Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Aa en Hunze 2026

De raad der gemeente Aa en Hunze;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze;

 

besluit:

 

  • 1.

    De Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Aa en Hunze 2026 vast te stellen.

HOOFDSTUK 1: BEGRIPPEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

HOOFDSTUK 2: TOEGANG

Artikel 2. Toegang maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

Artikel 3. Melding beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen

Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist en jeugdarts

HOOFDSTUK 3: MAATWERKVOORZIENING WMO

Artikel 5. Maatwerkvoorzieningen

Artikel 6. Vervoer

Artikel 7. Onderzoek, advies en functiescheiding

Artikel 8. Criteria voor maatwerkvoorziening

Artikel 9. Gebruikelijke hulp

Artikel 10. Voorwaarden en weigeringsronden voor maatwerkvoorziening

Artikel 11. Beschikking

Artikel 12. Algemene regels over het pgb

Artikel 13. De hoogte van een pgb

Artikel 14. Bijdrage in de kosten

Artikel 15. Waardering mantelzorgers

Artikel 16. Cliëntondersteuning

HOOFDSTUK 4: INDIVIDUELE VOORZIENINGEN JEUGD

Artikel 17. Voorzieningen

Artikel 18. Interventieniveaus

Artikel 19. Vervoer

Artikel 20. Onderzoek, advies en functiescheiding

Artikel 21. Voorwaarden en weigeringsgronden voor individuele voorzieningen

Artikel 22. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

Artikel 23. Regeling zak- en kleedgeld

Artikel 24. Beschikking

Artikel 25. Algemene regels over het pgb

Artikel 26. De hoogte van een pgb

Artikel 27. Vertrouwenspersoon

HOOFDSTUK 5: HERZIENING, WIJZIGING EN TERUGVORDERING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP

Artikel 28. Herziening en intrekking

Artikel 29. Terugvordering

HOOFDSTUK 6: KWALITEIT

Artikel 30. Kwaliteit

Artikel 31. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

HOOFDSTUK 7: TOEZICHT EN HANDHAVING

Artikel 32. Toezicht en handhaving

Artikel 33. Controle maatwerkvoorzieningen, individuele voorzieningen en pgb’s

Artikel 34. Tegengaan oneigenlijk gebruik

Artikel 35. Meldpunt kwaliteit en rechtmatigheid

HOOFDSTUK 8: CALAMITEITEN EN GEWELD

Artikel 36. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

HOOFDSTUK 9: KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK

Artikel 37. Klachtregeling

Artikel 38. Medezeggenschap

Artikel 39. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

HOOFDSTUK 10: SLOTBEPALINGEN

Artikel 40. Nadere regels, beleidsregels en hardheidsclausule

Artikel 41. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

Artikel 42. Evaluatie

Artikel 43. Inwerkingtreding en citeertitel

 

HOOFDSTUK 1: BEGRIPPEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

 

Voorzieningen

 

  • a.

    algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;

  • b.

    algemene voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo 2015 en jeugdhulpvoorziening die vrij toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige of zijn ouder(s);

  • c.

    andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;

  • d.

    collectieve maatwerkvoorziening: maatwerkvoorziening die in collectieve vorm wordt verstrekt;

  • e.

    eigen kracht: het vermogen van de jeugdige, ouder(s) of cliënt om, al dan niet met ondersteuning van het sociale netwerk, zelf bij te dragen aan de oplossing van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen, stoornissen, of aan het verbeteren van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang.

  • f.

    maatwerkvoorziening: niet-vrij toegankelijke voorziening, op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd, als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo;

  • g.

    individuele voorziening: jeugdhulpvoorziening, toegesneden op de jeugdige of diens ouder(s) en niet-vrij toegankelijk;

Overig

 

  • h.

    adl: algemene dagelijkse levensverrichtingen;

  • i.

    besluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of Besluit Jeugdwet, door het Rijk vastgesteld;

  • j.

    bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo en artikel 8.2.1. van de Jeugdwet;

  • k.

    cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

  • l.

    formele hulp: hulp die geboden wordt door een professional die voor deze hulp wordt betaald en een erkende kwalificatie heeft;

  • m.

    fout: het onbedoeld onjuist handelen en daarmee oneigenlijk gebruik maken van maatwerkvoorzieningen, individuele voorzieningen of pgb als gevolg van onduidelijkheid, vergissing of onoplettendheid.

  • n.

    fraude: het opzettelijk onjuist handelen, en daarmee handelen in strijd met de regelgeving, met het oogmerk op eigen of andermans (financieel) gewin.

  • o.

    gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouder(s), inwonende kinderen of andere huisgenoten;

  • p.

    hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo of aan jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet;

  • q.

    hulpvrager: cliënt als bedoeld in de Wmo en jeugdige of zijn ouder(s) als bedoeld in de Jeugdwet;

  • r.

    informele hulp: hulp op vrijwillige basis en zonder erkende kwalificaties door personen uit het sociale netwerk van de hulpvrager;

  • s.

    ingezetene: cliënt die blijkens de Basisadministratie persoonsgegevens dan wel op grond van feitelijk verblijf het hoofdverblijf heeft in de gemeente;

  • t.

    mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet , die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • u.

    melding: kenbaar maken van de hulpvraag, als bedoeld in dit artikel onder m, aan het college;

  • v.

    nadere regels: besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, vastgesteld door college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze;

  • w.

    niet-integer handelen: misbruik maken van voorkennis, persoonlijke en medische informatie van cliënten. Zich laten beïnvloeden in zijn oordeel als gevolg van een persoonlijke relatie, sociale status, uiterlijk, sekse en bevolkingsgroep. Iemand te bewegen door bedreiging, het aanbieden van geld of diensten of andere voordelen, door het uitoefenen van lichamelijke of psychische druk, dan wel het hanteren van listige kunstgrepen of door een samenweefsel van verdichtsels, met als doel een maatwerkvoorziening, individuele voorziening of overeenkomst te verkrijgen op grond van de Wmo 2015 en/of Jeugdwet.

  • x.

    pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1. Wmo, of als bedoeld in artikel 8.1.1 Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

  • y.

    pgb-aanbieder: een derde die in opdracht van een cliënt dan wel diens vertegenwoordiger diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een individuele- dan wel maatwerkvoorziening behoren uitvoert.

  • z.

    pgb-beheerder: beheerder van pgb, dit kan zowel de cliënt zelf zijn dan wel diens vertegenwoordiger.

  • aa.

    resultaat: het doel waartoe een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening wordt verstrekt;

  • bb.

    onderzoeksverslag: plan waarin staat beschreven welke haalbare resultaten de cliënt dan wel de jeugdige of zijn ouder(s) wil/willen, kan/kunnen bereiken en alle ondersteuning die ingezet wordt om dit mogelijk te maken, op het gebied van zelfredzaamheid, maatschappelijke participatie, gezondheid en veiligheid;

  • cc.

    sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de hulpvrager een sociale relatie onderhoudt;

  • dd.

    vertrouwenspersoon: persoon die jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling;

  • ee.

    zin: zorg in natura.

  • ff.

    zin-aanbieder: rechtspersoon aan het college, op grond van de met aanbieder gesloten (raam-)overeenkomst, gehouden is een algemene voorziening, maatwerk- of individuele voorziening te leveren.

HOOFDSTUK 2 TOEGANG

Artikel 2. Toegang maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1. tot en met 2.3.5. van de Wmo en artikel 2.3. van de Jeugdwet bij nadere regels op welke manier, in samenspraak met de hulpvrager, wordt vastgesteld of hij voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening in aanmerking komt.

Artikel 3. Melding beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen

  • 1.

    De cliënt met een hulpvraag over het zich handhaven in de samenleving, woonachtig binnen de regio van de centrumgemeente, meldt zich bij de gemeente waar hij ingeschreven staat. De gemeente onderzoekt of, en zo ja welke, ondersteuning via de Wmo nodig is, of er voorliggende oplossingen zijn, en stelt indien van toepassing de indicatie.

  • 2.

    De voorzieningen Wmo Verblijf worden ingezet voor inwoners met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Voor deze doelgroep ligt de ondersteuning vanuit begeleiding op het aanleren/activeren van het zelfregelend vermogen, vaardigheden en het aangaan van contacten en sociale vaardigheden. De inwoner heeft herstel- en ontwikkelingsmogelijkheden die de zelfredzaamheid en/of participatiemogelijkheden vergroot.

  • 3.

    Het college van de centrumgemeente Assen is door regiogemeenten gemandateerd om ondersteuning op het gebied van beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen (en de bijbehorende begeleiding en eventueel dagbesteding) toe te kennen en draagt zorg voor financiering vanuit de Wmo.

  • 4.

    Bij een melding van een hulpvraag over het zich handhaven in de samenleving, van een persoon woonachtig buiten de regio van de centrumgemeente, stelt de gemeente waar de cliënt zich meldt vast waar deze persoon het beste kan wonen. Hierbij handelt de gemeente in de geest van de uitgangspunten en modelregels in het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Beschermd Wonen en de bijbehorende handreiking.

  • 5.

    Het beleid van de centrumgemeente op het gebied van beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen geldt als uitgangspunt voor de toekenning van een maatwerkvoorziening.

Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als een voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

HOOFDSTUK 3 MAATWERKVOORZIENINGEN WMO

Artikel 5. Maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Een voorziening in het kader van de Wmo wordt toegekend op basis van de vier domeinen: veilig, zelfredzaam, meedoen en gezondheid. Deze domeinen zijn uitgewerkt in de volgende resultaatgebieden

    • a.

      Veilige huiselijke relatie

    • b.

      Zelfstandig wonen

    • c.

      Financiën op orde

    • d.

      Omgang met instanties op orde

    • e.

      Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) op orde

    • f.

      Sociaal netwerk

    • g.

      Maatschappelijke participatie

    • h.

      Gezondheid

    • i.

      Verslaving

  • 2.

    De ondersteuning die passend is bij het vastgestelde resultaatgebied wordt geboden in de vorm van één of meer van de onderstaande producten. De precieze vorm, aard en omvang van de ondersteuning wordt nader bepaald door het college:

    • a.

      Ambulante begeleiding

      • i.

        Begeleiding basis

      • ii.

        Begeleiding basis plus

      • iii.

        Begeleiding specialistisch

    • b.

      Huishoudelijke ondersteuning

      • i.

        Schoon en leefbaar huis

      • ii.

        Schoon en leefbaar huis met regie

    • c.

      Dagbesteding

      • i.

        M1: Dagbesteding gericht op ontwikkeling en toeleiding naar (on)betaald werk

      • ii.

        M2: Dagbesteding gericht op ontwikkeling en toeleiding naar onderwijs

      • iii.

        M3: Dagbesteding gericht op ontwikkeling en behouden van een zinvolle dag invulling en sociale participatie

    • d.

      Logeeropvang

    • e.

      Verblijf in het kader van de Wmo, waaronder:

      • i.

        Beschermd wonen

        • 1.

