Gemeenteblad van Aa en Hunze
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Aa en Hunze | Gemeenteblad 2025, 568395 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Aa en Hunze | Gemeenteblad 2025, 568395 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Aa en Hunze 2026
De raad der gemeente Aa en Hunze;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze;
Artikel 2. Toegang maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp
Artikel 3. Melding beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist en jeugdarts
HOOFDSTUK 3: MAATWERKVOORZIENING WMO
Artikel 5. Maatwerkvoorzieningen
Artikel 7. Onderzoek, advies en functiescheiding
Artikel 8. Criteria voor maatwerkvoorziening
Artikel 10. Voorwaarden en weigeringsronden voor maatwerkvoorziening
Artikel 12. Algemene regels over het pgb
Artikel 13. De hoogte van een pgb
Artikel 14. Bijdrage in de kosten
Artikel 15. Waardering mantelzorgers
Artikel 16. Cliëntondersteuning
HOOFDSTUK 4: INDIVIDUELE VOORZIENINGEN JEUGD
Artikel 18. Interventieniveaus
Artikel 20. Onderzoek, advies en functiescheiding
Artikel 21. Voorwaarden en weigeringsgronden voor individuele voorzieningen
Artikel 22. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Artikel 23. Regeling zak- en kleedgeld
Artikel 25. Algemene regels over het pgb
Artikel 26. De hoogte van een pgb
Artikel 27. Vertrouwenspersoon
HOOFDSTUK 5: HERZIENING, WIJZIGING EN TERUGVORDERING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP
Artikel 28. Herziening en intrekking
Artikel 31. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
HOOFDSTUK 7: TOEZICHT EN HANDHAVING
Artikel 32. Toezicht en handhaving
Artikel 33. Controle maatwerkvoorzieningen, individuele voorzieningen en pgb’s
Artikel 34. Tegengaan oneigenlijk gebruik
Artikel 35. Meldpunt kwaliteit en rechtmatigheid
HOOFDSTUK 8: CALAMITEITEN EN GEWELD
Artikel 36. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
HOOFDSTUK 9: KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK
Artikel 39. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Artikel 40. Nadere regels, beleidsregels en hardheidsclausule
Artikel 41. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
eigen kracht: het vermogen van de jeugdige, ouder(s) of cliënt om, al dan niet met ondersteuning van het sociale netwerk, zelf bij te dragen aan de oplossing van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen, stoornissen, of aan het verbeteren van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang.
cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;
mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet , die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;
niet-integer handelen: misbruik maken van voorkennis, persoonlijke en medische informatie van cliënten. Zich laten beïnvloeden in zijn oordeel als gevolg van een persoonlijke relatie, sociale status, uiterlijk, sekse en bevolkingsgroep. Iemand te bewegen door bedreiging, het aanbieden van geld of diensten of andere voordelen, door het uitoefenen van lichamelijke of psychische druk, dan wel het hanteren van listige kunstgrepen of door een samenweefsel van verdichtsels, met als doel een maatwerkvoorziening, individuele voorziening of overeenkomst te verkrijgen op grond van de Wmo 2015 en/of Jeugdwet.
onderzoeksverslag: plan waarin staat beschreven welke haalbare resultaten de cliënt dan wel de jeugdige of zijn ouder(s) wil/willen, kan/kunnen bereiken en alle ondersteuning die ingezet wordt om dit mogelijk te maken, op het gebied van zelfredzaamheid, maatschappelijke participatie, gezondheid en veiligheid;
vertrouwenspersoon: persoon die jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling;
Artikel 2. Toegang maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp
Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1. tot en met 2.3.5. van de Wmo en artikel 2.3. van de Jeugdwet bij nadere regels op welke manier, in samenspraak met de hulpvrager, wordt vastgesteld of hij voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening in aanmerking komt.
Artikel 3. Melding beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen
De cliënt met een hulpvraag over het zich handhaven in de samenleving, woonachtig binnen de regio van de centrumgemeente, meldt zich bij de gemeente waar hij ingeschreven staat. De gemeente onderzoekt of, en zo ja welke, ondersteuning via de Wmo nodig is, of er voorliggende oplossingen zijn, en stelt indien van toepassing de indicatie.
De voorzieningen Wmo Verblijf worden ingezet voor inwoners met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Voor deze doelgroep ligt de ondersteuning vanuit begeleiding op het aanleren/activeren van het zelfregelend vermogen, vaardigheden en het aangaan van contacten en sociale vaardigheden. De inwoner heeft herstel- en ontwikkelingsmogelijkheden die de zelfredzaamheid en/of participatiemogelijkheden vergroot.
Bij een melding van een hulpvraag over het zich handhaven in de samenleving, van een persoon woonachtig buiten de regio van de centrumgemeente, stelt de gemeente waar de cliënt zich meldt vast waar deze persoon het beste kan wonen. Hierbij handelt de gemeente in de geest van de uitgangspunten en modelregels in het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Beschermd Wonen en de bijbehorende handreiking.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als een voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
HOOFDSTUK 3 MAATWERKVOORZIENINGEN WMO
Artikel 5. Maatwerkvoorzieningen
Artikel 7. Onderzoek, advies en functiebescherming
In gevallen waarin de uitvoeringstaken voor de Wmo extern zijn belegd, ofwel de besluitvorming op Wmo aanvragen wordt gemandateerd aan andere bestuursorganen of aanbieders, draagt het college zorg voor het voorkomen van een rolvermenging bij advisering, gemandateerde besluitvorming en levering van maatwerkvoorzieningen door deze partijen.
