Verordening Jeugdhulp Rijswijk 2026

De raad van de gemeente Rijswijk,

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 november 2025

 

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet alsmede artikel 2.3 Besluit Jeugdwet;

 

gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein van 6 november 2025

 

overwegende dat:

 

  • De Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd;

  • Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt

  • Het noodzakelijk is om regels vast te stellen over:

    • o

      De door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen;

    • o

      De voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

    • o

      De wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;

    • o

      De wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

    • o

      De bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

    • o

      De waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

    • o

      De continuïteit van de jeugdhulp, of jeugdreclassering

    • o

      Onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;

besluit de Verordening Jeugdhulp Rijswijk 2026 vast te stellen.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      algemene voorziening: jeugdhulp, die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of ouder(s);

    • b.

      andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Jeugdwet;

    • c.

      budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet;

    • d.

      budgetvertegenwoordiger: degene die namens de budgethouder het pgb beheert;

    • e.

      cliëntondersteuner: onafhankelijk persoon die de jeugdige/en of ouder(s) ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve (zorg), jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

    • f.

      college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk;

    • g.

      hulpvraag: behoefte van een jeugdige of ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

    • h.

      individuele voorziening: een op de jeugdige en/of ouder(s) toegesneden jeugdhulpvoorziening, als bedoeld in artikel 3 van deze verordening, die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt;

    • i.

      ondersteuningsplan: een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s) is vastgelegd, samen met de doelen/beoogde resultaten en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren;

    • j.

      ouderlijke verzorging- en opvoedingsplicht: dit zijn de algemene verzorgingstaken en plichten van ouders en opvoeders die normaal zijn en horen bij het dagelijks opvoeden van jeugdigen;

    • k.

      persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

    • l.

      preventief aanbod binnen de algemene voorzieningen: vrij toegankelijke basisvoorzieningen in het voorliggende veld, zoals de Jeugdgezondheidszorg met het consultatiebureau 0-4 jaar en jeugdverpleegkundige/jeugdarts 4-18 jaar, logopedie op school en peuteropvang, schoolmaatschappelijk werk, CJG (Centrum Jeugd en Gezin), Opvoedsteunpunt, praktijkondersteuning jeugd huisarts (POHJ), sportmogelijkheden voor kinderen, jongerenwerk, buurtpreventie en sociaal- emotionele trainingen;

    • m.

      sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of ouder(s) een sociale relatie onderhoudt;

    • n.

      Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

    • o.

      wet: Jeugdwet;

    • p.

      zorg in natura: de hulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente zijn gecontracteerd.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, Regeling Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2. Vormen van Jeugdhulp

Artikel 2. Algemene voorzieningen

  • 1.

    De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn onder andere beschikbaar:

    • a.

      basishulp:

      • I.

        ambulante opvoedhulp;

      • II.

        begeleiding van jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking;

      • III.

        kortdurende generalistische basis-ggz bij enkelvoudige problematiek;

      • IV.

        jongerentrajecten en intensief casemanagement, mede met het oog op jeugdcriminaliteit en jeugdoverlast;

      • V.

        onafhankelijke cliëntondersteuning;

      • VI.

        gezinsondersteuning waaronder gezinscoaching.

    • b.

      informatie, trainingen en (opvoed)advies;

    • c.

      jeugdgezondheidszorg;

    • d.

      jongerencoaching en participatiebevordering;

    • e.

      schoolmaatschappelijk werk.

  • 2.

    Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Artikel 3. Individuele voorzieningen

  • 1.

    De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn onder andere beschikbaar:

    • a.

      ambulante jeugdhulp;

    • b.

      dagbehandeling;

    • c.

      logeren;

    • d.

      specialistische GGZ;

    • e.

      pleegzorg;

    • f.

      crisiszorg;

    • g.

      residentieel verblijf voor jeugdigen;

    • h.

      gesloten jeugdhulp;

    • i.

      vervoer van de jeugdige van of naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid.

  • 2.

    Het college kan nadere regels vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Artikel 4. Vervoersvoorziening

  • 1.

    Uitgangspunt is dat de jeugdige of zijn ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van de jeugdige naar en van een locatie waar jeugdhulp (ondersteuning, hulp of zorg) wordt geboden.

  • 2.

    Het college kent slechts een vervoersvoorziening toe als:

    • a.

      het ingekochte jeugdhulpproduct hier niet al in voorziet;

    • b.

      blijkt dat de jeugdige vanwege een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet zelfstandig kan reizen én de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van zijn ouders c.q. verzorgers ontoereikend zijn om zelf voor het vervoer te zorgen of te laten zorgen.

  • 3.

