Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Opsterland 2026

De Raad van de Gemeente Opsterland;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 november 2025, nr. X;

 

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;

 

overwegende dat:

  • de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van passende en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft ondergebracht;

  • het uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen eerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt;

  • de jeugdhulp zo kort mogelijk duurt, zo licht mogelijk en zo dichtbij mogelijk is, passend bij de hulpvraag;

  • het noodzakelijk is om regels vast te stellen over:

    • de individuele voorzieningen en algemene voorzieningen die het college kan toekennen;

    • de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van de hulpvraag en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

    • de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;

    • de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld en de voorwaarden waaronder iemand een persoonsgebonden budget krijgt;

    • de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

    • de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan.

gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Opsterland;

 

besluit vast te stellen de Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Opsterland 2026.

 

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • -

      algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die vrij toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of ouder(s), als bedoeld in artikel 2 van deze verordening;

    • -

      andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, (passend) onderwijs, kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

    • -

      budgetbeheerder: een persoon uit het sociale netwerk of een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp die voor de budgethouder de taken verbonden aan een persoonsgebonden budget (pgb) uitvoert;

    • -

      budgethouder: de persoon die pgb ontvangt op grond van de wet;

    • -

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland;

    • -

      gebiedsteam: onder verantwoordelijkheid van het college werkzaam team van medewerkers, belast met de uitvoering van de wet;

    • -

      hulpvraag: vraag van een jeugdige en/of de ouder(s) in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;

    • -

      individuele voorziening: een jeugdhulpvoorziening voor de jeugdige en/of de ouder(s) die door het college in natura (zorg in natura) of in de vorm van een pgb wordt verstrekt, als bedoeld in artikel 3 van deze verordening;

    • -

      ondersteuningsplan: een plan waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s) is vastgelegd, samen met de beoogde resultaten en hoe deze te bereiken. Ook staat hierin de bijdrage die het college, de jeugdige en/of ouder(s) en het sociale netwerk hieraan kunnen leveren;

    • -

      ondersteuningsprofiel: algemeen profiel binnen specialistische jeugdhulp die de ondersteuningsbehoefte weergeeft;

    • -

      pgb: persoons gebonden budget, als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige en/of ouder, die hen in staat stelt jeugdhulp in te kopen;

    • -

      pgb -plan: een document waarin door de pgb-aanvrager is beschreven hoe hij of zij de zorg, hulp of begeleiding wil gaan regelen, als bedoeld in artikel 14 eerste lid van deze verordening;

    • -

      wet; Jeugdwet;

    • -

      Zorg in Natura: een individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder waarmee de gemeente afspraken heeft gemaakt.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming.

HOOFDSTUK 2. VOORZIENINGENAANBOD

Artikel 2. Algemene voorzieningen

  • 1.

    Een algemene voorziening is vrij toegankelijk. Het is een voorziening op basis van de Jeugdwet, die voor elke jeugdige beschikbaar is. Er is geen of een beperkte toegangsbeoordeling.

  • 2.

    De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      voorliggende voorzieningen : waaronder de publieke jeugdgezondheidszorg en het gesubsidieerde aanbod jeugd;

    • b.

      Consulent Jeugd op School : hulp en ondersteuning binnen de school aan jeugdigen door een professional van het Gebiedsteam. De Consulent Jeugd op School biedt laagdrempelige ondersteuning in een vertrouwde omgeving. De Consulent Jeugd op School is daarbij de verbindende schakel tussen school en het Gebiedsteam.

    • c.

      Poh Jeugd: hulp en ondersteuning binnen de huisartsenpraktijk aan jeugdigen door een professional van het Gebiedsteam. De Consulent Jeugd in de Huisartsenpraktijk biedt laagdrempelige ondersteuning in een vertrouwde omgeving. De Consulent Jeugd in de Huisartsenpraktijk is daarbij de verbindende schakel tussen de huisarts en het Gebiedsteam.

    • d.