Artikel 8. Criteria voor maatwerkvoorziening
Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:
ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het gesprek als bedoeld in artikel 2.3.2., eerste lid van de Wmo, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en/of
Ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van de situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk, naar vermogen, weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Artikel 10. Voorwaarden en weigeringsgronden voor maatwerkvoorziening
Het college verstrekt geen woonvoorziening:
als de gevraagde maatwerkvoorziening betrekking heeft op maatschappelijke ondersteuning in hotels/pensions, trekkerswoonwagens, leef- en woongemeenschappen (of daarmee vergelijkbare woonvormen zoals een klooster), tweede woningen, vakantiewoningen en recreatiewoningen, tenzij in voor verblijf in deze woonvormen een persoonsgebonden beschikking of een omgevingsvergunning aan de cliënt is afgegeven;
voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van de gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;
De op de grond van de verordening aangebrachte voorzieningen mogen niet zonder schriftelijke toestemming van het college worden verwijderd.
Artikel 12. Algemene regels over het pgb
Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt indien:
de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Ter beoordeling gelden de volgende voorwaarden:
de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst geleverd te krijgen en naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
Artikel 13. De hoogte van een pgb
Algemene regels over de hoogte van een pgb.
Het pgb wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. Het pgb wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.
Artikel 14. Bijdrage in de kosten
Als de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd, is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
Artikel 15. Waardering mantelzorgers
Het college bepaalt bij nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.
HOOFDSTUK 5 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN JEUGD
Artikel 17. Vormen van jeugdhulp
Artikel 20. Onderzoek, advies en functiescheiding
In gevallen waarin de uitvoeringstaken voor de Jeugdwet extern zijn belegd, ofwel de besluitvorming op Jeugdaanvragen wordt gemandateerd aan andere bestuursorganen of aanbieders, draagt het college zorg voor het voorkomen van een rolvermenging bij advisering, gemandateerde besluitvorming en levering van maatwerkvoorzieningen door deze partijen.
Artikel 22. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).
Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:
Artikel 23. Regeling zak- en kleedgeld
De bijdrage zoals bedoeld in lid 1 wordt uitbetaald aan de jeugdhulpaanbieder, welke het zak- en kleedgeld verstrekt aan de jeugdige. De jeugdhulpaanbieder dient aan te tonen dat zij voldoende heeft getracht de ouders aan te spreken op hun onderhoudsplicht, waarop door de ouders geen bijdragen zijn voldaan.
Artikel 25. Algemene regels over het pgb
Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt indien:
de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Ter beoordeling gelden de volgende voorwaarden:
De jeugdige en ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen, dat zorg in natura niet passend is en naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
De jeugdige en ouders sluiten met degene aan wie het pgb wordt besteed een door het college en de Sociale Verzekeringsbank goedgekeurde schriftelijke overeenkomst. Daarbij wordt (bij voorkeur) gebruik gemaakt van de toepasselijke modelovereenkomst die de Sociale Verzekeringsbank ter beschikking stelt.
HOOFDSTUK 6 HERZIENING, WIJZIGING EN TERUGVORDERING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP
Artikel 28. Herziening en intrekking
De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015.
De jeugdige en zijn ouders doen aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet of een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1. van de Jeugdwet.
Als het college een beslissing op grond van artikel 20a lid 3 onder a van deze verordening heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en diegene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb.
Artikel 31. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
HOOFDSTUK 8 TOEZICHT EN HANDHAVING
Artikel 34. Tegengaan oneigenlijk gebruik
Het college spant zich in om fouten bij het gebruik maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:
Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordigers en aanbieders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen of uitvoeren van een maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb’s zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Het college verricht zo nodig onderzoek bij zorgverleners van maatwerk-, algemene of individuele voorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Aa en Hunze hebben of die ondersteuning verlenen op grond van een pgb aan inwoners van Aa en Hunze. Deze partijen zijn verplicht om (kosteloos) hun medewerking te verlenen.
HOOFDSTUK 10 KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK
Artikel 39. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
Het college stelt ingezetenen, en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Artikel 41. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Aa en Hunze 2020, in werking getreden op 1 januari 2024 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. Het nieuwe besluit wordt genomen met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Aa en Hunze, gehouden op 11 december 2025.
De griffier,
Mr. E.P. van Corbach
De voorzitter,
A.W. Hiemstra
Algemene toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Aa en Hunze 2026
De verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Aa en Hunze geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet. De gemeente is sinds 1 januari 2015 bestuurlijk en financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van deze wetten. Dit betreft een integrale verordening voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.
Per 1 januari 2026 zijn er nieuwe contracten afgesloten met Wmo en Jeugdzorg aanbieders. Ten opzichte van de eerdere inkoop zijn er een aantal wijzigingen. Deze zijn op hoofdlijnen verwerkt in deze verordening en zullen verder uitgewerkt worden in de nadere regels.
Artikelsgewijze toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Aa en Hunze
In dit artikel staan alleen begrippen die nodig zijn voor de uitvoering van de verordening én die niet al in de Wmo of Jeugdwet zijn gedefinieerd. Als een begrip alleen in één van beide wetten voorkomt, nemen we het hierop, zoals persoonsgebonden budget (pgb) en gebruikelijke hulp. Begrippen uit de Algemene wet bestuursrecht, zoals aanvraag en beschikking, zijn ook van toepassing op deze verordening.
We gebruiken de begrippen jeugdige en ouder zoals in de Jeugdwet. Soms zeggen we ‘jeugdigen en ouder(s)’ of ‘de jeugdige en zijn ouder(s). ‘Of’ kan ook ‘en’ betekenen.
Artikel 2. Toegang maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp
Op grond van de Wmo - artikel 2.1.3, tweede lid, onder a - en de Jeugdwet - artikel 2.1.9, onder a - moeten gemeenten regels opstellen over de toegang tot maatwerk- en individuele voorzieningen. Deze bepalingen zijn bedoeld om een zorgvuldige toegangsprocedure te waarborgen. In deze verordening delegeert de raad de uitwerking van de procedure volledig aan het college. Dit biedt flexibiliteit om sneller in te spelen op veranderingen. Waar de Wmo al deels procedurele regels bevat, laat de Jeugdwet dit aan de gemeentelijke regeling over.
