Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Groene Metropool

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden;

overwegende dat:

  • -

    de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Regio Arnhem in werking is getreden op 14 november 2012;

  • -

    de Algemene Besturen van de gemeenschappelijke regelingen Omgevingsdienst Regio Arnhem en Omgevingsdienst Regio Nijmegen vanwege de versterking van het VTH-stelsel in de Regio Arnhem en Nijmegen op 6 mei 2025 hebben uitgesproken de beide diensten onder te willen brengen in een nieuw te vormen Omgevingsdienst voor de regio Arnhem en Nijmegen;

  • -

    de op te richten omgevingsdienst de vorm van een openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen krijgt;

gelet op:

  • -

    artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • -

    de toestemming van de gemeenteraad op 25 november 2025;

 

b e s l u i t:

 

de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Groene Metropool te treffen.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      actualisatie van de begroting: hiervan is sprake als het Algemeen Bestuur de begroting van het openbaar lichaam wijzigt zonder gevolgen voor de bijdrage per deelnemer. Er mag wel sprake zijn van aanpassingen in de programma’s of andere aanpassingen mits er geen sprake is van nieuwe uitgangspunten die nog niet eerder onder de aandacht zijn gebracht van gemeenteraden en Provinciale Staten;

    • b.

      basistaken: taken als bedoeld in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit;

    • c.

      bovenregionale taken: taken die ten behoeve van de deelnemers en van deelnemers aan andere omgevingsdiensten worden verricht, niet zijnde complexe taken;

    • d.

      complexe taken: basistaken ten aanzien van complexe activiteiten zijnde:

      • vergunningplichtige milieubelastende activiteiten die zijn of worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009; of

      • milieubelastende activiteiten waarop de Richtlijn industriële emissies van toepassing is;

      • overige milieubelastende activiteiten die vallen onder provinciaal bevoegd gezag;

    • e.

      deelnemers: bestuursorganen die deze gemeenschappelijke regeling hebben getroffen;

    • f.

      directeur: directeur van het openbaar lichaam;

    • g.

      Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Gelderland;

    • h.

      gemeenteraden: raden van de deelnemende gemeenten;

    • i.

      de minister: minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

    • j.

      openbaar lichaam: openbaar lichaam Omgevingsdienst Groene Metropool;

    • k.

      Provinciale Staten: Provinciale Staten van Gelderland;

    • l.

      regeling: gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Groene Metropool;

    • m.

      Wet: Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • n.

      wijziging van de begroting: er is sprake van een wijziging van de begroting op het moment dat het Algemeen Bestuur wijzigingen doorvoert waardoor de bijdrage van de deelnemers wijzigt. Het moet gaan om items die niet eerder aan de orde zijn geweest in de begroting en om die reden ook nog niet onder de aandacht zijn gebracht bij de gemeenteraden en Provinciale Staten.

  • 2.

    Uitgezonderd van de complexe taken zijn de volgende vergunningplichtige milieubelastende activiteiten die zijn of worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009:

    • het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens als bedoeld in de Richtlijn industriële emissies categorie 6.6;

    • activiteiten ten behoeve van cultuur, sport en recreatie (SBI 9321, 931.1 t/m 931.10, 931.B t/m 931.D en 93299);

    • het exploiteren van een rangeerterrein (SBI 491, 492.2);

    • activiteiten ten behoeve van trafostations (SBI 35.C4 en 35.C5) en de schakelstations van het 380 KV hoogspanningsnet;

    • agrarische activiteiten waarbij mest wordt verwerkt als nevenactiviteit, waarbij die mest uitsluitend afkomstig is uit de eigen activiteiten;

    • activiteiten met een helikopterstandplaats als nevenactiviteit (SBI 5223.B);

    • activiteiten met betrekking tot betonmortel en -waren (SBI 23611, 2363, 2364, 2365 en 2369), voor zover er geen sprake is van een ippc-installatie;

    • activiteiten met betrekking tot rioolwaterzuiveringen (SBI 3700), voor zover er geen sprake is van een ippc-installatie.

Artikel 2 Belang

De regeling is ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van de belangen van de deelnemers ter zake van vergunningverlening, toezicht, handhaving en advisering in het kader van het omgevingsrecht. Onder de belangen van de deelnemers wordt tevens begrepen het belang van een goede samenwerking tussen de omgevingsdiensten in Gelderland.

