningaanpassing, zolang de cliënt de voorziening gebruikt. Dit pgb mag alleen worden gebruikt om het hulpmiddel of de woningaanpassing te onderhouden, repareren, keuren en verzekeren. Hierbij geldt dat de kosten voor het keuren en verzekeren alleen betaald worden als het verplicht of normaal is om dit soort voorzieningen te keuren of verzekeren.
De hoogte van een pgb voor het verhuizen naar en inrichten van de nieuwe woning zoals bedoeld in artikel 4.7 lid 2 onder a van de Verordening bedraagt maximaal het bedrag uit tabel 2 in de bijlage bij deze Nadere regels. Het daadwerkelijke budget is gebaseerd op de gemaakte of te maken kosten. Om deze kosten te onderbouwen moet de cliënt facturen en/of offertes opsturen. Het college beoordeelt of de kosten geheel of gedeeltelijk worden vergoed. Hiervoor wordt gekeken naar wat voor de betreffende kosten maatschappelijk gebruikelijk en de goedkoopst passende oplossing is. Bij de beoordeling van de kosten houdt het college altijd rekening met de persoonlijke situatie van de cliënt.
De maximumhoogte van een pgb voor woningsanering (vloer- en/of raambedekking) zoals bedoeld in artikel 4.7 lid 2 onder b van de Verordening wordt berekend op basis van de bedragen uit tabel 2 in de bijlage bij deze Nadere regels. Het daadwerkelijke budget is gebaseerd op de gemaakte of te maken kosten. Om deze kosten te onderbouwen moet de cliënt facturen en/of offertes opsturen. Het college beoordeelt of de kosten geheel of gedeeltelijk worden vergoed. Hiervoor wordt gekeken naar wat voor de betreffende kosten maatschappelijk gebruikelijk en de goedkoopst passende oplossing is. Bij de beoordeling van de kosten houdt het college altijd rekening met de persoonlijke situatie van de cliënt.
De hoogte van een pgb voor het bezoekbaar maken van een woning zoals bedoeld in artikel 4.7 lid 2 onder c van de Verordening bedraagt maximaal het bedrag uit tabel 2 in de bijlage bij deze Nadere regels. Het daadwerkelijke budget is gebaseerd op de gemaakte of te maken kosten. Om deze kosten te onderbouwen moet de cliënt facturen en/of offertes opsturen. Het college beoordeelt of de kosten geheel of gedeeltelijk worden vergoed aan de hand van wat voor de betreffende kosten maatschappelijk gebruikelijk en de goedkoopst passende oplossing is. Bij de beoordeling van de kosten houdt het college altijd rekening met de persoonlijke situatie van de cliënt.
Artikel 2.6 Einde gebruik zaak
Als de cliënt een voorziening die met een pgb is gekocht:
kan het college de cliënt vragen de voorziening terug te geven of de restwaarde te vergoeden. Bij het berekenen van de restwaarde wordt rekening gehouden met wat cliënt zelf voor de voorziening heeft betaald.
Artikel 3.1 aanvullende indicaties collectief vervoer
Naast een indicatie voor het collectief vervoer kan de gemeente de volgende aanvullende indicaties afgeven:
Kamer tot kamer: cliënt wordt door de chauffeur van en naar de voordeur van de woning, de eigen voordeur in het appartementencomplex of de eigen kamer gebracht, zowel op het vertrekpunt als op de plaats van bestemming. Deze aanvullende indicatie wordt alleen afgegeven als cliënt niet in staat is om zonder hulp van de chauffeur hier te komen. Standaard wordt cliënt door de chauffeur van en naar de eerste voordeur gebracht (deur tot deur);
4 Financiële tegemoetkoming aannemelijke meerkosten voor chronisch zieken en beperkten
minimuminkomen: een bruto jaarinkomen dat niet hoger is dan 120 procent van het wettelijk minimumloon inclusief vakantietoeslag (x 70% bij alleenstaande (ouder)). Bedragen worden verhoogd met 11,82% en 6,21% rekening houdend met pensioenleeftijd. In de bijlages zijn in tabel 6 Inkomensgrenzen MKR de inkomensgrenzen opgenomen. Jaarlijks vindt indexatie plaats conform de index Wml.
Een cliënt als bedoeld in artikel 4.2 lid 1 die niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 4.4 lid 1 onder a, kan alsnog in aanmerking komen voor een tegemoetkoming als hij:
Het college stuurt de cliënten, van wie zij weet dat deze waarschijnlijk voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 4.2, 4.3 en 4.4, een brief over het indienen van een aanvraag. Een aanvraagformulier zoals bedoeld in lid 1 is onderdeel van deze brief. Op dit formulier zijn de gegevens die al bekend zijn alvast ingevuld.