Artikel 3. Melding beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen
Dit artikel beschrijft de procedure rondom de melding, het onderzoek, de aanvraag en de beschikking bij hulpvragen over het zich handhaven in de samenleving, gericht op beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen. De centrumgemeente Assen voert deze taken namens de regiogemeenten uit op basis van mandaat. Het proces is afgestemd op de landelijke afspraken over toegankelijkheid en volgt het model uit het Convenant Toegankelijkheid Beschermd Wonen.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Op grond van artikel 2.6 van de Jeugdwet kunnen huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen rechtstreeks verwijzen naar jeugdhulp, zowel vrij toegankelijke als individuele voorzieningen. Na zo'n verwijzing bepaalt de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder op basis van professionele autonomie welke behandelvorm nodig is, inclusief de omvang en duur. Dit gebeurt binnen de kaders van de afspraken met de gemeente, die toeziet op samenhang en regie, onder meer via het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan.
Daarnaast zijn er andere toegangswegen geregeld in de Jeugdwet, zoals via gecertificeerde instellingen (GI), kinderrechters (via een kinderbeschermingsmaatregel of via een maatregel tot jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie (OM) en de directeur of selectiefunctionaris van justitiële jeugdinrichtingen. De GI is verplicht te overleggen met de gemeente. Bij maatregelen zoals ondertoezichtstelling is de gemeente verplicht jeugdhulp te leveren zoals vastgesteld door deze partijen. Ook hier geldt dat gebruik wordt gemaakt van de door de gemeente gecontracteerde hulp.
Tot slot is ook Veilig Thuis Drenthe (VTD) een toegangspoort tot jeugdhulp bij (vermoedens van) kindermishandeling of huiselijk geweld. VTD adviseert, onderzoekt en verbindt ouders met passende hulp. Al deze vormen van toegang zijn wettelijk geregeld en worden niet nader uitgewerkt in deze verordening.
HOOFDSTUK 4 MAATWERKVOORZIENING WMO
Artikel 5. Maatwerkvoorzieningen
Dit artikel werkt de delegatiebepalingen uit van artikel 2.1.3 Wmo. Dit artikel verplicht de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen over de toegang tot voorzieningen en de uitvoering ervan door het college.
De Wmo definieert een maatwerkvoorziening als:
op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:
Een heldere beschrijving is wenselijk zodat inwoners weten welke vormen van hulp beschikbaar zijn.
Sinds 2017 is het uitgangspunt voor de omvang van de ondersteuning: het te bereiken resultaat voor de inwoner. De daarbij best passende voorziening en de omvang van de ondersteuning is afhankelijk van de situatie en kan per inwoner verschillen, waardoor maatwerk geborgd wordt.
De resultaten hebben betrekking op een eindsituatie of tussenstand, die de inwoner of het gezin met de ondersteuning kan bereiken. Het gaat om de gewenste, haalbaar en realistisch te achten situatie na de ondersteuning.
In de nadere regels worden de resultaten en de voorzieningen nader beschreven en uitgewerkt.
Inwoners zijn in principe zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de plek waar zij ondersteuning krijgen. Alleen als dit niet mogelijk is, ook niet met hulp van anderen, kan de gemeente een vervoerindicatie verstrekken. Dit gebeurt alleen als het vervoer nodig is om van een maatwerkvoorziening gebruik te maken. Het college beoordeelt per situatie of eigen mogelijkheden en hulp vanuit de omgeving onvoldoende zijn.
Artikel 7. Onderzoek, advies en functiescheiding
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2018:819) en artikel 3:2 Awb moet een besluit gebaseerd zijn op zorgvuldig onderzoek. Dit kan betekenen dat extern advies moet worden ingewonnen. Lid 1 past dit toe op de lokale Wmo-uitvoering. Voor jeugdhulp geldt hetzelfde, zie artikel 2.3 Jeugdwet.
Gemeenten winnen al jarenlang sociaal-medisch of ergonomisch advies in bij Wmo-aanvragen. Met de komst van de Wmo 2015 is er ook behoefte aan gedragswetenschappelijke expertise, vooral bij indicaties voor begeleiding of beschermd wonen. Hierbij spelen vragen als: is Wmo-begeleiding passend, is GGZ voorliggend, of is een combinatie nodig? Ook kan expertise nodig zijn bij het beoordelen of iemand een persoonsgebondenbudget (pgb) kan beheren.
Wanneer gemeenten taken uitbesteden, zoals via wijkteams of gemeenschappelijke regelingen, blijft het college verantwoordelijk voor een zorgvuldige en gescheiden uitvoering van onderzoek, besluitvorming en ondersteuning. Deze functies moeten onafhankelijk van elkaar blijven om belangenverstrengeling te voorkomen (ECLI:NL:CRVB:2018:1113).
Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening
Dit artikel herhaalt het centrale uitgangspunt van de Wmo: eigen kracht en hulp van het sociaal netwerk gaan vóór professionele ondersteuning. Een maatwerkvoorziening is pas aan de orde als andere mogelijkheden ontoereikend zijn.
De wet (artikel 2.1.3 lid 2, onderdeel a Wmo 2015) verplicht gemeenten criteria op te stellen voor het toekennen van maatwerkvoorzieningen. Maatwerk is essentieel, omdat lokale verschillen in behoefte en voorzieningen bestaan.
De gemeente gebruikt een resultatenmatrix om samen met de cliënt de hulpvraag te verkennen en te bepalen wat haalbaar is met ondersteuning vanuit het netwerk en algemene voorzieningen. Is dat onvoldoende, dan wordt via het onderzoeksverslag beoordeeld welke professionele inzet nodig is. Dit onderzoeksverslag is gebaseerd op de vijf stappen van de Centrale Raad van Beroep. Een maatwerkvoorziening volgt pas als de andere opties ontoereikend zijn. In de beschikking wordt opgenomen in welke vorm (in natura of pgb) de voorziening wordt verstrekt.