          Beschermd wonen nabij

        • 2.

          Beschermd wonen toezicht

      • ii.

        Begeleid kamer wonen

        • 1.

          Begeleid kamen wonen exclusief wooncomponent

        • 2.

          Begeleid kamer wonen inclusief wooncomponent

      • iii.

        Thuis wonen

        • 1.

          Thuis wonen licht

        • 2.

          Thuis wonen intensief

      • iv.

        Aanvullende begeleiding

        • 1.

          Dagbesteding

        • 2.

          Begeleiding complex

  • 3.

    Voor de onderbouwing van de omvang (minuten of uren) van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning, wordt gebruik gemaakt van de meest actuele versie van het ‘Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning’ van Bureau HHM (Hoeksma, Homan en Menting).

Artikel 6. Vervoer

  • 1.

    Uitgangspunt is dat de cliënt zelf verantwoordelijk is voor het vervoer naar en van de locatie waar de maatwerkvoorziening wordt geleverd.

  • 2.

    Vervoer wordt uitsluitend verstrekt als onderdeel van een maatwerkvoorziening ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, wanneer deze voorziening noodzakelijk is om gebruik te kunnen maken van de toegekende ondersteuning.

  • 3.

    Het college verstrekt een vervoersvoorziening alleen als naar zijn oordeel is aangetoond dat de cliënt geen mogelijkheden heeft om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van het sociale netwerk het vervoer te organiseren.

  • 4.

    Het college beoordeelt in elke individuele situatie of er sprake is van omstandigheden waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de cliënt en diens omgeving ontoereikend zijn om zelf in vervoer te voorzien.

Artikel 7. Onderzoek, advies en functiebescherming

  • 1.

    Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 2.

    In het kader van de Wmo moet, afhankelijk van de vereisten van het in lid 1 bedoelde onderzoek, de adviseur aantoonbaar beschikken over:

    • a.

      Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts;

    • b.

      Ergonomische kennis;

    • c.

      Bouwkundige/technische kennis; of

    • d.

      Gedragswetenschappelijke kennis.

  • 3.

    Indien de adviseur zelf niet beschikt over de in lid 2 genoemde kennis en deze kennis wel noodzakelijk is voor het onderzoek, wint de adviseur deze in bij personen die over de benodigde deskundigheid beschikken.

  • 4.

    In gevallen waarin de uitvoeringstaken voor de Wmo extern zijn belegd, ofwel de besluitvorming op Wmo aanvragen wordt gemandateerd aan andere bestuursorganen of aanbieders, draagt het college zorg voor het voorkomen van een rolvermenging bij advisering, gemandateerde besluitvorming en levering van maatwerkvoorzieningen door deze partijen.

Artikel 8. Criteria voor maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen

      • I.

        op eigen kracht;

      • II.

        met gebruikelijke hulp;

      • III.

        met mantelzorg;

      • IV.

        met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

      • V.

        met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of

      • VI.

        met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

    De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het gesprek als bedoeld in artikel 2.3.2., eerste lid van de Wmo, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en/of

    • b.

      Ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen

      • I.

        op eigen kracht;

      • II.

        met gebruikelijke hulp;

      • III.

        met mantelzorg;

      • IV.

        met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

      • V.

        met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of

      • VI.

        met gebruikmaking van algemeen voorzieningen.

    De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van de situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk, naar vermogen, weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 2.

    Als er recht op een maatwerkvoorziening bestaat, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de hier bovengenoemde voorwaarden.

Artikel 9. Gebruikelijke hulp

  • 1.

    Bij onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 onder b. Wmo 2015 beoordeelt het college of er gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 beschikbaar is.

  • 2.

    Huisgenoten van de cliënt zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onder lid 1 genoemde onderzoek, alsmede bij heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9. van de Wmo 2015.

  • 3.

    Bij de beoordeling als bedoeld in het tweede lid wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met:

    • a.

      de samenstelling van de leefeenheid van de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten;

    • b.

      de aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten;

    • c.

      de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt;

    • d.

      de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijk en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;

    • e.

      de mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;

    • f.

      overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.

Artikel 10. Voorwaarden en weigeringsgronden voor maatwerkvoorziening

  • 1.

    Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

    • b.

      voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;

    • c.

      voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

    • d.

      indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

    • e.

      indien het een voorziening betreft die de cliënt na melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend (of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld);

    • f.

      de hulpvrager geen ingezetene is van de gemeente Aa en Hunze, onverminderd hetgeen bepaald is in de Wmo over beschermd wonen en opvang;

    • g.

      indien het college door de hulpvrager niet in staat wordt gesteld om door middel van onderzoek vast te stellen of er een resultaatverplichting is voor het college;

    • h.

      indien opzettelijk onjuiste informatie wordt verstrekt of opzettelijk informatie wordt verzwegen, met oogmerk om op oneigenlijke gronden een maatwerkvoorziening te verkrijgen of te doen verkrijgen.

    • i.

      Indien de cliënt recht heeft op een voorziening op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en ervoor kiest dit recht niet te benutten.

  • 2.

    Het college weigert een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie als:

    • a.

      de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was;

    • b.

      het college van oordeel is dat een hulpvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen.

  • 3.

    Het college verstrekt geen woonvoorziening:

    • a.

      Voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • b.

      als de gevraagde maatwerkvoorziening betrekking heeft op maatschappelijke ondersteuning in hotels/pensions, trekkerswoonwagens, leef- en woongemeenschappen (of daarmee vergelijkbare woonvormen zoals een klooster), tweede woningen, vakantiewoningen en recreatiewoningen, tenzij in voor verblijf in deze woonvormen een persoonsgebonden beschikking of een omgevingsvergunning aan de cliënt is afgegeven;

    • c.

      voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van de gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;

    • d.

      indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college;

    • e.

      indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor diens beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.

    De op de grond van de verordening aangebrachte voorzieningen mogen niet zonder schriftelijke toestemming van het college worden verwijderd.

Artikel 11. Beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura vermeldt de beschikking in ieder geval

    • a.

      welke maatwerkvoorziening wordt verstrekt, wat het beoogde resultaat daarvan is, en de specifieke afspraken hierover. Het onderzoeksverslag maakt integraal onderdeel uit van de beschikking;

    • b.

      het aantal geïndiceerde uren of dagdelen per week of maand;

    • c.

      de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

    • d.

      of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in aanvulling op het vermelde onder lid 2:

    • a.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • b.

      wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen;

    • c.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Artikel 12. Algemene regels over het pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb met in achtneming van artikel 2.3.6 van de Wmo.

  • 2.

    Voor de cliënt die in aanmerking wenst te komen voor een pgb geldt de verplichting om een budgetplan op te stellen.

  • 3.

    Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt indien:

    • a.

      de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Ter beoordeling gelden de volgende voorwaarden:

      • 1

        cliënt heeft een goed overzicht van de eigen situatie en kan deze houden.

      • 2

        cliënt weet welke regels er horen bij een pgb.

      • 3.

        cliënt kan een overzichtelijke pgb-administratie bijhouden.

      • 4.

        cliënt is in staat te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners.

      • 5.

        cliënt kan zelfstandig handelen en zelf voor zorgverleners kiezen.

      • 6.

        cliënt kan zelf afspraken maken, bijhouden en zich hieraan houden.

      • 7.

        cliënt kan zelf beoordelen of de zorg uit het pgb het beste bij hem past.

      • 8.

        cliënt kan zelf de zorg regelen met 1 of meer zorgverleners.

      • 9.

        cliënt kan ervoor zorgen dat de zorgverleners die voor hem werken weten wat ze moeten doen.

      • 10.

        cliënt weet wat hij moet doen in zijn rol als werkgever of opdrachtgever van een zorgverlener.

    • b.

      de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst geleverd te krijgen en naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

  • 4.

    Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 5.

    Het pgb wordt geweigerd indien er sprake is van financiële problemen bij de cliënt, tenzij op de cliënt financieel toezicht wordt uitgeoefend door bijvoorbeeld een kredietbank.

  • 6.

    Aan het pgb zijn de volgende verplichtingen en voorwaarden verbonden:

    • a.

      de besteding van het pgb dient verantwoord te worden;

    • b.

      het pgb mag niet worden besteed aan tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • c.

      het pgb mag niet worden besteed aan het beheer van het pgb (bemiddelingskosten);

    • d.

      een professionele ondersteuner mag het pgb niet beheren;

    • e.

      het pgb mag niet worden besteed aan administratieve kosten, vrij besteedbaar bedrag eenmalige uitkering, feestdagenuitkering en reiskosten;

    • f.

      het pgb wordt binnen zes maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Het college kan al dan niet op verzoek een langere termijn hanteren.

  • 7.

    Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woonvoorzieningen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk:

    • a.

      wanneer uit het onderzoek blijkt dat de ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt;

    • b.

      wanneer dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt;

    • c.

      wanneer dit aantoonbaar doelmatiger is dan zorg in natura;

    • d.

      als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, dient de persoon te beschikken over de desbetreffende kwalificatie;

    • e.

      deze persoon heeft aangegeven dat de ondersteuning aan de cliënt hem niet te zwaar valt;

    • f.

      deze persoon op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het pgb heeft uitgeoefend bij diens besluitvorming.

  • 8.

    Het college bepaalt voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden in hoeverre sprake is van gebruikelijke hulp.

  • 9.

    Het college kan een pgb weigeren als de cliënt het beheer uitvoert met hulp van de betrokken ondersteuner zelf of daaraan verbonden personen en daarmee ongewenste belangenverstrengeling kan ontstaan.

  • 10.

    Het college houdt rekening met de belastbaarheid van de mantelzorger van de cliënt.

  • 11.

    Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de verantwoording van het pgb.

  • 12.

    De cliënt sluit met degene aan wie het pgb wordt besteed een door het college en de Sociale Verzekeringsbank goedgekeurde schriftelijke overeenkomst. Daarbij wordt (bij voorkeur) gebruik gemaakt van de toepasselijke modelovereenkomst die de Sociale Verzekeringsbank ter beschikking stelt.

Artikel 13. De hoogte van een pgb

  • 1.

    Algemene regels over de hoogte van een pgb.

    • a.

      Bij de bepaling van de hoogte van het pgb wordt mede aandacht besteed aan een door de cliënt in te dienen plan inzake het door hem gewenste pgb.

    • b.

      Het pgb wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. Het pgb wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.

    • c.

      De hoogte van een pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.

  • 2.

    De hoogte van het pgb tarief wordt bepaald:

    • a.

      voor diensten

      • I.

        voor een professional aan de hand van een percentage van het tarief voor zorg in natura. Dit percentage bedraagt 90% van het zorg in natura tarief;

      • II.

        voor ondersteuning uit het sociaal netwerk (niet-professionals) wordt de hoogte gebaseerd op de CAO VVT vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren;

    • b.

      voor hulpmiddelen en woningaanpassingen na consultatie in de markt en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de hulpvragen goedkoopst adequate voorziening.

  • 3.