      Kortdurende lichte ondersteuning door het Gebiedsteam : algemene ondersteuning geboden door een consulent van het Gebiedsteam die bijdraagt aan het veilig en gezond opgroeien van jeugdigen en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, onderwijs, welzijn, wonen, schuldhulpverlening, werk en inkomen.

Artikel 3. Individuele voorzieningen

  • 1.

    De volgende vormen van individuele voorziening zijn beschikbaar:

    • a.

      Vaktherapie: laagdrempelige vormen van therapie voor kinderen en jeugdigen tot 18 jaar (en 21 jaar vanuit de Verlengde Jeugdwet) die baat hebben bij laagdrempelige ondersteuning middels een systemische en ervaringsgerichte aanpak zoals spel, muziek en beweging. De therapie is gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en de eigen regie.

    • b.

      Dyslexiezorg: ondersteuning voor kinderen met (een vermoeden van) Ernstige Dyslexie (ED), in de vorm van dyslexiediagnostiek en/of -behandeling. Dyslexiezorg wordt geboden aan jeugdigen vanaf 7 jaar die basisonderwijs volgen. Er is sprake van ED als de leerachterstand in lezen en/of spellen erg groot is gezien de leeftijd en het onderwijsniveau, ondanks extra instructie op school. Er is alleen sprake van ED als er volgens het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling versie 3.0 door een ED-specialist van het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs Zuidoost-Friesland een diagnose is gesteld en er geen andere oorzaken zijn gevonden die de problemen kunnen verklaren.

    • c.

      Pleegzorg: ondersteuning voor jeugdigen tot 21 jaar (Verlengde Jeugdwet tot 23 jaar) die (tijdelijk of blijvend) niet thuis kunnen wonen. Het betreft ondersteuning waarbij pleegouders de jeugdige basiszorg op het gebied van dagelijkse en specifieke verzorging en opvoeding, onderwijs en wonen bieden in combinatie met professionele begeleiding van het pleegkind, de pleegouders en de biologische ouders door een pleegzorgaanbieder. Pleegzorg kan zowel tijdelijk als langdurig en zowel in voltijd, deeltijd, als crisis geboden worden. Een pleeggezin kan zowel een gezin uit het pleeggezinnenbestand van een voorziening voor pleegzorg als een gezin uit het eigen netwerk van familie of bekenden zijn.

    • d.

      Woonvoorziening: woonvormen voor jeugdigen die (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen, waar jeugdigen kunnen opgroeien en ouder(s) opvoedondersteuning ontvangen. De beschikbare woonvormen zijn: gezinshuis intensief of regulier, kleinschalige woonvoorziening perspectief of plus, ouder(s) en kind woonvoorziening en zelfstandigheidstraining woonvoorziening.

    • e.

      Specialistische jeugdhulp: ondersteuning voor jeugdigen met ontwikkelings- en gedragsproblemen en/of opvoedondersteuning voor ouder(s). Binnen specialistische jeugdhulp worden de volgende ondersteuningsprofielen met verschillende intensiteiten onderscheiden:

      • i.

        Profiel A – Enkelvoudige Specialistische Jeugdhulp. Ambulante ondersteuning gerichte aanpak enkelvoudige ontwikkel-, gedrags-, emotionele- en/of verslavingsproblematiek (ook bij jeugdigen met beneden gemiddelde intelligentie).

      • ii.

        Profiel B – Meervoudige Specialistische Jeugdhulp. Ambulante ondersteuning gerichte aanpak meervoudige ontwikkel-, gedrags-, emotionele- en/of verslavingsproblematiek (ook bij jeugdigen met beneden gemiddelde intelligentie).

      • iii.

        Profiel C – Complexe problematiek. Ambulante ondersteuning gericht op het oplossen dan wel verminderen van complexe problematiek. Het gehele gezin is onderdeel van de behandeling en mogelijk is ook individuele problematiek van meerdere gezinsleden aan de orde.

      • iv.