    Bij het beoordelen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, worden ook de mogelijkheden en bereidheid van iemand uit het sociaal netwerk om de jeugdige te vervoeren, meegewogen.

  • 4.

    Als aan de voorwaarden voor vervoer is voldaan, beoordeelt het college welke (combinatie van) vervoersvoorziening(en) het meest passend is.

  • 5.

    De volgende vervoersmogelijkheden zijn mogelijk:

    • a.

      vervoer geregeld door de jeugdhulpaanbieder;

    • b.

      gecontracteerd vervoer met/zonder rolstoel;

    • c.

      taxivervoer als een vervoersvoorziening als genoemd bij a en b niet mogelijk is of indien dit goedkoper is.

  • 6.

    Deze voorzieningen kunnen in natura worden verstrekt.

  • 7.

    Vervoerskosten worden in beginsel niet met terugwerkende kracht toegekend. Vervoer kan enkel met terugwerkende kracht worden toegekend in zeer bijzondere omstandigheden.

  • 8.

    Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de manier waarop de voorziening wordt verstrekt en met ingang van welke datum de voorziening wordt verstrekt. Ook bepaalt het college de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

  • 9.

    De noodzaak voor een vervoersvoorziening wordt opgenomen in het ondersteuningsplan.

Hoofdstuk 3. Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen

 

Toegang tot jeugdhulp is mogelijk door een verwijzing via het medisch domein, via een bepaling van de Gecertificeerde Instelling (GI), via de rechter, het openbaar ministerie of de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht en met een beschikking van het college.

 

§ 3.1 Algemene voorzieningen

Artikel 5. Toegang tot jeugdhulp

Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of ouder(s).

 

§ 3.2 Individuele voorzieningen

Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. Het college legt de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking.

  • 2.

    Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 3.

    Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden.

  • 4.

    De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

Artikel 7. Toegang jeugdhulp via de GI, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de GI nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie of de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.

  • 2.

    Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen. Het college verstrekt geen beschikking.

Artikel 8. Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1.

    Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college.

  • 2.

    In een persoonlijk gesprek met de jeugdigen en ouder(s) verkent en verheldert het college de hulpvraag en verwijst waar mogelijk door naar één van de (preventieve) algemene voorzieningen of zet het onderzoek voort conform de wet door een consulent van het Jeugdteam.

  • 3.

    Een aanvraag voor een individuele voorziening wordt digitaal of schriftelijk ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

  • 4.

    Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een individuele voorziening.

Hoofdstuk 4. Behandeling van een aanvraag om een individuele voorzieningen, onderzoek en besluitvorming via de gemeente.

§ 4.1 Uitvoeren onderzoek

Artikel 9. Onderzoek

  • 1.

    Het college wijst de jeugdige en ouder(s) vóór het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 2.

    Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige en/of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.

  • 3.

    Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.

  • 4.

    Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of ouder(s) zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of ouder(s) en het probleem of de hulpvraag;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    • c.

      het vermogen van de jeugdige en/of ouder(s) om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

    • d.

      de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;

    • e.

      de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening;

    • f.

      de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;

    • g.

      de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze;

    • h.

      de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;

    • i.

      hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.

  • 5.

    Het college kan, met instemming van de jeugdige en/of zijn ouders, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp.

  • 6.

    Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 10. Het opstellen van een ondersteuningsplan

  • 1.

    Het college en de jeugdige en/of ouder(s) leggen de zaken als genoemd in artikel 9 vierde lid van deze verordening, vast in het ondersteuningsplan. Dit wordt gedaan conform het stappenplan van de Centrale Raad van beroep:

    • a.

      Stap 1. Het vaststellen van de hulpvraag: de hulpvraag wordt daarbij tevens geanalyseerd op veiligheid en urgentieaspecten;

    • b.

      Stap 2. Vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn: in dit kader wordt tevens onderzoek verricht naar (beschermende en risicovolle) factoren binnen de jeugdige en ouder(s) die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling en de manier van opvoeden in verhouding tot de hulpvraag. Hierbij wordt nagegaan wat de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht is. Ook wordt gekeken naar de beleving en manier van omgaan met de hulpvraag;

    • c.

      Stap 3. Nadat de samenhang tussen al de verzamelde informatie in kaart is gebracht, wordt gezamenlijk gekeken naar welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Daarnaast wordt gekeken naar wat de behoefte van de jeugdige en ouder(s) hierin is;

    • d.

      Stap 4. Voor het inzetten van deze hulp wordt eerst gekeken in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. De eigen kracht wordt hierbij onderzocht en bepaalt.

    • e.

