Verordening vergunningparkeren Leidschendam-Voorburg 2026

De raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 oktober 2025,

 

gelet op artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 147, 149, 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h, 216, 217, 219 en 225 van de Gemeentewet en de Regeling gehandicaptenparkeerkaart;

 

besluit:

 

vast te stellen de volgende:

 

Verordening vergunningparkeren Leidschendam-Voorburg 2026

 

AFDELING I. DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    adres: door het bevoegde gemeentelijke orgaan aan een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats toegekende benaming, bestaande uit een combinatie van de naam van een openbare ruimte, een nummeraanduiding en de naam van een woonplaats, zoals genoemd in art. 1 van de Wet Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG);

  • b.

    autodeelplaats: een parkeerplaats aangewezen voor een motorvoertuig bestemd voor autodelen;

  • c.

    bedrijf: een door één of meer natuurlijke personen gevoerd, daadwerkelijk activiteiten kennend bedrijf of beroep, ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel of anderszins geregistreerd, waaronder in ieder geval wordt verstaan: naamloze vennootschap, besloten vennootschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, maatschap, eenmanszaak, vrij beroep, overheidsinstelling, vereniging en stichting;

  • e.

    bewoner: inwoner van de gemeente Leidschendam-Voorburg die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en staat ingeschreven als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Leidschendam-Voorburg op het adres dat hij/zij bewoont als zelfstandige woning;

  • f.

    bezoeker: persoon die een adres bezoekt binnen een vergunninghoudersgebied maar zelf niet als bewoner ingeschreven staat binnen dit vergunninghoudersgebied, dan wel geen beroep uitoefent via een bedrijf dat ingeschreven staat in dit vergunninghoudersgebied;

  • g.

    college: het college van burgemeester en wethouders van gemeente Leidschendam-Voorburg;

  • h.

    dag: de periode van 0.00 uur tot en met 23.59 uur, waarbij een gedeelte van die periode als hele dag wordt aangemerkt;

  • i.

    deelauto: een publiek toegankelijke personenauto die voor een korte duur en tegen betaling in een netwerk wordt aangeboden door een commerciële aanbieder of middels een corporatief platform;

  • j.

    free float zone: een concept welke gehanteerd kan worden door een commerciële aanbieder, dan wel corporatief platform, in de vorm van een geografisch gebied waarbinnen een gebruiker van een deelauto, de deelauto kan aan- en afmelden;

  • k.

    houder van een motorvoertuig:

    • 1e.

      persoon van wie het kenteken van het motorvoertuig op naam is geschreven in het kentekenregister als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994; of

    • 2e.

      persoon die met een schriftelijke overeenkomst of een melding in het parkeersysteem kan aantonen dat deze persoon het motorvoertuig in gebruik of in beheer heeft;

  • l.

    kampeermiddel: een middel op twee of meer wielen dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of gebruikt kan worden voor recreatief (nacht)verblijf en zodanig is geregistreerd bij het RDW;

  • m.

    mantelzorg: niet-beroepsmatige zorg die met regelmaat wordt verleend door de directe sociale omgeving van de persoon die de zorg krijgt;

  • n.

    motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990;

  • o.

    parkeerplaats: een voor parkeren bestemd en als zodanig aangeduid gedeelte van de openbare weg of terrein;

  • p.

    parkeerplaats op eigen terrein (POET):

    • I.

      (een) parkeerplaats(en) op een terrein of in een garage waarover de aanvrager kan beschikken op grond van eigendom, erfpacht, huur of ingebruikgeving; of

    • II.

      (een) parkeerplaats(en) waarover de aanvrager kan beschikken op een terrein of in een garage waar in het kader van de verleende bouw- of omgevingsvergunning is overeengekomen dat deze is (zijn) bedoeld als parkeergelegenheid voor het gebouw waarvoor de bouw- of omgevingsvergunning is verleend; of

    • III.

      (een) voormalige parkeerplaats(en) op eigen terrein die door of vanwege de aanvrager een andere bestemming dan die van parkeerplaats heeft gekregen, tenzij de betreffende bestemming is vergund door de gemeente;

  • q.

    parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

  • r.

    religieuze instelling: organisatie die is bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard;

  • s.

    RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • t.

    thuiszorg: beroepsmatige betaalde zorg die met regelmaat wordt verleend door professionele zorgverleners van de persoon die de zorg krijgt;

  • u.

    vergunning: een door het college verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen vergunninghoudersplaatsen;

  • v.

    vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend;

  • w.

    vergunninghoudersgebied: een aangewezen gebied in de gemeente Leidschendam-Voorburg dat bestaat uit één of meerdere weggedeelte(n) dat is of die zijn aangewezen als bestemd voor het parkeren door vergunninghouders;

  • x.

    vergunninghoudersplaats: een parkeerplaats die

    • a.

      is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of

    • b.

      gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd;

  • y.

    zelfstandige woning: een woning, welke een eigen toegang heeft en welke de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woning, tenminste voorzien van:

    • -

      ­ een eigen (afsluitbare) voordeur;

    • -

      ­ een eigen toilet;

    • -

      ­ een eigen badkamer; en

    • -

      ­ een eigen keuken.