    Hoogte pgb en financiële tegemoetkoming in de kosten van een voorziening:

    • a.

      De tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten is €3.600.

    • b.

      De tegemoetkoming voor een sportvoorziening is €3.260,37.

    • c.

      De tegemoetkoming in de kosten van gebruik van een taxi (normbedrag per jaar) is €4.189,19.

    • d.

      De tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi (normbedrag per jaar) is €5.226,51.

Artikel 14. Bijdrage in de kosten

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, met als maximum de kostprijs.

  • 2.

    De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het landelijk vastgestelde bedrag.

  • 3.

    Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, gelijk aan het dan geldende voltarief voor het reizen met de OV-chipkaart in de bus in Drenthe en Groningen. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd met het Landelijk Tarief Index (LTI).

  • 4.

    Het college kan onder voorwaarden vrijstelling geven in de bijdrage van de kosten voor een maatwerkvoorziening. Het college kan hiervoor nadere regels vaststellen.

  • 5.

    Er wordt geen bijdrage opgelegd voor de maatwerkvoorziening M1 arbeidsmatige dagbesteding.

  • 6.

    In afwijking van het eerste lid is er geen eigen bijdrage verschuldigd voor:

    • a.

      woonvoorzieningen aan gemeenschappelijke ruimtes;

    • b.

      rolstoelen;

    • c.

      aanpassingen aan rolstoelen;

    • d.

      voorzieningen ten behoeve van cliënten tot achttien jaar, met uitzondering van een woningaanpassing;

    • e.

      voorzieningen waarvan de afschrijvingstermijnen zijn verlopen.

  • 7.

    Er is geen eigen bijdrage meer verschuldigd als de cliënt is overleden.

  • 8.

    Vervanging van de voorziening heeft geen invloed op de duur van het betalen van de eigen bijdrage.

  • 9.

    Als de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd, is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

Artikel 15. Waardering mantelzorgers

Het college bepaalt bij nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.

Artikel 16. Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2.

    Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

HOOFDSTUK 5 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN JEUGD

Artikel 17. Vormen van jeugdhulp

  • 1.

    Een individuele voorziening wordt toegekend op basis van de vier domeinen: veilig, zelfredzaam, meedoen en gezondheid. Deze domeinen zijn uitgewerkt in de volgende resultaatgebieden:

    • a.

      Veilige huiselijke relatie

    • b.

      Zelfstandig wonen

    • c.

      Financiën op orde

    • d.

      Omgang met instanties op orde

    • e.

      Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) op orde

    • f.

      Sociaal netwerk

    • g.

      Maatschappelijke participatie

    • h.

      Gezondheid

    • i.

      Verslaving

  • 2.

    De ondersteuning die passend is bij het vastgestelde resultaatgebied wordt geboden in de vorm van één of meer van de onderstaande individuele voorzieningen. De precieze vorm, aard en omvang van de ondersteuning wordt nader bepaald door het college:

    • a.

      Ambulante begeleiding

      • i.

        Begeleiding basis

      • ii.

        Begeleiding basis plus

      • iii.

        Begeleiding specialistisch

    • b.

      Dagbesteding

      • i.

        M1: Dagbesteding gericht op ontwikkeling en toeleiding naar (on)betaald werk

      • ii.

        M2: Dagbesteding gericht op ontwikkeling en toeleiding naar onderwijs

      • iii.

        M3: Dagbesteding gericht op ontwikkeling en behouden van een zinvolle daginvulling en sociale participatie

    • c.

      Logeeropvang

    • d.

      Behandeling

      • i.

        G1 Basis GGZ

      • ii.

        G1 Specialistische GGZ

      • iii.

        G1 Hoog specialistische GGZ

      • iv.

        G1 Medicatiecontrole

      • v.

        G2 Behandeling verslaving

      • vi.

        G3 Vaktherapie

      • vii.

        G3 Intensieve ambulante gezinsbehandeling

      • viii.

        G3 Intensieve ambulante gezinsbehandeling instellingen

      • ix.

        G3 Medisch Orthopedisch Centrum (MOC)

      • x.

        G3 Gezinsondersteuning voor pasgeborenen

      • xi.

        M6 Kinderdagcentrum (KDC)

    • e.

      Verblijf

      • i.

        G1 Verblijf met behandeling GGZ

      • ii.

        G1 Verblijf met behandeling LVB

      • iii.

        G1 Verblijf met behandeling Drie-milieus voorziening

      • iv.

        G2 Verblijf met behandeling Verslavingsproblematiek

      • v.

        G3 Verblijf met behandeling Opvoedingsproblematiek

      • vi.

        G3 Verblijf met intensieve begeleiding

      • vii.

        G3 Begeleid kamer wonen

      • viii.

        G3 Verblijf met intensieve begeleiding

      • ix.

        G3 Verblijf met begeleiding

      • x.

        Gezinshuis

      • xi

        Gezinshuis plus

      • xii

        Buitenland trajecten

      • xiii.

        Gezinspsychiatrie 3-Noord

    • f.
      • i

        Dyslexie diagnose

      • ii

        Dyslexie behandeling

      Dyslexiezorg

Artikel 18. Interventieniveaus

  • 1.

    Bij de inzet van ondersteuning in de vorm van behandeling of verblijf wordt gebruikgemaakt van interventieniveaus. Deze interventieniveaus geven de aard en intensiteit van de benodigde ondersteuning weer.

  • 2.

    De volgende interventieniveaus zijn vrij toegankelijk:

    • a.

      Interventieniveau 1: universele preventie

    • b.

      Interventieniveau 2: selectieve preventie

    • c.

      Interventieniveau 3: kortdurende ondersteuning

  • 3.

    De volgende interventieniveaus zijn niet vrij toegankelijk en vereisen een beschikking van het college:

    • a.

      Interventieniveau 4: ondersteuning die laagfrequent wordt ingezet, gericht op één enkelvoudig te behalen resultaat

    • b.

      Interventieniveau 5: ondersteuning die frequent wordt ingezet

    • c.

      Interventieniveau 6: ondersteuning die hoogfrequent wordt ingezet

    • d.

      Interventieniveau 7: ondersteuning gedurende de dag, exclusief verblijf (zoals kinderdagcentra en dagbesteding)

    • e.

      Interventieniveau 8: ondersteuning in combinatie met verblijf, 24 uur per dag

  • 4.

    Interventieniveau 8 wordt aangemerkt als verblijf.

  • 5.

    Behandeling kan worden ingezet binnen interventieniveaus 4 tot en met 7.

Artikel 19. Vervoer

  • 1.

    Uitgangspunt is dat ouder(s) of verzorger(s), in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.

  • 2.

    Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

  • 3.

    Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening.

  • 4.

    Het college beoordeelt per individuele situatie of er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het vervoer niet door of met behulp van de cliënt of diens omgeving georganiseerd kan worden.

  • 5.

    Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.

Artikel 20. Onderzoek, advies en functiescheiding

  • 1.

    Het college zet voor het onderzoek naar aanleiding van een aanvraag voor jeugdhulp de daarvoor benodigde specifieke deskundigheid in en zorgt ervoor dat de deskundigheid bekend is bij de aanvrager.

  • 2.

    Het in het eerste lid bedoelde advies, met inachtneming van artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet, wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

    • a.

      Bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

    • b.

      Bij het Nederlands Instituut voor Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

    • c.

      Op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

  • 3.

    Afhankelijk van de vereisten van het in lid 1 bedoelde onderzoek moet de adviseur aantoonbaar beschikken over:

    • a.

      Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts;

    • b.

      Ergonomische kennis;

    • c.

      Bouwkundige/technische kennis; of

    • d.

      Gedragswetenschappelijke kennis.

  • 4.

    Indien de adviseur zelf niet beschikt over de in lid 3 benoemde kennis en deze kennis wel noodzakelijk is voor het onderzoek, wint de adviseur deze in bij personen die over de benodigde deskundigheid beschikken.

  • 5.

    In gevallen waarin de uitvoeringstaken voor de Jeugdwet extern zijn belegd, ofwel de besluitvorming op Jeugdaanvragen wordt gemandateerd aan andere bestuursorganen of aanbieders, draagt het college zorg voor het voorkomen van een rolvermenging bij advisering, gemandateerde besluitvorming en levering van maatwerkvoorzieningen door deze partijen.

Artikel 21. Voorwaarden en weigeringsgronden voor individuele voorzieningen

  • 1.

    Jeugdigen en ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover:

    • a.

      zij op eigen kracht, met gebruikelijke zorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag;

    • b.

      zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een algemene voorziening, of;

    • c.

      zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een andere voorziening.

  • 2.

    Geen individuele voorziening wordt verstrekt indien het een voorziening betreft die de cliënt vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk alsnog toestemming verleent of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de algemene criteria, zoals genoemd in het eerste lid, of ter bepaling van specifieke criteria voor bepaalde individuele voorzieningen.

Artikel 22. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

  • 1.

    Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 2.

    Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.

  • 3.

    Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:

    • a.

      geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of

    • c.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • 4.

    Bij de beoordeling van het derde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

    • a.

      de leeftijd, behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet niet tot overbelasting leidt;

    • c.

      de planbaarheid van de hulp;

    • d.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    • f.

      de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien;

    • g.

      de mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen;

    • h.

      overige relevante omstandigheden van de jeugdige en de ouders die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden.

Artikel 23. Regeling zak- en kleedgeld

  • 1.

    Het college kan ten behoeve van de jeugdige die verblijft in een jeugdhulpvoorziening, met uitzondering van pleegzorg, een vervangende bijdrage ter beschikking stellen dat overeenkomstig is met de Nibud-norm voor zak- en kleedgeld, als aan de volgende criteria is voldaan:

    • a.

      de kosten zijn noodzakelijk en bijzonder;

    • b.

      er is sprake van een voogdijmaatregel of de jeugdige is onder toezicht gesteld en op grond van een machtiging uit huis geplaatst;

    • c.

      voor deze kosten kan geen vergoeding op grond van een andere regeling worden verstrekt;

    • d.

      de kosten zijn redelijkerwijs niet te verhalen op de onderhoudsplichtige ouders.

  • 2.

    De bijdrage zoals bedoeld in lid 1 wordt uitbetaald aan de jeugdhulpaanbieder, welke het zak- en kleedgeld verstrekt aan de jeugdige. De jeugdhulpaanbieder dient aan te tonen dat zij voldoende heeft getracht de ouders aan te spreken op hun onderhoudsplicht, waarop door de ouders geen bijdragen zijn voldaan.

Artikel 24. Beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening, wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      welke individuele voorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is en de specifieke afspraken hierover. Het onderzoeksverslag maakt integraal onderdeel uit van de beschikking;

    • b.

      het aantal geïndiceerde uren of dagdelen per week of maand

    • c.

      de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

  • 3.

    Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in aanvulling op het vermelde onder lid 2:

    • a.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget;

    • b.

      wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen;

    • c.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget.

Artikel 25. Algemene regels over het pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb met in achtneming van artikel 8a en 8b Jeugdwet.

