Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen,

[347764-2025]

 

gezien het voorstel van 16 december 2025;

 

gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en gelet op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2024;

 

BESLUIT:

vast te stellen de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2026:

 

1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Begrippen in deze Nadere regels hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna te noemen: de wet), het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2024.

2 Persoonsgebonden budget (pgb)

Artikel 2.1 Pgb plan

  • 1.

    De cliënt stelt een pgb-plan op waarin in ieder geval staat:

    • a.

      dat de cliënt (een deel van) de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wil ontvangen, en waarom;

    • b.

      precies welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die onderdeel zijn van de maatwerkvoorziening de cliënt met het pgb wil kopen;

    • c.

      of, en zo ja welke, van deze diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, cliënt wil kopen van een persoon die deel uitmaakt van het sociaal netwerk van cliënt;

    • d.

      hoe cliënt, zelfstandig of met hulp van een ander, van plan is ervoor te zorgen dat deze diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die met het pgb gekocht worden veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn;

    • e.

      hoe cliënt, zelfstandig of met hulp van een ander, van plan is op te komen voor zijn belangen met betrekking tot het pgb en de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren;

    • f.

      welke doelen en resultaten cliënt probeert te halen met betrekking tot het verbeteren van de participatie en zelfredzaamheid, of beschermd wonen en opvang;

    • g.

      in welke periode deze doelen en resultaten zoals bedoeld onder f. worden behaald.

  • 2.

    Als cliënt met het pgb een hulpmiddel of woningaanpassing wil kopen, moet hij naast de informatie uit het pgb-plan de offerte(s) zoals bedoeld in artikel 2.4 toevoegen. In deze offerte moet in ieder geval het volgende staan:

    • -

      de kenmerken van het hulpmiddel of de woningaanpassing, waaruit blijkt dat deze voldoet aan het programma van eisen dat de indicatiesteller heeft vastgesteld voor de goedkoopst passende tijdig beschikbare voorziening;

    • -

      de koopprijs van het hulpmiddel of de woningaanpassing;

    • -

      als het mogelijk is: de kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering voor in ieder geval het eerste jaar.

Artikel 2.2 Tarief

De zorgverlener moet met een totaaltarief werken. In dit tarief moeten in ieder geval reistijd, vervoers- en parkeerkosten, en overheadkosten zijn opgenomen.

Artikel 2.3 Onderhoud en verzekering

  • 1.

    De cliënt is verplicht om de voorziening die met een pgb is gekocht voldoende te laten onderhouden, zolang hij deze voorziening gebruikt.

  • 2.

    De cliënt is verplicht om de voorziening die met een pgb is gekocht voldoende te verzekeren, zolang hij deze voorziening gebruikt. Deze verplichting geldt alleen als het normaal is om de betreffende voorziening te verzekeren.

  • 3.

    Als het gaat om een:

    • -

      scootmobiel;

    • -

      aangepaste fiets met hulpmotor; of

    • -

      elektrische rolstoel;

  • moet de verzekering zoals bedoeld in lid 2 een allriskverzekering zijn, inclusief vervanging bij reparatie als dat mogelijk is.

Artikel 2.4 Hoogte pgb

  • 1.

    In de gevallen zoals bedoeld in artikel 4.6 lid 1 onder a of b van de Verordening moet cliënt minimaal één offerte zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 2 opsturen. Het college beoordeelt deze offerte. Als het college de offerte accepteert, wordt de hoogte van het budget voor het kopen van een hulpmiddel of woningaanpassing vastgesteld op de hoogte van het bedrag van deze offerte. Hierbij geldt dat het budget niet hoger is dan de grens uit artikel 4.6 lid 1 onder a of b van de Verordening.

  • 2.

    In het geval zoals bedoeld in artikel 4.6 lid 1 onder c van de Verordening moet cliënt minimaal twee offertes zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 2 opsturen. Het college beoordeelt deze offerte. Als het college de offerte accepteert, wordt de hoogte van het budget voor het kopen van een hulpmiddel of woningaanpassing vastgesteld op de hoogte van het bedrag van de goedkoopste van deze offertes. Het college kan ook zelf een offerte opvragen. In dat geval wordt deze offerte meegenomen bij het bepalen van het budget.

  • 3.

    Als cliënt het pgb wil gebruiken om een andere voorziening te kopen dan de goedkoopst passende tijdig beschikbare voorziening, moet hij naast de in lid 1 en 2 bedoelde offertes ook een offerte opsturen voor deze andere voorziening. Het college beoordeelt of het pgb voor het kopen van deze voorziening gebruikt mag worden. Als het bedrag van deze offerte lager is dan het budget op basis van lid 1 en 2, wordt het budget op dit lagere bedrag vastgesteld. Als het bedrag van deze offerte hoger is, blijft het budget op basis van lid 1 en 2 van toepassing.

  • 4.

    Het college stelt een pgb beschikbaar voor onderhoud, reparatie, keuring en verzekering van het hulpmiddel of de woningaanpassing, zolang de cliënt de voorziening gebruikt. Dit pgb mag alleen worden gebruikt om het hulpmiddel of de woningaanpassing te onderhouden, repareren, keuren en verzekeren. Hierbij geldt dat de kosten voor het keuren en verzekeren alleen betaald worden als het verplicht of normaal is om dit soort voorzieningen te keuren of verzekeren.

  • 5.

    De hoogte van het pgb zoals bedoeld in lid 4:

    • a.

      is voor voorzieningen waarvoor de gemeente een overeenkomst voor onderhoud, reparatie, keuring en verzekering heeft gesloten, per jaar maximaal 12 keer het bedrag dat de gemeente aan de aanbieder van de goedkoopst compenserende voorziening in natura betaalt;

    • b.

      is voor voorzieningen die niet onder a. vallen niet beperkt tot een maximumbedrag. Dit pgb kan alleen gebruikt worden voor redelijke kosten, dit zijn kosten die verantwoord zijn, wanneer rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval.

  • 6.

    De hoogte van een pgb voor het verhuizen naar en inrichten van de nieuwe woning zoals bedoeld in artikel 4.7 lid 2 onder a van de Verordening bedraagt maximaal het bedrag uit tabel 2 in de bijlage bij deze Nadere regels. Het daadwerkelijke budget is gebaseerd op de gemaakte of te maken kosten. Om deze kosten te onderbouwen moet de cliënt facturen en/of offertes opsturen. Het college beoordeelt of de kosten geheel of gedeeltelijk worden vergoed. Hiervoor wordt gekeken naar wat voor de betreffende kosten maatschappelijk gebruikelijk en de goedkoopst passende oplossing is. Bij de beoordeling van de kosten houdt het college altijd rekening met de persoonlijke situatie van de cliënt.