Artikel 3 Openbaar lichaam

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Groene Metropool, afgekort ODGM.

  • 2.

    Het openbaar lichaam is statutair gevestigd in Arnhem. De statutaire vestigingsplaats is niet per definitie de feitelijke vestigingsplaats.

  • 3.

    Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit een Algemeen Bestuur, een Dagelijks Bestuur en een voorzitter.

Hoofdstuk 2 Taken, bevoegdheden en bijdragen

Artikel 4 Basistaken

  • 1.

    Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 brengen de deelnemers de uitvoering van de basistaken onder bij het openbaar lichaam.

  • 2.

    Tot de basistaken kunnen behoren coördinerende, adviserende en ondersteunende taken ten behoeve van de basistaken.

  • 3.

    Over het uitvoeren van de basistaken worden afzonderlijke overeenkomsten gesloten tussen een deelnemer en het openbaar lichaam.

Artikel 5 Overige taken in het omgevingsrecht

  • 1.

    Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 kunnen de deelnemers de uitvoering van overige taken in het omgevingsrecht onderbrengen bij het openbaar lichaam.

  • 2.

    Overige taken zijn in ieder geval de Omgevingswet-taken voor zover niet behorend tot de in artikel 4 bedoelde basistaken, zoals taken betreffende de Huisvestingswet, de Leegstandswet, de Algemene Plaatselijke Verordening dan wel de daarvoor in de plaats getreden regelgeving.

  • 3.

    Tot de taken bedoeld in de eerste twee leden kunnen in ieder geval behoren coördinerende, adviserende en ondersteunende taken in verband met die taken.

  • 4.

    Over het uitvoeren van de overige taken bedoeld in het eerste lid worden afzonderlijke vereenkomsten gesloten tussen een deelnemer en het openbaar lichaam.

Artikel 6 Incidentele taken

  • 1.

    Op verzoek van een deelnemer kan het openbaar lichaam incidentele taken in het omgevingsrecht uitvoeren.

  • 2.

    Over de uitvoering van de incidentele taken worden afzonderlijke opdrachten verstrekt door de deelnemer aan het openbaar lichaam.

Artikel 7 Bovenregionale taken en complexe taken

  • 1.

    Het openbaar lichaam is gehouden bovenregionale taken en complexe taken die niet kunnen worden uitgevoerd door het openbaar lichaam in overeenstemming met de VTH geldende kwaliteitscriteria laten uitvoeren door andere Gelderse omgevingsdiensten die de taken aan zich hebben getrokken.

  • 2.

    Het openbaar lichaam is gehouden bovenregionale taken en complexe taken die het openbaar lichaam aan zich heeft getrokken, uit te voeren voor andere omgevingsdiensten in Gelderland.

  • 3.

    De taken worden uitgevoerd tegen vergoeding van de tussen de Gelderse omgevingsdiensten overeengekomen kosten.

  • 4.

    Over de uitvoering van bovenregionale en complexe taken kunnen overeenkomsten worden gesloten tussen het openbaar lichaam en andere Gelderse omgevingsdiensten.

  • 5.

    Over de uitvoering van bovenregionale en complexe taken kunnen voor in het bijzonder aangewezen gevallen samenwerkingsovereenkomsten worden gesloten tussen een omgevingsdienst en andere publiekrechtelijke rechtspersonen.

Artikel 8 Bevoegdheden

  • 1.

    De deelnemers dragen geen publiekrechtelijke bevoegdheden over aan het openbaar lichaam.

  • 2.

    De deelnemers beslissen ieder afzonderlijk over de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het openbaar lichaam, waarbij zoveel mogelijk uniformiteit wordt nagestreefd.

Artikel 9 Beperking privaatrechtelijke bevoegdheden

Het openbaar lichaam is behoudens instemming van de deelnemers niet bevoegd tot:

  • a.

    het vestigen van opstal-, pand- en hypotheekrechten;

  • b.

    het afgeven van garanties of andere waarborgen;

  • c.

    het in erfpacht aannemen of uitgeven van roerende of onroerende zaken;

  • d.

    het in eigendom aannemen of uitgeven van onroerende zaken;

  • e.

    commerciële dienstverlening aan private partijen.