  • 2.

    Voor de jeugdige en ouders die in aanmerking wenst te komen voor een pgb geldt de verplichting om een budgetplan op te stellen.

  • 3.

    Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt indien:

    • a.

      de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Ter beoordeling gelden de volgende voorwaarden:

      • 1

        jeugdige en ouders hebben een goed overzicht van de eigen situatie en kan deze houden.

      • 2

        jeugdige en ouders weten welke regels er horen bij een pgb.

      • 3.

        jeugdige en ouders kunnen een overzichtelijke pgb-administratie bijhouden.

      • 4.

        jeugdige en ouders zijn in staat te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners.

      • 5.

        jeugdige en ouders kunnen zelfstandig handelen en zelf voor zorgverleners kiezen.

      • 6.

        jeugdigen en ouders kunnen zelf afspraken maken, bijhouden en zich hieraan houden.

      • 7.

        jeugdige en ouders zelf beoordelen of de zorg uit het pgb het beste bij hem past.

      • 8.

        jeugdige en ouders kunnen zelf de zorg regelen met 1 of meer zorgverleners.

      • 9.

        jeugdige en ouders kunnen ervoor zorgen dat de zorgverleners die voor hem werken weten wat ze moeten doen.

      • 10.

        jeugdige en ouders weten wat hij moet doen in zijn rol als werkgever of opdrachtgever van een zorgverlener.

    • b.

      De jeugdige en ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen, dat zorg in natura niet passend is en naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

  • 4.

    Het pgb wordt geweigerd indien er sprake is van financiële problemen bij de jeugdige en ouders, tenzij financieel toezicht wordt uitgeoefend door bijvoorbeeld een kredietbank.

  • 5.

    Aan het pgb zijn de volgende verplichtingen en voorwaarden verbonden:

    • a.

      de besteding van het pgb dient verantwoord te worden

    • b.

      het pgb mag niet worden besteed aan tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • c.

      het pgb mag niet worden besteed aan het beheer van het pgb (bemiddelingskosten);

    • d.

      een professionele ondersteuner mag het pgb niet beheren;

    • e.

      het pgb mag niet worden besteed aan administratieve kosten, vrij besteedbaar bedrag eenmalige uitkering, feestdagenuitkering en reiskosten;

    • f.

      het pgb wordt binnen zes maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Het college kan al dan niet op verzoek een langere termijn hanteren.

  • 6.

    Een jeugdige en ouders aan wie een pgb wordt verstrekt, kunnen diensten, hulpmiddelen, woonvoorzieningen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk:

    • a.

      wanneer uit het onderzoek blijkt dat de ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt;

    • b.

      dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt;

    • c.

      aantoonbaar doelmatiger is dan zorg in natura;

    • d.

      als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, beschikt de persoon over de desbetreffende kwalificatie;

    • e.

      deze persoon heeft aangegeven dat de ondersteuning aan de cliënt hem niet te zwaar valt;

    • f.

      deze persoon op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het pgb heeft uitgeoefend bij diens besluitvorming.

  • 7.

    Het college bepaalt voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden in hoeverre sprake is van gebruikelijke hulp.

  • 8.

    Het college kan een pgb weigeren als de jeugdige en ouders het beheer uitvoert met hulp van de betrokken ondersteuner zelf of daaraan verbonden personen en daarmee ongewenste belangenverstrengeling kan ontstaan.

  • 9.

    Het college houdt rekening met de belastbaarheid van de mantelzorger van de jeugdige en ouders.

  • 10.

    Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de verantwoording van het pgb.

  • 11.

    De jeugdige en ouders sluiten met degene aan wie het pgb wordt besteed een door het college en de Sociale Verzekeringsbank goedgekeurde schriftelijke overeenkomst. Daarbij wordt (bij voorkeur) gebruik gemaakt van de toepasselijke modelovereenkomst die de Sociale Verzekeringsbank ter beschikking stelt.

Artikel 26. De hoogte van een pgb

  • 1.

    Algemene regels over de hoogte van een pgb.

    • a.

      Bij de bepaling van de hoogte van het pgb wordt mede aandacht besteed aan een door de jeugdigen of ouders in te dienen plan inzake het door hem gewenste pgb.

    • b.

      Het pgb wordt berekend op basis van een prijs en tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

    • c.

      De hoogte van een pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.

  • 2.

    De hoogte van het pgb tarief wordt bepaald:

    • a.

      voor een professional aan de hand van een percentage van het tarief voor zorg in natura. Dit percentage bedraagt 90% van het zorg in natura tarief;

    • b.

      voor ondersteuning uit het sociaal netwerk (niet-professionals) wordt de hoogte gebaseerd op de CAO VVT vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren.

  • 3.

    Voor de volgende ondersteuning wordt geen pgb verstrekt:

    • a.

      dyslexie zorg;

    • b.

      behandeling en verblijf in een instelling geleverd door het sociaal netwerk (niet-professionals).

Artikel 27. Vertrouwenspersoon

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

  • 2.

    Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

HOOFDSTUK 6 HERZIENING, WIJZIGING EN TERUGVORDERING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP

Artikel 28. Herziening en intrekking

  • 1.

    De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015.

  • 2.

    De jeugdige en zijn ouders doen aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet of een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1. van de Jeugdwet.

  • 3.

    Het college kan een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015 en/of artikel 2.3 of artikel 8.1.1. van de Jeugdwet herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat:

    • a.

      De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger en/of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      De cliënt en/of zijn ouders niet langer op de maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb is aangewezen;

    • c.

      De maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      De cliënt en/of zijn ouders niet voldoet aan de aan maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb verbonden voorwaarden, of

    • e.

      De cliënt en/of zijn ouders de maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb voor een ander doel gebruikt.

  • 4.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken voor zover blijkt dat het pgb niet is aangewend voor de bekostiging van de maatwerkvoorziening of individuele voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 5.

    Het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van de herziening en/of intrekking af te zien.

Artikel 29. Terugvordering

  • 1.

    Als het college een beslissing op grond van artikel 20a lid 3 onder a van deze verordening heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en diegene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb.

  • 2.

    Indien de aanbieder van pgb en/of zin op grond van de Wmo 2015 aantoonbaar opzettelijk ondoelmatig en/of onrechtmatig ondersteuning heeft verleend, dan kan geheel of gedeeltelijk de geldwaarde gevorderd worden van de ten onrechte genoten voorziening bij de pgb- en/of zin-aanbieder.

  • 3.

    Indien de aanbieder van pgb en/of zin op grond van de Jeugdwet aantoonbaar ondoelmatig en/of onrechtmatig ondersteuning heeft verleend, dan kan geheel of gedeeltelijk de geldwaarde gevorderd worden van de ten onrechte genoten voorziening bij de pgb- en/of zin-aanbieder.

  • 4.

    Het college kan tot terugvordering overgaan indien:

    • a.

      cliënt voor de einddatum van de pgb naar een andere gemeente verhuist of overlijdt. Dit naar rato van de resterende volle maanden tot aan de einddatum van het pgb;

    • b.

      voor zover een cliënt het budget of een deel daarvan niet kan verantwoorden;

    • c.

      de pgb- en/of zin-aanbieder geld heeft ontvangen voor zorg die (gedeeltelijk) niet is verleend of niet (geheel) conform de gestelde voorwaarden is verleend;

    • d.

      voor zover cliënt wist of heeft kunnen weten dat het pgb ten onrechte is betaald, dan wel de maatwerk- of individuele voorziening ten onrechte is verstrekt;

    • e.

      het recht op een in eigendom verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken;

    • f.

      het recht op een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken;

    • g.

      een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is toegeëigend, vervreemd of verpand;

    • h.

      een maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb zonder toestemming van het college in het buitenland is ingezet.

  • 5.

    Indien het toegekende pgb-budget niet of niet geheel verantwoord kan worden, wordt het bedrag dat onvoldoende verantwoord kan worden, teruggevorderd.

  • 6.

    Het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van de terug- en/of invordering af te zien.

HOOFDSTUK 7 KWALITEIT

Artikel 30. Kwaliteit

  • 1.

    Alle aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de hulpvrager;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      te voldoen aan het meest actuele Toetsingskader NMD Wmo en Jeugdzorg en, voor wat betreft de gecontracteerde aanbieders, tevens aan de contracteisen.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 31. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • I.

        een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

      • II.

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

HOOFDSTUK 8 TOEZICHT EN HANDHAVING

Artikel 32. Toezicht en handhaving

  • 1.

    Het college bepaalt bij nadere regels op welke wijze toezicht wordt gehouden op de rechtmatigheid en integere uitvoering van maatwerk- en individuele voorzieningen (Wmo 2015 en Jeugdwet).

  • 2.

    Het college bepaalt bij nadere regels op welke wijze toezicht wordt gehouden op de kwaliteit en doelmatigheid van maatwerkvoorzieningen (Wmo 2015).

  • 3.

    Voor de uitvoering van het toezicht als bedoeld in lid 1 en lid 2 wijst het college toezichthoudende ambtenaren aan.

  • 4.

    Een toezichthoudend ambtenaar belast met het toezichthouden op de rechtmatigheid kan tevens worden aangesteld als buitengewoon opsporingsambtenaar.

  • 5.

    Het college bepaalt bij nadere regels op welke wijze wordt gehandhaafd indien er sprake is van niet voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen, onrechtmatigheid, niet integer handelen, fouten of fraude.

  • 6.

    Het college bepaalt bij nadere regels op welke wijze rapporten van bevindingen opgesteld door een toezichthoudend ambtenaar over de kwaliteit van maatwerkvoorzieningen verstrekt op grond van de Wmo 2015 openbaar worden gemaakt.

Artikel 33. Controle maatwerkvoorzieningen, individuele voorzieningen en pgb’s

  • 1.

    Het college onderzoekt periodiek – al dan niet op basis van een vooraf vastgesteld programma, signalen en/of steekproefsgewijs – het gebruik van maatwerkvoorzieningen, individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

  • 2.

    Het college monitort het gebruik van maatwerk- en individuele voorzieningen en pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen.

Artikel 34. Tegengaan oneigenlijk gebruik

Het college spant zich in om fouten bij het gebruik maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:

  • a.

    Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordigers en aanbieders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen of uitvoeren van een maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb’s zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • b.

    Het college zoekt waar mogelijk samenwerking met andere gemeenten, organisaties die zich ook bezighouden met de kwaliteit, het tegengaan van niet integer handelen, fouten en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen.

  • c.

    Het college verricht zo nodig onderzoek bij zorgverleners van maatwerk-, algemene of individuele voorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Aa en Hunze hebben of die ondersteuning verlenen op grond van een pgb aan inwoners van Aa en Hunze. Deze partijen zijn verplicht om (kosteloos) hun medewerking te verlenen.

  • d.

    Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, (accountants)controles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.

  • e.

    Het college controleert, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen.

Artikel 35. Meldpunt kwaliteit en rechtmatigheid

Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over onvoldoende kwaliteit, oneigenlijk gebruik, niet integer handelen en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de Wmo 2015 en Jeugdwet.