  • 7.

    De maximumhoogte van een pgb voor woningsanering (vloer- en/of raambedekking) zoals bedoeld in artikel 4.7 lid 2 onder b van de Verordening wordt berekend op basis van de bedragen uit tabel 2 in de bijlage bij deze Nadere regels. Het daadwerkelijke budget is gebaseerd op de gemaakte of te maken kosten. Om deze kosten te onderbouwen moet de cliënt facturen en/of offertes opsturen. Het college beoordeelt of de kosten geheel of gedeeltelijk worden vergoed. Hiervoor wordt gekeken naar wat voor de betreffende kosten maatschappelijk gebruikelijk en de goedkoopst passende oplossing is. Bij de beoordeling van de kosten houdt het college altijd rekening met de persoonlijke situatie van de cliënt.

  • 8.

    De hoogte van een pgb voor het bezoekbaar maken van een woning zoals bedoeld in artikel 4.7 lid 2 onder c van de Verordening bedraagt maximaal het bedrag uit tabel 2 in de bijlage bij deze Nadere regels. Het daadwerkelijke budget is gebaseerd op de gemaakte of te maken kosten. Om deze kosten te onderbouwen moet de cliënt facturen en/of offertes opsturen. Het college beoordeelt of de kosten geheel of gedeeltelijk worden vergoed aan de hand van wat voor de betreffende kosten maatschappelijk gebruikelijk en de goedkoopst passende oplossing is. Bij de beoordeling van de kosten houdt het college altijd rekening met de persoonlijke situatie van de cliënt.

  • 9.

    Als de hoogte van het pgb dat op basis van dit artikel is vastgesteld lager is dan de kosten van de maatwerkvoorziening, is cliënt verantwoordelijk voor het betalen van het verschil.

Artikel 2.5 Uitbetaling

  • 1.

    Het pgb voor ondersteuning wordt door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) rechtstreeks aan de zorgverlener betaald op basis van een zorgovereenkomst.

  • 2.

    Het college betaalt het pgb voor een hulpmiddel of woningaanpassing namens de cliënt rechtstreeks uit aan de leverancier op basis van de rekening.

  • 3.

    De cliënt kan ervoor kiezen om de rekening voor een hulpmiddel of woningaanpassing eerst zelf te betalen. In dat geval betaalt het college het pgb uit op het bankrekeningnummer van cliënt. Hiervoor moet de cliënt de rekening en een bewijs van betaling hiervan opsturen naar het college.

Artikel 2.6 Einde gebruik zaak

Als de cliënt een voorziening die met een pgb is gekocht:

  • -

    niet meer gebruikt; en

  • -

    de gebruiksduur van deze voorziening nog niet voorbij is;

kan het college de cliënt vragen de voorziening terug te geven of de restwaarde te vergoeden. Bij het berekenen van de restwaarde wordt rekening gehouden met wat cliënt zelf voor de voorziening heeft betaald.

3 Collectief vervoer

Artikel 3.1 aanvullende indicaties collectief vervoer

  • 1.

    Naast een indicatie voor het collectief vervoer kan de gemeente de volgende aanvullende indicaties afgeven:

    • a.

      Bus: cliënt wordt uitsluitend met een personenbusje vervoerd;

    • b.

      Voorin zitten: als cliënt met een personenauto wordt vervoerd, zit cliënt voorin tijdens de rit;

    • c.

      Personenauto: cliënt wordt uitsluitend met een personenauto vervoerd;

    • d.

      Voorin zitten in personenauto: cliënt wordt uitsluitend met een personenauto vervoerd en zit voorin tijdens de rit;

    • e.

      Kamer tot kamer: cliënt wordt door de chauffeur van en naar de voordeur van de woning, de eigen voordeur in het appartementencomplex of de eigen kamer gebracht, zowel op het vertrekpunt als op de plaats van bestemming. Deze aanvullende indicatie wordt alleen afgegeven als cliënt niet in staat is om zonder hulp van de chauffeur hier te komen. Standaard wordt cliënt door de chauffeur van en naar de eerste voordeur gebracht (deur tot deur);

    • f.

      (medische) begeleiding noodzakelijk: cliënt neemt altijd gratis een begeleider mee tijdens de rit.

    • g.

      Huisgenoot: cliënt mag maximaal drie geregistreerde inwonende kinderen (huisgenoten) in de leeftijd van 4 tot en met 11 jaar gratis meenemen tijdens de rit;

    • h.

      Hulphond: cliënt mag zijn of haar hulphond gratis meenemen tijdens de rit;

    • i.

      (elektrische) rolstoelvervoer: cliënt wordt zittend in de (elektrische) rolstoel vervoerd;

    • j.

      Opklapbare rolstoel: cliënt maakt voor de rit een overstap van de rolstoel naar een normale zitplaats. De rolstoel gaat ingeklapt mee. Op de plaats van bestemming maakt cliënt de overstap van de normale zitplaats terug in de rolstoel;

    • k.

      Rollator/looprek: cliënt neemt altijd het hulpmiddel mee tijdens de rit. Het hulpmiddel moet, al dan niet ingeklapt, in een personenauto passen.

    • l.

      Scootmobiel mee: cliënt neemt altijd de scootmobiel mee in de taxi. Deze aanvullende indicatie wordt alleen afgegeven als het strikt noodzakelijk is dat cliënt op de plaats van bestemming de beschikking heeft over de scootmobiel;

    • m.

      Wisselend hulpmiddel mee: cliënt neemt niet altijd een hulpmiddel mee tijdens de rit. Als cliënt meerdere hulpmiddelen gebruikt, kan welk hulpmiddel wordt meegenomen wisselen. De gemeente bepaalt welke hulpmiddelen zijn toegestaan;

    • n.

      Blind/slechtziend: de vervoerder weet dat cliënt een visuele beperking heeft en houdt hier rekening mee;

    • o.

      Doof/slechthorend: de vervoerder weet dat cliënt een auditieve beperking heeft en houdt hier rekening mee.

  • 2.

    De gemeente kan meerdere aanvullende indicaties tegelijk afgeven, tenzij de aard van de indicatie zich hiertegen verzet.

4 Financiële tegemoetkoming aannemelijke meerkosten voor chronisch zieken en beperkten

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

  • a.

    inkomen: totaal van het bruto jaarinkomen zoals bekend bij de belastingdienst;

  • b.

    minimuminkomen: een bruto jaarinkomen dat niet hoger is dan 120 procent van het wettelijk minimumloon inclusief vakantietoeslag (x 70% bij alleenstaande (ouder)). Bedragen worden verhoogd met 11,82% en 6,21% rekening houdend met pensioenleeftijd. In de bijlages zijn in tabel 6 Inkomensgrenzen MKR de inkomensgrenzen opgenomen. Jaarlijks vindt indexatie plaats conform de index Wml.