AFDELING II. PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN EN VERGUNNINGBEWIJZEN

Artikel 2 Weggedeelten en tijdstippen

  • 1.

    Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3, derde lid.

  • 2.

    Het college kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is toegestaan.

  • 3.

    Het college informeert de raad vooraf als zij voornemens zijn een besluit in de zin van de leden 1 of 2 van dit artikel te nemen.

Artikel 3 Vergunningen

  • 1.

    Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen.

  • 2.

    Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning. Het college informeert hierover de raad, ook bij wijzigingen van bestaande regels.

  • 3.

    Het college kan de volgende vergunningen verlenen:

    • a.

      een bewonersvergunning; aan een bewoner van een zelfstandige woning, gelegen in een vergunninghoudersgebied, indien de bewoner in de Basisregistratie Personen is ingeschreven op een adres in een vergunninghoudersgebied én het motorvoertuig waarvoor de vergunning wordt aangevraagd op zijn naam staat of het motorvoertuig als lease-, huur- of bedrijfsauto wordt gebruikt door de bewoner;

    • b.

      een bedrijfsvergunning; aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een vergunninghoudersgebied en die aantoont dat het bedrijf in het Handelsregister is ingeschreven in het vergunninghoudersgebied en het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening, noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren;

    • c.

      bezoekersregeling bewoners: een vergunning, in de vorm van een urensaldo, voor bewoners van een zelfstandige woning gelegen in een vergunninghoudersgebied, ingeschreven in dat vergunninghoudersgebied die de bezoekers van deze bewoners in staat stelt hun motorvoertuig te parkeren;

    • d.

      bezoekersregeling bedrijven en instellingen: een vergunning, in de vorm van een urensaldo, voor een bedrijf of instelling, in het Handelsregister ingeschreven in dat vergunninghoudersgebied die de bezoekers van deze bedrijven in staat stelt hun motorvoertuig te parkeren;

    • e.

      mantelzorg- en thuiszorgregeling: een vergunning voor bewoners van een zelfstandige woning gelegen in een vergunninghoudersgebied, die mantelzorgers of thuiszorgers van deze bewoners in staat stelt hun motorvoertuig te parkeren;

    • f.

      een instellingsvergunning; aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die werkzaam is voor een overheids- of onderwijsinstelling of kinderdagverblijf die is gelegen in een vergunninghoudersgebied;

    • g.

      een sportverenigingsvergunning; aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig, die werkzaam is voor een sportvereniging die is gelegen in een vergunninghoudersgebied;

    • h.

      een autodeelvergunning; aan een eigenaar of houder van een deelauto, waarvan de autodeelplaats, of 'free float zone’ is gelegen binnen een vergunninghoudersgebied;

    • i.

      een zorgverlenersvergunning; aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die zorg verleent, indien hij staat ingeschreven in het BIG-register en diens praktijk in Leidschendam-Voorburg is gevestigd;

    • j.

      een vergunning voor religieuze instellingen; aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig, die werkzaam is voor een religieuze instelling die gevestigd is in een vergunninghoudersgebied;

    • k.

      een gehandicaptenvergunning; aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die binnen de gemeente woont en die beschikt over een gehandicaptenparkeerkaart, tenzij deze beschikt over een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats, binnen het vergunninghoudersgebied, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd;

    • l.

      een vergunning voor onderhoudsbedrijven; een bedrijfsvergunning voor een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een vergunninghoudersgebied en die aantoont dat het bedrijf in het Handelsregister is ingeschreven buiten het vergunninghoudersgebied en het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening, noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren, voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden;

    • m.

      een tijdelijke vergunning: een vergunning voor incidentele gebeurtenissen die per dag of per week kan worden aangevraagd.

  • 4.

    Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten.

  • 5.

    Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximumaantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten vergunninghoudersgebied en per categorie en per adres vaststellen.

  • 6.

    Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.

  • 7.

    Aan een vergunning kan het college voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.

Artikel 4 Bezoekersregelingen

  • 1.

    Een bezoekersregeling bewoners kan worden aangevraagd door een bewoner van een zelfstandige woning gelegen in een vergunninghoudersgebied en geldt uitsluitend in het vergunninghoudersgebied waar de zelfstandige woning van de bewoner is gelegen.

  • 2.

    Een bezoekersregeling bedrijven en instellingen kan worden aangevraagd door een bedrijf of een instelling, in het Handelsregister ingeschreven in dat vergunninghoudersgebied en geldt uitsluitend in het vergunninghoudersgebied waar het bedrijf is gelegen.

  • 3.

    Een bezoekersregeling wordt verstrekt in de vorm van een urensaldo ter waarde van het voor de bezoekersregeling geldende tarief, vastgelegd in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. Aan het saldo is een maximumaantal uren verbonden.

Artikel 5 Mantelzorg- en thuiszorgregeling

  • 1.

    Een mantelzorg- en thuiszorgregeling kan worden aangevraagd door een bewoner die in de Basisregistratie Personen is ingeschreven in een zelfstandige woning gelegen in een vergunninghoudersgebied, die mantelzorg of thuiszorg ontvangt.

  • 2.

    Een mantelzorg- en thuiszorgregeling geldt uitsluitend in het vergunninghoudersgebied waar de zelfstandige woning van de bewoner (zorgontvanger) is gelegen.