Artikel 7.1 Bijdrage in de kosten van verblijf in opvang
De bijdrage voor opvang is gelijk aan de kostprijs voor het verblijf, met inachtneming van paragraaf vier van hoofdstuk drie van het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015. Hierbij is uitdrukkelijk van belang dat cliënt na het heffen van de bijdrage niet minder overhoudt dan een bedrag aan zak- en kleedgeld, zoals staat in artikel 4.20 van het Uitvoeringsbesluit.
Als de instelling bij voltijdopvang of crisisopvang geen voeding aan de cliënt geeft, moet de instelling de cliënt een bedrag per dag beschikbaar stellen voor het inkopen van voedingsmiddelen. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) jaarlijks berekent als gemiddelde kosten voor voeding per dag.
Afwezigheid uit de opvang, anders dan in verband met beëindiging van de opvang, wordt voor de verschuldigdheid van de bijdrage buiten beschouwing gelaten. Als cliënt of zijn echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in een maand in een instelling voor beschermd wonen verblijft, is de bijdrage niet verschuldigd.
Artikel 8.1 Systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit
Hierbij houdt het college rekening met de aard en omvang van de instelling.
Het college kan de aanbieder opdracht geven om jaarlijks vóór 1 juni een verslag over zijn beleid van het afgelopen kalenderjaar openbaar te maken. In dat verslag legt de aanbieder verantwoording af over zijn beleid ter uitvoering van de kwaliteit van de ondersteuning die hij in dat jaar heeft verleend.
Artikel 11.1 Bijlage nadere regels
Indien geen uitvoering is gegeven aan het vorige lid worden de bedragen, percentages, doelgroepen, afschrijvingsduur en andere mogelijke nadere invullingen vastgesteld aan de hand van de criteria zoals die in de Wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Verordening en deze Nadere regels zijn gesteld.
Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze Nadere regels en door het college vastgestelde bedragen verhogen of verlagen. Het college kan per tarief en voorziening bepalen welke prijsindex hierbij wordt gehanteerd.
Aldus besloten in de collegevergadering van 16 december 2025
De burgemeester,
Roelien Kamminga
De secretaris,
Sander Gerritsen
Bijlage - Tarieven/Bedragen/ Afschrijvingsbedragen/ Termijnen/Percentages/Eigen bijdragen
Tabel 1 – Tarieven Pgb Huishoudelijke hulp, begeleiding en dagbesteding
|
Vervoer naar dagactiviteit per dagdeel (tot aan een maximum van 5 dagdelen per week); Maximaal € 37,55 per week |
||||
Tabel 2 – Hoogte eenmalige pgb
Tabel 3 – Tarieven zorg in natura (professioneel)
Tabel 4 – Kosten voorzieningen bij overige maatwerkvoorzieningen: ZIN en Pgb
|
Kleine woningaanpassingen1 |
|
|
Overige (bouwkundige of woon technische) woningaanpassingen incl. verbeteren toegankelijkheid of bezoekbaar maken woonruimte (bijvoorbeeld ook bestrating en elektra scootmobielsafe) |
|
|
Woonunit (indien deze voorziening voor kinderen: geen eigen bijdrage) |
|
|
Traplift (indien deze voorziening voor kinderen: ook eigen bijdrage) |
|
|
Transferhulpmiddelen, pakpaal, losse papegaai, douche- en toilethulpmiddelen e.d |
|
|
Vastframe handbike, Afneembare elektrische ondersteuning voor een rolstoel |
|
Bij voorzieningen gaat het om de all-in nieuwprijs, inclusief evt. afkoop van accessoires, onderhoud, verzekering en dergelijke.
* Het college heeft de gemiddelde afschrijving per jaar of gemiddelde levensduur voor de volgende maatwerkvoorzieningen gesteld op:
|
varieert tussen de 12 tot 20 jaar afhankelijke van het in de bouwwereld algemeen gebruikelijke afschrijvingstermijn van het soort bouwwerk |
||
Tabel 5 Tarieven Beschermd Wonen ZIN en Pgb
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In de Wmo 2015, het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2024 is een groot aantal definities opgenomen; reden waarom het aantal in deze Nadere regels beperkt is. Er wordt alleen een toelichting gegeven bij een artikel als dat nodig is.