  • c.

    peiljaar: het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan;

  • d.

    aannemelijke meerkosten (in verband met chronische ziekte of beperking): kosten die:

    • i.

      samenhangen met een beperking, chronische ziekte, of chronische psychische of psychosociale problemen; en

    • ii.

      de cliënt belemmeren in zijn zelfredzaamheid en participatie; en

    • iii.

      niet op een andere manier worden vergoed.

  • e.

    tegemoetkoming: forfaitaire financiële vergoeding als bedoeld in artikel 4.9.

  • f.

    ten laste komend kind: het kind als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e van de Participatiewet.

  • g.

    verplicht eigen risico: het verplicht eigen risico zoals bedoeld in artikel 19 van de Zorgverzekeringswet.

Artikel 4.2 Doelgroep en doel

  • a.

    Ingezetenen van de gemeente Groningen met een chronische ziekte of beperking die, alleen of als gehuwd tezamen met hun echtgenoot of partner, in het peiljaar beschikken over een minimuminkomen en in het peiljaar aannemelijke meerkosten hebben.

  • b.

    Dit hoofdstuk regelt het toekennen van een tegemoetkoming aan cliënten die onderdeel zijn van de doelgroep als genoemd in lid 1 en voldoen aan de overige voorwaarden van dit hoofdstuk.

Artikel 4.3 Minderjarig kind

Een minderjarig kind is onderdeel van de doelgroep wanneer:

  • a.

    de ouder of verzorger tot wiens last het minderjarige kind komt, alleen of als gehuwd tezamen met zijn echtgenoot of partner, voldoet aan de voorwaarden met betrekking tot het inkomen zoals die zijn gesteld in artikel 4.2 lid 1; en

  • b.

    het minderjarige kind voldoet aan de overige voorwaarden van dit hoofdstuk.

Artikel 4.4 Criteria aannemelijke meerkosten

  • 1.

    Een cliënt als bedoeld in artikel 4.2 lid 1 kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming als:

    • a.

      hij over het peiljaar het volledig verplicht eigen risico moet betalen; en

    • b.

      hij daarnaast voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden:

      • i.

        aan cliënt is een maatwerkvoorziening toegekend of cliënt maakt gebruik van een algemene voorziening op grond van de Wmo 2015;

      • ii.

        aan cliënt is een indicatie afgegeven voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz);

      • iii.

        aan cliënt is door de gemeente Groningen een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder of passagier verstrekt;

      • iv.

        aan cliënt is een individuele voorziening toegekend op grond van de Wet op de jeugdzorg of de Jeugdwet. De voorziening moet een vorm van jeugdhulp betreffen als omschreven in artikel 2 lid 4 onderdeel e en f van de Nadere regels Jeugdhulp gemeente Groningen 2023;

      • v.

        aan cliënt is bijzondere bijstand toegekend op grond van de Participatiewet voor een van de volgende kosten:

        • -

          bewassing;

        • -

          kledingslijtage;

        • -

          stookkosten;

        • -

          maaltijdvoorziening;

      • vi.

        cliënt heeft een aanvullende zorgverzekering met de meest uitgebreide dekking;

      • vii.

        cliënt kan aantonen dat hij in een deel van het peiljaar een medisch objectiveerbare chronische ziekte of beperking heeft, waaruit aannemelijke meerkosten voortvloeien.

  • 2.

    De voorwaarden genoemd in lid 1 moeten voor de duur van ten minste zes aaneengesloten maanden van toepassing zijn, en geheel of gedeeltelijk in het peiljaar vallen.

Artikel 4.5 Vangnet

Een cliënt als bedoeld in artikel 4.2 lid 1 die niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 4.4 lid 1 onder a, kan alsnog in aanmerking komen voor een tegemoetkoming als hij:

  • a.

    voldoet aan tenminste één van de voorwaarden van artikel 4.4 lid 1 onder b; en

  • b.

    naar het oordeel van het college kan aantonen dat hij een chronische ziekte of beperking heeft, waaruit in het peiljaar aannemelijke meerkosten voortvloeien tenminste ter hoogte van het volledig verplicht eigen risico.

Artikel 4.6 Aanvraagprocedure

  • 1.

    De tegemoetkoming kan worden aangevraagd met behulp van een hiervoor vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

  • 2.

    De aanvraag wordt ingediend bij het college. De bewijsstukken die nodig zijn voor de aanvraag moeten als bijlage worden meegestuurd.

  • 3.

    Het college stuurt de cliënten, van wie zij weet dat deze waarschijnlijk voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 4.2, 4.3 en 4.4, een brief over het indienen van een aanvraag. Een aanvraagformulier zoals bedoeld in lid 1 is onderdeel van deze brief. Op dit formulier zijn de gegevens die al bekend zijn alvast ingevuld.

Artikel 4.7 Aanvraagtermijn

  • 1.

    De aanvraag voor een tegemoetkoming over het peiljaar kan bij het college worden ingediend in de periode van 1 april tot en met 30 november van het jaar volgend op het peiljaar.

  • 2.

    Het college kan ten gunste van de aanvrager een uitzondering maken op het bepaalde in lid 1. Dit kan alleen als er volgens het college sprake is van bijzondere omstandigheden in een individueel geval.

Artikel 4.8 Gegevens die nodig zijn voor de aanvraag

  • 1.

    In de aanvraag moeten de volgende gegevens staan:

    • a.

      naam, adres, woonplaats, geboortedatum, Burgerservicenummer en rekeningnummer van de cliënt;

    • b.

      indien van toepassing: naam en geboortedatum van de inwonende partner;

    • c.

      indien van toepassing: naam, geboortedatum en rekeningnummer van de ouder van het minderjarige kind waarvoor wordt aangevraagd;

    • d.

      kopie van een geldig legitimatiebewijs van de cliënt als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Dit is niet nodig als de cliënt met DigiD is ingelogd, in dat geval is de identiteit van cliënt voldoende vastgesteld;

    • e.

      inkomensverklaring van de belastingdienst over het peiljaar, of de belastingaanslag over het peiljaar als het om een zelfstandige gaat;

    • f.

      kopieën van beschikkingen of andere schriftelijke gegevens die bewijzen dat is voldaan aan één of meer van de voorwaarden van artikel 4.4 lid 1 onder b en lid 2;

    • g.

      kopie van een verklaring verplicht eigen risico of andere schriftelijke gegevens die bewijzen dat is voldaan aan de voorwaarde van artikel 4.4 lid 1 onder a;

    • h.

      overige gegevens die het college nodig vindt om te kunnen besluiten over de aanvraag voor een tegemoetkoming.