  • 3.

    Een mantelzorg- en thuiszorgregeling wordt aangegaan in de vorm van een maximaal tegoed, in de vorm van een urensaldo, ter waarde van het voor de mantelzorg- en thuiszorg regeling geldende tarief, vastgelegd in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.

Artikel 6 Bereikbaarheid en minimale grootte parkeerplaats op eigen terrein

  • 1.

    De toegangsweg tot de parkeerplaats(en) op eigen terrein dient een minimale breedte te hebben van 2,75 meter.

  • 2.

    Een parkeerplaats op eigen terrein dient ten minste 2,30 meter bij 5,50 meter en een parkeerplaats in een garage dient ten minste 2,65 meter bij 5,50 meter te zijn.

  • 3.

    Op een parkeerplaats, deel uitmakende van een bouw- of omgevingsvergunning, op een terrein of in een garage waarover de aanvrager kan beschikken waar in het kader van de verleende bouw- of omgevingsvergunning is overeengekomen dat deze is (zijn) bedoeld als parkeergelegenheid voor het gebouw waarvoor de bouw- of omgevingsvergunning is verleend, zijn de in het eerste lid genoemde afmetingen van de parkeerplaats niet van toepassing.

Artikel 7 Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning.

  • 2.

    Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 8 Inhoud vergunning

  • 1.

    Een vergunning, zoals genoemd in artikel 3 lid 3, wordt ten hoogste voor een jaar verleend.

  • 2.

    De (digitale versie van de) vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      het type vergunning;

    • b.

      de periode waarvoor de vergunning geldt;

    • c.

      het gebied waarvoor de vergunning geldt;

    • d.

      de tijdsvakken waarvoor de vergunning geldt;

    • e.

      de naam van de vergunninghouder, bedrijf of instelling, en het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend;

    • f.

      de datum van aanvraag en afloop van de vergunning.

Artikel 9 Vergunning weigeren, intrekken of wijzigen

Het college kan een vergunning weigeren, intrekken of wijzigen:

  • a.

    op verzoek van de vergunninghouder;

  • b.

    wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend;

  • c.

    wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;

  • d.

    wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen wordt gewijzigd of komt te vervallen;

  • e.

    wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan;

  • f.

    wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

  • g.

    wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt;

  • h.

    om redenen van openbaar belang;

  • i.

    wanneer het maximale aantal vergunningen voor het betreffende vergunninghoudersgebied, of adres of categorie is uitgegeven;

  • j.

    indien de aanvrager de beschikking heeft over een parkeerplaatsen op eigen terrein (POET), en het college nadere regels heeft vastgesteld voor het betreffende vergunninghoudersgebied, waarbij het hebben van een parkeerplaats op eigen terrein gevolgen heeft voor het aantal vergunningen dat aangevraagd kan worden;

  • k.

    indien de aanvrager beschikt over een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats binnen het vergunninghoudersgebied, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.

AFDELING III. VERBODSBEPALINGEN

Artikel 10 Verboden

  • 1.

    Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een vergunninghoudersplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:

    • a.

      zonder geldige vergunning;

    • b.

      in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

 

AFDELING IV. STRAFBEPALING

Artikel 11  

Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de eerste categorie.

 

AFDELING V. PARKEERBELASTING

Artikel 12 Belastbaar feit

Onder de naam 'parkeerbelasting' wordt een belasting geheven ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Artikel 13 Belastingplicht

De belasting bedoeld in artikel 12 wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.

Artikel 14 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.

Artikel 15 Wijze van heffing

De belasting bedoeld in artikel 12 wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.

Artikel 16 Ontstaan van de belastingschuld

De belasting bedoeld in artikel 12 is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

Artikel 17 Termijnen van betaling

De belasting bedoeld in artikel 12 moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

Artikel 18 Kwijtschelding

Bij de invordering van de belasting bedoeld in artikel 12 wordt geen kwijtschelding verleend.

 

AFDELING VI. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 19 Handhaving

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college aangewezen personen.

Artikel 20 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening vergunningparkeren Leidschendam-Voorburg 2026’.

Artikel 21 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 9 december 2025.

de griffier,

R.G.R. Jeene

de voorzitter,

M.W. Vroom

Tarieventabel Behorende bij de Verordening vergunningparkeren Leidschendam-Voorburg 2026

 

Tarieventabel

 

 

 

 

1

Het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 3 lid 3 bedraagt:

 

 

A

een bewonersvergunning

per jaar

€ 30,00

B

een bedrijfsvergunning

per jaar

€ 30,00

C1

C2

een bezoekersregeling bewoners Extra

een bezoekersregeling bewoners Basis

per blok van 200 uur

eenmalig 50 uur

€ 20,00

€ 00,00

D1

D2

een bezoekersregeling bedrijven en instellingen Extra

een bezoekersregeling bedrijven en instellingen Basis

per blok van 200 uur

eenmalig 50 uur

 

