Artikel I
De Algemene plaatselijke verordening Maastricht wordt gewijzigd als volgt.
A.
In artikel 1.1 komt de definitie van gebouw te luiden:
- -
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, van de Omgevingswet;\
B.
In artikel 1.1 vervalt de definitie van handelsreclame.
C.
In artikel 1.6 wordt het onderdeel f toegevoegd, luidende:
- f.
er sprake is van strijd met het recht.
D.
Na artikel 1.6 wordt een nieuw artikel 1.7 toegevoegd, luidende:
Artikel 1.7 Termijnen
- 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
- 2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
E.
Artikel 2.4 komt als volgt te luiden:
Artikel 2.4 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken
- 1.
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen onder het publiek te verspreiden of openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken, als daarmee het belang van de openbare orde of het belang van de verkeersveiligheid of verkeersvrijheid, wordt aangetast;
- 2.
Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
- 3.
Het is verboden de gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen op de openbare weg achter te laten.
F.
Artikel 2.12, lid 1, komt te luiden:
- 1.
Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.
G.
Artikel 2.17, lid 4, komt te luiden:
Dit artikel is niet van toepassing op inrichtingen als bedoeld in de Wet milieubeheer zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor zover het betreft gevaar, schade of hinder als bedoeld in die wet.
H.
Aan artikel 2.19 wordt een nieuw lid 9 toegevoegd, dat komt te luiden:
- 9.
De burgemeester kan bepalen dat voor bepaalde categorieën inrichtingen een maximum wordt vastgesteld.
I.
Artikel 2.21, lid 3, komt te luiden:
- 3.
Een beheerder die in enig opzicht van slecht levensgedrag is, wordt geweigerd of verwijderd van het aanhangsel.
J.
In artikel 2.22 wordt een nieuw lid 8 toegevoegd dat komt te luiden:
- 8.
Op een aanvraag voor een ontheffing van het in het eerste lid bedoelde verbod is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht over de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen, niet van toepassing.
K.
Artikel 2.26, onderdeel a, komt te luiden:
- a.
de vergunninghouder de exploitatie feitelijk heeft beëindigd, of geheel of gedeeltelijk heeft overgedragen. Daaronder valt ook de overdracht van aandelen.
L.
Artikel 2.46, lid 2, onderdeel b, komt te luiden:
- b.
met enig middel of op enigerlei wijze een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
M.
Artikel 2.50 vervalt.
N.
Artikel 2.53 komt te luiden:
Artikel 2.53 Hinderlijk drankgebruik
- 1.
Het is verboden op een openbare plaats die deel uit maakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
- 2.
Het is verboden om in perioden en gebieden die door het college zijn aangewezen, bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse, dan wel deze dranken te verstrekken in strijd met de beperkingen die het college aan de verstrekking heeft verbonden.
- 3.
De verboden als genoemd in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:
- a.
op een inrichting of een terras behorend tot een inrichting, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°;
- b.
op de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
O.
Artikel 2.54 vervalt.
P.
Artikel 2.57 vervalt.
Q.
Na artikel 2.62 wordt een nieuw artikel 2.62a ingevoegd dat komt te luiden:
Artikel 2.62a Gevaarlijke honden op eigen terrein
- 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2.62, eerste lid of heeft medegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewaking-, opsporings- en verdedigingswerk.
- 2.
Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
- a.
op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
- b.
het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
- c.
het terrein is voorzien van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
R.
Artikel 2.65 komt te luiden:
Artikel 2.65 handhaven bij diverse vormen van overlast
- 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen en goederen, de verkeersvrijheid of -veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid aan een persoon die zich bevindt op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied, gedurende de uren daarbij genoemd, het verbod opleggen om gedurende 24 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
- 2.
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester:
- a.
de persoon aan wie tenminste eenmaal een verbod voor de duur van 24 uur is opgelegd als bedoeld in het eerste lid, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid, gedurende de uren daarbij genoemd;
- b.
aan de persoon, aan wie eerder een verbod als bedoeld onder a is opgelegd, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste zes maanden, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid, gedurende de uren daarbij genoemd.
- 3.
De burgemeester beperkt het in het tweede lid, onder a en b genoemde verbod of de daarin genoemde termijn indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
- 4.
