Gemeenteblad van Pijnacker-Nootdorp
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Pijnacker-Nootdorp | Gemeenteblad 2025, 568108 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Pijnacker-Nootdorp | Gemeenteblad 2025, 568108 | beleidsregel |
Rente- en Treasurystatuut 2025
Het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp;
gezien het advies van het domein Bedrijfsvoering & Dienstverlening d.d. 16 december 2025;
gelet op de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido), het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en artikel 160 van de Gemeentewet;
Voor u ligt het Rente- en Treasurystatuut 2025. Dit Statuut komt in de plaats van de Nota Rente en Treasury 2021. Het statuut heeft als doel om het gemeentelijk beleid en de uitvoering met betrekking tot de rentesystematiek en de treasuryfunctie uiteen te zetten. Bij de treasuryfunctie is ook de opzet en werking alsmede de organisatorische inbedding nader uitgewerkt.
In hoofdstuk 2 is het rentebeleid van de gemeente uitgewerkt en in hoofdstuk 3 het treasurybeleid. In hoofdstuk 4 zijn de bepalingen inzake inwerkingtreding weergegeven. De hoofdstukken 2 en 3 bevatten eigen leeswijzers. Als bijlagen bij dit statuut zijn opgenomen een begrippenlijst en het te hanteren rekenschema voor de interne rente.
Het Rente- en Treasurystatuut heeft raakvlakken met onder andere de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) en de daaraan verbonden ministeriële regelingen, de Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet hof), het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) alsmede de geldende gemeentelijke Verordening financieel beleid, beheer en organisatie. Voor de onderwerpen rente en treasury wordt afzonderlijk in ieder hoofdstuk de relevante wetgeving en beleidskaders toegelicht.
In paragraaf 2.1 wordt stil gestaan bij de relevante regelgeving en beleidskaders. Paragraaf 2.2 betreft de begripsbepaling rond het fenomeen rente. Vervolgens wordt in paragraaf 2.3 beschreven welke soorten rente we onderscheiden en wordt ingegaan op de ontwikkelingen die bepalend zijn voor de gemeentelijke rentelasten en -baten. In paragraaf 2.4 wordt de systematiek van (interne) renttoerekening toegelicht. Tenslotte komen in paragraaf 2.5 de uitgangspunten voor het gemeentelijke rentebeleid aan bod.
2.1 Relevante wetgeving en beleidskaders
Voorschriften over hoe een gemeente met rente om moet gaan zijn vastgelegd in het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Ter duiding en praktische toepassing van die regelgeving heeft de Commissie BBV de Notitie rente 2023 gepubliceerd. In die notitie wordt de impact van rente op de gemeentelijke begroting toegelicht, zowel als inkomsten- en als kostenpost. Tevens gaat deze notitie in op de interne toerekening van rente aan investeringen. De BBV Notitie rente bevat aanbevelingen (die gevolgd mogen worden) en stellige uitspraken (die gevolgd moeten worden). Tot de aanbevelingen behoort om geen rentevergoeding over het eigen vermogen of voorzieningen te berekenen en om het renteschema te hanteren (zie Bijlage 2). Tot de stellige uitspraken behoren de verplichting om rentelasten en -baten op het taakveld Treasury te verzamelen en de beschrijving van de wijze waarop de omslagrente moet worden berekend en wat de tolerantiegrens is voor afwijkingen tussen begroting en werkelijkheid.
Over de wijze waarop rente in gemeentelijke tariefberekeningen (o.a. afvalstoffenheffing, leges) kan worden meegenomen wordt in de Notitie rente het volgende opgemerkt:
“De uitspraken van de Commissie BBV in deze notitie strekken alleen tot de verslaggevingstechnische verwerking van de rente op de taakvelden. Dat wil zeggen: de regels voor de renteomslag zijn bepalend voor de rente die feitelijk wordt toegerekend aan de taakvelden. De Commissie BBV doet geen uitspraken over de wijze waarop gemeenten hun tarieven moeten berekenen. Fiscaal juridisch gezien is het toegestaan om een redelijk deel van de rentelasten mee te nemen in de kostenopstelling die ten grondslag ligt aan de tariefberekening. Wat een individuele gemeente redelijk vindt, dient vervolgens wel volgens artikel 10 lid c BBV gemotiveerd te worden toegelicht in de paragraaf lokale heffingen, waarin de beleidsuitgangspunten moeten worden toegelicht.”
Dit aspect is hierna uitgewerkt bij beleidsuitgangspunt 2.5.4.
Met betrekking tot grondexploitaties is eveneens in 2023 de BBV Notitie grondbeleid in begroting en jaarstukken (hierna aangeduid als Notitie grondbeleid) gepubliceerd. Ten aanzien van rentetoerekening is aansluiting gezocht bij de Notitie rente 2023 en is een einde gemaakt aan een tot dan toe geldende afwijkende berekenings- en toerekeningswijze van rente aan eigen gemeentelijke grondexploitaties. Ofwel: met de publicatie van de beide BBV-notities vindt rentetoerekening aan dergelijke grondexploitaties op dezelfde wijze plaats als voor overige investeringen. Alleen voor zgn. faciliterend grondbeleid 1 geldt nog een uitzondering.