Artikel 10 Bijdragen

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur stelt tegelijk met de begroting de producten en diensten catalogus voor dat jaar vast inclusief de tarieven betreffende dat jaar.

  • 2.

    In de begroting staat een overzicht met de begrote bijdrage voor elke deelnemer, gebaseerd op het concept werkprogramma waarin het aantal af te nemen producten en diensten en tarieven voor dat betreffende jaar staan opgenomen.

  • 3.

    De deelnemers betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober telkens een kwart van de in het tweede lid bedoelde bijdrage.

    Jaarlijks, in januari na afloop van het betreffende jaar, worden de voorschotten afgerekend op basis van de werkelijk afgenomen producten en diensten.

  • 4.

    Betaling van taken die aanvullend op de begroting worden overeengekomen tussen het openbaar lichaam en een deelnemer geschiedt naar algemeen gehanteerde betaaltermijnen van dertig dagen na factuur.

  • 5.

    Deelnemers dragen er zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende liquide middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. Inhoudende dat de deelnemers gezamenlijk garant staan voor de juiste betaling van investeringen en de daaruit voortvloeiende rente, aflossing, boeten en kosten.

Hoofdstuk 3 Algemeen Bestuur

Artikel 11 Samenstelling en stemverhouding

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur bestaat uit 17 personen, waaronder de voorzitter.

  • 2.

    Elke deelnemer wijst uit zijn midden een lid van het Algemeen Bestuur aan.

  • 3.

    Elke deelnemer wijst uit zijn midden een plaatsvervangend lid van het Algemeen Bestuur aan.

  • 4.

    Een lid van het Algemeen Bestuur kan niet tevens medewerker in dienst van of op grond van een overeenkomst van opdracht werkzaam zijn voor het samenwerkingsverband dan wel in dienst van de provincie Gelderland.

  • 5.

    Het aantal stemmen van een deelnemer is gerelateerd aan diens bijdrage in de begroting van de omgevingsdienst voor de taken bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling.

    Bijdrage in euro’s: Aantal stemmen:

    < 1 miljoen 1

    1 – 2,2 miljoen 2

    2,2 – 4,4 miljoen 3

    4,4 – 6,6 miljoen 4

    6,6 – 8,8 miljoen 5

    8,8 – 13,2 miljoen 6

    13,2 – 22 miljoen 7

    > 22 miljoen 8

  • 6.

    Het aantal stemmen per deelnemer wordt jaarlijks vastgesteld in de vergadering waarin ook de begroting voor het navolgende jaar definitief wordt vastgesteld. De stemverhouding gaat in, op 1 januari van het nieuwe begrotingsjaar voor het eerst op 1 januari 2026. Bij grote wijzigingen in de bijdragen van deelnemers kan eerder tot herziening worden besloten door het Algemeen Bestuur.

  • 7.

    Besluiten worden genomen met minimaal twee derde meerderheid uitgebracht door minimaal 9 leden van het Algemeen Bestuur, tenzij de Wet of de regeling anders bepalen.

Artikel 12 Aanwijzing, schorsing en ontslag leden Algemeen Bestuur

  • 1.

    Als tussentijds een vacature in het Algemeen Bestuur ontstaat, wijst de deelnemer in de eerstvolgende vergadering of zo snel mogelijk na die vergadering een nieuw lid aan.

  • 2.

    Een lid van het Algemeen Bestuur kan door de deelnemer die hem heeft aangewezen ontslag worden verleend of worden geschorst als dit lid het vertrouwen van die deelnemer niet meer bezit. Het ontslag gaat onmiddellijk in.

  • 3.

    Van elke aanwijzing, schorsing of ontslag geeft de deelnemer die het aangaat terstond kennis aan de voorzitter.

  • 4.

    Een lid van het Algemeen Bestuur kan ontslag nemen. Hij stelt de voorzitter en de deelnemer die hem heeft aangewezen hiervan tijdig op de hoogte. Het ontslag gaat in zodra in opvolging is voorzien.

  • 5.

    Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur eindigt van rechtswege zodra het lid geen lid meer is van de deelnemer die hem heeft aangewezen of zodra de deelnemer die hem heeft aangewezen uittreedt.

  • 6.

    Het eerste tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op plaatsvervangende leden.

Artikel 13 Werkwijze

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dat nodig oordeelt of twee leden van het Algemeen Bestuur daarom verzoeken, alsmede indien het Dagelijks Bestuur daarom verzoekt, doch ten minste tweemaal per jaar.