  • 2.

    Het college vraagt geen gegevens zoals bedoeld in lid 1 op als het college deze gegevens al heeft.

Artikel 4.9 Hoogte tegemoetkoming

De hoogte van de tegemoetkoming is een bedrag van € 400,00. De tegemoetkoming wordt één keer per kalenderjaar toegekend aan elke cliënt die aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoet.

5 Huurderving

Artikel 5.1 Huurderving bij geschikte woonruimte

  • 1.

    Een verhuurder kan in aanmerking komen voor een subsidie om tegemoet te komen aan de kosten van het vrijhouden van beschikbaar gekomen woonruimte geschikt voor mensen met een beperking.

  • 2.

    De subsidie wordt uitbetaald aan de eigenaar van de woning en bedraagt de kale huur per maand gedurende maximaal zeven maanden, waarbij de eerste maand huurderving niet voor een vergoeding in aanmerking komt.

6 Waardering mantelzorgers

Artikel 6.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.

    De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat uit:

    • a.

      de viering van de dag van de mantelzorger met activiteiten in de gemeente, en

    • b.

      de verstrekking van een mantelzorgkaart met waarderingsvouchers.

  • 2.

    Het college overlegt met mantelzorgers en hun organisaties over de vormgeving van de jaarlijkse blijk van waardering.

  • 3.

    Mantelzorgers die nog niet bekend zijn bij de gemeente kunnen bij de gemeente aangeven voor de jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking te willen komen.

7 Bijdrage in de kosten

Artikel 7.1 Bijdrage in de kosten van verblijf in opvang

  • 1.

    Een cliënt die gebruik maakt van verblijf in opvang is hiervoor een bijdrage in de kosten verschuldigd.

  • 2.

    De bijdrage voor opvang is gelijk aan de kostprijs voor het verblijf, met inachtneming van paragraaf vier van hoofdstuk drie van het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015. Hierbij is uitdrukkelijk van belang dat cliënt na het heffen van de bijdrage niet minder overhoudt dan een bedrag aan zak- en kleedgeld, zoals staat in artikel 4.20 van het Uitvoeringsbesluit.

  • 3.

    Onder de kostprijs van opvang wordt de prijs verstaan waarvoor de gemeente opvang voor een cliënt heeft ingekocht.

  • 4.

    Als de instelling bij voltijdopvang of crisisopvang geen voeding aan de cliënt geeft, moet de instelling de cliënt een bedrag per dag beschikbaar stellen voor het inkopen van voedingsmiddelen. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) jaarlijks berekent als gemiddelde kosten voor voeding per dag.

  • 5.

    Afwezigheid uit de opvang, anders dan in verband met beëindiging van de opvang, wordt voor de verschuldigdheid van de bijdrage buiten beschouwing gelaten. Als cliënt of zijn echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in een maand in een instelling voor beschermd wonen verblijft, is de bijdrage niet verschuldigd.

  • 6.

    Als cliënt een vergoeding voor huisvesting betaalt aan een instelling is hij geen bijdrage verschuldigd voor verblijf in opvang.

  • 7.

    Voor dagopvang, nachtopvang en noodopvang voor personen die de huiselijke situatie hebben verlaten in verband met risico´s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld is voor maximaal drie dagen geen bijdrage verschuldigd.

  • 8.

    Een cliënt is bij opvang geen bijdrage verschuldigd als:

    • a.

      hij tijdens zijn verblijf in opvang woonkosten is verschuldigd als hoofdbewoner voor een woning; en

    • b.

      hij die woning heeft verlaten in verband met risico’s voor de veiligheid in verband met huiselijk geweld.

  • 9.

    De door het college aangewezen instellingen voor opvang zijn verplicht de vastgestelde bijdrage van de cliënten te innen in alle gevallen dat de bijdrage niet door de gemeente wordt ingehouden op de bijstandsuitkering of inkomensvoorziening van de cliënt.

  • 10.

    In die gevallen dat naast de opvang ook een maatwerkvoorziening voor begeleiding in opvang is toegekend, zijn voor deze begeleiding de voorgaande bepalingen over de eigen bijdrage niet van toepassing.

8 Kwaliteit en klachten

Artikel 8.1 Systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit

  • 1.

    Onder het uitvoeren van artikel 9.1 Verordening valt ook de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de ondersteuning.

  • 2.

    Het college kan ter uitvoering van lid 1 de aanbieder opdracht geven te zorgen voor:

    • a.

      het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens over de kwaliteit van de ondersteuning;

    • b.

      het op een zodanige wijze registeren en verzamelen van de gegevens, bedoeld onder a, dat de gegevens voor iedereen vergelijkbaar zijn met gegevens van andere aanbieders van dezelfde categorie;

    • c.

      het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering van artikel 9.1 Verordening leidt tot een verantwoorde ondersteuning;

    • d.

      het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder c, zo nodig veranderen van de wijze waarop artikel 9.1 Verordening wordt uitgevoerd.

Hierbij houdt het college rekening met de aard en omvang van de instelling.

Artikel 8.2 Verslaglegging

  • 1.

    Het college kan de aanbieder opdracht geven om jaarlijks vóór 1 juni een verslag over zijn beleid van het afgelopen kalenderjaar openbaar te maken. In dat verslag legt de aanbieder verantwoording af over zijn beleid ter uitvoering van de kwaliteit van de ondersteuning die hij in dat jaar heeft verleend.

  • 2.

    Het college kan bepalen dat de aanbieder in dat verslag daarom onder meer noemt:

    • a.

      of, en zo ja hoe, hij cliënten bij zijn kwaliteitsbeleid heeft betrokken;

    • b.

      hoe vaak per periode de kwaliteit binnen de instelling werd beoordeeld, de manier waarop dit werd gedaan en het resultaat daarvan;

    • c.

      wat hij heeft gedaan als reactie op klachten en meldingen over de kwaliteit van de verleende ondersteuning.

  • 3.

    De aanbieder stuurt een kopie van het verslag aan het college van burgemeester en wethouders. De aanbieder stuurt ook een kopie aan de organisatie die in de regio opkomt voor de belangen van de cliënten in algemene zin.

Artikel 8.3 Meldcode (huiselijk) geweld en kindermishandeling

  • 1.

    De aanbieder moet een handelingsprotocol hebben over de signalering en aanpak van kindermishandeling. In dit handelingsprotocol moet de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling staan.

  • 2.

    De aanbieder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

  • 3.

    Het college kan aangeven uit welke onderdelen een meldcode in ieder geval moet bestaan.

Artikel 8.4 Verklaring omtrent gedrag van medewerkers

  • 1.