In de BBV Notitie grondbeleid worden in bezit zijnde gronden afhankelijk van de aard en doelstelling, gespecificeerd naar de volgende activa:
BBV stelt dat de onder 1 en 2 genoemde gronden niet in een transformatieproces zitten. Aan dergelijke gronden mogen geen aanvullende kosten toegerekend worden, dus ook geen rente.
Binnen gemeente Pijnacker-Nootdorp geldt de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (hierna aangeduid als Financiële Verordening). Deze verordening kent enkele bepalingen die van directe invloed zijn op het rentebeleid. Voor zover van toepassing zijn deze verwerkt in onderdeel 2.5 Beleidsuitgangspunten.
Het begrip rente kan worden gedefinieerd als een vergoeding voor het uitlenen van geld. Daarbij geldt onder normale omstandigheden:
De rente wordt daarbij uitgedrukt als een percentage van de betreffende leninghoofdsom.
Het begrip rente kent vele dimensies. In het navolgende gaan wij in op diverse soorten rente, rentelasten, rentebaten, netto rentelasten en rente over eigen (interne) financieringsmiddelen.
Gemeenten kunnen financieren op korte en op langere termijn. In de Wet fido is bepaald dat financiering met een rentetypische looptijd2 tot één jaar als kortlopend wordt gezien en van één jaar en langer als langlopend.
Kortlopende financiering kan variëren van krediet in rekening courant (‘rood’ staan op de gemeentelijke bankrekening) tot het opnemen van kasgeldleningen. Op kortlopende financiering is de geldmarktrente van toepassing. Dit betreft veelal de Euribor-rente, die looptijden heeft van 1 week tot 12-maands). De Euribor-rente staat vooral onder invloed van beslissingen door de Europese Centrale Bank.
De rentecondities voor kortlopende financiering luiden doorgaans als volgt:
op de gemeentelijke bankrekening:
voor ‘rood’ staan geldt veelal de 1-maands Euribor, verhoogd met een opslag van bijvoorbeeld 0,15 procentpunt3 .
Gemeenten zijn daarnaast verplicht om tijdelijk overtollige geldmiddelen in ’s Rijks Schatkist aan te houden. Sinds de verkoop van de aandelen Eneco in 2020 is dat binnen Pijnacker-Nootdorp het geval. Bij tegoeden die op dagbasis in de Schatkist worden aangehouden geldt een van Euribor afgeleide rente, de zogenoemde ‘overnight’-rente. Het is ook mogelijk om gelden voor langere tijd in de Schatkist op deposito te plaatsen. In dat geval komen de tarieven weer in de buurt van de Euribor, al dan niet met enige afslag.
Voor langlopende financiering, dus voor rentetypische looptijden van één jaar en langer, geldt de kapitaalmarktrente. De ontwikkeling van de kapitaalmarktrente is afhankelijk van onder andere macro-economische ontwikkelingen en -vooruitzichten, de balans tussen vraag en aanbod van kapitaal, inflatie en inprijzing van risico’s. Afhankelijk van de leenvorm gelden verschillende rentes:
Voor lineaire leningen (leningen die jaarlijks evenredig aflossen, dus een 10-jaars lening wordt afgelost in tien gelijke jaarlijkse termijnen) geldt de zogenoemde linear swap curve4 als basis, verhoogd met een liquiditeitsopslag.
Het uiteindelijke leentarief, ofwel het marktrenteniveau inclusief opslag, is voor fixe leningen doorgaans hoger dan die voor lineaire leningen. Dit heeft onder meer te maken met het door geldgevers inprijzen van (krediet)risico’s. Een geldgever die een lineaire lening verstrekt ontvangt al eerder delen van zijn investering terug en dat verlaagt zijn of haar risico.
Voor de financiering van investeringen worden extern kort- of langlopende financieringsmiddelen aangetrokken. Hier zijn voor de gemeente rentelasten aan verbonden.
Wanneer geldt wordt uitgeleend aan partijen uit maatschappelijke overwegingen of overtollig kasgeld (onder andere in de Schatkist) is sprake van rentebaten.
Dit is een begrip uit het BBV:
Rente over eigen (interne) financieringsmiddelen
Ook over de eigen (interne) financieringsmiddelen (reserves) kan rente worden berekend, dit wordt de bespaarde rente genoemd. De BBV Notitie rente bevat een aanbeveling om dit niet te doen. Die aanbeveling volgt de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Zie hierna onder uitgangpunt 2.5.3.
Het gehanteerde rentebeleid is afhankelijk van een aantal ontwikkelingen, onder andere de ontwikkeling van de marktrentes maar ook gebeurtenissen die betrekkingen hebben op de organisatie zelf, zoals de ontwikkeling van het gemeentelijke investeringsprogramma en de daaruit voortvloeiende financieringsbehoefte.
Het renteverloop gedurende de afgelopen vijf jaar kan als volgt in beeld worden gebracht.