Hoofdstuk 2 Persoonsgebonden budget (pgb)
Keuze voor Pgb vereist weloverwogen afwegingen van diverse aspecten, waaronder de verplichtingen die behoren bij het beheer van een Pgb en de verantwoordelijkheden die daaraan gekoppeld zijn (bijvoorbeeld werkgeverstaken). Dit betekent dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het verloop van de Pgb-ondersteuning, maar wel dient te controleren of deze naar verwachting en conform de afspraken verloopt. Bij problemen dient de pgb-beheerder zelf een oplossing te vinden en hiervoor geen beroep op de gemeente te doen. Indien de zorg niet naar verwachting verloopt, dient de gemeente een heronderzoek te doen en daarbij ook de verstrekkingsvorm opnieuw te beoordelen.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen Beschermd wonen in de vorm van Zorg in Natura (ZIN) en Pgb. Het ZIN-tarief is inclusief de huisvestingscomponent en het Pgb-tarief is maximaal het ZIN-tarief met onder omstandigheden ophoging van huisvestingscomponent. Achtergrond van een en ander staat vermeld in de VNG-ledenbrief van 22 augustus 2019 (kenmerk TISB/U201900644/ Lbr. 19/065.
Beschermd wonen kent een veelheid aan variëteiten. Het gaat erom dat de meest adequate en doelmatige hulp/ondersteuning wordt georganiseerd voor degene die is aangewezen op ‘Beschermd wonen’. Maatwerk met het oog op ontwikkelingsmogelijkheden kan derhalve worden geboden. Bij beschermd wonen in de eigen omgeving kan naast het informeel opgebouwde modulaire Pgb-tarief ook ambulante formele begeleiding en/of dagbesteding worden opgeplust. Dagbesteding extern wordt gestimuleerd is altijd formeel van aard. Door het twee-tarievenstelsel kan de cliënt een combinatie van ondersteuning inkopen die past bij zijn hulpvraag.
Artikel 2.6 Einde gebruik zaak
Pgb’s zijn veelal dure voorzieningen die in voorkomende gevallen slechts kort worden gebruikt. Gemeente heeft geen grondslag om de voorziening terug te vorderen. College kan wel verzoeken aan client of de nabestaanden om de voorziening terug te geven of de waarde daarvan aan de gemeente uit te keren. Het gaat steeds om redelijke bedragen.
Hoofdstuk 4 Financiële tegemoetkoming aannemelijke meerkosten voor chronisch zieken en beperkten
De in dit hoofdstuk beschreven regeling is de gemeentelijke compensatieregeling ter vervanging van de vergoeding op grond van de afgeschafte Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de Compensatieregeling Eigen Risico (CER).
In dit artikel worden begrippen omschreven die in principe niet in de rest van deze Nadere regels, de verordening of de wet zijn gedefinieerd. In deze regeling wordt een aantal begrippen uit de Participatiewet gebruikt, omdat in deze wet het inkomen op minimumniveau, ook wel minimuminkomen genoemd, wordt gedefinieerd.
Onderdeel b: Er geldt een bruto-inkomensgrens van maximaal 120 procent van het Wettelijk minimumloon (wml) inclusief vakantietoeslag (bij alleenstaande/alleenstaande ouder geldt de bijstandsfactor 70%). Indien het verzamelinkomen over het peiljaar zoals dat bekend is bij de belastingdienst hoger is dan de inkomensgrens, bestaat er geen recht op de tegemoetkoming. Voor pensioengerechtigden gelden er hogere inkomensgrenzen, die zijn afgeleid van de bijstandsnormeringen uit de artikelen 21 en 22 van de Participatiewet. Jaarlijks volgen deze bedragen de Wml-index zoals vermeld op rijksoverheid.nl
Zowel in de definitiebepalingen van de Wmo als de Participatiewet wordt onder gehuwde mede begrepen de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert (artikel 3 Participatiewet en artikel 1.1.2. Wmo). De datum 31 december van het peiljaar is leidend voor de vraag welke gezinssituatie/samenstelling huishouding aan de orde is.
De tegemoetkoming wordt achteraf verstrekt voor kosten die in het direct daaraan voorafgaande kalenderjaar zijn gemaakt. Het zogeheten peiljaar is het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan.
Artikel 4.2 – Doelgroep en doel
Het college heeft gekozen voor een regeling die direct ten goede komt aan inwoners van de gemeente met een chronische ziekte of beperking die rond moeten komen van een minimuminkomen. Met minimuminkomen wordt in deze regeling gerefereerd aan de bijstandsnormen die zijn neergelegd in de Participatiewet. Deze wet gaat uit van het gezinsinkomen. Dit betekent dat het inkomen van de (eventuele) echtgenoot of partner van de cliënt meetelt bij het bepalen van de hoogte van het inkomen. In de volgende artikelen is vastgelegd op grond van welke criteria wordt beoordeeld of de cliënt behoort tot de doelgroep inwoners waarvan het college aannemelijk vindt dat zij met hun chronische ziekte of beperking verband houdende meerkosten hebben.