    Het college kan van een aanbieder eisen dat hij een verklaring omtrent gedrag (VOG), zoals bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, heeft voor zijn beroepskrachten en andere personen die vanuit hun werk met zijn cliënten in contact kunnen komen.

  • 2.

    Deze VOG moet maximaal drie maanden voordat de betreffende persoon voor de aanbieder is gaan werken zijn verstrekt.

  • 3.

    Het bepaalde in lid 1 en lid 2 is ook van toepassing op een alleen werkende natuurlijke persoon.

  • 4.

    Het bepaalde in lid 1 en lid 2 is niet van toepassing op een aanbieder die hulpmiddelen of woningaanpassingen levert.

9 Recht om uit te dagen

Artikel 9.1 Recht om uit te dagen

  • 1.

    Het college werkt samen met buurtinitiatieven bij de uitvoering van het beleid voor maatschappelijke ondersteuning.

  • 2.

    Georganiseerde verbanden uit de buurt kunnen een deel van de ondersteuning die de gemeente levert uitvoeren.

  • 3.

    Onder de volgende voorwaarden kunnen taken van het college door buurtinitiatieven worden uitgevoerd:

    • a.

      de zorg en ondersteuning voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals vastgelegd in de Verordening en de daarop gebaseerde Nadere regels en beleid;

    • b.

      de zorg en ondersteuning hebben een kostprijs die vergelijkbaar is met de kostprijs van voorzieningen die door de gemeente worden verstrekt;

    • c.

      de zorg en ondersteuning hebben een sociale meerwaarde.

  • 4.

    De taken van de gemeente kunnen in zijn geheel, als apart geografisch deel of als thematisch perceel worden uitgevoerd.

  • 5.

    De effecten van de samenwerking en uitvoering worden geëvalueerd.

10 Adviesstructuur sociaal domein

Artikel 10.1 Adviesstructuur sociaal domein

  • 1.

    Er is een adviesstructuur voor het sociaal domein om het bepaalde in artikel 10.2 lid 2 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2024 en artikel 25 van de Verordening Jeugdhulp Groningen 2023 uit te voeren.

  • 2.

    Deze adviesstructuur voor het sociaal domein is geregeld in de Verordening Adviesgroep Sociaal Domein Gemeente Groningen 2022. Deze heet Adviesgroep Sociaal Domein (ASD).

11 Slotbepalingen

Artikel 11.1 Bijlage nadere regels

  • 1.

    De op grond van de Wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Verordening en deze Nadere regels vast te stellen bedragen, percentages, doelgroepen, afschrijvingsduur en andere mogelijke nadere invullingen kunnen door het college in de bijlage worden vastgesteld.

  • 2.

    Indien geen uitvoering is gegeven aan het vorige lid worden de bedragen, percentages, doelgroepen, afschrijvingsduur en andere mogelijke nadere invullingen vastgesteld aan de hand van de criteria zoals die in de Wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Verordening en deze Nadere regels zijn gesteld.

Artikel 11.2 Indexering

Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze Nadere regels en door het college vastgestelde bedragen verhogen of verlagen. Het college kan per tarief en voorziening bepalen welke prijsindex hierbij wordt gehanteerd.

Artikel 11.3 Intrekking oude Nadere regels

Met ingang van de dag waarop de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2025 in werking treedt, worden de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2020 ingetrokken.

Artikel 11.4 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Dit besluit kan worden aangehaald als Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2026.

  • 2.

    Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Aldus besloten in de collegevergadering van 16 december 2025

De burgemeester,

Roelien Kamminga

De secretaris,

Sander Gerritsen

Bijlage - Tarieven/Bedragen/ Afschrijvingsbedragen/ Termijnen/Percentages/Eigen bijdragen

 

Tabel 1 – Tarieven Pgb Huishoudelijke hulp, begeleiding en dagbesteding

Omschrijving product

Tarief-eenheid

Pgb formeel (tarief per 01-01-2026)

Pgb informeel (tarief per 01-01-2026)

Eigen bijdrage over informeel tarief?

Huishoudelijke hulp 1

uur

€ 31,35

€ 20,99

Ja

Huishoudelijke hulp 2

uur

€ 32,14

€ 20,99

 Ja

Lichte ondersteuning (overig)

uur

€ 41,80

€ 24,42

Nee

Middelzware begeleiding

uur

€ 47,50

€ 24,42

Nee

Zware begeleiding

uur

€ 56,89

€ 24,42

Nee

Dagactiviteit met lichte ondersteuning (zonder vervoer)

dagdeel

€ 34,70

€ 18,11

ja

Dagactiviteit met middelzware begeleiding (zonder vervoer)

dagdeel

€ 36,71

€ 18,11

ja

Dagactiviteit met zware begeleiding (zonder vervoer)

dagdeel

€ 48,16

€ 18,11

ja

Vervoer naar dagactiviteit per dagdeel (tot aan een maximum van 5 dagdelen per week); Maximaal € 37,55 per week

retour

€ 8,01

€ 2,79

ja

Arbeidsmatige dagbesteding

dagdeel

€ 36,71

€ 24,42

nee

Kortdurend verblijf

etmaal

€ 98,09

€ 18,11

ja

 

Tabel 2 – Hoogte eenmalige pgb

Woningsanering

Bedrag per vierkante meter

Gordijnen per vierkante meter glasoppervlakte maximaal

€ 22,75

Vloerbedekking per vierkante meter vloeroppervlakte maximaal

€ 22,75

Vervoer

Bedrag per jaar

Voor gebruik eigen auto of taxi maximaal

€ 1.282,55

Voor gebruik rolstoeltaxi maximaal

€ 1.896,85

Wonen

Maximaal bedrag

Verhuizen

€ 3.008,65

Bezoekbaar maken woning

€ 3.008,65

 

Tabel 3 – Tarieven zorg in natura (professioneel)

Omschrijving soort ondersteuning

Tarief eenheid

Tarief (C) per eenheid 2026

Huishoudelijke hulp 1

uur

€ 38,94

Huishoudelijke hulp 2

uur

€ 39,93

Lichte ondersteuning

uur

€ 51,92

Middelzware begeleiding

uur

€ 59,01

Zware begeleiding

uur

€ 70,67

Begeleidersvoorziening doofblinden

Uur

€ 67,20

Gespecialiseerde begeleiding ZG (vroegdoven)

uur

€ 102,60

Revaliderende begeleiding ZG (vroegdoven)

uur

€ 102,60

Gespecialiseerde begeleiding ZG (doofblinden)

uur

€ 125,40

Gespecialiseerde begeleiding ZG (visueel)

uur

€ 133,80

Dagactiviteit met lichte ondersteuning

dagdeel

€ 43,11

Dagactiviteit met middelzware begeleiding

dagdeel

€ 45,61

Dagactiviteit met zware begeleiding

dagdeel

€ 59,82

Dagactiviteit ZG Visueel/Vroegdoven

dagdeel

€ 59,72

Dagactiviteit ZG (doofblinden)

dagdeel

€ 59,72

Dagactiviteit ZG (vroegdoven)

dagdeel

€ 59,72

Vervoer naar dagactiviteit (begeleiding)

retour

€ 9,95

Vervoer naar dagactiviteit (begeleiding), rolstoel

retour

€ 19,00

Kortdurend verblijf

etmaal

€ 121,85

 