In deze grafiek is de ontwikkeling van de korte rente (benchmark: de 3-maands Euriborrente) afgezet tegen de lange rente (benchmark: 10-jaars rente inclusief opslag).
Deze grafiek illustreert de grilligheid waarmee rentes kunnen veranderen als gevolg van geopolitieke en macro-economische ontwikkelingen (waaronder inflatie). De korte termijn rente staat daarbij vooral onder invloed van de beslissingen van de Europese Centrale Bank (ECB). De lange termijn rente wordt vooral bepaald door vraag en aanbod op de kapitaalmarkt.
Met name inflatieontwikkelingen hebben, zoals uit de grafiek blijkt, gedurende de jaren 2023 en 2024 zelfs enige tijd geleid tot een situatie waarbij de korte rente hoger lag dan de lange rente. Dit wordt een inverse rentestructuur5 genoemd en wordt gezien als een ongebruikelijke marktsituatie.
De grafiek geeft alleen maar aan tegen welke rentetarieven de gemeente in het verleden kon lenen maar geeft uiteraard geen uitsluitsel over toekomstige leenrentes.
2.3.2 Totale gemeentelijke rentelasten
Gemeenten lenen doorgaans niet voor hun lopende begroting maar voor bezit (investeringen, grondvoorraden). De omvang van de investeringsvoornemens is bepalend voor de financieringsbehoefte en daarmee voor de ontwikkeling van de gemeentelijke rentelasten. Vanuit het verleden beschikt de gemeente nog over een extern opgenomen leningenportefeuille waar rentelasten uit voortvloeien.
Bij gemeente Pijnacker-Nootdorp is daarentegen ook sprake van omvangrijke rentebaten. Die vloeien voort uit de verkoop van de eerdergenoemde verkoop van aandelen Eneco. Op grond daarvan wordt al enkele jaren een rentedragend saldo in ’s Rijks Schatkist aangehouden.
Verreweg de meeste Nederlandse gemeenten zitten aan de opnemende kant van het financieringsspectrum. Bij de meeste gemeenten zijn de rentelasten dan ook hoger dan de rentebaten. In dat geval spreekt men van netto rentelasten. Bij gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn, mede geholpen door de rentestructuur (zie de grafiek op voorgaande bladzijde) de rentebaten een tijdlang hoger geweest dan de rentelasten. In die situatie wordt gesproken van negatieve netto rentelasten. Het belang van dit onderscheid is dat het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) voorschrijft dat:
De toekomstige rentelasten voor de gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn afhankelijk van:
2.4 Het intern toerekenen van rente
In deze paragraaf wordt de systematiek van rentetoerekening nader toegelicht.
Indien een organisatie financiert6 is het een goed bedrijfseconomisch gebruik om de daaraan verbonden rentelasten aan de betreffende investeringen (activa) toe te rekenen. Indien per investering een lening wordt aangetrokken, er is dan sprake van project- of objectfinancieirng, zijn de rentelasten direct toe te rekenen. Maar gegeven de omvang van gemeentelijke investeringsprogramma’s is het ondoenlijk om per investering te financieren. Dit te meer daar grote investeringen doorgaans kasstromen hebben die over meerdere jaren verspreid zijn. Een dergelijke financieringsvorm zou zeer omslachtig zijn en bovendien een omvangrijke, versnipperde en daardoor lastig te beheersen leningenportefeuille opleveren.
Om die reden financieren verreweg de meeste gemeenten op totaalniveau (totaalfinanciering7 ). Daarbij wordt de totale financieringsbehoefte ingevuld die voortvloeit uit het geheel van investeringen, grondexploitaties en mogelijk operationele tekorten. Totaalfinanciering heeft wel tot gevolg dat het direct toewijzen c.q. toerekenen van rentelasten aan investeringen niet meer mogelijk is. Daarbij komt dan ook nog dat, zoals hierboven reeds benoemd, met name bij grotere investeringen de investeringsuitgaven zich over een langere periode kunnen uitspreiden. De kans is dan groot dat deze onder meerdere financieringsrondes vallen met elk andere rentepercentages. Dat maakt de relatie tussen rentelasten en investeringen alleen maar indirecter.
De oplossing voor dit toerekeningsvraagstuk wordt gevonden in het principe van omslagrente. Daarbij worden de totale gemeentelijke netto rentelasten8 uitgedrukt in een percentage van de boekwaarde van investeringen per begin van het jaar. In formulevorm:
De omslagrente is dus te zien als het gemiddelde rentepercentage waartegen de boekwaarde van investeringen gefinancierd is.
Dit principe zorgt er ook voor dat alle investeringen tegen eenzelfde rentepercentage worden belast. Dus onafhankelijk van de marktrentes waartegen op verschillende momenten leningen zijn (en worden) aangetrokken. Het voorkomt dus dat investeringen die gestart dan wel gefinancierd zijn in tijden van een hogere marktrente met meer rente worden belast dan investeringen die gefinancierd zijn in een periode van lage marktrente (vice versa).