  • 2.

    In de vergadering van het Algemeen Bestuur kan alleen worden beraadslaagd en besloten als ten minste 9 leden aanwezig zijn.

  • 3.

    Als het vereiste aantal leden niet aanwezig is, schrijft de voorzitter een nieuwe vergadering uit waarop het tweede lid en artikel 11, zevende lid, niet van toepassing zijn. Tussen de twee vergaderingen zit minimaal een werkdag.

  • 4.

    In een vergadering als bedoeld in het derde lid is artikel 11, zevende lid, van toepassing op besluiten over andere aangelegenheden dan die waarvoor de oorspronkelijke vergadering was belegd.

  • 5.

    Het Algemeen Bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden.

Artikel 14 Bevoegdheden

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur stelt de begroting en de jaarrekening vast.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur kan besluiten tot oprichting van en deelneming in rechtspersonen met inachtneming van het bepaalde in artikel 55a van de Wet.

  • 3.

    Besluiten van het Algemeen Bestuur worden voor zienswijze aan de gemeenteraden van de deelnemers en Provinciale Staten voorgelegd als het besluiten –naast de wettelijke verplichte– van groot financieel en politiek belang betreft.

  • 4.

    Ingezetenen van de deelnemende provincies en gemeenten en belanghebbenden worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid betrokken op een bij de deelnemende provincie en gemeenten gebruikelijke wijze. In dat geval is afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht, niet meer van toepassing op de participatie. Het Algemeen Bestuur kan een andere procedure voor de participatie voorschijven.

  • 5.

    Het Algemeen Bestuur kan bevoegdheden overdragen aan het Dagelijks Bestuur met uitzondering van de bevoegdheden tot het vaststellen van de begroting en wijziging en actualisatie daarvan, de vaststelling van de jaarrekening en het besluit tot oprichting van en deelneming in rechtspersonen.

  • 6.

    Het Algemeen Bestuur kan instructies geven voor de werkwijze van het Dagelijks Bestuur.

  • 7.

    Het Algemeen Bestuur beslist over alle andere aangelegenheden waarvoor de bevoegdheid niet op grond van de Wet of deze regeling aan het Dagelijks Bestuur of aan de voorzitter toekomt.

Hoofdstuk 4 Dagelijks Bestuur

Artikel 15 Samenstelling en stemverhouding

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur bestaat uit een oneven aantal, bestaande uit de voorzitter en maximaal zes andere leden. Waarvan drie geborgde zetels voor de gemeente Nijmegen, gemeente Arnhem en de provincie Gelderland.

  • 2.

    De aanwijzing van de leden van het Dagelijks Bestuur geschiedt op basis van gezamenlijke voordrachten uit de leden van het Algemeen Bestuur.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid doet de deelnemer als bedoeld in het tweede lid waaruit de voorzitter afkomstig is geen voordracht.

  • 4.

    De leden van het Dagelijks Bestuur hebben ieder een stem. Bij het staken van de uitgebrachte stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.

Artikel 16 Aanwijzing, schorsing en ontslag leden Dagelijks Bestuur

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur wijst in beginsel uit zijn midden de andere leden van het Dagelijks Bestuur als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aan.

  • 2.

    Het lidmaatschap van het Dagelijks Bestuur eindigt zodra het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur eindigt of wanneer een ontslag uit het Dagelijks Bestuur ingaat.

  • 3.

    Als tussentijds een vacature in het Dagelijks Bestuur ontstaat, wijst het Algemeen Bestuur in zijn eerstvolgende vergadering of ten spoedigste daarna een nieuw lid aan.

  • 4.

    Een lid van het Dagelijks Bestuur, niet zijnde de voorzitter, kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het Algemeen Bestuur. Het ontslag gaat in zodra in opvolging is voorzien.

  • 5.

    Het Algemeen Bestuur kan een lid van het Dagelijks Bestuur, niet zijnde de voorzitter, ontslag verlenen of schorsen als dat lid het vertrouwen van het Algemeen Bestuur niet meer bezit. Het ontslag gaat onmiddellijk in.

Artikel 17 Werkwijze

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of een lid van het Dagelijks Bestuur hierom verzoekt.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen.

  • 3.