      Stap 5. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. Indien uit voorgaand onderzoek dus blijkt dat de jeugdige, ouder(s) en hun netwerk meer hulp nodig hebben dan zij op basis van eigen kracht kunnen bieden, wordt eerst nog bekeken of algemene (preventieve) voorzieningen in het voorliggende veld, of voorzieningen vanuit aanpalende wetgeving uitkomst kunnen bieden voordat een individuele voorziening wordt ingezet.

  • 2.

    Met toestemming van de jeugdige en/of ouder(s) worden in het ondersteuningsplan afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten zoals opgenomen in het ondersteuningsplan met de jeugdige en/of ouder(s), jeugdteam en de jeugdhulpaanbieder worden besproken.

 

§ 4.2 Criteria individuele voorziening

Artikel 11. Criteria individuele voorzieningen

  • 1.

    Jeugdigen en/of ouder(s) kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of algemene voorzieningen deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.

  • 2.

    Als de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag hebben gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken:

    • a.

      als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en;

    • b.

      voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.

  • 3.

    De voorziening als bedoeld in het tweede lid kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag.

  • 4.

    Een andere of algemene voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:

    • a.

      daadwerkelijk beschikbaar is; en

    • b.

      passend en toereikend is voor de hulpvraag.

  • 5.

    Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.

  • 6.

    Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in dit artikel.

     

§ 4.3 Beoordeling eigen kracht

Artikel 12. Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

  • 1.

    Binnen stap 4 van het stappenplan, wordt onder andere gekeken naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Dit noemen wij ‘de eigen kracht’.

  • 2.

    Gemeente Rijswijk hanteert de volgende definitie voor eigen kracht: Eigen kracht gaat om de persoonlijke talenten, potenties en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s) die ingezet kunnen worden om de eigen doelen te behalen.

  • 3.

    De navolgende aspecten kunnen de mate waarin een jeugdige en/of ouder(s) over eigen kracht kunnen beschikken, beïnvloeden:

    • a.

      het beschikken over vaardigheden, competenties, kennis en ervaringen, dus wat iemand kan, weet en kent;

    • b.

      de mate van zelfvertrouwen, zelfinzicht, motivatie en zingeving (het hebben van perspectief);

    • c.

      de steun en kracht die het beschikbare sociale netwerk kan bieden bij praktische zaken zoals hand- en spandiensten alsook bij het bepalen/bijstellen van doelen en bij het maken van adequate keuzes.

Artikel 13. Vaststellen van eigen kracht

  • 1.

    Voor het vaststellen en/of versterken van de eigen kracht van jeugdigen en ouder(s) wordt bij de aanvraag voor jeugdhulp tijdens het onderzoek onder meer gekeken naar de volgende aspecten:

    • A.

      de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht;

    • B.

      de balans tussen draagkracht en draaglast binnen het eigen welbevinden;

    • C.

      welbevinden van de jeugdige;

    • D.

      de mate waarin de jeugdige en de ouder(s) de situatie erkennen, de mate van last die ervaren wordt en behoefte hebben aan een oplossing of een verbetering;

    • E.

      de gezinssamenstelling en woonsituatie;

    • F.

      de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit, de duur, de frequentie en het patroon daarvan;

    • G.

      de aard en de zwaarte van het risico en probleem van de jeugdige en/of de ouder(s) gerelateerd aan de gezonde ontwikkeling en veiligheid van de jeugdige;

    • H.

      de mate waarin bepaalde afspraken, hulpaanbod en interventies tot een succes zullen leiden (het risico of probleem doen afnemen, respectievelijk de kracht versterken);

    • I.

      overige relevante omstandigheden ten aanzien van de jeugdige en de ouders die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden.

Artikel 14 Aspect A. De ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht

  • 1.

    In bijlage 1 bij deze verordening is een overzicht opgenomen van de verzorgings- en opvoedtaken van ouders, die normaal zijn vanuit de Rijswijkse visie op normaliseren.

  • 2.

    Normaliseren wordt in de gemeente Rijswijk als volgt gedefinieerd: het accepteren dat we niet alle problemen kunnen oplossen – en dat ook niet moeten willen – zodat we in staat blijven hulp te bieden aan de jeugdigen en ouder(s) die dit echt nodig hebben. Niet elke kwetsbaarheid of moeilijkheid hoeft te worden geproblematiseerd of gelabeld. Het college gaat ervan uit dat jeugdigen en ouder(s) veel zelf kunnen. Samen met mensen in hun omgeving vinden ze oplossingen voor alledaagse problemen. Verwijzers en andere professionals werken ook vanuit deze gedachte. Bij het verlenen van hulp doen we dat wat nodig is. Dat wat we doen, doen we goed. Dit betekent niet dat we minder gaan doen, maar het anders gaan doen.

  • 3.