De toepassing van omslagrente is vanuit het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) aan voorschriften verbonden. Die voorschriften hebben onder andere betrekking op:
het advies om geen rentevergoeding over eigen vermogen toe te passen9 ;
beperkingen aan de omvang van het renteresultaat. Dit resultaat wordt gedefinieerd als het verschil tussen de werkelijk aan investeringen toegerekende rente en de werkelijke totale netto rentelasten. Het renteresultaat mag niet groter zijn dan 25% van de netto rentelasten. Indien die afwijking groter is moet een nacalculatie worden toegepast. Dit betekent dat met terugwerkende kracht het omslagpercentage neerwaarts moet worden bijgesteld en de interne rentetoerekening tegen dat lagere percentage moet worden toegepast.
Op grond van de BBV-richtlijnen kan bij de begroting een omslagpercentage worden berekend. Dit mag op een hanteerbare veelvoud worden aangepast. Zie hiertoe het rekenvoorbeeld dat eveneens in Bijlage 2 is weergegeven. Dus stel dat een voorcalculatorisch omslagpercentage wordt berekend op 1,85% dan kan dit worden afgerond naar 2%. De investeringen worden dan in eerste aanleg met 2% belast. Bij het jaarverslag wordt bezien hoe de werkelijke bedragen zijn uitgekomen. Daarbij worden de werkelijke netto rentelasten en de totaal aan activa toegerekende rente bepaald.
Als gevolg van de ontvangst van de Eneco-middelen, die voor een groot deel in ’s Rijks Schatkist staan en daarbij rentebaten genereren, is bij de gemeente Pijnacker-Nootdorp al enige jaren sprake van negatieve netto rentelasten. Onder die omstandigheden mag op grond van BBV geen rente aan activa worden toegerekend. Ofwel: het omslagpercentage is 0%.
In de nabije toekomst kan wel weer sprake worden van netto rentelasten als het Schatkistsaldo afneemt en tegelijkertijd de uitgaven vanuit het gemeentelijke investeringsprogramma toenemen. In die situatie zal weer een aan activa toe te rekenen omslagpercentage ontstaan.
In deze paragraaf wordt toegelicht welke beleidsuitgangspunten worden gehanteerd in de gemeente Pijnacker Nootdorp met betrekking tot rente.
2.5.3 Rente over eigen vermogen
Er wordt geen rente toegerekend over op bijgeschreven op reserves en voorzieningen 10 .
2.5.4 Rentetoerekening t.a.v. leges en tarieven
Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken. 11
2.5.5 Rente bij verstrekte leningen
De rente die de gemeente vraagt indien zij een lening verstrekt is gelijk aan:
een opslag voor het debiteurenrisico. 12
2.5.8 Disconteringsvoet 13
“De disconteringsvoet die moet worden gehanteerd in de berekening van de contante waarde ten behoeve van het treffen van een verliesvoorziening voor negatieve grondexploitaties wordt voor alle gemeenten bepaald op 2% zijnde het maximale meerjarige streefpercentage van de Europese Centrale Bank (ECB) voor inflatie binnen de Eurozone.
In dit hoofdstuk is de “beleidsmatige infrastructuur” van de treasuryfunctie vastgelegd. Daartoe worden in paragraaf 3.1 allereerst de definitie, uitgangspunten en de doelstellingen van de treasuryfunctie van de gemeente geformuleerd. In paragraaf 3.2 worden de relevante wetgeving en beleidskaders omschreven. In paragraaf 3.3 wordt een overview gegeven van alle aandachtsgebieden die aan de gemeentelijke treasuryfunctie verbonden zijn. In paragraaf 3.4 zijn daarvan de belangrijkste aandachtsgebieden, te weten cash management, gemeentefinanciering, risicobeheer en relatiebeheer, uitgewerkt in termen van richtlijnen. In paragraaf 3.5 komt tenslotte de administratieve organisatie en interne controle van de treasuryfunctie aan de orde. Daarbij ligt het accent op de eenduidigheid omtrent de verdeling van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Bij dit onderdeel zijn ook de uitgangspunten vastgelegd voor de informatie die noodzakelijk is om het gehele proces beheersbaar en meetbaar te maken en te houden.
Naast het voorliggende Rente- en Treasurystatuut wordt ook telkens een Financieringsparagraaf in zowel de programmabegroting als in de jaarrekening opgenomen. Hierin worden de specifieke beleidsvoornemens respectievelijk de uitvoering van het beleid op het gebied van treasury besproken.
3.1 Definitie, uitgangspunten en doelstellingen
De uitvoering van de financieringsfunctie wordt ook wel Treasury genoemd. De definitie daarvan luidt als volgt:
Treasury dient niet verward te worden met de reguliere financiële functie. Er zijn drie fundamentele verschillen tussen deze twee functies:
Bij de uitvoering van het financieringsbeleid worden de volgende uitgangpunten gehanteerd:
Bij de uitvoering van het financieringsbeleid gelden de volgende doelstellingen:
(*) Binnen het vakgebied Treasury worden vijf risico’s onderscheiden. Rente- en kredietrisico’s zijn daarvan voor gemeenten de belangrijkste.