    In de vergadering van het Dagelijks Bestuur kan alleen worden beraadslaagd en besloten als meer dan de helft van de leden aanwezig is.

  • 4.

    Als het vereiste aantal leden niet aanwezig is, schrijft de voorzitter een nieuwe vergadering uit waarop het derde lid niet van toepassing is. Tussen de twee vergaderingen zit minimaal een werkdag.

  • 5.

    In een vergadering als bedoeld in het derde lid kan alleen worden beraadslaagd en besloten over andere aangelegenheden dan die waarvoor de oorspronkelijke vergadering was belegd als meer dan de helft van het totaal aantal leden aanwezig is.

  • 6.

    De vergaderingen van het Dagelijks Bestuur zijn niet openbaar, tenzij de vigerende wet- en regelgeving openbaarmaking verplicht stelt.

Artikel 18 Bevoegdheden

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur is belast met en bevoegd tot het voeren van het Dagelijks Bestuur, waaronder in ieder geval wordt verstaan:

    • a.

      het voorbereiden van al hetgeen aan het Algemeen Bestuur ter beraadslaging en besluitvorming wordt voorgelegd;

    • b.

      het uitvoeren van de besluiten van het Algemeen Bestuur;

    • c.

      het voorstaan van de belangen van de regeling en het openbaar lichaam bij andere overheden, instellingen en diensten waarmee, of personen met wie contact met het Dagelijks Bestuur van belang is;

    • d.

      het beheer van activa en passiva van het openbaar lichaam;

    • e.

      het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht en bezit;

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur bepaalt de wijze waarop de directeur bij verhindering of ontstentenis wordt vervangen.

  • 3.

    Het Dagelijks Bestuur stelt voor de directeur een instructie vast die in ieder geval de taken van de directeur en de aansturing van het personeel betreft.

  • 4.

    Het Dagelijks Bestuur is belast met het aangaan van arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht, het ontslaan en schorsen van het personeel, waaronder begrepen de directeur.

  • 5.

    De arbeidsvoorwaardenregelingen voor de directeur en voor het overige personeel van het openbaar lichaam worden door het Dagelijks Bestuur vastgesteld.

  • 6.

    Het Dagelijks Bestuur is bevoegd tot het aangaan van privaatrechtelijke overeenkomsten met uitzondering van privaatrechtelijke handelingen als bedoeld in artikel 55a van de Wet en artikel 9 van de regeling.

  • 7.

    Het Dagelijks Bestuur is bevoegd tot het voeren van rechtsgedingen namens het openbaar lichaam, tenzij het Algemeen Bestuur in bepaalde gevallen anders beslist.

Hoofdstuk 5 Voorzitter

Artikel 19 Voorzitter

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur wijst uit zijn midden de voorzitter aan.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan die de voorzitter vervangt bij diens verhindering of ontstentenis.

  • 3.

    De voorzitter kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het Algemeen Bestuur. Het ontslag gaat in zodra in opvolging is voorzien.

  • 4.

    Als tussentijds de functie van de voorzitter vacant wordt, wijst het Algemeen Bestuur in zijn eerstvolgende vergadering of ten spoedigste daarna de nieuwe voorzitter aan.

  • 5.

    De voorzitter is lid van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur.

Artikel 20 Bevoegdheden

  • 1.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur.

  • 2.

    De voorzitter en de secretaris ondertekenen gezamenlijk de stukken die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan.

  • 3.

    De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.

Hoofdstuk 6 Informatie en verantwoording

Artikel 21 Dagelijks Bestuur en voorzitter ten opzichte van het Algemeen Bestuur

  • 1.

    De leden van het Dagelijks Bestuur zijn tezamen en ieder afzonderlijk aan het Algemeen Bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 2.

    Zij geven gevraagd en ongevraagd aan het Algemeen Bestuur digitaal alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het Dagelijks Bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.

  • 3.

    Zij geven tezamen en ieder afzonderlijk inlichtingen aan het Algemeen Bestuur wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt.

Artikel 22 Algemeen en Dagelijks Bestuur ten opzichte van de gemeenteraden en Provinciale Staten

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter geven aan de gemeenteraden en Provinciale Staten gevraagd en ongevraagd digitaal alle en dezelfde inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter verstrekken aan de gemeenteraden en Provinciale Staten digitaal alle en dezelfde inlichtingen waarom is gevraagd door een of meer leden van die gemeenteraden of Provinciale Staten.