        Profiel D – (Zeer) Complexe en intensieve problematiek. Ambulante ondersteuning gericht op het oplossen dan wel verminderen van de aanwezige zeer complexe problematiek.

      • v.

        Profiel E – Begeleiding en ondersteuning bij duurzame problematiek en versterken van zelfredzaamheid van jeugdige en ouders.

      • vi.

        Profiel F – Dagopvang (niet zijnde 24 uur per dag). Opvang van de jeugdige met (ouders met) langdurig of zelfs chronische problematiek in een pedagogische setting buiten de eigen thuissituatie van de jeugdige. De opvang is aanvullend op profiel B, C, D of E en tijdelijk en beperkt van aard.

      • vii.

        Profiel G – Dagbehandeling Specialistische Jeugdhulp. Behandeling (indien aangevuld met diagnostiek en/of ondersteuning) gericht op het oplossen dan wel verminderen van de aanwezige problematiek zodat een stabiele situatie ontstaat.

      • viii.

        Profiel H - Residentiële Specialistische Jeugdhulp. Verblijf (inclusief begeleiding en verzorging) gedurende meerdere dagen per week op locatie van de aanbieder. Het verblijf is aanvullend op behandeling die gericht is op het oplossen dan wel verminderen van de aanwezige problematiek zodat een stabiele situatie ontstaat.

      • ix.

        Profiel I – Logeren. Logeeropvang in een pedagogische setting aanvullend op profiel B, C, D of E.

      • x.

        Profiel J – Randvoorwaardelijke zaken en producten. De onder dit profiel vallende producten kunnen noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat er sprake is van effectieve jeugdhulp. Het gaat om de volgende producten:

        • a.

          Vervoer

        • b.

          Reistijd bij hulpverlening op één van de Friese Waddeneilanden;

        • c.

          Medicatiecontrole;

        • d.

          Overbrugging naar Wet langdurige zorg of diagnostiek;

        • e.

          Laagfrequent contact;

        • f.

          Nazorg;

        • g.

          Multidisciplinaire diagnostiek ten behoeve van het bepalen van passende jeugdhulp.

    • f.

      Open 3 milieuvoorziening (O3M): ondersteuning in de vorm van residentiële jeugdhulp voor jeugdigen met ernstige gedrags- en/of gezinsproblemen, al dan niet met een licht verstandelijke beperking en/of psychiatrische problematiek. De voorziening heeft als doel om binnen de 3 milieus - wonen, onderwijs en vrije tijd - met 24-uursverblijf en begeleiding een gezonde ontwikkeling van jeugdigen te stimuleren, aanwezige problemen te verminderen, en de stabiliteit, veiligheid en positieve interactie tussen de jeugdige en zijn sociale netwerk te herstellen.

    • g.

      Jeugdzorg Plus: maatregel in de vorm van gesloten residentiële jeugdhulp voor jeugdigen met ernstige en complexe problemen voor wie lichtere hulp ontoereikend is. Zonder behandeling vormen zij een risico voor zichzelf en/of hun omgeving. Deze ondersteuning wordt indien nodig ingekocht buiten de regio Fryslân.

    • h.

      Voorzieningen uit het Landelijk Transitiearrangement (LTA): ondersteuning voor jeugdigen met een zeer weinig voorkomende ondersteuningsvraag die zeer specialistische inzet vraagt. Deze ondersteuning is namens alle gemeenten landelijk ingekocht door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Een overzicht van het LTA staat op: www.vng.nl/artikelen/functies-en-aanbieders-jeugdhulp.

    • i.

      Crisishulp: ondersteuning die directe inzet vraagt om de veiligheid van de jeugdige en/of ouder(s) te garanderen. Dit kan zijn in situaties waarbij gevaar voor een jeugdige dreigt door ernstige verwaarlozing, fysiek geweld of seksueel misbruik, situaties waarin een ouder of jeugdige dreigt met zelfdoding of een psychose heeft. Crisishulp kan zowel ambulant als residentieel zijn.

    • j.