Renterisico kan worden omschreven als het risico dat de marktrente op termijn fluctueert, met als gevolg dat in de toekomst de rentelasten van het vreemd vermogen of rentebaten uit eventuele uitzettingen hoger respectievelijk lager zullen zijn. De treasurytaak renterisicobeheer is er aldus op gericht om de invloed van externe renteontwikkelingen op de financiële huishouding van de gemeente te beperken. Dit is nader uitgewerkt onder 3.4.3.
Kredietrisico’s vloeien voort uit het door de gemeente verstrekken of garanderen (waarborgen) van geldleningen. De gemeente loopt kans dat de betreffende geldnemers niet meer aan hun verplichtingen kunnen voldoen waardoor de gemeente direct schade lijdt of door geldgevers aangesproken wordt tot nakoming van de achterstalligheden. De treasurytaak kredietrisicobeheer is er op gericht om de risico’s hiervan te mitigeren. Ook dit is nader uitgewerkt onder 3.4.3.
Koersrisico. Dit risico zou van toepassing zijn indien de gemeente over obligatiebeleggingen zou beschikken. Met de inwerkingtreding van het Schatkistbankieren zijn dergelijke uitzettingen c.q. beleggingen echter niet meer toegestaan. De gemeente beschikt ook niet over dergelijke beleggingen die dateren van voor de inwerkingtreding van de Regeling Schatkistbankieren.
Liquiditeitsrisico. Dit zou het risico zijn dat de gemeente niet aan benodigde geldmiddelen kan komen. Gezien de kredietwaardigheidsstatus van Nederlandse (de)centrale overheden hebben zij te allen tijde toegang tot geld- en kapitaalmarkten. Bovendien beschikt de gemeente over een kredietlimiet bij haar huisbankier.
Het is de taak van de treasury dergelijke risico’s tegen acceptabele condities te beperken.
3.2 Relevante wetgeving en beleidskaders
Naast de algemene bepalingen uit de Gemeentewet wordt het relevante wettelijke kader voor de uitvoering van de financieringsfunctie gevormd door:
Wet financiering decentrale overheden (Wet fido).
Deze wetgeving valt onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De Provincie Zuid-Holland fungeert voor de gemeente als toezichthouder op de naleving en uitvoering van deze wet.
Het centrale uitgangspunt van de Wet fido is het bevorderen en transparant maken van een solide financieringsbeleid. In deze wet zijn dan ook expliciete bepalingen opgenomen ten aanzien van risicobeheer en transparantie. Hierbij komt de transparantie tot uitdrukking in voorschriften voor het afleggen van verantwoording middels financieringsparagrafen in begroting en jaarrekening. Daarnaast is de Wet fido gericht op een beheersing van de risico’s die decentrale overheden lopen uit hoofde van hun financieringstaken, waarvan renterisico’s en kredietrisico’s de belangrijkste zijn.
In de Wet fido is bepaald dat de gemeente alleen maar geld mag lenen, uitlenen of garanderen ten behoeve van de lokale publieke taak. De wet zelf geeft geen invulling aan die publieke taak, maar laat dit aan de beoordeling van de eigen gemeenteraad. In de toelichting op de Wet fido is dit als volgt geformuleerd: “Het gemeentebestuur bepaalt de publieke taak. De begroting en de begrotingswijzigingen bepalen het budgettaire kader voor de uitoefening van de publieke taak”. Het Team Financiën adviseert over bijvoorbeeld financieringsvoorwaarden en de implicaties van de betreffende aanvraag voor de totale financiële positie van de gemeente. Daarnaast is het van belang dat het Team Financiën de betreffende aanvraag opneemt in de liquiditeitenplanning.
Wet fido kenmerkt geldstromen tot één jaar als kortlopend en van één jaar en langer als langlopend.
Een aantal specifieke aspecten van de Wet fido is nader uitgewerkt in aparte ministeriële regelingen. Dit zijn:
Regeling Schatkistbankieren decentrale overheden
Op grond van deze sinds 2013 geldende Regeling dienen decentrale overheden (tijdelijke) overschotten aan geldmiddelen verplicht in ’s Rijks Schatkist te stallen. De gemeentelijke autonomie met betrekking tot de wijze waarop zij met haar overtollige middelen wenst om te gaan is met het Schatkistbankieren ingeperkt.
Afhankelijk van de begrotingsomvang geldt er per gemeente een drempelbedrag dat buiten de Schatkist mag blijven. Bovendien blijft toegestaan om aan andere overheden uit te lenen.
Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet hof).
Deze wet regelt de wijze waarop de Nederlandse overheid de afspraken nakomt die in Europees verband zijn gemaakt over de ontwikkeling van het EMU-tekort en de schuld van de overheid. De meeste nadruk gaat daarbij uit naar tekortreductie. Van daaruit bevat deze wet onder andere bepalingen omtrent de ontwikkeling en bewaking van EMU-saldi voor decentrale overheden.