Artikel 4.3 – Minderjarig kind
Op grond van dit artikel is het mogelijk dat een minderjarig kind (op 31 december van het peiljaar jonger dan 18 jaar) die meerkosten heeft in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. In dit geval mag (mogen) de ouder(s) of verzorger(s) in het peiljaar niet een hoger inkomen hebben dan 120 procent van de toepasselijke bijstandsnorm, en het betreffende kind moet voldoen aan de overige voorwaarden van dit hoofdstuk. Aangezien kinderen tot 18 jaar gratis zijn meeverzekerd in de basisverzekering van de Zorgverzekeringswet en niet onder het verplicht eigen risico van deze wet vallen, kunnen kinderen toch in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. Zie daartoe de toelichting bij artikel 4.5.
Artikel 4.4. – Criteria aannemelijke meerkosten
Om te bepalen of het aannemelijk is dat een cliënt meerkosten heeft moet hij worden beoordeeld op vooraf vastgestelde criteria. Hierin voorziet dit artikel. Omdat is gebleken dat het onmogelijk is om tot een uitputtende lijst van chronische ziekten en beperkingen te komen, is gekozen voor het hebben van bepaalde indicaties. De gedachte hierachter is dat wanneer de cliënt beschikt over een (of meer) van de aangegeven indicaties, ervan uit mag worden gegaan dat hij zodanig chronisch ziek is en/of fysieke of psychische beperkingen ondervindt, dat hij noodgedwongen extra kosten moet maken om zelfredzaam te zijn dan wel te participeren. De lijst met indicaties is tot stand gekomen in overleg met de adviesraden. Daarnaast geldt het criterium van het volledig in rekening gebrachte ‘verplicht eigen risico’, zoals genoemd in artikel 19 van de Zorgverzekeringswet.
Onderdeel d: Jeugdzorg kent een breed scala aan voorzieningen om het minderjarig kind te ondersteunen in zijn ontwikkeling. Teneinde in te zoomen op voorzieningen bedoeld voor met name chronisch zieken en beperkten is aangesloten bij een omschrijving van individuele voorzieningen in de Nadere regels Jeugdhulp die intensieve ondersteuning behelzen. Deze luidt:
Onderdeel b. vi.: Ten tijde van de collectieve zorgverzekering voor minima ( CZM: Menzis-gemeentepakket Groningen) kende de aanvullende verzekering (module 3) extra voorzieningen ter bekostiging van kostensoorten die eerder onder Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten vielen (Wtcg). Dit was de aanvullende verzekering met de meest uitgebreide dekking. Inmiddels is de CZM afgeschaft, maar blijft staan de bepaling dat verzekerden met een chronische ziekte of beperking geacht worden te kiezen voor een aanvullende verzekering met de meest uitgebreide dekking, bij welke zorgverzekeraar dan ook.
Een cliënt als bedoeld in artikel 4.2 die niet voldoet aan het criterium van het volledig verbruik van het volledig in rekening gebrachte verplicht eigen risico, maar wel beschikt over een indicatie als genoemd in artikel 4.4, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming als hij naar het oordeel van het college kan aantonen dat hij een chronische ziekte of beperking heeft, waaruit in het peiljaar aannemelijke meerkosten voortvloeien tenminste ter hoogte van het volledig in rekening gebrachte verplicht eigen risico. Een en ander moet blijken uit het overleggen van nota’s uit het peiljaar die betrekking hebben op de meerkosten als gevolg van de chronische ziekte of beperking. Vaststellen of de cliënt op grond van dit artikel recht heeft op een tegemoetkoming, vereist een inhoudelijk onderzoek.
Artikel 4.6 – Aanvraagprocedure
In deze regeling worden twee manieren van aanvragen onderscheiden. Personen uit de doelgroep die wat betreft inkomen én indicatie bekend zijn bij de gemeente, ontvangen een brief van het college die deels is opgesteld in de vorm van een verkort aanvraagformulier.
Hierin staan de bij de gemeente bekende gegevens al voorgedrukt. De aanvrager hoeft de gegevens alleen maar te controleren op juistheid en de eventueel gecorrigeerde en aangevulde brief ondertekend terug te sturen.
Personen die niet bekend zijn bij de gemeente moeten op de gebruikelijke wijze een aanvraag indienen. Hiervoor is een speciaal aanvraagformulier opgesteld. Het ingevulde formulier moet met de vereiste bewijsstukken bij het college worden ingediend. Het formulier is zodanig ingericht, dat de cliënt zo weinig mogelijk bewijsstukken hoeft mee te zenden.