€ 20,00

€ 00,00

E

een mantelzorg- en thuiszorgregeling

per blok van 200 uur

€ 00,00

F

een instellingsvergunning

per jaar

€ 30,00

G

een sportvergunning

per jaar

€ 30,00

H

een autodeelvergunning

per jaar

€ 30,00

I

een zorgverlenersvergunning

per jaar

€ 30,00

J

een vergunning voor religieuze instellingen

per jaar

€ 30,00

K

een gehandicaptenvergunning

per jaar

€ 10,00

L

een vergunning voor onderhoudsbedrijven

per [week OF dag)]

€ 15,00 per week of € 5,00 per dag

M

een tijdelijke vergunning

per [week OF dag)]

€ 15,00 per week of € 5,00 per dag

 

TOELICHTING BIJ DE VERORDENING VERGUNNINGPARKEREN 2026

ALGEMENE TOELICHTING

 

Parkeerbeleid is een belangrijk onderdeel van het gemeentelijk verkeer- en vervoerbeleid. Parkeerbeleid is van belang in verband met de verbetering van de bereikbaarheid en leefbaarheid op lokaal en regionaal niveau. Via parkeerbeleid kunnen gemeenten de verdeling van de vaak schaarse parkeerruimte reguleren en overlast voorkomen. Een van de belangrijkste doelstellingen van het parkeerbeleid van de gemeente Leidschendam-Voorburg is dat bewoners in hun eigen buurt, en dicht bij hun woning kunnen parkeren. In de praktijk lukt dit niet altijd, omdat er in een aantal buurten veel auto’s parkeren die geen bestemming in die specifieke buurt hebben. In die buurten ontstaat een hoge parkeerdruk die niet door bewoners zelf ontstaat. Een gemeente kan ervoor kiezen om parkeerplaatsen in een straat, of zelfs in een hele buurt te reguleren. Een goed instrument dat gemeenten kunnen gebruiken voor de parkeerregulering is het invoeren van parkeren door vergunninghouders (ook wel belanghebbendenparkeren). Vreemdparkeerders kunnen dan geweerd worden. Veel grote en middelgrote gemeenten passen dit instrument al vele jaren toe. Dit is wat anders dan betaald parkeren met parkeerapparatuur. 

 

Vergunningparkeren

De gemeente Leidschendam-Voorburg wil vergunningparkeren op grote schaal toepasbaar maken. Om dit mogelijk te maken is een verordening als wettelijke basis nodig. Deze basis wordt vastgelegd in deze Verordening vergunningparkeren Leidschendam-Voorburg 2026 (hierna: de Verordening).  

 

Vergunningparkeren is niet gratis. Er wordt een parkeerbelasting betaald voor het verkrijgen van een parkeervergunning, waarmee in een bepaald daartoe aangewezen parkeergebied voor vergunninghouders mag worden geparkeerd. Het college wijst de gebieden aan waar vergunningparkeren wordt ingevoerd en hierover informeert het college de gemeenteraad vooraf. Die aanwijzing vindt bij aanwijzingsbesluit plaats, nadat de Verordening is vastgesteld. Bewoners krijgen daar ook iets voor terug. Met vergunningparkeren wordt de kans dat bewoners een vrije parkeerplaats bij hun woning kunnen vinden een stuk groter. Daarnaast zal de gemeente de handhaving (deels) bekostigen met de opbrengsten van de parkeerbelasting. Het parkeerbeleid van de gemeente wordt daarmee veel effectiever.

 

Het primaire doel van vergunningparkeren in de gemeente Leidschendam-Voorburg is het tegengaan van externe parkeeroverlast, bijvoorbeeld door forensen of bezoekers van nabijgelegen voorzieningen. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om met vergunningparkeren direct te sturen op het autobezit van bewoners. De gemeenteraad heeft echter de bevoegdheid om, als beleidsdoelen dat vragen, differentiatie in de prijsstelling per vergunninghoudersgebied toe te passen. Ook kan het college in de nadere regels bepalen hoeveel vergunningen per huishouden kunnen worden verleend. Daarmee bestaan er juridische mogelijkheden om – mocht de gemeenteraad dat in de toekomst wenselijk achten – via prijs of aantal uit te geven vergunningen wél een sturend effect op autobezit te realiseren. Dit is een beleidsvrije keuze van de gemeenteraad.

 

Doelgroepen die niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning zijn geen belanghebbenden en kunnen dus niet parkeren op een belanghebbendenparkeerplaats of in een vergunninghoudersgebied. Voor sommige bedrijven en klanten geldt dat zij bezoekers (moeten) ontvangen voor hun bedrijfsvoering, terwijl deze bezoekers niet in een categorie van belanghebbenden zijn in te delen. In dat geval kan ervoor worden gekozen om bepaalde parkeerplaatsen niet te reguleren, of te reguleren met een parkeerschijfzone. Een parkeerschijfzone wordt ook wel blauwe zone genoemd. Binnen een parkeerschijfzone kan elke bestuurder parkeren met een parkeerschijf voor een beperkte tijd. Deze optie kan bijvoorbeeld toegepast worden bij buurtwinkelcentra, religieuze instellingen of een medische praktijk. Dit zijn allemaal functies waarbij de bezoekduur meestal kort is, en vaak binnen de maximale toegestane tijdsduur van twee uur blijft.