Het doel van deze wet is om oneerlijke concurrentie door de overheid te voorkomen als zij economische activiteiten uitvoert. De wet bevordert een gezond ondernemersklimaat in Nederland. Onder het begrip economische activiteit valt onder ander ook het verstrekken van leningen. Dit mag alleen indien de gemeenteraad hierover een zogenoemd algemeenbelangbesluit heeft genomen waarin gemotiveerd is waarom de gemeente op een bepaald vlak actief is. Een reden daarvoor kan bijvoorbeeld ‘marktfalen’ zijn.
Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV).
Dit betreft de verslaggevingsregels waaraan de begroting en het jaarverslag van elke gemeente moeten voldoen, maar ook enkele zaken die specifiek relevant zijn voor Treasury zoals de voorschriften rond (interne) rente en verplichte financiële kengetallen in begrotings- en jaarstukken. De Treasury-gerelateerde kengetallen zijn: solvabiliteit, netto schuldquote en netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen.
Verordening gemeentegaranties Geldleningen
Hierin staan de kaders die gelden voor het garanderen c.q. waarborgen van geldleningen die door instellingen binnen gemeente Pijnacker-Noortdorp van banken zijn opgenomen. Dit betreft uitsluitend leningen van instellingen die actief zijn met investeringen of taken die de gemeente van belang acht in het kader van de lokale publieke taak.
3.3 Aandachtsgebieden van treasury
Binnen het financieringsbeleid van gemeenten worden de volgende zeven aandachtsgebieden onderscheiden, voorzien van enige nadere duiding:
Kasbeheer: dit betreft het afsluiten en beheren van alle gemeentelijke contracten met betrekking tot bancaire dienstverlening, inclusief financieringsovereenkomsten alsmede het inrichten en beheren van de gemeentelijke bankrekeningstructuur, gericht op een veilige en doelmatige afwikkeling van het betalingsverkeer en eventueel contant geldverkeer;
Planning & Control, dit betreft:
Het opstellen van de volgende bijdragen ten behoeve van programmabegroting en in de jaarstukken: de financieringsparagraaf, een overzicht van het EMU-saldo, een staat van gewaarborgde geldleningen en eventueel een kasstroomoverzicht (deze laatste alleen bij het jaarverslag). Daarnaast bijdragen met betrekking tot treasurygerelateerde kengetallen, informatie over verbonden partijen en geprognosticeerde balans (deze laatste alleen bij de begroting);
3.4 Uitgangspunten en richtlijnen per aandachtsgebied
Van de onder 3.3 opgesomde aandachtsgebieden zijn cash management, gemeentefinanciering, risicobeheer en relatiebeheer de belangrijkste. Deze zijn in het navolgende uitgewerkt in termen van uitgangspunten en richtlijnen.
Het betalingsverkeer wordt gemeentebreed zoveel mogelijk elektronisch uitgevoerd door één huisbank die:
de mogelijk biedt om de gemeentelijke geldmiddelen tegen gunstige voorwaarden 14 te concentreren binnen één saldo- en rentecompensatiecircuit;
Toegestane vormen voor op te nemen kortlopende geldleningen zijn krediet in rekening courant, kas- en callgeldleningen 15 ;
Bij aantrekken van financieringsmiddelen voor een periode van korter dan één jaar worden offertes bij minimaal twee bankinstellingen en/of brokers opgevraagd alvorens een financieringsovereenkomst wordt afgesloten. Indien een bankinstelling en/of broker bij een specifieke uitvraag geen lating kan afgeven telt dit mee als gedane offerte;
Tijdelijk overtollige geldmiddelen worden uitgezet met inachtneming van Regeling Schatkistbankieren 16 ;
Bij aantrekken van financieringsmiddelen voor een periode van één jaar en langer worden offertes bij minimaal drie bankinstellingen en/of brokers opgevraagd alvorens een financieringsovereenkomst wordt afgesloten. De afgegeven offertes worden schriftelijk vastgelegd. Indien een bankinstelling en/of broker bij een specifieke uitvraag geen lating kan afgeven telt dit mee als gedane offerte.
Zoals reeds in 3.1 opgemerkt is het risicobeheer bij treasury gericht op rente- en kredietrisico’s. In die paragraaf is in algemene termen omschreven waar dat risicobeheer op gericht is. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:
Het aandachtsgebied relatiebeheer is onder te verdelen in relaties met financiële partijen en collegiaal-ambtelijke relaties.
Relatiebeheer met financiële partijen
De gemeente beoogt om zo zuiver mogelijke relaties met financiële partijen te onderhouden en financiële diensten af te nemen tegen zo gunstig mogelijke condities. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:
Collegiaal-ambtelijk relatiebeheer
3.5 Administratieve organisatie en interne controle (AO/IC)
In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens behandeld:
De bestuurlijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn conform het Mandaatbesluit. Daarbij ligt de eindverantwoordelijkheid voor het treasurybeleid primair bij college van burgemeester en wethouders.
Teneinde niet onnodig te worden belast met het dagelijkse treasurybeheer draagt het college van B&W een deel van zijn bevoegdheden op aan de ambtelijke organisatie. De praktische uitvoering van het beleid vindt dus vooral op ambtelijk niveau plaats, met als voordeel dat slagvaardiger kan worden opgetreden.