De periode waarin de aanvraag kan worden gedaan is van 1 april tot en met 30 november volgend op het peiljaar. De bewijsstukken zijn in principe dus beschikbaar. Mocht in een individueel geval op grond van bijzondere omstandigheden tijdige aanvraag niet mogelijk zijn, dan kan van de aanvraagtermijn worden afgeweken.
Artikel 4.8 – Te verstrekken gegevens bij aanvraag
Onderdeel e: bij zelfstandigen (en zzp’ers) vragen we naar de belastingaanslag over het peiljaar. Zo mogelijk moet de definitieve aanslag worden overgelegd. Is die nog niet voorhanden, dan mag worden volstaan met de voorlopige aanslag.
Gegevens die al bekend zijn bij de gemeente zullen (voor zover wettelijk mogelijk) niet worden opgevraagd.
Het gaat hier om een financiële tegemoetkoming voor huurderving van woonruimte geschikt voor mensen met een beperking. Zonder een dergelijk tegemoetkoming zou schaarse woonruimte voor mensen met een beperking al snel verhuurd worden aan mensen zonder beperking. Het college kan daarom gedurende maximaal zeven maanden, waarbij de eerste maand huurderving niet voor een vergoeding in aanmerking komt, de kale huur van een woning aan een eigenaar of verhuurder bij wijze van subsidie verstrekken. De ter zake geldende bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen (ASV) zijn van toepassing.
Artikel 6.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers
Op grond van het gesprek en het onderzoek zal de gemeente de meeste mantelzorgers kennen en die hoeven niet aan te geven dat zij voor een blijk van waardering in aanmerking willen komen. Voor de mantelzorgers die de gemeente niet in beeld heeft, wordt met het derde lid de mogelijkheid geboden aan te geven dat zij voor de jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking willen komen.
In het Handhavingsprotocol Wmo van de gemeente Groningen, vastgesteld door het college op 6 oktober 2020, is het beleid voor toezicht beschreven alsmede het sanctiebeleid bij geconstateerde tekortkomingen. Hierbij is het model basisset kwaliteitseisen Wmo-ondersteuning voor zeer kwetsbare burgers van de VNG als uitgangspunt genomen. De geformuleerde algemene uitgangspunten zijn te beschouwen als richtlijnen voor goede ondersteuning van professionals voor kwetsbare burgers.
De opgenomen bepalingen komen overeen met het systeem zoals dat thans geldt op basis van de Wet Kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), dat aanbieders oplegt ‘verantwoorde zorg’ te leveren. De aanbieder moet zorgen voor voorzieningen van goede kwaliteit. De minimale eisen waaraan de voorziening moet voldoen zijn geformuleerd.
Artikel 9.1 Recht om uit te dagen
Op grond van artikel 2.1.3 van de wet moet in de verordening worden geregeld op welke wijze ingezetenen en hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van de wet. De nadruk ligt daarbij op de betrokkenheid van de samenleving in de fase van de voorbereiding van het beleid en de verordening, inclusief het initiatiefrecht tot het doen van voorstellen en adviezen. Dit artikel geeft aan dat laatste.
Bij amendement is artikel 2.6.7 in de wet opgenomen met als doel maatschappelijke initiatieven een grotere rol te laten spelen bij de uitvoering van het gemeentelijke beleid.
Naar Brits voorbeeld wordt het mogelijk gemaakt dat op buurtniveau een right to challenge, een recht om uit te dagen, wordt toegepast.
Het college heeft op dit onderdeel Nadere regels opgesteld op grond van de delegatiebepaling van artikel 10.2 van de Verordening. Het eerste lid van dit artikel geeft aan dat het college samenwerkt met buurtinitiatieven bij de uitvoering van het beleid. De eisen waaraan ingezetenen en maatschappelijke initiatieven moeten voldoen om taken van het college te kunnen uitvoeren worden in het derde lid vastgelegd. Bewoners kunnen daarbij een bod doen op de gehele zorgtaak van de gemeente, maar ook op een apart geografisch of thematisch perceel. Daarbij wil het college niet te veel vooruitlopen op de AMvB die in artikel 2.6.7 van de wet wordt aangekondigd, zodat de in het derde lid gegeven criteria dicht tegen de regelgeving van de gemeente aan liggen: ongeveer dezelfde kwaliteit van de voorzieningen, besluiten die voldoen aan de eisen van de wet en ongeveer dezelfde kostprijs. Het college neemt in de beoordeling de sociale meerwaarde van buurtinitiatieven mee.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-568700.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.