HOOFDSTUK 9 CALAMITEITEN EN GEWELD

Artikel 36. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Voor maatwerkvoorzieningen in het kader van de Wmo

  • 1.

    Treft het college een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan;

  • 2.

    Melden aanbieders iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar;

  • 3.

    Onderzoekt de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

HOOFDSTUK 10 KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK

Artikel 37. Klachtregeling

  • 1.

    Het college beschikt over een regeling voor de afhandeling van klachten ten aanzien van het in behandeling nemen van meldingen en aanvragen zoals bedoeld in deze verordening.

  • 2.

    Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van hulpvragers ten aanzien van zowel algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 38. Medezeggenschap

  • 1.

    Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 39. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen, en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN

Artikel 40. Nadere regels, beleidsregels en hardheidsclausule

  • 1.

    In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het gestelde in deze verordening.

  • 3.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de hulpvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 41. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Aa en Hunze 2020 I, in werking getreden op 1 januari 2024 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Aa en Hunze 2020, in werking getreden op 1 januari 2024 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. Het nieuwe besluit wordt genomen met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving.

  • 3.

    Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Aa en Hunze 2020, in werking getreden op 1 januari 2024, geschiedt op grond van die verordening. Deze behoudt ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht.

  • 4.

    Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

Artikel 42. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt jaarlijks geëvalueerd. Het college stuurt hiertoe telkens per jaar, na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 43. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp 2026.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Aa en Hunze, gehouden op 11 december 2025.

De griffier,

Mr. E.P. van Corbach

De voorzitter,

A.W. Hiemstra

Algemene toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Aa en Hunze 2026

Algemeen

 

De verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Aa en Hunze geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet. De gemeente is sinds 1 januari 2015 bestuurlijk en financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van deze wetten. Dit betreft een integrale verordening voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.

 

Inkoop 2026

 

Per 1 januari 2026 zijn er nieuwe contracten afgesloten met Wmo en Jeugdzorg aanbieders. Ten opzichte van de eerdere inkoop zijn er een aantal wijzigingen. Deze zijn op hoofdlijnen verwerkt in deze verordening en zullen verder uitgewerkt worden in de nadere regels.

 

Artikelsgewijze toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Aa en Hunze

 

HOOFDSTUK 1: BEGRIPPEN

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

 

In dit artikel staan alleen begrippen die nodig zijn voor de uitvoering van de verordening én die niet al in de Wmo of Jeugdwet zijn gedefinieerd. Als een begrip alleen in één van beide wetten voorkomt, nemen we het hierop, zoals persoonsgebonden budget (pgb) en gebruikelijke hulp. Begrippen uit de Algemene wet bestuursrecht, zoals aanvraag en beschikking, zijn ook van toepassing op deze verordening.

 

We gebruiken de begrippen jeugdige en ouder zoals in de Jeugdwet. Soms zeggen we ‘jeugdigen en ouder(s)’ of ‘de jeugdige en zijn ouder(s). ‘Of’ kan ook ‘en’ betekenen.

 

HOOFDSTUK 2 TOEGANG

 

Artikel 2. Toegang maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

 

Op grond van de Wmo - artikel 2.1.3, tweede lid, onder a - en de Jeugdwet - artikel 2.1.9, onder a - moeten gemeenten regels opstellen over de toegang tot maatwerk- en individuele voorzieningen. Deze bepalingen zijn bedoeld om een zorgvuldige toegangsprocedure te waarborgen. In deze verordening delegeert de raad de uitwerking van de procedure volledig aan het college. Dit biedt flexibiliteit om sneller in te spelen op veranderingen. Waar de Wmo al deels procedurele regels bevat, laat de Jeugdwet dit aan de gemeentelijke regeling over.

 

Artikel 3. Melding beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen

 

Dit artikel beschrijft de procedure rondom de melding, het onderzoek, de aanvraag en de beschikking bij hulpvragen over het zich handhaven in de samenleving, gericht op beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen. De centrumgemeente Assen voert deze taken namens de regiogemeenten uit op basis van mandaat. Het proces is afgestemd op de landelijke afspraken over toegankelijkheid en volgt het model uit het Convenant Toegankelijkheid Beschermd Wonen.

 

Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

 

Op grond van artikel 2.6 van de Jeugdwet kunnen huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen rechtstreeks verwijzen naar jeugdhulp, zowel vrij toegankelijke als individuele voorzieningen. Na zo'n verwijzing bepaalt de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder op basis van professionele autonomie welke behandelvorm nodig is, inclusief de omvang en duur. Dit gebeurt binnen de kaders van de afspraken met de gemeente, die toeziet op samenhang en regie, onder meer via het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan.

 

Daarnaast zijn er andere toegangswegen geregeld in de Jeugdwet, zoals via gecertificeerde instellingen (GI), kinderrechters (via een kinderbeschermingsmaatregel of via een maatregel tot jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie (OM) en de directeur of selectiefunctionaris van justitiële jeugdinrichtingen. De GI is verplicht te overleggen met de gemeente. Bij maatregelen zoals ondertoezichtstelling is de gemeente verplicht jeugdhulp te leveren zoals vastgesteld door deze partijen. Ook hier geldt dat gebruik wordt gemaakt van de door de gemeente gecontracteerde hulp.

 

Tot slot is ook Veilig Thuis Drenthe (VTD) een toegangspoort tot jeugdhulp bij (vermoedens van) kindermishandeling of huiselijk geweld. VTD adviseert, onderzoekt en verbindt ouders met passende hulp. Al deze vormen van toegang zijn wettelijk geregeld en worden niet nader uitgewerkt in deze verordening.

 

HOOFDSTUK 4 MAATWERKVOORZIENING WMO

 

Artikel 5. Maatwerkvoorzieningen

 

Dit artikel werkt de delegatiebepalingen uit van artikel 2.1.3 Wmo. Dit artikel verplicht de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen over de toegang tot voorzieningen en de uitvoering ervan door het college.

 

De Wmo definieert een maatwerkvoorziening als:

 

op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

 

  • 1.

    ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

  • 2.

    ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

  • 3.

    ten behoeve van beschermd wonen en opvang;

Een heldere beschrijving is wenselijk zodat inwoners weten welke vormen van hulp beschikbaar zijn.

 

Sinds 2017 is het uitgangspunt voor de omvang van de ondersteuning: het te bereiken resultaat voor de inwoner. De daarbij best passende voorziening en de omvang van de ondersteuning is afhankelijk van de situatie en kan per inwoner verschillen, waardoor maatwerk geborgd wordt.

 

De resultaten hebben betrekking op een eindsituatie of tussenstand, die de inwoner of het gezin met de ondersteuning kan bereiken. Het gaat om de gewenste, haalbaar en realistisch te achten situatie na de ondersteuning.

 

In de nadere regels worden de resultaten en de voorzieningen nader beschreven en uitgewerkt.

 

Artikel 6. Vervoer

 

Inwoners zijn in principe zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de plek waar zij ondersteuning krijgen. Alleen als dit niet mogelijk is, ook niet met hulp van anderen, kan de gemeente een vervoerindicatie verstrekken. Dit gebeurt alleen als het vervoer nodig is om van een maatwerkvoorziening gebruik te maken. Het college beoordeelt per situatie of eigen mogelijkheden en hulp vanuit de omgeving onvoldoende zijn.

 

Artikel 7. Onderzoek, advies en functiescheiding

 

Lid 1

 

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2018:819) en artikel 3:2 Awb moet een besluit gebaseerd zijn op zorgvuldig onderzoek. Dit kan betekenen dat extern advies moet worden ingewonnen. Lid 1 past dit toe op de lokale Wmo-uitvoering. Voor jeugdhulp geldt hetzelfde, zie artikel 2.3 Jeugdwet.

 

Lid 2 en 3

 

Gemeenten winnen al jarenlang sociaal-medisch of ergonomisch advies in bij Wmo-aanvragen. Met de komst van de Wmo 2015 is er ook behoefte aan gedragswetenschappelijke expertise, vooral bij indicaties voor begeleiding of beschermd wonen. Hierbij spelen vragen als: is Wmo-begeleiding passend, is GGZ voorliggend, of is een combinatie nodig? Ook kan expertise nodig zijn bij het beoordelen of iemand een persoonsgebondenbudget (pgb) kan beheren.

 

Lid 4

 

Wanneer gemeenten taken uitbesteden, zoals via wijkteams of gemeenschappelijke regelingen, blijft het college verantwoordelijk voor een zorgvuldige en gescheiden uitvoering van onderzoek, besluitvorming en ondersteuning. Deze functies moeten onafhankelijk van elkaar blijven om belangenverstrengeling te voorkomen (ECLI:NL:CRVB:2018:1113).

 

Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening

 

Dit artikel herhaalt het centrale uitgangspunt van de Wmo: eigen kracht en hulp van het sociaal netwerk gaan vóór professionele ondersteuning. Een maatwerkvoorziening is pas aan de orde als andere mogelijkheden ontoereikend zijn.

 

Lid 1

 

De wet (artikel 2.1.3 lid 2, onderdeel a Wmo 2015) verplicht gemeenten criteria op te stellen voor het toekennen van maatwerkvoorzieningen. Maatwerk is essentieel, omdat lokale verschillen in behoefte en voorzieningen bestaan.

 

De gemeente gebruikt een resultatenmatrix om samen met de cliënt de hulpvraag te verkennen en te bepalen wat haalbaar is met ondersteuning vanuit het netwerk en algemene voorzieningen. Is dat onvoldoende, dan wordt via het onderzoeksverslag beoordeeld welke professionele inzet nodig is. Dit onderzoeksverslag is gebaseerd op de vijf stappen van de Centrale Raad van Beroep. Een maatwerkvoorziening volgt pas als de andere opties ontoereikend zijn. In de beschikking wordt opgenomen in welke vorm (in natura of pgb) de voorziening wordt verstrekt.

 

Lid 2

 

Onderdeel a. Bij melding moet onderzocht worden of het probleem via gebruikelijke hulp kan worden opgelost. Gebruikelijke hulp (zoals door echtgenoot of inwonende kinderen) is geen maatwerkvoorziening en wordt verondersteld normaal te zijn binnen een huishouden. Mantelzorg daarentegen kan aanvullend zijn en valt soms wel onder professionele ondersteuning. Bij alleenwonenden is onderzoek naar gebruikelijke hulp niet van toepassing, maar het moet wel worden vastgesteld of iemand daadwerkelijk alleen woont.

 

Onderdeel b. De medewerkingsplicht (artikel 2.3.8 lid 3 Wmo 2015) geldt niet alleen voor de cliënt, maar ook voor huisgenoten. Zij moeten medewerking verlenen aan onderzoek, zoals gesprekken of het aanleveren van bewijsstukken.