De toekenning van de voor de treasuryfunctie relevante bevoegdheden en verantwoordelijkheden aan interne functionarissen vindt plaats via de hiertoe dienende documenten (mandaten, besluiten e.d.) en worden eenduidig naar de betrokkenen gecommuniceerd. Bij de toewijzing van bevoegdheden is zoveel mogelijk rekening gehouden met de vereiste functiescheiding tussen besluitvorming, uitvoering, administratie en controle.
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de ambtelijke organisatie geven de situatie ten tijde van de vaststelling van dit statuut aan.
In het kader van de treasuryfunctie worden binnen gemeente Pijnacker-Nootdorp de volgende algemene uitgangspunten gehanteerd op het gebied van administratieve organisatie en interne controle:
De verantwoordelijkheden met betrekking tot de treasuryfunctie van de gemeente staan in onderstaande tabel gedefinieerd.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
De intern aangewezen functionaris(sen) belast met de treasuryuitvoering |
|
|
|
|
In onderstaande tabel staan bevoegdheden met betrekking tot treasuryactiviteiten weergegeven alsmede de daarbij benodigde fiattering.
Op grond van de Regeling Schatkistbankieren zijn uitzettingen uit hoofde van treasury elders dan bij het Rijk, met uitzondering van het onderling uitlenen aan medeoverheden, niet meer toegestaan. Specifiek ten behoeve van het Schatkistbankieren is de autorisatie van de internetfaciliteit Schatkistbankieren als volgt ingericht:
*Categorie 2: Tweede handtekening vereist uit categorie 1 of 3
*Categorie 3: Tweede handtekening vereist uit categorie 1 of 2
In onderstaande tabel staat weergegeven welke functionaris als plaatsvervanger optreedt in het kader van de treasuryactiviteiten:
Met betrekking tot de treasuryactiviteiten dient tenminste de in de onderstaande tabel opgenomen informatie te worden verstrekt door de betreffende functionarissen:
Ter borging van de kwaliteit en uitvoering van het financieringsbeleid zal binnen de gemeente Pijnacker-Noordorp een Treasurycommissie actief zijn. Deze Treasurycommissie bestaat tenminste uit de intern aangewezen functionaris(sen) belast met de treasuryuitvoering, de Domeindirecteur BDV, de Concerncontroller en zonodig een extern adviseur. De Domeindirecteur BDV bekleedt hierbij de rol van voorzitter.
Vastgesteld in de vergadering van 16 december 2025.
het college van Pijnacker-Nootdorp,
Annelies Kroeskamp
Secretaris
Björn Lugthart
Burgemeester
Een zelfstandige, inhoudelijke afweging waarbij de overwegingen hiervan schriftelijk zijn vastgelegd.
Commercieel bemiddelend kantoor voor het aantrekken van financiering op de geld- of kapitaalmarkt. Ook wel intermediair genoemd.
Aangetrokken c.q. uitgezette geldmiddelen voor een termijn van één tot enkele dagen.
Term die binnen de financiële functie wordt gebruikt voor het opvangen van (extra) lasten uit (1) het verhogen van baten, (2) het verlagen van andere lasten of (3) door het onttrekken aan reserves. Dekken is niet synoniem aan financieren.
Bij faciliterend grondbeleid heeft de gemeente zelf geen grond in haar bezit en voert zij niet zelf de grondexploitatie, maar gebeurt dit door een private ontwikkelaar. De kosten die de gemeente maakt worden in dat geval verhaald op de private partijen. Er is dus geen sprake van een bouwgrond in exploitatie of een voorraad grond in bezit van de gemeente, maar van een vordering op een derde partij.
Een instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden.
Het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen.
Markt voor het aantrekken of uitzetten van kortlopende geldmiddelen.
Al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten over te boeken zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer).
Een door een instelling, vereniging of stichting van een bank opgenomen geldlening waarvoor de gemeente zich jegens de bank borg gesteld heeft voor het nakomen van de leningverplichtingen (rente en aflossing). Ook wel gegarandeerde geldlening of borgstelling genoemd.
De risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjarige investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen.
De intradaglimiet geeft het maximale bedrag weer dat de gemeente per dag van de schatkistbankieren werkrekening ten laste van de rekening-courant bij de Schatkist kan opnemen.
Markt voor het aantrekken of uitzetten van langlopende geldmiddelen.
Aangetrokken c.q. uitgezette geldmiddelen voor een termijn van één week tot één jaar.
Wettelijke limiet ter beperking van het renterisico op de kortlopende c.q. vlottende schuld. De limiet wordt uitgedrukt in een bedrag, dit als percentage van het begrotingstotaal (thans 8,5%).
Faciliteit gekoppeld aan een bankrekening(stelsel) om voor een bepaald maximumbedrag ‘rood’ te staan tegen vooraf bekende rentecondities.
Het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen.
Het risico dat de gemeente financiële schade leidt als gevolg van betalingsproblemen van partijen waaraan de gemeente geldleningen of borgstellingen heeft verstrekt.