      Jeugdbeschermingsmaatregelen: een (Voorlopige) Ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing of voogdij. Deze maatregelen kan de rechter opleggen als vrijwillige hulp niet toereikend is en de jeugdige ernstig bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Soms woont een kind daarom (tijdelijk) niet meer thuis. De Gecertificeerde Instelling (GI) begeleidt een gezin bij de opvoeding, tot het einde van de jeugdbeschermingsmaatregel.

    • k.

      Jeugdreclasseringsmaatregelen: intensieve begeleiding en controle voor jongeren die veroordeeld zijn of verdacht worden van een strafbaar feit. Dit kan zowel op basis van een proces-verbaal van de politie als van de leerplichtambtenaar zijn. De jeugdreclassering wordt uitgevoerd door een GI of de volwassenreclassering.

  • 2.

    De in dit artikel genoemde productcategorieën zijn, met uitzondering van vaktherapie, ingekocht door de regionale inkooporganisatie Sociaal Domein Fryslân en de voorwaarden zijn vastgelegd in de regionale inkoopvoorwaarden.

HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN

Artikel 4. Toegang algemene voorziening

  • 1.

    Jeugdige en/of ouder(s) kunnen zich rechtstreeks richten tot een aanbieder van een algemene voorziening.

  • 2.

    Als een jeugdige en/of zijn ouder(s) geen gebruik wensen te maken van een algemene voorziening hebben zij desgewenst recht op een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van deze verordening.

Artikel 5. Toegang individuele voorziening via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als de genoemde verwijzer van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2.

    Het college is na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts niet verplicht jeugdhulp te vergoeden als deze wordt geleverd door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente geen contract- of subsidierelatie heeft, als het college soortgelijke passende jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder die wel een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 3.

    De jeugdhulpaanbieder dient zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie te houden.

  • 4.

    Inachtneming van lid 1, 2 en 3 van dit artikel, is het college verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts. Het college legt de inzet van de jeugdhulp vast in een beschikking, zoals bedoeld in artikel 10 van deze verordening, als:

    • a.

      de jeugdige of de ouder(s) een beschikking wensen;

    • b.

      de gemeente, in het uitzonderlijke geval, een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de verwijzer of jeugdhulpaanbieder na verwijzing;

    • c.

      een pgb wordt geïndiceerd.

Artikel 6. Toegang individuele voorziening via een GI, de rechter, het openbaar ministerie of de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht

  • 1.

    Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp die de rechter of GI nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van jeugdreclassering.

  • 2.

    Indien verwijzing door een GI plaatsvindt naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, is vooraf overleg met het college vereist.

  • 3.

    Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel. Het college verstrekt geen beschikking.

Artikel 7. Toegang individuele voorziening via de gemeente

  • 1.

    Jeugdigen, ouder(s) of andere belanghebbenden kunnen een hulpvraag stellen aan het college. Het college onderzoekt de hulpvraag en concludeert of er recht bestaat op een individuele voorziening, waarna een aanvraag om een individuele voorziening op het gebied van Jeugdhulp kan worden ingediend.

  • 2.

    Jeugdige of diens ouder(s) kunnen met een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier een aanvraag doen voor een individuele voorziening. Het college kan een ondertekend ondersteuningsplan, als bedoeld in artikel 9 van deze verordening, als aanvraag aanmerken voor zover er geen aanvraagformulier is ontvangen en als jeugdige en/of ouder(s) aangeven dat het ondersteuningsplan als aanvraag moet worden gezien.

  • 3.

    De jeugdige en/of ouder(s) kunnen zelf een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet opstellen, waarin zij samen met hun netwerk aangeven hoe ze de opvoed- en opgroeisituatie kunnen verbeteren en waarin zij een oplossing kunnen aandragen om de problemen van de jeugdige in eigen kring op te lossen. De gemeente informeert de jeugdige en/of ouder(s) over deze mogelijkheid.

  • 4.