 

Artikel 9. Gebruikelijke hulp

 

Lid 1

 

Gemeenten moeten in hun verordening vastleggen (artikel 2.1.3 lid 2, onder b Wmo 2015) wat in redelijkheid van huisgenoten mag worden verwacht. Zo wordt rechtszekerheid geboden en willekeur zoveel mogelijk vermeden. De belangrijkste criteria zijn:

 

Ad a. Samenstelling huishouden: meer huisgenoten betekent potentieel meer hulp; de leeftijd en eigen zorgbehoefte van huisgenoten speelt mee.

 

Ad b. Aard van de relatie tussen huisgenoten: nauwe familiebanden en wettelijke zorgplichten maken dat er meer verwacht mag worden. Echtgenoten onderling en ouders en kinderen hebben een directe familierechtelijke band; ze zijn eerstegraads bloed- of aanverwanten. Daarnaast hebben echtgenoten onderling en ouders sowieso een wettelijke zorgplicht (voor elkaar en voor hun kinderen) op grond van het Burgerlijk Wetboek.

 

Ad c. Aard van de hulpvraag: hoeveel en wat voor soort hulp nodig is, of deze planbaar (bijv. administratieve hulp) is en of specifieke kwalificaties vereist zijn (bijv. bij complexe gedragsproblematiek).

 

Ad d. Mogelijkheden van huisgenoten: werk, gezondheid, reistijd of andere zorgtaken kunnen de mogelijkheden tot gebruikelijke hulp beperken. Onder de toelichting op onderdeel c. is een aantal voorbeelden gegeven rond de variatie in hulpvragen van cliënten.

 

Ad e. Hulp in het verleden: sommige problemen spelen al langere tijd. Als huisgenoten eerder hulp geboden hebben, is de vraag of ze dat nu ook kunnen doen zonder overbelasting.

 

Ad f. Overige omstandigheden: het is niet mogelijk alle denkbare omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om gebruikelijke hulp te bieden, in regels te vatten. Daarom is onder f. in algemene zin verwezen naar overige relevante omstandigheden van huisgenoten.

 

Bij twijfel of (dreigende) overbelasting, kan deskundigenonderzoek worden ingezet. Soms is tijdelijke ondersteuning passend, bijvoorbeeld bij een plotselinge verslechtering van de situatie.

 

Lid 2

 

Het college moet de goedkoopst adequate voorziening verstrekken. Duurdere opties worden alleen vergoed als ze noodzakelijk zijn. Als iemand liever een duurdere voorziening wil, moet hij of zij het verschil zelf betalen.

 

Artikel 10. Voorwaarden en weigeringsgronden voor maatwerkvoorziening

 

Om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening is op grond van de Wmo 2015 (artikel 2.1.3, tweede lid onder a), zijn er verschillende afwijzingsgronden waarop de gemeente een aanvraag kan weigeren. Hieronder worden de belangrijkste criteria toegelicht:

 

Lid 1

 

Ad a. Voorliggende voorzieningen: Als een andere wet al voorziet in een oplossing voor het probleem van de aanvrager, moet die wet eerst worden benut. Alleen als iemand écht recht heeft op die voorziening, telt deze als ''voorliggend''. Als de andere regeling niets biedt of de aanvraag daar is afgewezen, dan mag Wmo-ondersteuning alsnog overwogen worden. Ook als een andere regeling maar een deel vergoedt, mag de Wmo niet gebruikt worden voor het resterende deel.

 

Ad b. Geen noodzaak op grond van de wet: Als uit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een duidelijke ondersteuningsbehoefte volgens de Wmo, dan kan de aanvraag worden afgewezen. Dit sluit aan op de centrale beoordeling van de wet.

 

Ad c. Algemene voorzieningen gaan voor: Als een probleem opgelost kan worden door een algemene voorziening (bijv. een boodschappendienst of wijkcentrum), dan hoeft geen maatwerkvoorziening te worden verstrekt.

 

Ad d. Algemeen gebruikelijke voorzieningen: De gemeente verstrekt geen hulpmiddelen of aanpassingen die oko zonder beperking als gebruikelijk gelden. Denk aan standaard huishoudelijke apparaten of voorzieningen die mensen normaal zelf bekostigen. Dit wordt per situatie beoordeeld.

 

Ad e. Vooraf aanschaffen zonder toestemming: Als iemand zelf alvast een voorziening koopt of aanpast zonder overleg met de gemeente, kan de aanvraag worden geweigerd. Zo wordt voorkomen dat mensen dure of ongeschikte keuzes maken die de gemeente achteraf moet vergoeden.

 

Ad f. Geen aantoonbare noodzaak: Als blijkt dat er geen echte noodzaak is voor ondersteuning, dan is er ook geen recht op een maatwerkvoorziening.

 

Ad g. geen medewerking aan onderzoek: Als de aanvrager niet meewerkt aan het onderzoek naar zijn situatie, bijvoorbeeld door geen informatie te geven of medisch onderzoek te weigeren, kan de gemeente niet beoordelen of er recht bestaat op ondersteuning.

 

Ad i. Wet langdurige zorg (Wlz) is voorliggende: De Wlz gaat voor op de Wmo als iemand daar recht op heeft. Als iemand afziet van Wlz-zorg terwijl hij daar wel recht op heeft, kan de gemeente de Wmo-aanvraag afwijzen. Uitzonderingen hierop zijn:

 

  • 1.

    Maatwerkvervoer voor Wlz-cliënten in een instelling;

  • 2.

    Hulpmiddelen of woningaanpassingen voor Wlz-cliënten die thuis wonen.

Lid 2

 

Deze aanvullende afwijzingsgronden gelden specifiek voor ondersteuning bij zelfredzaamheid en participatie.

 

Lid 3

 

Deze gronden gaan over zogenaamde ''woonvoorzieningen'' (zoals woningaanpassingen). In principe worden aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimtes niet verstrekt, tenzij afspraken zijn gemaakt met woningcorporaties.

 

Artikel 11. Beschikking

 

De cliënt moet uit de beschikking kunnen opmaken wat zijn rechten zijn. Daarom moet deze duidelijk en volledig zijn. In dit artikel staan de minimale onderdelen die in elke beschikking moeten worden opgenomen.

 

Lid 1

 

Een beschikking over een individuele voorziening moet minimaal bevatten:

 

  • -

    Een omschrijving van het besluit;

  • -

    De vorm waarin de voorziening wordt verstrekt (natura of pgb); en

  • -

    Een verwijzing naar het resultatenplan.

NB: daarnaast geldt uiteraard ook de Awb. De eisen die deze wet aan beschikkingen stelt is niet in de verordening opgenomen.

 

De gemeente beoordeelt de hulpvraag samen met de cliënt aan de hand van de resultatenmatrix. Hieruit volgt een onderzoeksverslag waarin staat welke haalbaar is en welke inzet daarvoor nodig is. Als blijkt dat algemene voorzieningen onvoldoende zijn, wordt een individuele voorziening toegekend.

 

Lid 2

 

Bij verstrekking in natura vermeldt de beschikking:

 

  • -

    Het beoogde resultaat;

  • -

    De ingangsdatum;

  • -

    De duur van de voorziening; en

  • -

    Een verwijzing naar het onderzoeksverslag.

Lid 3

 

Bij een pgb bevat een beschikking daarnaast:

 

  • -

    De voorwaarden voor besteding;

  • -

    De hoogte en berekening van het budget; en

  • -

    De wijze van verantwoording.

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beheert alle pgb's via een trekkingsrecht. Zij betaalt alleen goedgekeurde kosten en houdt overzicht bij voor zowel cliënt als gemeente. De gemeente toetst vooraf, en heeft altijd inzage in de uitgaven.

 

De gemeente evalueert of de ondersteuning bijdraagt aan het beoogde resultaat. Bij een pgb wordt ook gevraagd naar de kwaliteit van de ingekochte ondersteuning en de behaalde resultaten.

 

Artikel 12. Algemene regels over het pgb

 

Lid 1

 

Een cliënt heeft wettelijk aanspraak op een pgb als hij dat wenst. Het college beoordeelt of aan de voorwaarden is voldaan om dit recht daadwerkelijk toe te kennen.

 

Lid 2, 4, 5 en 8 t/m 11

 

Deze onderdelen spreken voor zich en vereisen geen nadere toelichting.

 

Lid 3 en 7

 

Het college mag voorwaarden verbinden aan het toekennen van een pgb. De gemeenteraad stelt hiervoor beleidsmatige criteria vast, zoals toegestaan onder artikel 2.1.3 van de Wmo. Daarmee blijft de uitvoeringsbevoegdheid van het college (artikel 2.3.6) intact.

 

Lid 12

 

De cliënt is verantwoordelijk voor het sluiten van een rechtsgeldige zorgovereenkomst met de aanbieder. Hiervoor gebruikt hij een verplichte modelovereenkomst van de SVB, zoals bepaald in de Uitvoeringsregeling Wmo. De overeenkomst mag niet inhoudelijk worden aangepast, maar aanvullende afspraken zijn toegestaan. Zowel het college als de SVB moeten de overeenkomst goedkeuren:

 

  • -

    Het college beoordeelt de inhoud van de ondersteuning.

  • -

    De SVB controleert de arbeids- en fiscale aspecten.

Artikel 13. De hoogte van een pgb

 

Lid 1

 

Het college kan op grond van artikel 2.3.6 Wmo een pgb toekennen. De verordening moet vastleggen hoe de hoogte daarvan wordt bepaald. Het pgb moet toereikend zijn voor de benodigde ondersteuning. Gemeenten mogen daarbij verschillende tarieven hanteren, afhankelijk van:

 

  • -

    Het type ondersteuning;

  • -

    Het soort hulpverlener (zoals sociaal netwerk, professionele zorg, werkstudenten e.d.).

Lid 2

 

Onderdeel a, onder ii. Volgens recente uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2023:1580 en 1394) moeten ook zorgverleners uit het sociaal netwerk een reële vergoeding krijgen. Hoewel de wet geen vast bedrag noemt, wordt het CAO-loon als richtlijn gehanteerd. Gemeenten moeten bij het vaststellen van het pgb hier rekening mee houden en voor het sociale netwerk uitgaan van de hoogste periodiek van het geldende CAO.

 

Lid 3

 

De bepaling regelt ook de hoogte van:

 

  • -

    Pgb's voor verhuis- en inrichtingskosten;

  • -

    Sportvoorzieningen; en

  • -

    (Rolstoel)taxivergoeding (bij uitzondering op collectief vervoer, op basis van ZIN-tarieven).

Artikel 4.10 van de Nadere regels beschrijft wanneer het recht bestaat op een verhuis- en herinrichtingsvergoeding. Dit geldt bijvoorbeeld bij het primaat van verhuizen: als verhuizen de goedkoopst-adequate oplossing is. Geen vergoeding wordt verstrekt als de verhuizing als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd.

 

Artikel 14. Bijdrage in de kosten

 

Dit artikel regelt de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en pgb's op grond van de Wmo, in lijn met de wettelijke artikelen 2.1.4 en 2.1.5.

 

De eigen bijdrage is gelijkgesteld aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het landelijk vastgestelde bedrag. De hoogte is te vinden op de website van het CAK.