Tabel 4 – Kosten voorzieningen bij overige maatwerkvoorzieningen: ZIN en Pgb

Omschrijving

Duur van de oplegging van de eigen bijdrage

Kleine woningaanpassingen1

15 jaar

Overige (bouwkundige of woon technische) woningaanpassingen incl. verbeteren toegankelijkheid of bezoekbaar maken woonruimte (bijvoorbeeld ook bestrating en elektra scootmobielsafe)

15 jaar

Verhuizen

7 jaar

Woningsanering

7 jaar

Woonunit (indien deze voorziening voor kinderen: geen eigen bijdrage)

Zolang de voorziening wordt gebruikt. Bij Pgb: 15 jaar

Traplift (indien deze voorziening voor kinderen: ook eigen bijdrage)

Zolang de voorziening wordt gebruikt. Bij Pgb: 15 jaar

Plafondlift

Zolang de voorziening wordt gebruik. Bij Pgb: 15 jaar

Verrijdbare tillift

Zolang de voorziening wordt gebruikt. Bij Pgb: 15 jaar

Transferhulpmiddelen, pakpaal, losse papegaai, douche- en toilethulpmiddelen e.d

7 jaar

Scootmobiel

Zolang voorziening wordt gebruikt. Bij Pgb: 7 jaar

Scootmobielsafe

Zolang de voorziening wordt gebruikt. Bij Pgb: 15 jaar

Vastframe handbike, Afneembare elektrische ondersteuning voor een rolstoel

Geen

Fiets

7 jaar

Auto

Zolang de voorziening wordt gebruikt

Autohulpmiddel

Zolang de voorziening wordt gebruikt

Aanpassing auto

Zolang de voorziening wordt gebruikt

 

Bij voorzieningen gaat het om de all-in nieuwprijs, inclusief evt. afkoop van accessoires, onderhoud, verzekering en dergelijke.

 

* Het college heeft de gemiddelde afschrijving per jaar of gemiddelde levensduur voor de volgende maatwerkvoorzieningen gesteld op:

 

Scootmobiel

7 jaar

 

Woningaanpassing

varieert tussen de 12 tot 20 jaar afhankelijke van het in de bouwwereld algemeen gebruikelijke afschrijvingstermijn van het soort bouwwerk

 

Vloerbedekking en gordijnen

0 – 2 jaar

0%

 

2 – 4 jaar

25%

 

4 – 6 jaar

50%

 

6 – 8 jaar

75%

 

8 jaar en ouder

100%

 

Tabel 5 Tarieven Beschermd Wonen ZIN en Pgb

Productnaam

ZIN-tarief 2026

PGB-tarief 2026

PGB-tarief 2026 voor ZZP

Eenheid

 

Verblijf met 24 uurs toezicht (met wooncomponent)

€ 194,47

€ 194,47

€ 165,30

per etmaal

Verblijf met 24 uurs toezicht (zonder wooncomponent)

n.v.t.

€ 156,26

€ 132,82

per etmaal

Verblijf met toezicht nabij en op afroep (met wooncomponent)

€ 178,91

€ 178,91

€ 152,07

per etmaal

Verblijf met toezicht nabij en op afroep (zonder wooncomponent)

n.v.t.

€ 140,69

€ 119,59

per etmaal

Thuis Plus (ambulant): bandbreedte 1 tot en met 3 uur per week

€ 40,11

€ 40,11

€ 34,10

per etmaal

Thuis Plus (ambulant): bandbreedte 4 tot en met 6 uur per week

€ 75,58

€ 75,58

€ 64,25

per etmaal

Thuis Plus (ambulant): bandbreedte 7 tot en met 10 uur per week

€ 117,85

€ 117,85

€ 100,18

per etmaal

Woonbegeleiding Complex

€ 87,70

€ 87,70

€ 74,54

per uur

Woonbegeleiding Complex (bij Thuis Plus)

€ 94,83

€ 94,83

€ 80,61

per uur

Activering en participatie (bij Thuis Plus) alleen Arbeidsmatige activiteiten

€ 43,81

€ 43,81

€ 37,23

per etmaal

Vervoer Activering en participatie (bij verblijf of bij Thuis Plus)

€ 10,43

€ 10,43

€ 10,43

per retour

Vervoer Activering en participatie met rolstoel (bij verblijf of bij Thuis Plus)

€ 27,12

€ 27,12

€ 27,12

per retour

 

Tabel 6 Inkomensgrenzen Meerkostenregeling (MKR)

Inkomensgrenzen MKR (artikel 4.1 Nadere regels)

 

2023

2024

2025

Alleenstaande

€ 21.367

€ 22.961

€ 24.044

met pensioen

€ 23.892

€ 25.675

€ 26.886

Gehuwd

€ 30.526

€ 32.804

€ 34.351

met pensioen

€ 32.421

€ 34.840

€ 36.483

 

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In de Wmo 2015, het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Groningen 2024 is een groot aantal definities opgenomen; reden waarom het aantal in deze Nadere regels beperkt is. Er wordt alleen een toelichting gegeven bij een artikel als dat nodig is.

 

Hoofdstuk 2 Persoonsgebonden budget (pgb)

Keuze voor Pgb vereist weloverwogen afwegingen van diverse aspecten, waaronder de verplichtingen die behoren bij het beheer van een Pgb en de verantwoordelijkheden die daaraan gekoppeld zijn (bijvoorbeeld werkgeverstaken). Dit betekent dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het verloop van de Pgb-ondersteuning, maar wel dient te controleren of deze naar verwachting en conform de afspraken verloopt. Bij problemen dient de pgb-beheerder zelf een oplossing te vinden en hiervoor geen beroep op de gemeente te doen. Indien de zorg niet naar verwachting verloopt, dient de gemeente een heronderzoek te doen en daarbij ook de verstrekkingsvorm opnieuw te beoordelen.

 

Er wordt onderscheid gemaakt tussen Beschermd wonen in de vorm van Zorg in Natura (ZIN) en Pgb. Het ZIN-tarief is inclusief de huisvestingscomponent en het Pgb-tarief is maximaal het ZIN-tarief met onder omstandigheden ophoging van huisvestingscomponent. Achtergrond van een en ander staat vermeld in de VNG-ledenbrief van 22 augustus 2019 (kenmerk TISB/U201900644/ Lbr. 19/065.