Onderdeel a. Bij melding moet onderzocht worden of het probleem via gebruikelijke hulp kan worden opgelost. Gebruikelijke hulp (zoals door echtgenoot of inwonende kinderen) is geen maatwerkvoorziening en wordt verondersteld normaal te zijn binnen een huishouden. Mantelzorg daarentegen kan aanvullend zijn en valt soms wel onder professionele ondersteuning. Bij alleenwonenden is onderzoek naar gebruikelijke hulp niet van toepassing, maar het moet wel worden vastgesteld of iemand daadwerkelijk alleen woont.
Onderdeel b. De medewerkingsplicht (artikel 2.3.8 lid 3 Wmo 2015) geldt niet alleen voor de cliënt, maar ook voor huisgenoten. Zij moeten medewerking verlenen aan onderzoek, zoals gesprekken of het aanleveren van bewijsstukken.
Gemeenten moeten in hun verordening vastleggen (artikel 2.1.3 lid 2, onder b Wmo 2015) wat in redelijkheid van huisgenoten mag worden verwacht. Zo wordt rechtszekerheid geboden en willekeur zoveel mogelijk vermeden. De belangrijkste criteria zijn:
Ad a. Samenstelling huishouden: meer huisgenoten betekent potentieel meer hulp; de leeftijd en eigen zorgbehoefte van huisgenoten speelt mee.
Ad b. Aard van de relatie tussen huisgenoten: nauwe familiebanden en wettelijke zorgplichten maken dat er meer verwacht mag worden. Echtgenoten onderling en ouders en kinderen hebben een directe familierechtelijke band; ze zijn eerstegraads bloed- of aanverwanten. Daarnaast hebben echtgenoten onderling en ouders sowieso een wettelijke zorgplicht (voor elkaar en voor hun kinderen) op grond van het Burgerlijk Wetboek.
Ad c. Aard van de hulpvraag: hoeveel en wat voor soort hulp nodig is, of deze planbaar (bijv. administratieve hulp) is en of specifieke kwalificaties vereist zijn (bijv. bij complexe gedragsproblematiek).
Ad d. Mogelijkheden van huisgenoten: werk, gezondheid, reistijd of andere zorgtaken kunnen de mogelijkheden tot gebruikelijke hulp beperken. Onder de toelichting op onderdeel c. is een aantal voorbeelden gegeven rond de variatie in hulpvragen van cliënten.
Ad e. Hulp in het verleden: sommige problemen spelen al langere tijd. Als huisgenoten eerder hulp geboden hebben, is de vraag of ze dat nu ook kunnen doen zonder overbelasting.
Ad f. Overige omstandigheden: het is niet mogelijk alle denkbare omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om gebruikelijke hulp te bieden, in regels te vatten. Daarom is onder f. in algemene zin verwezen naar overige relevante omstandigheden van huisgenoten.
Bij twijfel of (dreigende) overbelasting, kan deskundigenonderzoek worden ingezet. Soms is tijdelijke ondersteuning passend, bijvoorbeeld bij een plotselinge verslechtering van de situatie.
Het college moet de goedkoopst adequate voorziening verstrekken. Duurdere opties worden alleen vergoed als ze noodzakelijk zijn. Als iemand liever een duurdere voorziening wil, moet hij of zij het verschil zelf betalen.
Artikel 10. Voorwaarden en weigeringsgronden voor maatwerkvoorziening
Om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening is op grond van de Wmo 2015 (artikel 2.1.3, tweede lid onder a), zijn er verschillende afwijzingsgronden waarop de gemeente een aanvraag kan weigeren. Hieronder worden de belangrijkste criteria toegelicht:
Ad a. Voorliggende voorzieningen: Als een andere wet al voorziet in een oplossing voor het probleem van de aanvrager, moet die wet eerst worden benut. Alleen als iemand écht recht heeft op die voorziening, telt deze als ''voorliggend''. Als de andere regeling niets biedt of de aanvraag daar is afgewezen, dan mag Wmo-ondersteuning alsnog overwogen worden. Ook als een andere regeling maar een deel vergoedt, mag de Wmo niet gebruikt worden voor het resterende deel.
Ad b. Geen noodzaak op grond van de wet: Als uit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een duidelijke ondersteuningsbehoefte volgens de Wmo, dan kan de aanvraag worden afgewezen. Dit sluit aan op de centrale beoordeling van de wet.
Ad c. Algemene voorzieningen gaan voor: Als een probleem opgelost kan worden door een algemene voorziening (bijv. een boodschappendienst of wijkcentrum), dan hoeft geen maatwerkvoorziening te worden verstrekt.
Ad d. Algemeen gebruikelijke voorzieningen: De gemeente verstrekt geen hulpmiddelen of aanpassingen die oko zonder beperking als gebruikelijk gelden. Denk aan standaard huishoudelijke apparaten of voorzieningen die mensen normaal zelf bekostigen. Dit wordt per situatie beoordeeld.
Ad e. Vooraf aanschaffen zonder toestemming: Als iemand zelf alvast een voorziening koopt of aanpast zonder overleg met de gemeente, kan de aanvraag worden geweigerd. Zo wordt voorkomen dat mensen dure of ongeschikte keuzes maken die de gemeente achteraf moet vergoeden.
Ad f. Geen aantoonbare noodzaak: Als blijkt dat er geen echte noodzaak is voor ondersteuning, dan is er ook geen recht op een maatwerkvoorziening.
Ad g. geen medewerking aan onderzoek: Als de aanvrager niet meewerkt aan het onderzoek naar zijn situatie, bijvoorbeeld door geen informatie te geven of medisch onderzoek te weigeren, kan de gemeente niet beoordelen of er recht bestaat op ondersteuning.