Het is verboden om zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het tweede lid, onder a en b.
- 5.
Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
S.
Artikel 2.73 komt te luiden:
Artikel 2.73 definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- -
consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik;
- -
carbidschieten: het in een bus, container of opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
T.
Artikel 2.78 komt te luiden:
Artikel 2.78 Openlijk harddrugsgebruik
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een openbare plaats middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
U.
Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. komt te luiden:
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 3:1 Afbakening
De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
Artikel 3:2 Definities
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- -
advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een sekswerker onder de aandacht van het publiek brengt;
- -
beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;
- -
bevoegd bestuursorgaan: het college, of voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;
- -
bezoeker: degene die aanwezig is in een seksbedrijf, met uitzondering van de exploitant, de beheerder, de sekswerker, het personeel dat in het seksbedrijf werkzaam is, toezichthouders zoals bedoeld in artikel 6.2 of andere personen wier aanwezigheid in het seksbedrijf wegens dringende redenen noodzakelijk is;
- -
escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot sekswerk in de vorm van bemiddeling tussen klant en sekswerker;
- -
exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;
- -
klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een seksbedrijf of een sekswerker aangeboden seksuele diensten;
- -
raamseksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot sekswerk, waarbij het werven van klanten gebeurt door een sekswerker die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;
- -
seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot sekswerk of tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard tegen betaling.
Onder een seksbedrijf vallen in ieder geval een erotische massagesalon, een bordeel, een seksclub, een privéhuis, een escortbedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een saunaclub of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
- -
sekswinkel: de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografisch aard aan particulieren worden verkocht of verhuurd;
- -
seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;
- -
sekswerk: het verrichten van seksuele handelingen met of voor een ander tegen betaling;
- -
sekswerker: degene die seksuele handelingen verricht met of voor een ander tegen betaling.
Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf
Artikel 3:3 Vergunning
- 1.
Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.
- 2.
Het bevoegde bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen.
- 3.
Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.
- 4.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
- 5.
De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar.
- 6.
Het college kan een termijn vaststellen aan een vergunning.
Artikel 3:4 Concentratie seksbedrijf
Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksbedrijf geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksbedrijven van een nader aangewezen aard.
Artikel 3:5 Beperking aantal vergunningen
Het bevoegde bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksbedrijven en sekswinkels, niet zijnde raamseksbedrijven, waarvoor vergunning kan worden verleend. Hierbij kan worden bepaald dat een maximum slechts geldt voor seksbedrijven van een nader aangewezen aard of in nader aangewezen delen van de gemeente.
Artikel 3:6 Aanvraag
- 1.
Een aanvraag om vergunning wordt ingediend met een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.
- 2.
Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
- a.
de persoonsgegevens van de exploitant;
- b.
het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
- c.
of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;
- d.
het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
- e.
het adres van een onder het seksbedrijf;
- f.
het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
- g.
een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;
- h.
voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;
- i.
een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;
- j.
bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;
- k.
voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van het seksbedrijf waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;
- l.
voor zover van toepassing, de plattegrond van het seksbedrijf waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding;
- m.
een bedrijfsplan als genoemd in artikel 3:15;
- n.
indien sprake is van verlenging van de vergunning, een rapport, niet ouder dan één jaar voorafgaand aan de aanvraag, van de GGD dat de onderneming voldoet aan de vereisten zoals gesteld in het Inspectie protocol Technische Hygiëne.
- 3.
Als er een beheerder is aangesteld is het tweede lid, onder a, b, c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.
- 4.
Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.
Artikel 3:7 Weigeringsgronden
- 1.
Een vergunning wordt geweigerd als:
- a.
de exploitant of de beheerder onder curatele staat;
- b.
de exploitant of beheerder met toepassing van artikel 37 Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis is geplaatst of met toepassing van artikel 37a Wetboek van Strafrecht ter beschikking is gesteld;
- c.
de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;
- d.
de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;
- e.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
- f.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;
- g.
er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het sekswerkers betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 of Wet arbeid vreemdelingen;
- h.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;
- i.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
- 1°.
bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;
- 2°.
de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;
- 3°.
artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
- 4°.
de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
- 5°.
de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of
- 6°.
de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
- j.
een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt
- k.
de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan, of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.