    Hulpvragen die gerelateerd zijn aan de onderwerpen in het overzicht van bijlage 1 worden niet vanuit een individuele jeugdhulpvoorziening opgelost, maar vanuit het preventieve voorliggend veld. Hiervoor wordt doorverwezen naar het voorliggende preventieve veld.

    Verzorgings- en opvoedtaken binnen jeugdvoorzieningen vallen ook onder het normaliseren en dus onder de normale zorgtaken van ouders bijvoorbeeld;

    • a.

      Opvang/ zorg die instanties voor kinderopvang.

      Alleen niet-uitstelbare persoonlijke verzorging en verpleging kan tijdens de opvang geïndiceerd worden op grond van een individuele voorziening.

    • b.

      Persoonlijke verzorging tijdens onderwijs.

      Het strikken van veters, het aantrekken van een jas en hulp bij toiletgang van kleuters valt binnen de hulp die de school normaal biedt.

      Niet-uitstelbare hulp wordt tijdens het onderwijs geïndiceerd. De onderwijsregelgeving is voorliggend op een individuele voorziening vanuit de wet tijdens schooltijd.

    • c.

      Begeleiding naar het ziekenhuis.

      Het begeleiden van een jeugdige naar het ziekenhuis of medische voorzieningen valt onder de normale zorgtaken van ouders. De uren worden wel meegewogen in het onderzoek naar de disbalans tussen draagkracht en draaglast van de ouders vanwege de aandoening.

    • d.

      Begeleiding naar zwemles.

  • 4.

    Hulp bij ernstige en specifieke opvoed- en opgroeiproblemen.

    Ernstige en specifieke problemen kunnen zich echter ook voordoen bij het opvoeden en opgroeien van jeugdigen. Deze problemen kunnen voortkomen vanuit de onderstaande factoren:

    • a.

      vanuit de jeugdige op het gebied van gezondheid (bijvoorbeeld fysieke, psychische, ziektebeelden, stoornissen, handicap, beperkingen) en ontwikkeling (bijvoorbeeld lichamelijk, psychosociaal-emotionele, cognitieve (IQ), motorische) en/ of verslavingsproblematiek;

    • b.

      Vanuit de ouder(s) op het gebied van hun ouderschapsrol, (bijvoorbeeld fysieke, psychische, ziektebeelden, stoornissen, handicap, beperkingen) en ontwikkeling (bijvoorbeeld lichamelijk, psychosociaal-emotionele, cognitieve (IQ), motorische) en/ of verslaving, financiële situatie, relationele situatie etc.;

    • c.

      Een combinatie van (a) en (b).

  • 5.

    Op het moment dat deze ernstige en specifieke problemen zich voordoen is het mogelijk om ondersteuning in de vorm van een individuele voorziening te krijgen. Ook wanneer het gaat om specifiek ouderlijk toezicht. Dit is toezicht dat nodig is vanwege de aandoeningen, stoornissen of beperkingen van de jeugdige aanvullend op de normale zorgtaken van ouder(s). Dit toezicht kan nodig zijn in verband met het aansturen van gedrag ten gevolge van een aandoening, stoornis of beperking, of het bieden van fysieke zorg om tijdig te kunnen ingrijpen (bijvoorbeeld in het geval van complicaties bij een ziekte).

Artikel 15. Aspect B. De balans tussen draagkracht en draaglast binnen het eigen welbevinden.

  • 1.

    Draagkracht is datgene wat een persoon vanuit (eigen) mogelijkheden aankan om stressvrij (of met minimale stress) uitdagingen aan te gaan.

  • 2.

    Draaglast is de belasting of druk die op iemand rust.

  • 3.

    Welbevinden is de mate waarin een persoon zich tevreden voelt over zijn/ haar leven.

  • 4.

    De eigen mentale, fysieke, sociale en levensomstandigheden zijn bepalend voor de mate van welbevinden. Gekeken wordt naar de volgende vormen van welbevinden:

    • a.

      Persoonlijk welbevinden (en de woonsituatie, het belang van de ouder(s) om te voorzien in een inkomen, waarbij geen financiële draagkrachtmeting wordt gedaan);

    • b.

      Welbevinden in opvoederschap (bijvoorbeeld de samenstelling van het gezin);

    • c.

      Sociaal welbevinden (bijvoorbeeld de mogelijkheden van het sociale netwerk om de jeugdige en de ouder(s) te ondersteunen).

  • 5.

    Deze drie bovenstaande vormen van het welbevinden dienen als uitgangspunten om te onderzoeken:

    • a.

      in hoeverre de eigen kracht in balans is: hiervoor wordt gekeken naar de beschermende factoren als ook naar de risicofactoren die deze eigen kracht vergroten of verminderen.