 

Wanneer iemand zijn auto zonder vergunning parkeert in een belanghebbendengebied (aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990), kan geen naheffingsaanslag parkeerbelasting worden opgelegd. Het zonder vergunning parkeren is strafbaar gesteld in de Verordening (art. 10) en komt in principe alleen voor strafrechtelijke handhaving via de Wet Administrafrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften, langs de weg van een parkeerboete, in aanmerking. 

 

Toelichting op de Tarieventabel

Het college heeft gekozen voor een differentiatie van de tarieven die gelden voor de diverse typen vergunningen. Hierbij is een afweging gemaakt tussen de doelgroepen die een vergunning aanvragen, het nut dat een vergunning met zich meebrengt en een inschatting over het daadwerkelijke aantal aanvragen per vergunningtype. Deze keuzes zijn vertaald in de hoogte van het gehanteerde tarief per vergunningtype.

 

Verordening, nadere regels en aanwijzingsbesluit

Om vergunningparkeren daadwerkelijk in te voeren op vak-, straat of buurtniveau zijn er drie documenten nodig.

Het eerste document is een verordening, zoals deze Verordening vergunningparkeren.

De Verordening geldt als de wettelijke basis voor vergunningparkeren. Hierin wordt vastgelegd welke soorten vergunningen kunnen worden verleend. Ook wordt de kostprijs van een vergunning of bezoekersregeling vastgelegd in de tarieventabel.

Het tweede document is ‘Nadere regels vergunningparkeren’. Dit document wordt vastgesteld door het college. Het college bepaalt in dit document hoe de regels over vergunningparkeren worden toegepast. Voor elke soort vergunning kan het college nadere regels vaststellen. Ook kan het college bepalen hoeveel vergunningen van elke categorie worden uitgegeven, of hoeveel vergunningen per adres worden uitgegeven. Als de parkeerdruk in een buurt structureel hoog is, kan het college bijvoorbeeld besluiten dat voor elk adres maar 1 of 2 vergunningen worden uitgegeven. Ook kan het college voorwaarden stellen aan adressen die een parkeerplaats op eigen terrein hebben. Dit wordt dan gedaan met het oog op het eerlijk verdelen van parkeerruimte op de openbare weg.

Het derde document is het ‘Aanwijzingsbesluit vergunningparkeren’. Dit document wordt ook vastgesteld door het college. In dit document bepaalt het college welke parkeerplaatsen, wegen of buurten worden aangemerkt als vergunninghoudersgebieden. Ook stelt het college de tijdsvensters van de vergunninghoudersgebieden vast. Een tijdsvenster bestaat uit dagen en uren dat het de regeling voor vergunningparkeren van kracht is. Op deze tijden moet een bestuurder verplicht met een parkeervergunning parkeren op een openbare parkeerplaats. Elke bestuurder die zonder (geldige) parkeervergunning parkeert binnen dit tijdsvenster is dus strafbaar.

 

Wettelijke basis 

De Verordening is gebaseerd op de modellen van de VNG. Deze modellen zijn gebaseerd op de tekst van de Gemeentewet zoals die luidt vanaf 1 januari 1995. Dit is de datum van inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Gemeentewet met betrekking tot de materiële belastingbepalingen. Gekozen is voor een zogenaamd 'aangekleed' model, dat wil zeggen dat de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de duidelijkheid, is overgenomen. 

 

Aanhef

In de aanhef zijn de relevante wettelijke bepalingen en regelingen opgenomen waarop de Verordening is gestoeld.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

AFDELING I DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de modelverordening voorkomende begrippen is daarvan een definitie opgenomen in artikel 1. De meeste begrippen spreken voor zich. De wijze waarop deze worden gebruikt komt in het vervolg van deze toelichting aan de orde.

Een aantal begrippen lichten we nader toe.

 

  • i.

    deelauto

De definitie van het begrip deelauto is ruim gelaten, om ruimte te bieden aan verschillende vormen van deelauto's. Anderzijds dienen deelauto's onderscheiden te worden van andere, met name reguliere vormen van autoverhuur. Een reguliere huur- of leenauto wordt niet als deelauto gezien, omdat het daarbij niet gaat om een auto waarbij herhaald gezamenlijk gebruik op grond van een overeenkomst plaatsvindt. Bij deelauto's worden overeenkomsten gesloten tussen meerdere deelnemers en een aanbieder op grond waarvan deelnemers meerdere malen een deelauto kunnen gebruiken. Bij een reguliere huur- of leenauto wordt in het beginsel per huurperiode een overeenkomst gesloten.

 

  • m.

    mantelzorg

Onder mantelzorg wordt niet-beroepsmatige zorg verstaan, die vaak langdurig wordt verleend. Deze vorm van zorg wordt verleend door personen uit de directe sociale omgeving. Denk daarbij aan vrienden, familie, kennissen, buren en soms ook vrijwilligers. Mantelzorg is meestal onbetaald, er staat geen loon tegenover. Al is het wel mogelijk om een mantelzorgvergoeding te ontvangen. 