- 2.
Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt gelijkgesteld:
- a.
een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;
- b.
betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of een onherroepelijk geworden strafbeschikking als bedoeld in artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom of geldboete minder dan € 375 bedraagt.
- 3.
De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
- 4.
Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
- 5.
Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:
- a.
voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;
- b.
als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;
- c.
als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een seksbedrijf waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die eerder zonder vergunning een seksbedrijf is uitgeoefend;
- d.
als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van sekswerkers of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het seksbedrijf waarvoor de vergunning is aangevraagd;
- e.
als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid;
- f.
als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven.
Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning
- 1.
De vergunning vermeldt in ieder geval:
- a.
de naam van de exploitant;
- b.
voor zover van toepassing, die van de beheerder;
- c.
voor welke activiteit de vergunning is verleend;
- d.
het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
- e.
het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
- f.
voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;
- g.
de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;
- h.
voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;
- i.
het nummer van de vergunning.
- 2.
De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in het seksbedrijf waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van het seksbedrijf zichtbaar is dat hij over een vergunning voor het seksbedrijf beschikt.
Artikel 3:9 Intrekkingsgronden
- 1.
De vergunning wordt ingetrokken als:
- a.
de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;
- b.
de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;
- c.
is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14 tweede lid, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;
- d.
zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;
- e.
zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i;
- f.
de vergunninghouder dat verzoekt;
- g.
de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan.
- 2.
De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als:
- a.
is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;
- b.
in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;
- c.
een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;
- d.
is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;
- e.
is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;
- f.
zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van sekswerkers of klanten;
- g.
de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;
- h.
er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;
- i.
gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning;
- j.
aannemelijk is dat de exploitant of de beheerder van het seksbedrijf betrokken is bij, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten ten aanzien van activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting of het bedrijf;
- k.
de exploitant of de beheerder van het seksbedrijf toestaat dan wel gedoogt, dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
- l.
de exploitant of de beheerder van het seksbedrijf zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid.
Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden
De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.
Artikel 3:11 Verlenging vergunning
- 1.
Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6 tot en met 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden.
- 2.
Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is beslist.
Artikel 3:12 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting
In geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:
- a.
tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:12, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;
- b.
van een seksbedrijf al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.
Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf
Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven
Artikel 3:12 Sluitingstijden seksbedrijven; aanwezigheid; toegang
- 1.
Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksbedrijf voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
- a.
op maandag tot en met vrijdag tussen 02:00 en 08:00 uur;
- b.
op zaterdag en zondag tussen 03:00 en 08:00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.
- 2.
Het is bezoekers van een seksbedrijf verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers.
- 3.
Het is een sekswerker verboden zich te bevinden in een seksrichting:
- a.
op maandag tot en met vrijdag tussen 02:30 en 06:30 uur;
- b.
op zaterdag en zondag tussen 03:30 en 06:30 tenzij bij vergunning anders is bepaald.
- 4.
Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksbedrijf.
Artikel 3:13 Adverteren
Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:
- a.
geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;
- b.
vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en
- c.
als het een seksbedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat sekswerkers die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.
Paragraaf 3.2 Regels voor alle seksbedrijven en sekswerkers
Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel sekswerkers; verbod werken voor
onvergund
seksbedrijf.
- 1.
Sekswerk vindt uitsluitend plaats door een sekswerker die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.
- 2.
Het is een exploitant verboden een sekswerker voor of bij zich te laten werken die:
- a.
nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;
- b.
in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.
- 3.
Het is een sekswerker verboden:
- a.
te handelen in strijd met het eerste lid;
- b.
werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een seksbedrijf is verleend.
Artikel 3:15 Bedrijfsplan
- 1.
Een seksbedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:
- a.
op het gebied van hygiëne;
- b.
ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de sekswerkers;
- c.
ter bescherming van de gezondheid van de klanten;
- d.
ter voorkoming van strafbare feiten.
- 2.