      De aanwezigheid van een enkele risicofactor betekent niet automatisch dat de jeugdige en/of ouders belet worden in hun eigen kracht om zelf te voorzien in het oplossen, verminderen of draaglijker maken van de hulpvraag. Immers, zoals eerder benoemd zijn ouders ervoor verantwoordelijk om hun minderjarige kind te verzorgen, op te voeden en toezicht op het kind te houden, ook wanneer de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft of wanneer de opvoeding niet vlekkeloos verloopt.

      Het moet voor ouders en het college dan ook vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen. Strubbelingen in het opvoeden van- en de ontwikkeling van jeugdigen is normaal en hoort erbij.

      Echter een aantal specifieke risicofactoren zijn al reden genoeg om een vorm van hulp en of ondersteuning in te zetten. De aanwezigheid van een combinatie van deze specifieke risicofactoren verhoogt daarmee de kans op hulp- en of ondersteuning en de zwaarte van deze hulp- en ondersteuning;

    • b.

      wat daarin versterkt kan worden;

    • c.

      hoe dit te versterken.

  • 6.

    Het college kan op vier manieren de eigen kracht van de jeugdige en ouder(s) versterken:

    • a.

      de hulpvraag uit de jeugdige en zijn omgeving zelf laten komen en aansluiten bij die hulpvraag en de daarbij behorende behoeften;

    • b.

      betrokkenheid van de jeugdige en ouder(s) stimuleren;

    • c.

      ondersteuning en/of advies bieden daar waar dat nodig is en vaardigheden aanleren, vanuit het preventieve voorliggend veld;

    • d.

      sociaal netwerk met hulpbronnen in kaart brengen en inzetten.

  • 7.

    Op basis van deze analyses bepaalt het college samen met de jeugdige en ouders welke mogelijkheden er zijn om de situatie te verbeteren. Hierbij wordt altijd eerst nagegaan wat de mogelijkheden zijn vanuit de algemene vrij toegankelijke voorzieningen / het preventief aanbod in het voorliggend veld. Wanneer een (preventieve) algemene voorziening in het voorliggend veld beschikbaar is die volledig tegemoetkomt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s), dan hoeft het college geen individuele voorziening meer te treffen.

  • 8.

    Het college hoeft ook geen voorziening te verstrekken als de jeugdige en/of ouder (s) gebruik kunnen maken van andere (voorliggende) voorzieningen op grond van een andere wet dan deze wet. Het gaat om volgende wetten: Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet passend onderwijs, Participatiewet (Pw) en de Wet Maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Deze wetten kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit deze wet.

  • 9.

    NB: Met betrekking tot het financieel welbevinden van ouders: een draagkrachtmeting, zoals een financieel onderzoek of een inkomenstoets is volgens de wet niet toegestaan. Tegelijkertijd blijft het uitgangspunt ook dat een pgb geen inkomensvoorziening is.

  • 10.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het onderzoek naar de eigen kracht.

Artikel 16. Aspect C. Welbevinden van de jeugdige

Hierbij wordt gekeken naar de behoeften en mogelijkheden van de jeugdigen ten aanzien van de volgende onderdelen in relatie tot de hulpvraag:

  • a.

    Persoonlijkheid: temperament, karaktereigenschappen, zelfbeeld, verantwoordelijkheidsgevoel, creativiteit;

  • b.

    Gezondheid: fysieke, psychische, ziektebeeld, stoornissen, handicap, beperkingen;

  • c.

    Ontwikkeling: lichamelijk, psychosociaal-emotionele, cognitieve (IQ), motorische;

  • d.

    Vrije tijd, netwerk, verslaving.

Artikel 17. Aspect D. Erkenning situatie en last die wordt ervaren

Om aan de slag te gaan met de hulpvraag is het van belang dat ouder(s) en jeugdigen enigszins ‘last’ ervaren.

De mate waarin zij last ervaren geeft aan hoe dringend zij een oplossing of verbetering willen hebben. Dit alles zegt iets over de motivatie van de ouder(s) en jeugdigen om aan de hulpvraag te werken.

Artikel 18. Uitgangspunten voor het inzetten van individuele voorzieningen bij dreigende overbelasting

  • 1.

    Na het onderzoek wordt bepaald of de draagkracht van het gezin om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden in overeenstemming is met de draaglast. Dit op basis van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en jeugdige, samen met de personen die tot hun sociale omgeving behoren alsmede beschikbare voorliggende voorzieningen.

  • 2.