 

  • n.

    motorvoertuigen

Op grond van artikel 225 van de Gemeentewet kunnen parkeerbelastingen worden geheven voor het parkeren met voertuigen. In de Verordening is ervoor gekozen om de werking van deze Verordening te beperken tot motorvoertuigen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990, met inbegrip van brommobielen. In dit artikel wordt onder motorvoertuigen verstaan: ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen’. Een brommobiel is in het RVV 1990 (art. 1) gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie. Brommobielen vallen dus niet onder de definitie van motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990 is echter bepaald dat de regels voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de bestuurders en passagiers van brommobielen. Bestuurders van brommobielen moeten zich in het verkeer dus gedragen als een ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook voor het parkeren met een brommobiel. Daarom is ervoor gekozen de Verordening ook van toepassing te verklaren op brommobielen.

 

  • p.

    parkeerplaats op eigen terrein (POET)

In de Verordening wordt een definitie gegeven van parkeerplaats op eigen terrein. Allereerst is het belangrijk om uit te leggen waarom deze definitie in de Verordening zit. Een gemeente kan parkeerregulering, zoals vergunningparkeren, toepassen om schaarse parkeerruimte goed te verdelen. In sommige gevallen is de parkeerruimte schaars omdat het autobezit van bewoners zelf bijna net zo hoog is, of hoger is, dan het aantal beschikbare parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Dan kan een gemeente ervoor kiezen om een plafond te stellen aan het aantal vergunningen wat wordt uitgegeven in een buurt, of per adres. Ook kan een gemeente ervoor kiezen om nadere regels vast te stellen over huishoudens met een parkeerplaats op eigen terrein. Om de ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten is het wenselijk dat huishoudens met een parkeerplaats op eigen terrein hun auto daar ook parkeren.

 

Het is om die reden belangrijk om criteria op te stellen wanneer er sprake is van een parkeerplaats op eigen terrein. Ook worden afmetingscriteria verbonden aan een parkeerplaats op eigen terrein en de eventuele oprit naar de parkeerplaatsen. Deze afmetingscriteria zijn opgenomen in artikel 6 van de Verordening.

 

Met het opnemen van het begrip ‘parkeerplaats op eigen terrein’ en de afmetingscriteria in artikel 6 wordt de mogelijkheid geboden om uit te geven vergunningen op een adres te maximeren wanneer dat adres een parkeerplaats op eigen terrein heeft. Die mogelijkheid wordt echter slechts geboden. De directe uitwerking daarvan vindt plaats in de ‘Nadere regels vergunningparkeren’ en kan per vergunninghoudersgebied verschillen. Ook hierbij geldt dat er daadwerkelijk sprake moet zijn van een te hoge parkeerdruk in de buurt, veroorzaakt door belanghebbenden zelf, voordat deze regels daadwerkelijk worden toegepast.

 

  • q.

    parkeren

In de Verordening is aansluiting gezocht bij de definitie van het begrip parkeren in artikel 225 van de Gemeentewet en dus niet bij de definitie uit artikel 1 van het RVV 1990. Er is gekozen voor deze definitie, omdat het invoeren van vergunningparkeren ook gebaseerd is op artikel 225 van de Gemeentewet.

 

  • t.

    thuiszorg

Thuiszorg is professionele zorg die aan huis wordt verleend aan mensen die hulp nodig hebben bij hun dagelijkse verzorging of medische behandelingen. Deze zorg wordt verleend door opgeleide zorgverleners, zoals verpleegkundigen, verzorgenden of thuiszorgmedewerkers. Thuiszorg kan bestaan uit persoonlijke verzorging (zoals hulp bij wassen en aankleden), verpleging (zoals wondverzorging of medicatie toedienen) en huishoudelijke ondersteuning.

 

In tegenstelling tot mantelzorg, waarbij de zorg wordt verleend door iemand uit de sociale omgeving, wordt thuiszorg beroepsmatig uitgevoerd en vaak vergoed via de zorgverzekering, de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

 

AFDELING II PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN EN VERGUNNINGBEWIJZEN

 

Artikel 2 Weggedeelten en tijdstippen

Het aanwijzen van de gebieden en plaatsen waar en de dagen en tijden waarop met een vergunning op vergunninghoudersplaatsen geparkeerd kan worden, dient bij of krachtens deze Verordening te worden geregeld. Uit praktische overwegingen is de aanwijzingsbevoegdheid bij het college neergelegd. De aanwijzing van vergunninghoudersgebieden is in principe alleen mogelijk voor gebieden waar een redelijke mate van parkeerdruk aanwezig is. De aanwijzing van de maatregel is dus proportioneel en in lijn met de uitgangspunten uit de vigerende Nota Parkeerbeleid van de gemeente Leidschendam-Voorburg. In lid 3 is geregeld dat het college de raad vooraf informeert, over het nemen van een aanwijzingsbesluit.

 

Artikel 3 Vergunningen

Het college kan parkeervergunningen afgeven voor het parkeren op plaatsen voor belanghebbenden (lid 1). Het college kan ook aanvullende beleidsregels stellen voor het indienen van aanvragen en het verlenen van de parkeervergunning (lid 2). Hierbij kan worden gedacht aan het stellen van indieningsvereisten voor het aanvragen van een parkeervergunning.

 

In lid 3, onderdelen a tot en met m, worden verschillende categorieën belanghebbenden genoemd die in aanmerking kunnen komen voor een parkeervergunning. In de tarieventabel zijn de hieraan verbonden tarieven opgenomen. Specifiek voor de onderdelen c, d en e geldt dat het regelingen zijn in de vorm van een urensaldo. Het urensaldo is differentieerbaar en heeft een maximum.