 

Door de invoering van het abonnementstarief is aanpassing van dit artikel nodig geweest, zodat duidelijk is dat cliënten alleen een bijdrage betalen zolang zij gebruik maken van de maatwerkvoorziening of zolang het pgb geldt, met een maximum van de kostprijs.

 

De wet onderscheidt drie typen voorzieningen met elk hun eigen bijdrage:

 

  • 1.

    Maatwerkvoorzieningen en pgb's

  • 2.

    Algemene voorzieningen met duurzame hulpverleningsrelaties

  • 3.

    Algemene voorzieningen zonder duurzame hulpverleningsrelatie

Voor de eerste twee groepen kan bij verordening een bijdrage in de kosten worden vastgesteld.

 

Voor (collectief) vervoer geldt een uitzondering op het abonnementstarief. Daarom is hiervoor in lid 3 van het artikel een aparte bijdrage opgenomen.

 

In lid 4 krijgt het college de bevoegdheid om onder voorwaarden vrijstelling van de eigen bijdrage te verlenen. De voorwaarden hiervoor kunnen in nadere regels worden vastgesteld.

 

Artikel 15. Waardering mantelzorgers

 

Deze bepaling werkt de verordeningsplicht uit artikel 2.1.6 van de Wmo uit. De gemeenteraad geeft het college de bevoegdheid om de uitvoering hiervan verder te regelen in een uitvoeringsregeling.

 

De mantelzorgwaardering is bedoeld als blijk van erkenning voor de inzet van mantelzorgers. Daarnaast helpt deze waardering om mantelzorgers in beeld te krijgen die zichzelf (nog) niet als zodanig zien.

 

Volgens artikel 2.1.6 van de Wmo geldt de mantelzorgwaardering voor mantelzorgers van cliënten die in de gemeente wonen. Een cliënt is – volgens artikel 1.1.1 van de wet – iedereen die een voorziening ontvangt of een hulpvraag heeft gemeld, ook als dat niet tot een voorziening heeft geleid.

 

Artikel 16. Cliëntondersteuner

 

Op grond van artikel 2.2.4 van de Wmo is het college verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van cliëntondersteuning aan alle inwoners. Het belang van de cliënt staat hierbij voorop. Hoewel de wet geen verordeningsplicht oplegt, is deze bepaling toch opgenomen in de verordening om inwoners een volledig overzicht te geven van hun rechten en plichten.

 

HOOFDSTUK 5 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN JEUGD

 

Artikel 17 en 18. Individuele voorzieningen en interventieniveaus

 

Dit artikel werkt de delegatiebepaling uit 2.9, onder a, van de Jeugdwet. Dit artikel verplicht de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen over de toegang tot voorzieningen en de uitvoering ervan door het college.

 

De Jeugdwet bevat geen expliciete definitie van een voorziening, maar maakt onderscheid tussen algemene vrij toegankelijke als individuele voorzieningen. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Individuele voorzieningen betreffen doorgaans gespecialiseerde zorg. De gemeente, huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder beoordelen of de jeugdige en zijn ouders deze individuele voorziening nodig hebben.

 

Voorzieningen in het kader van de Jeugdwet vallen onder de wettelijke definitie van jeugdhulp (artikel 1.1):

 

  • 1.

    ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

  • 2.

    het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

  • 3.

    het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.

Een heldere beschrijving is wenselijk zodat inwoners weten welke vormen van hulp beschikbaar zijn.

 

Sinds 2017 is het uitgangspunt voor de omvang van de ondersteuning: het te bereiken resultaat voor de inwoner. De daarbij best passende voorziening en de omvang van de ondersteuning is afhankelijk van de situatie en kan per inwoner verschillen, waardoor maatwerk geborgd wordt.

 

De resultaten hebben betrekking op een eindsituatie of tussenstand, die de inwoner of het gezin met de ondersteuning kan bereiken. Het gaat om de gewenste, haalbaar en realistisch te achten situatie na de ondersteuning. De interventieniveaus worden gebruikt voor het bepalen van de zwaarte en de intensiteit van de ondersteuning.

 

In de uitvoeringsregels worden de resultaten, voorzieningen en interventieniveaus nader beschreven en uitgewerkt.

 

Artikel 19. Vervoer

 

Idem artikel 6. Het gaat hier alleen om een individuele voorziening en niet een maatwerkvoorziening vanuit Wmo.

 

Artikel 20. Onderzoek, advies en functiescheiding

 

Lid 1

 

Bij het beoordelen van aanvragen moet het college indien nodig extern advies inwinnen om zorgvuldig onderzoek te waarborgen. Dit volgt uit het stappenplan van de CRvB en artikel 3:2 Awb. Deze verplichting wordt hier lokaal geconcretiseerd.

 

Lid 2

 

Het college moet zorgen dat in elk stadium van het onderzoek de juiste deskundigheid beschikbaar én zichtbaar is voor de hulpvrager (zie o.a. CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097).

 

Lid 3

 

Bij uitbesteding van taken, bijvoorbeeld aan wijkteams of andere externe partijen, moet het college garanderen dat advisering, besluitvorming en ondersteuning gescheiden blijven. Dit voorkomt belangenverstrengeling en waarborgt een zorgvuldige werkwijze (zie ECLI:NL:CRVB:2018:1113).

 

Artikel 21. Voorwaarden en weigeringsgronden voor individuele voorzieningen

 

Deze bepaling werkt de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet uit. Gemeenten moeten bij verordening regels stellen over de toekenning, beoordeling en afweging bij individuele voorzieningen

 

Lid 1

 

Het doel van de Jeugdwet is het versterken van de eigen kracht van jongeren, het probleemoplossend vermogen van hun gezinnen en sociale omgeving. Overheidsinzet mag geen zorgafhankelijkheid creëren, maar moet juist bijdragen aan zelfredzaamheid.

 

Een individuele voorziening is pas aan de orde als andere oplossingen niet toereikend zijn. Eerst wordt gekeken naar hulp uit het eigen netwerk, algemene voorzieningen of andere vormen van ondersteuning. De nadere regels geven hier verdere invulling aan.

 

Lid 2

 

Voorafgaand aan een besluit over jeugdhulp vindt een onderzoek plaats. Daarbij wordt bekeken of de jongere of het gezin zelf al stappen heeft gezet om het probleem op te lossen. Indien bijvoorbeeld zelfstandige aanschaf van een voorziening plaatsvond vóór een beschikking, dan kan dit betekenen dat geen recht bestaat op vergoeding, zeker las de voorziening niet overeenkomt met wat het college als goedkoopst adequaat beoordeelt.

 

Lid 3

 

Het college kan nadere regels opstellen over de algemene of specifieke criteria die gelden voor de beoordeling van individuele voorzieningen.

 

Artikel 22. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

 

Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden.

 

De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).

 

De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken.

 

Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.

 

Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt:

 

“(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).

 

Eerste lid

 

Het eerste lid van artikel 10 geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.

 

Tweede lid

 

Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.

 

Derde lid

 

Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.

 

Vierde lid

 

De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid.

 

Het vierde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders. Deze factoren sluiten aan bij bestaande rechtspraak.

 

Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 5, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze. Bezien wordt daarbij of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden. Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van:

 

  • a.

    geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

  • b.

    een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden;

  • c.

    overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.

 

Vijfde lid

 

Op de in artikel 5, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.

 

Artikel 23. Regeling zak- en kleedgeld

 

De voogd of instelling toont aan dat geprobeerd is de ouders aan te spreken op hun onderhoudsplicht. Dit blijkt uit een dossier met minimaal:

 

  • -

    Eén schriftelijke aanschrijving;

  • -

    Geen bijdrage van ouders én;

    • -

      Ouders zijn onvindbaar, of

    • -

      Contact is onwenselijk voor de hulp, of

    • -

      Ouders kunnen aantoonbaar niet betalen.

Artikel 24. Beschikking

 

Zie toelichting bij artikel 11.

 

Artikel 25. Persoonsgebonden budget

 

Zie toelichting artikel 9a. Aanvullend daarop moet in het budgetplan gemotiveerd worden waarom zorg in natura niet toereikend of passend is.

 

Artikel 26. De hoogte van een pgb

 

In lid 3 wordt aangegeven welke vormen van ondersteuning zijn uitgesloten voor een pgb.

 

Onderdeel a, Voor dyslexiezorg is in Drenthe een aparte route afgesproken met onderwijs en zorgaanbieders. Gemeente geven hiervoor geen beschikking af, maar hebben raamovereenkomsten met zorgaanbieders en bekostigen de in te zetten zorg. De zorgroute is opgenomen in het meest actuele document Dyslexiezorg in Drenthe.

 

Ondersteuning verloopt via het onderwijs, volgens landelijke protocollen op vier zorgniveaus. Alleen bij ernstige dyslexie (EED), na diagnose in zorgniveau 4, volgt behandeling (zorgniveau 5). Deze zorg is geen pgb-zorg.

 

Onderdeel b, De gemeente verstrekt geen pgb voor behandeling of verblijf via het eigen netwerk. Deze zorg mag alleen geleverd worden door professionele aanbieders, niet door naasten.

 

Artikel 27. Vertrouwenspersoon

 

Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Jeugdwet moet het college zorgen dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Belangrijke wettelijke eisen voor deze functie zijn: onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid.

 

Hoewel de wet geen verordening vereist, is deze bepaling toch opgenomen voor een volledig overzicht van rechten en plichten. In Drenthe wordt deze taak uitgevoerd door Zorgbelang Drenthe.

 

HOOFDSTUK 6 HERZIENING, WIJZIGING EN TERUGVORDERING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP

 

Artikel 28. Herziening, intrekking en terugvordering

 

Deze bepaling werkt de verplichting uit van artikel 2.9, onder d Jeugdwet en artikel 2.1.3, lid 4 Wmo. Gemeenten moeten regels opstellen om misbruik of onterecht gebruik van individuele of maatwerkvoorzieningen en pgb's te voorkomen en te bestrijden.

 

Het college mag hiervoor op elk moment, dus niet alleen bij de aanvraag, bewijs en informatie opvragen van de belanghebbende.

 

Artikel 29. Opschorting betaling uit het pgb

 

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 4 Wmo en artikel 2 lid 4 onder e Uitvoeringsregeling Wmo. Doel is het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb's.

 

In sommige situaties is tijdelijke opschorting van betalingen uit het pgb passender dan het direct beëindigen of intrekken van een beschikking. Opschorting biedt ruimte voor nader onderzoek of herstel, bijvoorbeeld bij twijfel over overeenkomsten of de rechtmatigheid van de beschikking.

 

De SVB besluit over opschorting, eventueel op verzoek van het college. Zo'n verzoek moet voldoen aan de verordeningseisen en goed onderbouwd zijn. Opschorting kan maximaal dertien weken duren, conform de termijn in de Awb en de Wet langdurige zorg.