Ad i. Wet langdurige zorg (Wlz) is voorliggende: De Wlz gaat voor op de Wmo als iemand daar recht op heeft. Als iemand afziet van Wlz-zorg terwijl hij daar wel recht op heeft, kan de gemeente de Wmo-aanvraag afwijzen. Uitzonderingen hierop zijn:
Deze aanvullende afwijzingsgronden gelden specifiek voor ondersteuning bij zelfredzaamheid en participatie.
Deze gronden gaan over zogenaamde ''woonvoorzieningen'' (zoals woningaanpassingen). In principe worden aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimtes niet verstrekt, tenzij afspraken zijn gemaakt met woningcorporaties.
De cliënt moet uit de beschikking kunnen opmaken wat zijn rechten zijn. Daarom moet deze duidelijk en volledig zijn. In dit artikel staan de minimale onderdelen die in elke beschikking moeten worden opgenomen.
Een beschikking over een individuele voorziening moet minimaal bevatten:
NB: daarnaast geldt uiteraard ook de Awb. De eisen die deze wet aan beschikkingen stelt is niet in de verordening opgenomen.
De gemeente beoordeelt de hulpvraag samen met de cliënt aan de hand van de resultatenmatrix. Hieruit volgt een onderzoeksverslag waarin staat welke haalbaar is en welke inzet daarvoor nodig is. Als blijkt dat algemene voorzieningen onvoldoende zijn, wordt een individuele voorziening toegekend.
Bij verstrekking in natura vermeldt de beschikking:
Bij een pgb bevat een beschikking daarnaast:
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beheert alle pgb's via een trekkingsrecht. Zij betaalt alleen goedgekeurde kosten en houdt overzicht bij voor zowel cliënt als gemeente. De gemeente toetst vooraf, en heeft altijd inzage in de uitgaven.
De gemeente evalueert of de ondersteuning bijdraagt aan het beoogde resultaat. Bij een pgb wordt ook gevraagd naar de kwaliteit van de ingekochte ondersteuning en de behaalde resultaten.
Artikel 12. Algemene regels over het pgb
Een cliënt heeft wettelijk aanspraak op een pgb als hij dat wenst. Het college beoordeelt of aan de voorwaarden is voldaan om dit recht daadwerkelijk toe te kennen.
Deze onderdelen spreken voor zich en vereisen geen nadere toelichting.
Het college mag voorwaarden verbinden aan het toekennen van een pgb. De gemeenteraad stelt hiervoor beleidsmatige criteria vast, zoals toegestaan onder artikel 2.1.3 van de Wmo. Daarmee blijft de uitvoeringsbevoegdheid van het college (artikel 2.3.6) intact.
De cliënt is verantwoordelijk voor het sluiten van een rechtsgeldige zorgovereenkomst met de aanbieder. Hiervoor gebruikt hij een verplichte modelovereenkomst van de SVB, zoals bepaald in de Uitvoeringsregeling Wmo. De overeenkomst mag niet inhoudelijk worden aangepast, maar aanvullende afspraken zijn toegestaan. Zowel het college als de SVB moeten de overeenkomst goedkeuren:
Artikel 13. De hoogte van een pgb
Het college kan op grond van artikel 2.3.6 Wmo een pgb toekennen. De verordening moet vastleggen hoe de hoogte daarvan wordt bepaald. Het pgb moet toereikend zijn voor de benodigde ondersteuning. Gemeenten mogen daarbij verschillende tarieven hanteren, afhankelijk van:
Onderdeel a, onder ii. Volgens recente uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2023:1580 en 1394) moeten ook zorgverleners uit het sociaal netwerk een reële vergoeding krijgen. Hoewel de wet geen vast bedrag noemt, wordt het CAO-loon als richtlijn gehanteerd. Gemeenten moeten bij het vaststellen van het pgb hier rekening mee houden en voor het sociale netwerk uitgaan van de hoogste periodiek van het geldende CAO.
De bepaling regelt ook de hoogte van:
Artikel 4.10 van de Nadere regels beschrijft wanneer het recht bestaat op een verhuis- en herinrichtingsvergoeding. Dit geldt bijvoorbeeld bij het primaat van verhuizen: als verhuizen de goedkoopst-adequate oplossing is. Geen vergoeding wordt verstrekt als de verhuizing als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd.
Artikel 14. Bijdrage in de kosten
Dit artikel regelt de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en pgb's op grond van de Wmo, in lijn met de wettelijke artikelen 2.1.4 en 2.1.5.
De eigen bijdrage is gelijkgesteld aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het landelijk vastgestelde bedrag. De hoogte is te vinden op de website van het CAK.
Door de invoering van het abonnementstarief is aanpassing van dit artikel nodig geweest, zodat duidelijk is dat cliënten alleen een bijdrage betalen zolang zij gebruik maken van de maatwerkvoorziening of zolang het pgb geldt, met een maximum van de kostprijs.
De wet onderscheidt drie typen voorzieningen met elk hun eigen bijdrage:
Voor de eerste twee groepen kan bij verordening een bijdrage in de kosten worden vastgesteld.
Voor (collectief) vervoer geldt een uitzondering op het abonnementstarief. Daarom is hiervoor in lid 3 van het artikel een aparte bijdrage opgenomen.
In lid 4 krijgt het college de bevoegdheid om onder voorwaarden vrijstelling van de eigen bijdrage te verlenen. De voorwaarden hiervoor kunnen in nadere regels worden vastgesteld.
Artikel 15. Waardering mantelzorgers
Deze bepaling werkt de verordeningsplicht uit artikel 2.1.6 van de Wmo uit. De gemeenteraad geeft het college de bevoegdheid om de uitvoering hiervan verder te regelen in een uitvoeringsregeling.