  • 3.

    Een lid van het Algemeen Bestuur geeft digitaal alle inlichtingen waarom is gevraagd door een of meer leden van de gemeenteraad van de deelnemer die hem heeft aangewezen, respectievelijk een of meer leden van Provinciale Staten in het geval het lid is aangewezen door Gedeputeerde Staten. Hij is bovendien aan de gemeenteraad of Provinciale Staten verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.

  • 4.

    Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter stellen, ieder voor zover, bevoegd, in gezamenlijkheid een informatieprotocol vast.

Artikel 23 Leden Algemeen Bestuur ten opzichte van deelnemers

  • 1.

    Een lid van het Algemeen Bestuur verschaft de deelnemer die hem als lid heeft aangewezen digitaal alle inlichtingen die door die deelnemer of door een of meer leden van die deelnemer zijn gevraagd.

  • 2.

    Alvorens de gevraagde inlichtingen zoals bedoeld in het eerste lid te verstrekken, kan het lid zich daarover laten adviseren door het Dagelijks Bestuur.

  • 3.

    Een lid van het Algemeen Bestuur is de deelnemer die hem als lid heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het Algemeen Bestuur gevoerde beleid. Op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van die deelnemer aangegeven wijze.

Hoofdstuk 7 Directeur

Artikel 24 Directeur

  • 1.

    De directeur is hoofd van de ambtelijke organisatie.

  • 2.

    De directeur is ambtelijk secretaris van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur. De directeur staat het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde.

  • 3.

    De directeur is tijdens de vergadering van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur aanwezig.

  • 4.

    De directeur ondertekent als ambtelijk secretaris mede de stukken die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan.

Hoofdstuk 8 Samenwerking Omgevingsdiensten

Artikel 25 Samenwerking Omgevingsdiensten

  • 1.

    De voorzitter heeft regelmatig overleg met de voorzitters van de besturen van de andere omgevingsdiensten in Gelderland en daar waar nodig in andere regio’s.

  • 2.

    De directeur heeft regelmatig overleg met de directeuren van de andere omgevingsdiensten in Gelderland en andere regio’s.

  • 3.

    De overleggen hebben als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen de diensten.

Hoofdstuk 9 Financiële bepalingen

Artikel 26 Begrotingsprocedure

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur zendt twaalf weken vóór vaststelling door het Algemeen Bestuur de ontwerpbegroting vergezeld van een toelichting voor zienswijze rechtstreeks aan de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten en aan Provinciale Staten.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur stelt de ontwerpbegroting vast op een jaarlijks vast te stellen vergadermoment met inachtneming van de wettelijke doorlooptijden.

  • 3.

    Het Dagelijks Bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na vaststelling en in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop deze ziet aan de minister.

  • 4.

    In de begroting wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar verwachte verschuldigde bedrag opgenomen.

  • 5.

    Het Dagelijks Bestuur houdt bij het opstellen van de ontwerpbegroting rekening met het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Daarnaast wordt rekening gehouden met de opgestelde begrotingsrichtlijnen.

  • 6.

    De ontwerpbegroting wordt door het Dagelijks Bestuur en de deelnemers voor eenieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld.

  • 7.

    Provinciale Staten en de gemeenteraden vergaderen niet eerder over de ontwerpbegroting dan twee weken na de openbare kennisgeving. Zij kunnen bij het Dagelijks Bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

  • 8.

    Het Dagelijks Bestuur reageert schriftelijk en gemotiveerd op de zienswijzen van de gemeenteraden en Provinciale Staten en geeft aan welke conclusie het daaraan verbindt, voordat het Algemeen Bestuur de begroting vaststelt.

  • 9.

    Als aanpassing van de begroting gedurende het jaar nodig is, stelt het Algemeen Bestuur vast of er sprake is van een wijziging of actualisering.

  • 10.

    Een actualisatie van de begroting wordt door het Algemeen Bestuur vastgesteld en ter informatie verstuurd naar de gemeenteraden en Provinciale Staten.

  • 11.

    Bij wijzigingen van de begroting wordt de procedure voor vaststelling van de begroting gevolgd.