    Op het moment dat uit onderzoek blijkt dat de draaglast, oftewel de noodzakelijke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf van ouder(s) voor hun kinderen voor wat betreft de aard, frequentie, patroon en benodigde tijd voor deze handelingen, hoger is dan de zorg die kinderen van dezelfde leeftijd redelijkerwijs nodig hebben, wordt deze extra draaglast in balans tussen draagkracht en draaglast meegenomen in het onderzoek.

  • 3.

    Uit het onderzoek naar de disbalans in de draagkracht- draaglast, of (dreigende) beperkingen in de belastbaarheid van de ouder(s) wordt bepaald of een individuele voorziening ingezet kan worden totdat de (dreigende) overbelasting is opgeheven.

  • 4.

    Uitgangspunten voor het inzetten van een individuele voorziening naar aanleiding van (dreigende) overbelasting:

    • a.

      er moet een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de ouderlijke zorg die geboden wordt. Bij overbelasting gerelateerd aan iets anders dan de zorg voor het kind, dient deze oorzaak van de (dreigende) overbelasting eerst opgelost te worden;

    • b.

      de inzet van een individuele voorziening in dit kader is altijd tijdelijk;

    • c.

      van ouders wordt verwacht dat zij tijdens de inzet van de individuele voorziening een plan van aanpak opstellen waaruit blijkt hoe zij de (dreigende) overbelasting gaan aanpakken/ op lossen en daaraan gaan werken;

    • d.

      wanneer de geldigheidsduur van de indicatie van de individuele voorziening is verlopen en een herindicatie wordt aangevraagd, dan wordt eerst onderzocht of en welke inspanningen zijn verricht om de overbelasting terug te dringen;

    • e.

      het college bepaalt of er sprake is van (dreigende) overbelasting;

    • f.

      bij het bepalen van overbelasting wordt gekeken naar de aard, de ernst en de duur van deze overbelasting en in welke mate deze overbelasting het gevolg is van de beperkingen of problemen in de ontwikkeling van de jeugdige;

    • g.

      wanneer het college van mening is dat de overbelasting het gevolg is van de gezondheid van de ouder(s), dient dit door of onder verantwoordelijkheid van een arts beoordeeld te worden. Het college kan bij het onderzoek naar de (dreigende) overbelasting van de ouder(s) ook vragen naar een verklaring van de behandelend arts of huisarts van deze ouders, of in dit kader een medisch advies opvragen.

  • 5.

    Voor wat betreft het vaststellen van de balans tussen draagkracht en draaglast wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurende situaties:

    • o

      Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende eigen kracht van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.

      In kortdurende situaties wordt er vanuit gegaan aan dat draagkracht en draaglast in balans zijn en bieden ouders of huisgenoten alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouders of huisgenoten mag worden verwacht.

    • o

      Langdurend: het gaat om langdurige situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig zal zijn of meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

      In langdurende situaties bieden ouder(s) of huisgenoten alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf en wordt vanuit gegaan dat de draagkracht en draaglast in balans zijn, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouders of huisgenoten mag worden verwacht.

  • 6.

    Het bieden van een beschermde woonomgeving van ouder(s) aan hun kinderen is tot en met de leeftijd van 18 jaar in principe een zorgtaak van de ouders, zowel in kortdurende als langdurende situaties.

  • 7.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het onderzoek naar de balans tussen draagkracht en draaglast en de uitwerking daarvan.

 

§ 4.3 Besluitvorming

Artikel 19. Besluit

  • 1.

    Het college legt het besluit omtrent het al dan niet verlenen van een individuele voorziening binnen 8 weken na de aanvraag vast in een beschikking.

  • 2.

    Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag, evenals het onderzoek en het daaruit voortvloeiende ondersteuningsplan.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig als mogelijk een passende voorziening. Het college legt het besluit omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

Artikel 20. Inhoud en geldigheidsduur beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt vastgelegd:

    • a.

      welke individuele voorziening verstrekt wordt, wie de jeugdhulp gaat bieden en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt, en indien van toepassing welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 2.

    Het ondersteuningsplan maakt deel uit van de beschikking.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking naast de in het eerste lid genoemde zaken bovendien:

    • a.

      de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      de wijze van toezicht en verantwoording ten aanzien van de besteding van het pgb.

  • 4.

    Het besluit tot toekenning van een individuele voorziening wordt afgegeven met een in de beschikking vastgestelde geldigheidsduur.

  • 5.

    Bij de beschikking wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en/of ouder(s) op grond van de wet, de verordening en de nadere regels.

  • 6.

    Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en kan hierover nadere regels vaststellen.

Hoofdstuk 5. Aanvullende regels voor een individuele voorziening in de vorm van een pgb

Artikel 21. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1. van de wet.

  • 2.