 

In lid 4 is een soort hardheidsclausule opgenomen. In bijzondere gevallen kan het college ook een (tijdelijke) parkeervergunning verlenen aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de vereisten die in lid 3 zijn opgenomen. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan de eerdergenoemde personen of bedrijven die nog niet in het vergunningenhoudersgebied wonen of gevestigd zijn, maar die dat wel binnen afzienbare tijd gaan doen.

 

Om te voorkomen dat er voor een bepaald gebied te veel parkeervergunningen worden uitgegeven, is het mogelijk om direct bij de invoering van een belanghebbendengebied het maximumaantal uit te geven vergunningen te kunnen bepalen. Dit is geregeld in lid 5. Hierbij kan ook onderscheid worden gemaakt naar de verschillende categorieën parkeervergunningen. Hoewel een parkeervergunning geen absoluut recht geeft op een parkeerplaats in een aangewezen belanghebbendengebied, moet de vergunninghouder er wel op kunnen vertrouwen dat hij zijn auto doorgaans kwijt kan in dat gebied. Het college kan een maximumaantal vergunningen per vergunninghoudersgebied, per adres of per categorie (genoemd in lid 3 van dit artikel) uitgeven.

 

Op grond van lid 6 kunnen met het oog op een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte aan de vergunning zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is.

 

Lid 7 bepaalt dat het college ook voorschriften en beperkingen kan stellen aan een vergunning ter bescherming van overlast, hinder, schade of gevolgen voor het milieu. Daaronder wordt ook begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.

 

Artikel 4 Bezoekersregelingen

Artikel 4 regelt dat zowel door bewoners van een zelfstandige woning als door bedrijven en instellingen die ingeschreven staan in het Handelsregister in het vergunninghoudersgebied, een bezoekersregeling kan worden aangevraagd voor dat specifieke gebied. Deze bezoekersregeling wordt aangegaan in de vorm van een urensaldo voor het geldende tarief. Het urensaldo is differentieerbaar. Bewoners, bedrijven en instellingen kunnen pakketten met een hoeveelheid aan uren kopen, en bijkopen als dat nodig is. Wel wordt een maximumaantal voor het te kopen uren per jaar vastgesteld. Op deze manier waarborgen we dat er voldoende parkeergelegenheid in de gereguleerde gebieden beschikbaar blijft.

 

Artikel 5 Mantelzorg- en thuiszorgregeling

Artikel 5 regelt dat door bewoners van een zelfstandige woning in het vergunninghoudersgebied een mantelzorg- en thuiszorgregeling kan worden aangevraagd voor dat specifieke gebied. Deze wordt aangegaan in de vorm van een urensaldo voor het geldende tarief. Het urensaldo is differentieerbaar. Bewoners kunnen pakketten met een hoeveelheid aan uren kopen, en bijkopen als dat nodig is. Wel wordt een maximumaantal voor het te kopen uren per jaar vastgesteld.

 

Artikel 6 Bereikbaarheid en minimale grootte parkeerplaats op eigen terrein

Op grond van artikel 9 onder i kan het college een vergunning weigeren als de aanvrager van de vergunning beschikt over een eigen parkeergelegenheid. De definitie van een ‘eigen parkeergelegenheid’ staat in artikel 1 onderdeel p. In artikel 6 worden de regels gesteld over de afmetingen waaraan moet worden voldaan om te kunnen spreken van een parkeergelegenheid op eigen terrein.

 

Artikel 7 Beslistermijn

De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een vergunning. Om voor de aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de termijnen in de Verordening zelf opgenomen. In de Verordening is een beslistermijn van vier weken opgenomen, die eenmaal met ten hoogste vier weken kan worden verlengd. Normaal gesproken moet een parkeervergunning binnen vier weken kunnen worden verstrekt. Mocht dit in een enkel geval onverhoopt niet lukken, dan kan deze termijn worden verlengd met vier weken.

 

Artikel 8 Inhoud vergunning

De termijnen waarvoor de parkeervergunningen worden verleend, verschillen sterk van gemeente tot gemeente. Er is voor gekozen om vergunningen te verlenen voor ten hoogste één jaar (lid 1).

 

Lid 2 regelt welke gegevens in ieder geval in de (digitale versie van de) vergunning staan.

 

Artikel 9 Vergunning weigeren, intrekken of wijzigen

In de aanhef van dit artikel wordt aangegeven dat het college een parkeervergunning 'kan’ weigeren, intrekken of wijzigen. Bedoeld is hiermee aan te geven dat het ter beoordeling van het college staat of een vergunning daadwerkelijk moet worden geweigerd, ingetrokken of gewijzigd, wanneer een van de opgesomde omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief bedoeld. Om andere redenen kan de vergunning dan ook niet worden geweigerd, ingetrokken of gewijzigd. 

 

AFDELING III. VERBODSBEPALINGEN  

 

Artikel 10 Verboden

Zoals in de algemene toelichting aangegeven kan géén fiscale naheffingsaanslag worden opgelegd bij het zonder vergunning parkeren in een belanghebbendengebied ‘sec’. Daarom moet in de Verordening een strafbepaling worden opgenomen, die alleen voor strafrechtelijke handhaving via de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder) in aanmerking komt.