 

Beschermd wonen kent een veelheid aan variëteiten. Het gaat erom dat de meest adequate en doelmatige hulp/ondersteuning wordt georganiseerd voor degene die is aangewezen op ‘Beschermd wonen’. Maatwerk met het oog op ontwikkelingsmogelijkheden kan derhalve worden geboden. Bij beschermd wonen in de eigen omgeving kan naast het informeel opgebouwde modulaire Pgb-tarief ook ambulante formele begeleiding en/of dagbesteding worden opgeplust. Dagbesteding extern wordt gestimuleerd is altijd formeel van aard. Door het twee-tarievenstelsel kan de cliënt een combinatie van ondersteuning inkopen die past bij zijn hulpvraag.

 

Artikel 2.6 Einde gebruik zaak

Pgb’s zijn veelal dure voorzieningen die in voorkomende gevallen slechts kort worden gebruikt. Gemeente heeft geen grondslag om de voorziening terug te vorderen. College kan wel verzoeken aan client of de nabestaanden om de voorziening terug te geven of de waarde daarvan aan de gemeente uit te keren. Het gaat steeds om redelijke bedragen.

 

Hoofdstuk 4 Financiële tegemoetkoming aannemelijke meerkosten voor chronisch zieken en beperkten

De in dit hoofdstuk beschreven regeling is de gemeentelijke compensatieregeling ter vervanging van de vergoeding op grond van de afgeschafte Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de Compensatieregeling Eigen Risico (CER).

 

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

In dit artikel worden begrippen omschreven die in principe niet in de rest van deze Nadere regels, de verordening of de wet zijn gedefinieerd. In deze regeling wordt een aantal begrippen uit de Participatiewet gebruikt, omdat in deze wet het inkomen op minimumniveau, ook wel minimuminkomen genoemd, wordt gedefinieerd.

 

Onderdeel b: Er geldt een bruto-inkomensgrens van maximaal 120 procent van het Wettelijk minimumloon (wml) inclusief vakantietoeslag (bij alleenstaande/alleenstaande ouder geldt de bijstandsfactor 70%). Indien het verzamelinkomen over het peiljaar zoals dat bekend is bij de belastingdienst hoger is dan de inkomensgrens, bestaat er geen recht op de tegemoetkoming. Voor pensioengerechtigden gelden er hogere inkomensgrenzen, die zijn afgeleid van de bijstandsnormeringen uit de artikelen 21 en 22 van de Participatiewet. Jaarlijks volgen deze bedragen de Wml-index zoals vermeld op rijksoverheid.nl

 

Zowel in de definitiebepalingen van de Wmo als de Participatiewet wordt onder gehuwde mede begrepen de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert (artikel 3 Participatiewet en artikel 1.1.2. Wmo). De datum 31 december van het peiljaar is leidend voor de vraag welke gezinssituatie/samenstelling huishouding aan de orde is.

 

De tegemoetkoming wordt achteraf verstrekt voor kosten die in het direct daaraan voorafgaande kalenderjaar zijn gemaakt. Het zogeheten peiljaar is het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan.

 

Artikel 4.2 – Doelgroep en doel

Het college heeft gekozen voor een regeling die direct ten goede komt aan inwoners van de gemeente met een chronische ziekte of beperking die rond moeten komen van een minimuminkomen. Met minimuminkomen wordt in deze regeling gerefereerd aan de bijstandsnormen die zijn neergelegd in de Participatiewet. Deze wet gaat uit van het gezinsinkomen. Dit betekent dat het inkomen van de (eventuele) echtgenoot of partner van de cliënt meetelt bij het bepalen van de hoogte van het inkomen. In de volgende artikelen is vastgelegd op grond van welke criteria wordt beoordeeld of de cliënt behoort tot de doelgroep inwoners waarvan het college aannemelijk vindt dat zij met hun chronische ziekte of beperking verband houdende meerkosten hebben.

 

Artikel 4.3 – Minderjarig kind

Op grond van dit artikel is het mogelijk dat een minderjarig kind (op 31 december van het peiljaar jonger dan 18 jaar) die meerkosten heeft in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. In dit geval mag (mogen) de ouder(s) of verzorger(s) in het peiljaar niet een hoger inkomen hebben dan 120 procent van de toepasselijke bijstandsnorm, en het betreffende kind moet voldoen aan de overige voorwaarden van dit hoofdstuk. Aangezien kinderen tot 18 jaar gratis zijn meeverzekerd in de basisverzekering van de Zorgverzekeringswet en niet onder het verplicht eigen risico van deze wet vallen, kunnen kinderen toch in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. Zie daartoe de toelichting bij artikel 4.5.

 

Artikel 4.4. – Criteria aannemelijke meerkosten

Om te bepalen of het aannemelijk is dat een cliënt meerkosten heeft moet hij worden beoordeeld op vooraf vastgestelde criteria. Hierin voorziet dit artikel. Omdat is gebleken dat het onmogelijk is om tot een uitputtende lijst van chronische ziekten en beperkingen te komen, is gekozen voor het hebben van bepaalde indicaties. De gedachte hierachter is dat wanneer de cliënt beschikt over een (of meer) van de aangegeven indicaties, ervan uit mag worden gegaan dat hij zodanig chronisch ziek is en/of fysieke of psychische beperkingen ondervindt, dat hij noodgedwongen extra kosten moet maken om zelfredzaam te zijn dan wel te participeren. De lijst met indicaties is tot stand gekomen in overleg met de adviesraden. Daarnaast geldt het criterium van het volledig in rekening gebrachte ‘verplicht eigen risico’, zoals genoemd in artikel 19 van de Zorgverzekeringswet.

 

Onderdeel d: Jeugdzorg kent een breed scala aan voorzieningen om het minderjarig kind te ondersteunen in zijn ontwikkeling. Teneinde in te zoomen op voorzieningen bedoeld voor met name chronisch zieken en beperkten is aangesloten bij een omschrijving van individuele voorzieningen in de Nadere regels Jeugdhulp die intensieve ondersteuning behelzen. Deze luidt:

  • 1.

    Intensieve en meer langdurige interventies gericht op behandeling, herstel en/of rehabilitatie;

  • 2.

    Intensieve dagbehandeling op maat.

Onderdeel b. vi.: Ten tijde van de collectieve zorgverzekering voor minima ( CZM: Menzis-gemeentepakket Groningen) kende de aanvullende verzekering (module 3) extra voorzieningen ter bekostiging van kostensoorten die eerder onder Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten vielen (Wtcg). Dit was de aanvullende verzekering met de meest uitgebreide dekking. Inmiddels is de CZM afgeschaft, maar blijft staan de bepaling dat verzekerden met een chronische ziekte of beperking geacht worden te kiezen voor een aanvullende verzekering met de meest uitgebreide dekking, bij welke zorgverzekeraar dan ook.