Artikel 27 Jaarrekening

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur stelt de jaarrekening vast, vóór 15 juli volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur zendt vóór 30 april van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft de voorlopige jaarrekening aan de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten en aan Provinciale Staten.

  • 3.

    De raden van de gemeenten kunnen bij het Dagelijks Bestuur hun zienswijze over de voorlopige jaarrekening naar voren brengen. Hiervoor geldt een termijn van acht weken.

  • 4.

    Het Dagelijks Bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli aan de minister.

  • 5.

    Vaststelling van de jaarrekening strekt het Dagelijks Bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.

  • 6.

    In de jaarrekening wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen.

  • 7.

    Verrekening van het verschil tussen de begrote bijdrage, als bedoeld in artikel 10 van deze regeling, en het werkelijk verschuldigde bedrag volgens de jaarrekening gebeurt zo spoedig mogelijk na vaststelling van de jaarrekening.

Artikel 28 Verdeling saldo

  • 1.

    Het maximum van het totaal aan (bestemmings)reserves wordt bepaald door de weerstandsratio. De weerstandsratio moet minimaal 0,8 zijn. De weerstandsratio is de optelsom van de reserves en de post onvoorzien in de begroting, gedeeld door het totaal aan operationele gekwantificeerde risico’s voor de reguliere bedrijfsvoering.

  • 2.

    De weerstandscapaciteit wordt jaarlijks vastgesteld in de begroting en in de jaarrekening.

  • 3.

    Batige saldi kan worden toegevoegd aan het eigen vermogen tot aan de grens van de weerstandsratio. Als het batig saldo de grens overschrijdt beslist, op voordracht van de directie aan het DB, het Algemeen Bestuur of:

    • a.

      het batig saldo wordt toegevoegd aan de algemene reserve;

    • b.

      een bestemmingsreserve wordt ingesteld voor specifieke doeleinden;

    • c.

      het batig saldo wordt uitgekeerd naar rato van de stemverhouding; of

    • d.

      een combinatie van de genoemde mogelijkheden.

  • 4.

    Als er sprake is van een nadelig saldo, beslist het Algemeen Bestuur of dit geheel of gedeeltelijk ten laste wordt gebracht van:

    • a.

      de bestaande reserves; of

    • b.

      de deelnemers naar rato van hun stemverhouding.

Hoofdstuk 10 Archief

Artikel 29 Zorg en beheer archief

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam overeenkomstig een door het Algemeen Bestuur, vast te stellen regeling.

  • 2.

    De aan de uitvoering van het eerste lid verbonden kosten komen ten laste van het openbaar lichaam.

  • 3.

    Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden wijst het Algemeen Bestuur een archiefbewaarplaats aan en voor het beheer daarvan een archivaris.

  • 4.

    De archivaris oefent overeenkomstig de regeling, bedoeld in het eerste lid, toezicht uit op het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

  • 5.

    Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door de deelnemers gemandateerde taken is belast de archivaris van de desbetreffende deelnemer.

  • 6.

    Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen zoals in de Archiefwet bepaald.

  • 7.

    De zorg voor de archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door de deelnemende overheidsorganisaties gemandateerde taken berust bij deze overheden.

Hoofdstuk 11 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 30 Toetreding

  • 1.

    De deelnemers zijn bevoegd te beslissen over toetreding van nieuwe deelnemers tot de regeling.

  • 2.

    De deelnemers regelen de voorwaarden voor toetreding.

Artikel 31 Uittreding

  • 1.

    Een deelnemer kan uittreden uit de regeling na een daartoe strekkend besluit van de deelnemer.

  • 2.

    Voor uittreding geldt een termijn van anderhalf jaar voorafgaand aan de datum waarop de uittreding plaatsvindt. Uittreding is alleen mogelijk met ingang van 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar na de genoemde termijn.

  • 3.

    Het Algemeen Bestuur inventariseert binnen zes maanden na het besluit tot uittreden de gevolgen van uittreding na overleg met de deelnemers in een uittredingsplan waartoe in ieder geval behoren:

    • a.

      de gevolgen voor het personeel zoals de toewijzing, terugname of overname van medewerkers;

    • b.

      de financiële gevolgen, waaronder de betaling ineens of de afbouw van de bijdrage;

    • c.

      de juridische en organisatorische consequenties en de kosten daarvan die direct het gevolg zijn van de uittreding.