    Als een jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen:

    • a.

      de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is;

    • b.

      welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe dit resultaat wordt geëvalueerd.

    • c.

      de voorgenomen formele en/of informele uitvoerder(s) van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

    • d.

      op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd;

    • e.

      de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.

  • 3.

    Het college kan slechts een pgb verlenen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a.

      de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten;

    • b.

      uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 23 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetvertegenwoordiger in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en

    • c.

      naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.

  • 4.

    De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, voor zover het niet gaat om een ggz-behandeling.

  • 5.

    Het college kan een pgb weigeren:

    • a.

      voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de natura voorziening, of

    • b.

      als het college het pgb eerder heeft herzien of ingetrokken omdat sprake is geweest dat de jeugdige en/of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, de jeugdige en/of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb, of de jeugdige en/of zijn ouders het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.

  • 6.

    Het college kan uit oogpunt van rechtmatigheid en kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de besteding van het pgb onderzoeken.

  • 7.

    Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.

Artikel 22. Uitgesloten van pgb

De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:

  • a.

    kosten voor bemiddeling;

  • b.

    kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

  • c.

    kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

  • d.

    kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

  • e.

    kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering.

  • f.

    kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;

  • g.

    kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 4 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;

  • h.

    kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);

    kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag.

Artikel 23. Pgb-vaardigheid

  • 1.

    Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetvertegenwoordiger, in ieder geval:

    • a.

      een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;

    • b.

      op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;

    • c.

      in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

    • d.

      voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;

    • e.

      in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

    • f.

      in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;

    • g.

      in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • h.

      in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

    • i.

      in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

    • j.

      voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.

  • 2.

    Een budgethouder of een budgetvertegenwoordiger wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • a.

      het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend;

    • b.

      er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden:

      • 1°.

        schuldenproblematiek;

      • 2°.

        ernstige verslavingsproblematiek;

      • 3°.

        aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      • 4°.

        een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

      • 5°.

        een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

      • 6°.

        een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

      • 7°.

        het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift.

Artikel 24. Onderscheid formele en informele hulp

  • 1.

    Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen,

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of:

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel (ZZP-er). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

  • 2.

    Personen als bedoeld in het eerste lid dienen eveneens:

    • a.

      ingeschreven te staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet (zoals SKJ), voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp;

    • b.

      in het bezit te zijn van een Verklaring Omtrent Gedrag.

  • 3.

    Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp.

  • 4.

    Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 en 2, is sprake van informele hulp. Informele hulpverleners dienen tevens in het bezit te zijn van een Verklaring Omtrent Gedrag.

  • 5.

    Het college kan nadere regels vaststellen over de kwalificaties van formele en informele hulp.

Artikel 25. Hoogte pgb

  • 1.

    De hoogte van het pgb wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten en andere maatregelen die tot de individuele voorzieningen behoren, van derden te betrekken.

  • 2.

    De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt maximaal:

    • a.

      90% van de kostprijs van de in de betreffende situatie individuele voorziening in natura, als het een aanbieder betreft.

    • b.

      80% van de kostprijs van de in de betreffende situatie individuele voorziening in natura, als de zorg wordt betrokken van een ZZP-er.

  • 3.

    Als het op basis van lid 2 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de jeugdhulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht.

  • 4.

    De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt € 20,- per uur.

  • 5.

    De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd en bekendgemaakt, waarbij:

    • a.

      de indexering wordt berekend uit de som van het geprognosticeerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t – 1) geprognosticeerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en

    • b.

      het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 90% op basis van het geprognosticeerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 10% op basis van het geprognosticeerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA.

  • 6.

    Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 7.

    Bij jeugdhulp die wordt verleend op basis van een verklaring als bedoeld in artikel 8ab lid 1 Regeling Jeugdwet bedraagt het pgb de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab lid 1 van de Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het pgb-plan van de cliënt kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming.

  • 8.

    Het college kan nadere regels vaststellen over de hoogte van het pgb.

Hoofdstuk 6. Inlichtingen- en medewerkingsplicht, herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik

Artikel 26. Inlichtingen- en medewerkingsplicht

  • 1.

    Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb.

  • 2.

    De jeugdige en/of zijn ouder(s) zijn verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

  • 3.

    Het college kan nadere regels vaststellen over de inlichtingen- en medewerkingsplicht.

Artikel 27. Herziening, intrekking, opschorting en terugvordering

  • 1.

    Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.

  • 2.

    Het college kan onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.4 van de wet een besluit aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb, genomen op grond van deze verordening, herzien (beëindigen of wijzigingen) of intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;

    • b.

      De jeugdige en/of ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • c.

      De individuele voorziening in de vorm van natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      De jeugdige en/of ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in de vorm van natura of in de vorm van een pgb;

    • e.