De mantelzorgwaardering is bedoeld als blijk van erkenning voor de inzet van mantelzorgers. Daarnaast helpt deze waardering om mantelzorgers in beeld te krijgen die zichzelf (nog) niet als zodanig zien.
Volgens artikel 2.1.6 van de Wmo geldt de mantelzorgwaardering voor mantelzorgers van cliënten die in de gemeente wonen. Een cliënt is – volgens artikel 1.1.1 van de wet – iedereen die een voorziening ontvangt of een hulpvraag heeft gemeld, ook als dat niet tot een voorziening heeft geleid.
Artikel 16. Cliëntondersteuner
Op grond van artikel 2.2.4 van de Wmo is het college verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van cliëntondersteuning aan alle inwoners. Het belang van de cliënt staat hierbij voorop. Hoewel de wet geen verordeningsplicht oplegt, is deze bepaling toch opgenomen in de verordening om inwoners een volledig overzicht te geven van hun rechten en plichten.
HOOFDSTUK 5 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN JEUGD
Artikel 17 en 18. Individuele voorzieningen en interventieniveaus
Dit artikel werkt de delegatiebepaling uit 2.9, onder a, van de Jeugdwet. Dit artikel verplicht de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen over de toegang tot voorzieningen en de uitvoering ervan door het college.
De Jeugdwet bevat geen expliciete definitie van een voorziening, maar maakt onderscheid tussen algemene vrij toegankelijke als individuele voorzieningen. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Individuele voorzieningen betreffen doorgaans gespecialiseerde zorg. De gemeente, huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder beoordelen of de jeugdige en zijn ouders deze individuele voorziening nodig hebben.
Voorzieningen in het kader van de Jeugdwet vallen onder de wettelijke definitie van jeugdhulp (artikel 1.1):
ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;
het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en
het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.
Een heldere beschrijving is wenselijk zodat inwoners weten welke vormen van hulp beschikbaar zijn.
Sinds 2017 is het uitgangspunt voor de omvang van de ondersteuning: het te bereiken resultaat voor de inwoner. De daarbij best passende voorziening en de omvang van de ondersteuning is afhankelijk van de situatie en kan per inwoner verschillen, waardoor maatwerk geborgd wordt.
De resultaten hebben betrekking op een eindsituatie of tussenstand, die de inwoner of het gezin met de ondersteuning kan bereiken. Het gaat om de gewenste, haalbaar en realistisch te achten situatie na de ondersteuning. De interventieniveaus worden gebruikt voor het bepalen van de zwaarte en de intensiteit van de ondersteuning.
In de uitvoeringsregels worden de resultaten, voorzieningen en interventieniveaus nader beschreven en uitgewerkt.
Idem artikel 6. Het gaat hier alleen om een individuele voorziening en niet een maatwerkvoorziening vanuit Wmo.
Artikel 20. Onderzoek, advies en functiescheiding
Bij het beoordelen van aanvragen moet het college indien nodig extern advies inwinnen om zorgvuldig onderzoek te waarborgen. Dit volgt uit het stappenplan van de CRvB en artikel 3:2 Awb. Deze verplichting wordt hier lokaal geconcretiseerd.
Het college moet zorgen dat in elk stadium van het onderzoek de juiste deskundigheid beschikbaar én zichtbaar is voor de hulpvrager (zie o.a. CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097).
Bij uitbesteding van taken, bijvoorbeeld aan wijkteams of andere externe partijen, moet het college garanderen dat advisering, besluitvorming en ondersteuning gescheiden blijven. Dit voorkomt belangenverstrengeling en waarborgt een zorgvuldige werkwijze (zie ECLI:NL:CRVB:2018:1113).
Artikel 21. Voorwaarden en weigeringsgronden voor individuele voorzieningen
Deze bepaling werkt de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet uit. Gemeenten moeten bij verordening regels stellen over de toekenning, beoordeling en afweging bij individuele voorzieningen
Het doel van de Jeugdwet is het versterken van de eigen kracht van jongeren, het probleemoplossend vermogen van hun gezinnen en sociale omgeving. Overheidsinzet mag geen zorgafhankelijkheid creëren, maar moet juist bijdragen aan zelfredzaamheid.
Een individuele voorziening is pas aan de orde als andere oplossingen niet toereikend zijn. Eerst wordt gekeken naar hulp uit het eigen netwerk, algemene voorzieningen of andere vormen van ondersteuning. De nadere regels geven hier verdere invulling aan.
Voorafgaand aan een besluit over jeugdhulp vindt een onderzoek plaats. Daarbij wordt bekeken of de jongere of het gezin zelf al stappen heeft gezet om het probleem op te lossen. Indien bijvoorbeeld zelfstandige aanschaf van een voorziening plaatsvond vóór een beschikking, dan kan dit betekenen dat geen recht bestaat op vergoeding, zeker las de voorziening niet overeenkomt met wat het college als goedkoopst adequaat beoordeelt.
Het college kan nadere regels opstellen over de algemene of specifieke criteria die gelden voor de beoordeling van individuele voorzieningen.
Artikel 22. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden.
De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).
De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken.
Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.
Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt:
“(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).
Het eerste lid van artikel 10 geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.
Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.
Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.
De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid.
Het vierde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders. Deze factoren sluiten aan bij bestaande rechtspraak.
Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 5, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze. Bezien wordt daarbij of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden. Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van:
overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.
Op de in artikel 5, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.
Artikel 23. Regeling zak- en kleedgeld
De voogd of instelling toont aan dat geprobeerd is de ouders aan te spreken op hun onderhoudsplicht. Dit blijkt uit een dossier met minimaal:
Zie toelichting bij artikel 11.
Artikel 25. Persoonsgebonden budget
Zie toelichting artikel 9a. Aanvullend daarop moet in het budgetplan gemotiveerd worden waarom zorg in natura niet toereikend of passend is.