 

Een cliënt als bedoeld in artikel 4.2 die niet voldoet aan het criterium van het volledig verbruik van het volledig in rekening gebrachte verplicht eigen risico, maar wel beschikt over een indicatie als genoemd in artikel 4.4, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming als hij naar het oordeel van het college kan aantonen dat hij een chronische ziekte of beperking heeft, waaruit in het peiljaar aannemelijke meerkosten voortvloeien tenminste ter hoogte van het volledig in rekening gebrachte verplicht eigen risico. Een en ander moet blijken uit het overleggen van nota’s uit het peiljaar die betrekking hebben op de meerkosten als gevolg van de chronische ziekte of beperking. Vaststellen of de cliënt op grond van dit artikel recht heeft op een tegemoetkoming, vereist een inhoudelijk onderzoek.

 

Artikel 4.6 – Aanvraagprocedure

In deze regeling worden twee manieren van aanvragen onderscheiden. Personen uit de doelgroep die wat betreft inkomen én indicatie bekend zijn bij de gemeente, ontvangen een brief van het college die deels is opgesteld in de vorm van een verkort aanvraagformulier.

 

Hierin staan de bij de gemeente bekende gegevens al voorgedrukt. De aanvrager hoeft de gegevens alleen maar te controleren op juistheid en de eventueel gecorrigeerde en aangevulde brief ondertekend terug te sturen.

 

Personen die niet bekend zijn bij de gemeente moeten op de gebruikelijke wijze een aanvraag indienen. Hiervoor is een speciaal aanvraagformulier opgesteld. Het ingevulde formulier moet met de vereiste bewijsstukken bij het college worden ingediend. Het formulier is zodanig ingericht, dat de cliënt zo weinig mogelijk bewijsstukken hoeft mee te zenden.

 

Artikel 4.7 – Aanvraagtermijn

De periode waarin de aanvraag kan worden gedaan is van 1 april tot en met 30 november volgend op het peiljaar. De bewijsstukken zijn in principe dus beschikbaar. Mocht in een individueel geval op grond van bijzondere omstandigheden tijdige aanvraag niet mogelijk zijn, dan kan van de aanvraagtermijn worden afgeweken.

 

Artikel 4.8 – Te verstrekken gegevens bij aanvraag

Onderdeel e: bij zelfstandigen (en zzp’ers) vragen we naar de belastingaanslag over het peiljaar. Zo mogelijk moet de definitieve aanslag worden overgelegd. Is die nog niet voorhanden, dan mag worden volstaan met de voorlopige aanslag.

 

Gegevens die al bekend zijn bij de gemeente zullen (voor zover wettelijk mogelijk) niet worden opgevraagd.

 

5 Huurderving

Artikel 5.1 Huurderving

Het gaat hier om een financiële tegemoetkoming voor huurderving van woonruimte geschikt voor mensen met een beperking. Zonder een dergelijk tegemoetkoming zou schaarse woonruimte voor mensen met een beperking al snel verhuurd worden aan mensen zonder beperking. Het college kan daarom gedurende maximaal zeven maanden, waarbij de eerste maand huurderving niet voor een vergoeding in aanmerking komt, de kale huur van een woning aan een eigenaar of verhuurder bij wijze van subsidie verstrekken. De ter zake geldende bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen (ASV) zijn van toepassing.

 

6 Waardering mantelzorgers

Artikel 6.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Op grond van het gesprek en het onderzoek zal de gemeente de meeste mantelzorgers kennen en die hoeven niet aan te geven dat zij voor een blijk van waardering in aanmerking willen komen. Voor de mantelzorgers die de gemeente niet in beeld heeft, wordt met het derde lid de mogelijkheid geboden aan te geven dat zij voor de jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking willen komen.

 

8 Kwaliteit en klachten

In het Handhavingsprotocol Wmo van de gemeente Groningen, vastgesteld door het college op 6 oktober 2020, is het beleid voor toezicht beschreven alsmede het sanctiebeleid bij geconstateerde tekortkomingen. Hierbij is het model basisset kwaliteitseisen Wmo-ondersteuning voor zeer kwetsbare burgers van de VNG als uitgangspunt genomen. De geformuleerde algemene uitgangspunten zijn te beschouwen als richtlijnen voor goede ondersteuning van professionals voor kwetsbare burgers.

 

De opgenomen bepalingen komen overeen met het systeem zoals dat thans geldt op basis van de Wet Kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), dat aanbieders oplegt ‘verantwoorde zorg’ te leveren. De aanbieder moet zorgen voor voorzieningen van goede kwaliteit. De minimale eisen waaraan de voorziening moet voldoen zijn geformuleerd.

 

9 Recht om uit te dagen

Artikel 9.1 Recht om uit te dagen

Op grond van artikel 2.1.3 van de wet moet in de verordening worden geregeld op welke wijze ingezetenen en hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van de wet. De nadruk ligt daarbij op de betrokkenheid van de samenleving in de fase van de voorbereiding van het beleid en de verordening, inclusief het initiatiefrecht tot het doen van voorstellen en adviezen. Dit artikel geeft aan dat laatste.

 

Bij amendement is artikel 2.6.7 in de wet opgenomen met als doel maatschappelijke initiatieven een grotere rol te laten spelen bij de uitvoering van het gemeentelijke beleid.

 

Naar Brits voorbeeld wordt het mogelijk gemaakt dat op buurtniveau een right to challenge, een recht om uit te dagen, wordt toegepast.

 

Het college heeft op dit onderdeel Nadere regels opgesteld op grond van de delegatiebepaling van artikel 10.2 van de Verordening. Het eerste lid van dit artikel geeft aan dat het college samenwerkt met buurtinitiatieven bij de uitvoering van het beleid. De eisen waaraan ingezetenen en maatschappelijke initiatieven moeten voldoen om taken van het college te kunnen uitvoeren worden in het derde lid vastgelegd. Bewoners kunnen daarbij een bod doen op de gehele zorgtaak van de gemeente, maar ook op een apart geografisch of thematisch perceel. Daarbij wil het college niet te veel vooruitlopen op de AMvB die in artikel 2.6.7 van de wet wordt aangekondigd, zodat de in het derde lid gegeven criteria dicht tegen de regelgeving van de gemeente aan liggen: ongeveer dezelfde kwaliteit van de voorzieningen, besluiten die voldoen aan de eisen van de wet en ongeveer dezelfde kostprijs. Het college neemt in de beoordeling de sociale meerwaarde van buurtinitiatieven mee.

Naar boven