 

De Wet Mulder maakt het mogelijk om bepaalde verkeersovertredingen, waaronder parkeerverboden en het parkeren zonder geldige vergunning in gereguleerde zones, bestuursrechtelijk in plaats van strafrechtelijk af te handelen. Dit betekent dat overtredingen niet via het strafrecht worden beboet, maar als een administratieve sanctie door de overheid (bijvoorbeeld de gemeente of het CJIB) worden opgelegd. Hierdoor worden zaken niet via het Openbaar Ministerie en de strafrechter afgehandeld, maar via een lichtere procedure met lagere kosten en snellere afhandeling.

 

AFDELING IV. STRAFBEPALING

 

Artikel 11

Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun verordeningen (en die van eventuele nadere regels) een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie kunnen stellen. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak kan als bijkomende straf op een overtreding worden gesteld.

 

Gezien de ernst van een parkeerovertreding lijkt het minder gewenst om daarop de zwaarste strafsanctie te stellen. Er is daarom gekozen voor een hechtenis van maximaal een maand of een geldboete van de eerste categorie.

Het boetebedrag voor het parkeren van een motorvoertuig op een parkeerplaats voor vergunningshouders is ter indicatie per 1 januari 2025 € 120 exclusief administratiekosten. De hoogte van het boetebedrag wordt in Nederland vastgesteld door het Ministerie van Justitie en Veiligheid in samenwerking met het Openbaar Ministerie (OM). Meestal worden boetebedragen op 1 januari van elk kalenderjaar vastgesteld of aangepast.

 

Afdeling V. Parkeerbelasting

 

Artikel 12. Belastbaar feit

In artikel 12 is omschreven welke parkeerbelasting geheven kan worden. Het gaat dan om een belasting ter zake van het vergunningparkeren.

 

Artikel 13. Belastingplicht

In artikel 13 is vastgelegd wie belastingplichtig is voor de belasting die is genoemd in artikel 13. De belasting wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.

 

Artikel 14. Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

In artikel 14 wordt voor het tarief, het tijdvak en de maatstaf van heffing verwezen de bij de Verordening behorende tarieventabel. De tabel is achter de Verordening opgenomen en maakt daar deel van uit.

 

Artikel 15. Wijze van heffing

Artikel 15 regelt de wijze van heffing voor de parkeerbelasting voor het parkeren krachtens een parkeervergunning. Deze belasting wordt geheven door voldoening op aangifte.

 

Artikel 16. Ontstaan van de belastingschuld

In artikel 16 is geregeld op welk tijdstip de belastingschuld ontstaat. De belasting is verschuldigd op het tijdstip dat de vergunning wordt verleend.

 

Artikel 17. Termijnen van betaling

Dit artikel regelt het tijdstip van betaling voor de belasting. Deze moet overeenkomstig de aangifte moet worden betaald op het moment dat de vergunning wordt verleend. Dit tijdstip zal meestal zijn gelegen vóór aanvang van het tijdvak waarvoor de vergunning geldt.

 

Artikel 18. Kwijtschelding

Op grond van artikel 255 van de Gemeentewet volgen gemeenten het kwijtscheldingsbeleid van de rijksoverheid zoals dat is geregeld in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Het is niet gewenst zijn om van parkeerbelasting kwijtschelding te verlenen.

 

AFDELING VI. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 19. Handhaving

Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, zo volgt uit artikel 5:11 Awb. Deze personen kunnen (deels) categoraal en (deels) individueel door het college worden aangewezen.

 

Artikel 20. Citeertitel

Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een bepaalde verordening. Er is in de bepaling in de citeertitel een jaartal genoemd. Het is verstandig om als jaartal op te nemen het eerste jaar waarin de gemeente de parkeerbelasting op basis van deze Verordening heft. Als in latere jaren een nieuwe verordening wordt vastgesteld, wordt het jaartal aangepast.

 

Artikel 21. Inwerkingtreding 

In lid 1 is bepaald dat de Verordening in werking treedt de dag na bekendmaking. Een belastingverordening treedt pas in werking na haar bekendmaking (afgezien van terugwerkende kracht in bijzondere gevallen). Een datum van inwerkingtreding bevordert de duidelijkheid. De Verordening zal voor deze datum worden vastgesteld en bekendgemaakt.

 

In lid 2 is de datum van ingang van de heffing opgenomen. Artikel 217 van de Gemeentewet bepaalt dat een belastingverordening een datum van ingang van de heffing moet vermelden. De datum van ingang van de heffing geeft aan vanaf welke datum de in de belastingverordening genoemde (belastbare) feiten in de heffing worden betrokken.

Ook bij het wijzigen van een verordening is het nodig om voor de wijzigingsverordening te bepalen vanaf welk moment de (gewijzigde) heffing wordt toegepast.

 

Ondertekening

Alle stukken die van de raad uitgaan, worden ondertekend door de burgemeester (in zijn hoedanigheid van voorzitter) en medeondertekend door de griffier (artikel 32a Gemeentewet). Aan het slot van het besluit tot vaststelling van de belastingverordening zijn daarom als ondertekenaars ‘de voorzitter’ en ‘de griffier’ genoemd.

Naar boven