Artikel 26. De hoogte van een pgb
In lid 3 wordt aangegeven welke vormen van ondersteuning zijn uitgesloten voor een pgb.
Onderdeel a, Voor dyslexiezorg is in Drenthe een aparte route afgesproken met onderwijs en zorgaanbieders. Gemeente geven hiervoor geen beschikking af, maar hebben raamovereenkomsten met zorgaanbieders en bekostigen de in te zetten zorg. De zorgroute is opgenomen in het meest actuele document Dyslexiezorg in Drenthe.
Ondersteuning verloopt via het onderwijs, volgens landelijke protocollen op vier zorgniveaus. Alleen bij ernstige dyslexie (EED), na diagnose in zorgniveau 4, volgt behandeling (zorgniveau 5). Deze zorg is geen pgb-zorg.
Onderdeel b, De gemeente verstrekt geen pgb voor behandeling of verblijf via het eigen netwerk. Deze zorg mag alleen geleverd worden door professionele aanbieders, niet door naasten.
Artikel 27. Vertrouwenspersoon
Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Jeugdwet moet het college zorgen dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Belangrijke wettelijke eisen voor deze functie zijn: onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid.
Hoewel de wet geen verordening vereist, is deze bepaling toch opgenomen voor een volledig overzicht van rechten en plichten. In Drenthe wordt deze taak uitgevoerd door Zorgbelang Drenthe.
HOOFDSTUK 6 HERZIENING, WIJZIGING EN TERUGVORDERING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP
Artikel 28. Herziening, intrekking en terugvordering
Deze bepaling werkt de verplichting uit van artikel 2.9, onder d Jeugdwet en artikel 2.1.3, lid 4 Wmo. Gemeenten moeten regels opstellen om misbruik of onterecht gebruik van individuele of maatwerkvoorzieningen en pgb's te voorkomen en te bestrijden.
Het college mag hiervoor op elk moment, dus niet alleen bij de aanvraag, bewijs en informatie opvragen van de belanghebbende.
Artikel 29. Opschorting betaling uit het pgb
Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 4 Wmo en artikel 2 lid 4 onder e Uitvoeringsregeling Wmo. Doel is het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb's.
In sommige situaties is tijdelijke opschorting van betalingen uit het pgb passender dan het direct beëindigen of intrekken van een beschikking. Opschorting biedt ruimte voor nader onderzoek of herstel, bijvoorbeeld bij twijfel over overeenkomsten of de rechtmatigheid van de beschikking.
De SVB besluit over opschorting, eventueel op verzoek van het college. Zo'n verzoek moet voldoen aan de verordeningseisen en goed onderbouwd zijn. Opschorting kan maximaal dertien weken duren, conform de termijn in de Awb en de Wet langdurige zorg.
Volgens artikel 2.1.3 lid 2 onder c Wmo moeten in de verordening eisen staan voor de kwaliteit van voorzieningen, inclusief deskundigheid van beroepskrachten. Gemeenten en aanbieders zijn samen verantwoordelijk voor die kwaliteit. De gemeente bepaalt in de verordening welke eisen aan aanbieders worden gesteld.
Artikel 4.1.1. Jeugdwet verplicht jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen om verantwoorde hulp te bieden: veilig, effectief, doelmatig, cliëntgericht en passend bij de behoefte van jeugdigen en ouders. Voor beide wetten zijn kwaliteitseisen uitgewerkt in het meest actuele Toetsingskader NMD. Dit geldt voor alle gecontracteerde aanbieders. Voor pgb geldt het Drents Kwaliteitskader.
Artikel 31. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
Op grond van artikel 2.6.6 van de Wmo moeten gemeenten bij verordening regels stellen over de verhouding tussen prijs en kwaliteit van voorzieningen. Deze verplichting is nader uitgewerkt in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het artikel ziet specifiek op de prijsstelling voor diensten als onderdeel van een voorziening, en niet op subsidies en goederen.
Het doel is het vaststellen van een vaste prijs of reële prijs voor diensten, zodat:
Een reële prijs geldt als ondergrens; een vaste prijs is bindend voor inschrijvers.
De gemeente moet bij het vaststellen van een prijs ten minste rekening houden met:
Deze opsomming is niet uitputtend; gemeenten mogen aanvullende elementen hanteren.
Er moet worden gezorgd voor continuïteit in de relatie tussen cliënt en hulpverlener. Bij overdracht van opdrachten moet worden gekeken naar mogelijke overname van personeel door de nieuwe aanbieder.
De reële of vaste prijs moet worden opgenomen in aanbestedingsstukken. Het college moet:
De prijsstelling vormt een besluit ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling. Tegen het prijsbesluit staat geen bezwaar of beroep open, maar de reguliere rechtsbescherming in het aanbestedingsrecht blijft van toepassing.
Het college kiest met welke derde (aanbieder) een overeenkomst wordt gesloten. Het Uitvoeringsbesluit doet geen afbreuk aan deze contractvrijheid. De gemeenteraad wordt hierover geïnformeerd.
Het college mag ervoor kiezen geen reële of vaste prijs vast te stellen, maar de prijs volledig aan de inschrijvende partijen over te laten. Ook hiervoor moet verantwoording worden afgelegd aan de gemeenteraad.
Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo geldt voor opdrachten die op of na 1 april 2019 zijn aangekondigd of gegund. Bestaande overeenkomsten vallen onder het oude recht, tenzij deze eenzijdig en ongewijzigd worden verlengd.
HOOFDSTUK 8 TOEZICHT EN HANDHAVING
Artikel 32. Toezicht en handhaving
Op grond van artikel 6.1 lid 1 van de Wmo wijst het college toezichthoudende ambtenaren aan. Zij zijn belast met het toezicht op de naleving van de Wmo. Deze toezichthouders mogen, indien noodzakelijk voor hun taak, dossiers inzien. Dit mag ook zonder toestemming van betrokkene, ondanks de beperkingen in artikel 5:20 lid 2 van de Awb.