  • 4.

    Bij de bepaling van de financiële gevolgen worden zowel variabele, vaste kosten alsmede het aan de uittredende deelnemer toe te rekenen aandeel in reserves en voorzieningen in aanmerking genomen. Bij de bepaling van de vergoeding voor vaste kosten wordt een termijn van vijf jaar vanaf datum uittreding in acht genomen.

  • 5.

    De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die gelden op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.

  • 6.

    Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om (direct nadat het besluit van de deelnemer is ontvangen) de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het Algemeen Bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.

  • 7.

    Het Algemeen Bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.

  • 8.

    De onafhankelijke externe deskundige stelt de uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur en de uittredende deelnemer komen tot een akkoord op basis van dit vastgestelde bedrag.

  • 9.

    Kunnen het Algemeen Bestuur en de uittredende deelnemer niet tot een akkoord komen op basis van het in lid 8 vastgestelde bedrag, dan zal een andere onafhankelijke externe deskundige (aangewezen op de in lid 7 van dit artikel bedoelde wijze) een voor betrokkenen bindend besluit nemen.

  • 10.

    De financiële gevolgen die het gevolg zijn van de uittreding worden door de uittredende deelnemer gedragen.

  • 11.

    De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom binnen een half jaar nadat de definitieve uittreedsom is vastgesteld.

  • 12.

    Het Dagelijks Bestuur ziet toe op de uittreding en de vereffening van de financiële verplichtingen.

Artikel 32 Wijziging en opheffing

  • 1.

    De regeling kan tussentijds worden gewijzigd of opgeheven als ten minste 12 deelnemers hiertoe besluiten.

  • 2.

    Deelnemers en het Algemeen Bestuur zijn bevoegd een wijziging in de regeling aan de deelnemers in overweging te geven via een daartoe strekkend voorstel. Het Dagelijks Bestuur zendt het voorstel van het Algemeen Bestuur toe aan de deelnemers.

  • 3.

    Bij opheffing van de regeling stelt het Algemeen Bestuur vooraf, na overleg met de deelnemers, een liquidatieplan vast waarin in ieder geval wordt aangegeven wat de gevolgen zijn die de beëindiging heeft voor het personeel en de wijze waarop het positieve of negatieve saldo van het openbaar lichaam over de deelnemers wordt verdeeld.

  • 4.

    Het Dagelijks Bestuur is belast met de vereffening van de financiële verplichtingen.

  • 5.

    De organen van de regeling blijven in functie totdat de liquidatie is voltooid.

Hoofdstuk 12 Klachten

Artikel 33 Klachtenregeling

Het Algemeen Bestuur stelt, met inachtneming van hoofdstuk 9, titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, een interne klachtenregeling vast.

Hoofdstuk 13 Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 34 Evaluatie

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur draagt zorg voor de evaluatie van in ieder geval het algemeen functioneren en de werkwijze van de Omgevingsdienst Groene Metropool.

  • 2.

    De evaluatie vindt in ieder geval eenmaal in de vier jaar plaats en is afgerond twaalf maanden voorafgaand aan de reguliere gemeenteraadsverkiezingen.

Artikel 35 Informatievoorziening

  • 1.

    Het openbaar lichaam zorgt ervoor dat de deelnemers op ieder moment kunnen beschikken over informatie met betrekking tot de in hoofdstuk 2 van deze regeling genoemde taken waarvoor zij het bevoegde bestuursorgaan zijn.

  • 2.

    Ten aanzien van de taken, bedoeld in hoofdstuk 2 van deze regeling, geldt dat de wijze van benadering en ontsluiting van de op die taken betrekking hebbende informatie door het openbaar lichaam is afgestemd met die van de andere regionale omgevingsdiensten in Gelderland.

Artikel 36 Inwerkingtreding en bekendmaking

  • 1.

    De regeling treedt in werking op 1 januari 2026 nadat deze op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten dragen zorg voor de bekendmaking van de geconsolideerde tekst in het Provinciaal blad van Gelderland.

  • 3.

    Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging of opheffing van de regeling.

Artikel 37 Duur van de regeling

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 38 Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Groene Metropool.

Aldus vastgesteld in de openbare collegevergadering van 9 december 2025.

De Steeg, 9 december 2025

Het college voornoemd,

burgemeester.

secretaris.

Naar boven