      De jeugdige en/of ouder(s) de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet gebruiken, of in het geval van een pgb, voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd; of

    • f.

      de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulp-aanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan.

  • 3.

    Als het college een besluit heeft ingetrokken of herzien op grond van het tweede lid onderdeel a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.

  • 4.

    Na herziening of intrekking zoals genoemd in het tweede lid kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb (en ZIN) invorderen.

  • 5.

    Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking (opschorting) van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.

Artikel 28. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik

  • 1.

    Het college informeert jeugdige en/of ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Het college kan een toezichthouder aanwijzen die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 3.

    Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

Hoofdstuk 7. Afstemming met andere voorzieningen

Artikel 29. Afstemming met gezondheidszorg

  • 1.

    Het college maakt afspraken met huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel e van de wet en artikel 6 van deze verordening, plaatsvindt.

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) over hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.

  • 3.

    Het college draagt er zorg voor dat de jeugdige en/of ouder(s) ondersteund worden richting het CIZ, als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

Artikel 30. Afstemming met de gecertificeerde instellingen

  • 1.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 en de gecertificeerde instellingen.

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over:

    • a.

      het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 van de wet;

    • b.

      het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;

    • c.

      de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en de wijze waarop die het college daarvan op de hoogte gesteld wordt;

    • d.

      wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een persoonsgebonden budget kan zijn namens de jeugdige en zijn ouder(s);

    • e.

      hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden.

  • 3.

    Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5 lid 3 lid van de wet.

  • 4.

    Het college heeft het Crisis Interventie Team Haaglanden het mandaat verleend om buiten kantoortijden zelfstandig een verleningsbesluit c.q. het indienen van een verzoek tot verlenen van een (spoed)machtiging bij de rechtbank om uithuisplaatsingen gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader te realiseren, zonder (voor)overleg met het Jeugdteam Rijswijk.

Artikel 31. Afstemming met het justitiedomein

  • 1.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen ten aanzien van het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de wet.

  • 2.

    Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken zoals bedoeld in het eerste lid op in het protocol zoals bedoeld in artikel 30 lid 3 van deze verordening en het protocol bedoeld in artikel 3.1 lid 5 van de wet.

Artikel 32. Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het toegangsteam van de gemeente.

  • 2.

    Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in lid 1 genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren.

  • 3.

    Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige en/of ouder(s).

Artikel 33. Afstemming met Veilig Thuis

Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen.

Artikel 34. Afstemming met Wmo‐voorzieningen

  • 1.

    Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen dan wel ouder(s) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 2.

    Het college draagt zorg voor de continuïteit van zorg wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Artikel 35. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen

Het college draagt er zorg voor dat het toegangsteam, de jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en daar waar nodig jeugdigen en/of hun ouder(s) helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen –zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen - aan te vragen om deze belemmeringen weg te nemen.

Hoofdstuk 8. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit

Artikel 36. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen

  • 1.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het college hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

    • a.

      de aard en omvang van de te verrichten taken;

    • b.

      de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

    • c.

      een redelijke toeslag voor overheadkosten;

    • d.

      een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

    • e.

      kosten voor bijscholing van het personeel.

Hoofdstuk 9. Klachten en medezeggenschap

Artikel 37. Klachtregeling

Het college behandelt klachten van de jeugdige en/of ouder(s) die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de bepalingen van de Verordening klachtbehandeling gemeente Rijswijk 2025.

Artikel 38. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid

  • 1.

    Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de Verordening Adviesraad Sociaal Domein.

  • 2.

    Het college stelt de Adviesraad Sociaal Domein vroegtijdig in de gelegenheid om voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat de Adviesraad Sociaal Domein kan deelnemen aan een periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden en zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 10. Slotbepalingen

Artikel 39. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt op basis van de Kadernota Sociaal Domein geëvalueerd.

Artikel 40. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of ouder(s) afwijken van de bepalingen van deze verordening als toepassing van deze verordening kan leiden tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 41. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening jeugdhulp gemeente Rijswijk 2022 wordt per 1 januari 2026 ingetrokken.

  • 2.

    Een jeugdige en/of ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Rijswijk 2022, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp gemeente Rijswijk 2022 waarop nog niet is beslist bij de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Rijswijk 2022 die ten aanzien van de betreffende zaak rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouders worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening jeugdhulp gemeente Rijswijk 2026 tot een gunstigere uitkomst leidt.

Artikel 42. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp Rijswijk 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [16 december 2025]

De voorzitter,

De griffier,

Bijlage 1. Overzicht ouderlijke verzorgings- en opvoedtaken

 

Naar boven