Sinds 1 januari 2015 ligt het landelijk toezicht op het jeugddomein bij de Rijksoverheid. De volgende instanties vallen hieronder:
Het toezicht wordt uitgevoerd door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie Justitie en Veiligheid. Zij controleren of wordt voldaan aan de wettelijke kwaliteitseisen in de jeugdzorg.
In het geldende aanbestedingsdocument is aangegeven dat de toezicht houdende ambtenaar op zowel Jeugd als Wmo aanbieders toezicht houdt.
Op grond van artikel 2.1.3 lid 4 van de Wmo en artikel 2.9 onder d van de Jeugdwet moet de gemeentelijke verordening regels bevatten om misbruik, oneigenlijk gebruik en ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten te bestrijden. Het is daarbij van essentieel belang dat het college periodiek controles uitvoert op het juiste gebruik en de besteding van deze voorzieningen.
HOOFDSTUK 9 CALAMITEITEN EN GEWELD
Artikel 34. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
Op grond van artikel 3.4 lid 1 van de Wmo moet een aanbieder direct melding doen bij de toezichthoudende ambtenaar van elke calamiteit of geweldsincident bij de verstrekking van een voorziening. Het college wijst hiervoor toezichthouders aan (artikel 6.1 Wmo).
Dit artikel bepaalt daarnaast dat het college een regeling opstelt voor het melden, en dat de toezichthouder deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over preventie en aanpak. Het college heeft dit uitgewerkt in het Protocol meldingen calamiteiten en geweld.
Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen geldt een meldplicht op grond van artikel 4.1.8 Jeugdwet. Calamiteiten en geweld moeten gemeld worden aan de drie samenwerkende inspecties: jeugdzorg, gezondheidszorg en veiligheid & justitie.
In het protocol en aanbestedingsdocument is vastgelegd dat meldingen voor zowel Wmo als Jeugd worden gedaan bij de gemeentelijke toezichthouder.
HOOFDSTUK 10 KLACHTEN MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK
Hierin is vastgelegd dat klachten over de behandeling van meldingen en aanvragen kunnen worden ingediend. Stichting Attenta, die de toegang verzorgt, heeft hiervoor een eigen klachtenregeling.
Het tweede lid regelt klachten over zorgaanbieders. Dit is verplicht op grond van de Wmo (artikel 2.1.3 lid 2 onder e en artikel 3.2 lid 1 onder a) en de Jeugdwet (artikel 4.2.1). Aanbieders zijn verplicht een klachtenregeling te hebben voor de voorzieningen zoals benoemd in de verordening.
Volgens de Memorie van Toelichting moeten cliënten kunnen klagen over alles wat hen in de bejegening niet aanstaat, zoals het gedrag of de deskundigheid van medewerkers. Klachten over gemeenteambtenaren kunnen via de Regeling adviescommissie klaagschriften worden ingediend. Deze commissie is onafhankelijk en adviseert over de afhandeling.
Bij klachten over aanbieders, bijvoorbeeld over de kwaliteit van ondersteuning of bereikbaarheid, wordt verwacht dat de cliënt eerst bij de aanbieder klaagt. De aanbieder moet de klacht zorgvuldig en snel behandelen. Als de klacht niet naar tevredenheid wordt afgehandeld, kan de cliënt zich vervolgens tot de gemeente wenden.
Hierin is geregeld dat het college over instrumenten beschikt om erop toe te zien dat aanbieders de verplichting tot medezeggenschap goed uitvoeren.
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder f van de Wmo en artikel 2.10 van de Jeugdwet. Deze bepalen dat cliënten inspraak moeten hebben bij besluiten van aanbieders die hen aangaan. Voorheen was dit geregeld via landelijke wetten zoals de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz). Sinds de Wmo 2015 ligt deze verantwoordelijkheid bij gemeenten.
Aanbieders moeten een medezeggenschapsregeling opstellen voor de voorzieningen die in de verordening zijn genoemd.
Hierin worden middelen benoemt voor het college om te zien op een goede uitvoering van deze medezeggenschap.
Artikel 37. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Deze bepaling volgt uit artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo en artikel 2.10 van de Jeugdwet.
Hierin is bepaald dat voor het Wmo-beleid de algemene inspraakverordening van de gemeente geldt (op basis van artikel 150 Gemeentewet). Zo wordt dezelfde inspraakprocedure gehanteerd als op andere beleidsterreinen. Inspraak staat open voor alle inwoners, omdat iedereen in de toekomst ondersteuning nodig kan hebben.
Laat de invulling van de beleidsmatige medezeggenschap over aan het college. In de praktijk wordt dit in Aa en Hunze uitgevoerd door de Adviesraad Sociaal Domein.
Artikel 38. Nadere regels, beleidsregels en hardheidsclausule
Hoewel de Wmo en Jeugdwet maatwerk bieden, kan er zich een situatie voordoen waarin een zorgvuldig genomen besluit toch tot een onbillijk resultaat leidt. In zulke uitzonderingsgevallen biedt de hardheidsclausule een vangnet.
Wordt de clausule regelmatig toegepast in vergelijkbare situaties, dan is dat een signaal dat het beleid mogelijk herzien moet worden.
Artikel 39. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
De Jeugdwet en de Wmo bevatten overgangsrecht voor cliënten die vanuit bijvoorbeeld de AWBZ overgaan naar de Wmo of de Jeugdwet.
In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan. Omdat dit voor de hulpvrager nadelige gevolgen kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat hiervan afgeweken kan worden als dit gunstiger is voor de hulpvrager.
Deze verplichting vloeit voort uit artikel 2.5.1 en 2.5.3 Wmo en artikel 2.10 Jeugdwet.
Artikel 41 Inwerkingtreding en citeertitel
Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe deze verordening dient te worden aangehaald.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-568395.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.