De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat:
- a.
de hygiëne in een seksbedrijf voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;
- b.
inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor sekswerkers;
- c.
in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;
- d.
in de werkruimten voor de sekswerkers een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;
- e.
de sekswerker zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;
- f.
de sekswerker niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;
- g.
de sekswerker vrij is in de keuze van de arts die zij wil bezoeken;
- h.
de sekswerker klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;
- i.
de sekswerker kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;
- j.
aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;
- k.
de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de sekswerker voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;
- l.
de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame sekswerker kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;
- m.
de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de sekswerker niet door derden gedwongen wordt tot sekswerk en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;
- n.
de exploitant aan de voor of bij hem werkzame sekswerkers informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een sekswerker wil stoppen met haar werk in de sekswerk;
- o.
de overlast aan de omgeving vanuit het seksbedrijf beperkt wordt.
- 3.
Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.
- 4.
De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.
- 5.
De rechten van de sekswerker, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke sekswerker die werkzaam is voor of bij de exploitant.
- 6.
In het seksbedrijf wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een sekswerker klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.
Artikel 3:16 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder seksbedrijf
- 1.
De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het seksbedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.
- 2.
De exploitant van een seksbedrijf draagt er zorg voor dat:
- a.
de voor of bij het seksbedrijf werkzame sekswerkers redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;
- b.
er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval;
- 1°.
de voor of bij het seksbedrijf werkzame sekswerkers;
- 2°.
met betrekking tot alle voor of bij het seksbedrijf werkzame sekswerkers, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k;
- 3°.
de werkroosters van de beheerders;
- c.
de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;
- d.
medewerkers van de gemeente GGD en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksbedrijven als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;
- e.
onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;
- f.
onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;
- g.
gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het seksbedrijf;
- h.
geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen zeden, XVII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet, in de Wet wapens en munitie en in de Wet op economische delicten;
- i.
jaarlijkse een afschrift van het positieve rapport van de GGD aan de gemeente wordt gezonden.
Paragraaf 3.3 Raam- en straatsekswerk
Artikel 3:17 Raamsekswerk
- 1.
Het is een sekswerker verboden:
- a.
zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en
- b.
passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksbedrijf of in de toegang tot een seksbedrijf op te houden.
Artikel 3:18 Straatsekswerk
Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksbedrijf waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel sekswerk of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van sekswerk.
Artikel 3.19 Sekswinkels
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.
Artikel 3:20 Handhaving straatsekswerk
Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:18, eerste lid, kan door een politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
Afdeling 4. Overige bepalingen
Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten
- 1.
Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een sekswerker van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een seksbedrijf is verleend.
- 2.
Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een sekswerker.
- 3.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet in een seksbedrijf waarvoor een vergunning is verleend.
Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
- 1.
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.
- 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
V.
Artikel 4.2 vervalt.
W.
Artikel 5.2 komt te luiden:
Artikel 5.2. Venten
- 1.
Het is verboden te venten in het voetgangersgebied in de binnenstad, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 1.
- 2.
Het is verder verboden te venten binnen een straal van 100 meter van:
- a.
een dagmarkt of een weekmarkt, een kermis of een standplaats ambulante handel, of
- b.
een winkel waar hetzelfde artikel of dezelfde artikelen verkocht worden.
- 3.
Op andere plaatsen zoals genoemd in de voorgaande leden, is het verboden te venten als daarmee het belang van de openbare orde of het belang van de verkeersveiligheid of verkeersvrijheid wordt aangetast.
- 4.
Het verbod is niet van toepassing op:
- a.
situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
- b.
het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard;
- 5.
Onder venten wordt niet verstaan:
- a.
het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats die is aangewezen voor het houden van een markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt;
- b.
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een standplaats als bedoeld in artikel 6.1 van de Verordening fysieke leefomgeving Maastricht.
X.
Artikel 5.3 vervalt.
Y.
Artikel 5.4 komt te luiden:
Naast de in artikel 5.3, lid 2, onder a, van de Verordening fysieke leefomgeving Maastricht genoemde nadere regels kan het college nadere regels stellen in het belang van de openbare orde en veiligheid, en volksgezondheid.
Z.
Artikel 5.5 vervalt.
AA.
Artikel 5.6 vervalt.
AB.
Artikel 5.7 vervalt.
AC.
Artikel 6.3 komt te luiden:
Zij die zijn belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.