 

HOOFDSTUK 7 KWALITEIT

 

Artikel 30. Kwaliteit

 

Wmo

 

Volgens artikel 2.1.3 lid 2 onder c Wmo moeten in de verordening eisen staan voor de kwaliteit van voorzieningen, inclusief deskundigheid van beroepskrachten. Gemeenten en aanbieders zijn samen verantwoordelijk voor die kwaliteit. De gemeente bepaalt in de verordening welke eisen aan aanbieders worden gesteld.

 

Jeugdwet

 

Artikel 4.1.1. Jeugdwet verplicht jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen om verantwoorde hulp te bieden: veilig, effectief, doelmatig, cliëntgericht en passend bij de behoefte van jeugdigen en ouders. Voor beide wetten zijn kwaliteitseisen uitgewerkt in het meest actuele Toetsingskader NMD. Dit geldt voor alle gecontracteerde aanbieders. Voor pgb geldt het Drents Kwaliteitskader.

 

Artikel 31. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

 

Op grond van artikel 2.6.6 van de Wmo moeten gemeenten bij verordening regels stellen over de verhouding tussen prijs en kwaliteit van voorzieningen. Deze verplichting is nader uitgewerkt in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het artikel ziet specifiek op de prijsstelling voor diensten als onderdeel van een voorziening, en niet op subsidies en goederen.

 

Het doel is het vaststellen van een vaste prijs of reële prijs voor diensten, zodat:

 

  • -

    De kwaliteit en continuïteit van ondersteuning gewaarborgd zijn;

  • -

    De prijs past bij de eisen aan deskundigheid en arbeidsvoorwaarden van beroepskrachten; en

  • -

    Inschrijvingen met onrealistisch lage tarieven worden voorkomen.

Een reële prijs geldt als ondergrens; een vaste prijs is bindend voor inschrijvers.

 

De gemeente moet bij het vaststellen van een prijs ten minste rekening houden met:

 

  • -

    Kosten van beroepskrachten: loonkosten conform cao, inclusief premies, pensioen en wettelijke verplichtingen.

  • -

    Overheadkosten: administratie, management, huisvesting e.d.

  • -

    Niet-productieve uren: ziekte, verlof, scholing, werkoverleg.

  • -

    Reis- en opleidingskosten

  • -

    Indexatie: loon- en prijsaanpassingen gedurende de looptijd.

  • -

    Kosten van gemeentelijke eisen: zoals rapportageverplichtingen.

Deze opsomming is niet uitputtend; gemeenten mogen aanvullende elementen hanteren.

 

Er moet worden gezorgd voor continuïteit in de relatie tussen cliënt en hulpverlener. Bij overdracht van opdrachten moet worden gekeken naar mogelijke overname van personeel door de nieuwe aanbieder.

 

De reële of vaste prijs moet worden opgenomen in aanbestedingsstukken. Het college moet:

 

  • -

    Gunnen op basis van het economisch meest voordelige inschrijven (EMVI);

  • -

    Inschrijvingen onder de reële prijs ongeldig verklaren;

  • -

    Nadere gunningscriteria (prijs, kwaliteit, e.d.) vooraf bekendmaken.

De prijsstelling vormt een besluit ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling. Tegen het prijsbesluit staat geen bezwaar of beroep open, maar de reguliere rechtsbescherming in het aanbestedingsrecht blijft van toepassing.

 

Het college kiest met welke derde (aanbieder) een overeenkomst wordt gesloten. Het Uitvoeringsbesluit doet geen afbreuk aan deze contractvrijheid. De gemeenteraad wordt hierover geïnformeerd.

 

Het college mag ervoor kiezen geen reële of vaste prijs vast te stellen, maar de prijs volledig aan de inschrijvende partijen over te laten. Ook hiervoor moet verantwoording worden afgelegd aan de gemeenteraad.

 

Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo geldt voor opdrachten die op of na 1 april 2019 zijn aangekondigd of gegund. Bestaande overeenkomsten vallen onder het oude recht, tenzij deze eenzijdig en ongewijzigd worden verlengd.

 

HOOFDSTUK 8 TOEZICHT EN HANDHAVING

 

Artikel 32. Toezicht en handhaving

 

Wmo

 

Op grond van artikel 6.1 lid 1 van de Wmo wijst het college toezichthoudende ambtenaren aan. Zij zijn belast met het toezicht op de naleving van de Wmo. Deze toezichthouders mogen, indien noodzakelijk voor hun taak, dossiers inzien. Dit mag ook zonder toestemming van betrokkene, ondanks de beperkingen in artikel 5:20 lid 2 van de Awb.

 

Jeugdwet

 

Sinds 1 januari 2015 ligt het landelijk toezicht op het jeugddomein bij de Rijksoverheid. De volgende instanties vallen hieronder:

 

  • -

    Jeugdhulpaanbieders;

  • -

    Gecertificeerde instellingen;

  • -

    De certificerende instelling;

  • -

    Veilig Thuis Drenthe (VTD);

  • -

    De Raad voor de Kinderbescherming;

  • -

    Justitiële jeugdinrichtingen.

Het toezicht wordt uitgevoerd door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie Justitie en Veiligheid. Zij controleren of wordt voldaan aan de wettelijke kwaliteitseisen in de jeugdzorg.

 

In het geldende aanbestedingsdocument is aangegeven dat de toezicht houdende ambtenaar op zowel Jeugd als Wmo aanbieders toezicht houdt.

 

Artikel 33. Controle

 

Op grond van artikel 2.1.3 lid 4 van de Wmo en artikel 2.9 onder d van de Jeugdwet moet de gemeentelijke verordening regels bevatten om misbruik, oneigenlijk gebruik en ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten te bestrijden. Het is daarbij van essentieel belang dat het college periodiek controles uitvoert op het juiste gebruik en de besteding van deze voorzieningen.

 

HOOFDSTUK 9 CALAMITEITEN EN GEWELD

 

Artikel 34. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

 

Wmo

 

Op grond van artikel 3.4 lid 1 van de Wmo moet een aanbieder direct melding doen bij de toezichthoudende ambtenaar van elke calamiteit of geweldsincident bij de verstrekking van een voorziening. Het college wijst hiervoor toezichthouders aan (artikel 6.1 Wmo).

 

Dit artikel bepaalt daarnaast dat het college een regeling opstelt voor het melden, en dat de toezichthouder deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over preventie en aanpak. Het college heeft dit uitgewerkt in het Protocol meldingen calamiteiten en geweld.

 

Jeugdwet

 

Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen geldt een meldplicht op grond van artikel 4.1.8 Jeugdwet. Calamiteiten en geweld moeten gemeld worden aan de drie samenwerkende inspecties: jeugdzorg, gezondheidszorg en veiligheid & justitie.

 

In het protocol en aanbestedingsdocument is vastgelegd dat meldingen voor zowel Wmo als Jeugd worden gedaan bij de gemeentelijke toezichthouder.

 

HOOFDSTUK 10 KLACHTEN MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK

 

Artikel 35. Klachtregeling

 

Lid 1

 

Hierin is vastgelegd dat klachten over de behandeling van meldingen en aanvragen kunnen worden ingediend. Stichting Attenta, die de toegang verzorgt, heeft hiervoor een eigen klachtenregeling.

 

Lid 2

 

Het tweede lid regelt klachten over zorgaanbieders. Dit is verplicht op grond van de Wmo (artikel 2.1.3 lid 2 onder e en artikel 3.2 lid 1 onder a) en de Jeugdwet (artikel 4.2.1). Aanbieders zijn verplicht een klachtenregeling te hebben voor de voorzieningen zoals benoemd in de verordening.

 

Volgens de Memorie van Toelichting moeten cliënten kunnen klagen over alles wat hen in de bejegening niet aanstaat, zoals het gedrag of de deskundigheid van medewerkers. Klachten over gemeenteambtenaren kunnen via de Regeling adviescommissie klaagschriften worden ingediend. Deze commissie is onafhankelijk en adviseert over de afhandeling.

 

Bij klachten over aanbieders, bijvoorbeeld over de kwaliteit van ondersteuning of bereikbaarheid, wordt verwacht dat de cliënt eerst bij de aanbieder klaagt. De aanbieder moet de klacht zorgvuldig en snel behandelen. Als de klacht niet naar tevredenheid wordt afgehandeld, kan de cliënt zich vervolgens tot de gemeente wenden.

 

Lid 3

 

Hierin is geregeld dat het college over instrumenten beschikt om erop toe te zien dat aanbieders de verplichting tot medezeggenschap goed uitvoeren.

 

Artikel 36. Medezeggenschap

 

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder f van de Wmo en artikel 2.10 van de Jeugdwet. Deze bepalen dat cliënten inspraak moeten hebben bij besluiten van aanbieders die hen aangaan. Voorheen was dit geregeld via landelijke wetten zoals de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz). Sinds de Wmo 2015 ligt deze verantwoordelijkheid bij gemeenten.

 

Lid 1

 

Aanbieders moeten een medezeggenschapsregeling opstellen voor de voorzieningen die in de verordening zijn genoemd.

 

Lid 2

 

Hierin worden middelen benoemt voor het college om te zien op een goede uitvoering van deze medezeggenschap.

 

Artikel 37. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

 

Deze bepaling volgt uit artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo en artikel 2.10 van de Jeugdwet.

 

Lid 1

 

Hierin is bepaald dat voor het Wmo-beleid de algemene inspraakverordening van de gemeente geldt (op basis van artikel 150 Gemeentewet). Zo wordt dezelfde inspraakprocedure gehanteerd als op andere beleidsterreinen. Inspraak staat open voor alle inwoners, omdat iedereen in de toekomst ondersteuning nodig kan hebben.

 

Lid 4

 

Laat de invulling van de beleidsmatige medezeggenschap over aan het college. In de praktijk wordt dit in Aa en Hunze uitgevoerd door de Adviesraad Sociaal Domein.

 

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 38. Nadere regels, beleidsregels en hardheidsclausule

 

Hardheidsclausule

 

Hoewel de Wmo en Jeugdwet maatwerk bieden, kan er zich een situatie voordoen waarin een zorgvuldig genomen besluit toch tot een onbillijk resultaat leidt. In zulke uitzonderingsgevallen biedt de hardheidsclausule een vangnet.

 

Wordt de clausule regelmatig toegepast in vergelijkbare situaties, dan is dat een signaal dat het beleid mogelijk herzien moet worden.

 

Artikel 39. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

 

De Jeugdwet en de Wmo bevatten overgangsrecht voor cliënten die vanuit bijvoorbeeld de AWBZ overgaan naar de Wmo of de Jeugdwet.

 

In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan. Omdat dit voor de hulpvrager nadelige gevolgen kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat hiervan afgeweken kan worden als dit gunstiger is voor de hulpvrager.

 

Artikel 40. Evaluatie

 

Deze verplichting vloeit voort uit artikel 2.5.1 en 2.5.3 Wmo en artikel 2.10 Jeugdwet.

 

Artikel 41 Inwerkingtreding en citeertitel

 

Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe deze verordening dient te worden aangehaald.

Naar boven