Het aantrekken en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar.
Een overzicht betreffende de over een bepaalde periode verwachte in- en uitgaande kasstromen. Daarbij worden drie kasstromen onderscheiden: exploitatie-, financiële- en investeringskasstromen.
De looptijd van de lening in termen van aflossingen. Ofwel de periode die resteert totdat een lening algeheel is afgelost.
De bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen.
Verhandelbare schuldbekentenis aan toonder, met een minimum looptijd van 2 jaar. De MTN maakt deel uit van een programma en wordt veelal uitgegeven door een bank of investeerders als verzekeringsmaatschappijen of pensioenfondsen. Een Nederlandse bank zoals BNG Bank begeleidt veelal de leningdocumenten en kasstromen. MTN’s dienen op grond van BBV op de balans te worden gerubriceerd als Obligatielening.
Een openbaar verhandelbare schuldbekentenis aan toonder, waarvan de voorwaarden veelal in een prospectus zijn vastgelegd.
Het percentage rente dat wordt bepaald door de verwachte rentelasten uit te drukken in een percentage van de boekwaarde van integraal gefinancierde investeringen/activa.
Een lening waarbij de voorwaarden in onderling overleg met de geldgevende partij tot stand komen. Dit maatwerkkarakter maakt de lening moeilijk verhandelbaar.
Een door een onafhankelijk bureau zoals Standard and Poors of Moody’s afgegeven en internationaal erkend oordeel over de kredietwaardigheid van financiële partijen. Ook wel creditrating genoemd. Ratings kennen een bereik van AAA (uitzonderlijk kredietwaardig) tot D (default, failliet).
Lopende rekening bij een bank, al dan niet gekoppeld aan een kredietlimiet.
Het percentage rente dat wordt toegerekend aan de te financieren activa.
Het percentage rente dat gehanteerd wordt voor startersleningen, zoals wordt vastgesteld door de gemeenteraad.
Grafiek waaruit blijkt welke renteniveau’s op enig moment gelden bij verschillende leninglooptijden.
Het risico dat voortvloeit uit de mogelijkheid dat in de toekomst de rentelasten van het vreemd vermogen hoger respectievelijk lager zullen zijn en daarmee effect kunnen hebben op de (financiële resultaten van de gemeente.
Wettelijke limiet ter beperking van het renterisico op de langlopende c.q. vaste schuld. De limiet wordt uitgedrukt in een bedrag als percentage van het begrotingstotaal (thans 20%).
Rentetoerekening t.a.v. leges en tarieven
Het gehanteerde percentage rente voor de berekening van de kostendekkendheid wordt bepaald door de totale toe te rekenen rente (inclusief de bespaarde rente op het eigen vermogen), afgezet tegen de begrote boekwaarde van de activa die integraal gefinancierd wordt.
De periode waarover de rente van een lening vast staat. Bedraagt dit minder dan 1 jaar dan wordt de lening door Wet fido als kortlopend gezien en bij 1 jaar of langer als langlopend.
Een lening met middellange of lange looptijd en variabele rente.
Het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen.
Het verplicht uitzetten van (tijdelijk) overtollige financieringsmiddelen bij ’s Rijks schatkist conform de regelgeving op grond van artikel 2 Wet fido, dit rekening houdend met een drempelbedrag dat aan de hand van het begrotingstotaal wordt berekend.
Een leningovereenkomst voor middellange of lange termijn, rechtstreeks afgesloten tussen een geldnemer en een Duitse investeerder. Kan gezien worden als tussenvorm van onderhandse- en MTN-lening en is vanwege de aard van de geldgever doorgaans naar Duits recht.
Vastgestelde uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en limieten, de organisatorische en administratieve kaders, de informatievoorziening en de administratieve organisatie ter uitvoering van de treasuryfunctie.
De uitvoering van alle activiteiten die zich richten op het sturen, beheersen en bewaken van de financiële posities, financiële stromen en de hieraan verbonden risico’s. De belangrijkste aandachtsgebieden binnen de treasuryfunctie zijn cash management, gemeentefinanciering, risicobeheer en relatiebeheer.
Binnen de Wet fido gehanteerde term voor verstrekte geldleningen en beleggingen.
Schuldtitels met een looptijd van één jaar en langer.
Schuldtitels met een looptijd tot één jaar.
Zakelijke zekerheidsrechten die door de gemeente, in het kader van een verzoek om een lening of borgstelling, van de aanvrager gevraagd kunnen worden om het risicoprofiel van de verzochte steun te verlagen, bijvoorbeeld hypotheek- en pandrechten.
Bijlage 2 Rekenschema renteomslag
Het vanuit de BBV Notitie Rente 2023 voorgeschreven rekenschema ziet er als volgt uit:
Als voorbeeld voor de opstelling bij de begroting en jaarverslag: zie onderstaand schema, waarbij overigens uitgegaan is van de lijn van de gemeente om geen rente te berekenen over het eigen vermogen (reserves) en voorzieningen (zie artikel 2.5.3. in dit statuut):
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-568108.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.