    Voordat het onderzoek van start gaat, informeert het college de jeugdige en/of ouder(s) over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Het college wijst jeugdige en/of ouder(s) op de mogelijkheid gebruik te maken van een vertrouwenspersoon (artikel 2.5 van de Jeugdwet) en een onafhankelijke cliëntondersteuning (artikel 2.2.4 Wmo 2015).

  • 5.

    In spoedeisende gevallen zorgt het college zo spoedig mogelijk voor passende tijdelijke ondersteuning of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp zoals bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.

  • 6.

    Het college kan nadere regels opstellen over de toegang tot een individuele jeugdhulpvoorziening.

HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE

Artikel 8. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

  • 1.

    Als bij het college een aanvraag wordt gedaan voor een individuele voorziening, voert het college in samenspraak met de jeugdige en/of de ouder(s) een onderzoek uit en maakt zo snel mogelijk een afspraak voor een gesprek.

  • 2.

    Het college zet voor het onderzoek de daarvoor benodigde specifieke deskundigheid in en informeert de jeugdige en/of ouder(s) desgewenst over die deskundigheid. Het onderzoek vindt plaats door of onder verantwoordelijkheid een geregistreerde professional als bedoeld in artikel 1.1. van het Besluit Jeugdwet.

  • 3.

    Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht.

  • 4.

    Het college verzamelt in overleg met de jeugdige en/of de ouder(s) alle voor het onderzoek van belang zijnde gegevens en bescheiden en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.

  • 5.

    Het college onderzoekt samen met de jeugdige en/of zijn ouder(s):

    • a.

      wat de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is;

    • b.

      of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen. Als daar sprake van is, stelt het college vast om welke specifieke problemen en/of stoornissen het gaat;

    • c.

      welke vorm van hulp nodig is in vorm, duur en frequentie gelet op de problemen en/of stoornissen die in onderdeel b zijn vastgesteld. De hulp moet voldoen aan de vereisten van artikel 2.3 lid 1 en lid 4 van de wet;

    • d.

      als vaststaat welke hulp nodig is, beoordeelt het college welke eigen bijdrage de jeugdige, de ouder(s) en het sociale netwerk hierin kunnen leveren. De beoordeling hiervan is uitgewerkt in artikel 12 van deze verordening;

    • e.

      als de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen zoals genoemd in onderdeel d onvoldoende zijn, zet het college een individuele voorziening in, tenzij jeugdige en/of ouder(s) aanspraak kunnen maken op een voorliggende voorziening of een algemene voorziening;

    • f.

      als het college gelet op het bovenstaande een individuele voorziening moet inzetten, dan kan deze worden verstrekt als zorg in natura of als pgb. Het college informeert jeugdige en/of ouder(s) over de mogelijkheid om een pgb aan te vragen en geeft uitleg over wat de regels, gevolgen en verantwoordelijkheden zijn van een pgb. Hierin heeft de jeugdige en/of ouder(s) volledige keuzevrijheid;

    • g.

      als de jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking willen komen voor een pgb, beoordeelt het college deze aan de hand van de criteria genoemd in artikel 8.1.1 lid 2 van de wet en Hoofdstuk 6 van deze verordening.

  • 6.

    Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.

  • 7.

    Het college kan nadere regels opstellen over de inhoud van het onderzoek en de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 9. Ondersteuningsplan

  • 1.

    Het college verstrekt aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) een schriftelijke verslaglegging van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek, zoals bedoeld in artikel 8 van deze verordening.

  • 2.

    Het college voegt opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) toe aan het ondersteuningsplan.

  • 3.

    Als uit het ondersteuningsplan of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) blijkt dat een individuele voorziening noodzakelijk is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) en door deze teruggestuurd.

Artikel 10. Besluit en inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening

  • 1.

    Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.

  • 2.

    In de beschikking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt ook aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke vorm van jeugdhulp wordt verstrekt en waarom;

    • b.

      wat de omvang van de in te zetten jeugdhulp is;

    • c.

      wat de bedoelde resultaten zijn en op welke termijn deze behaald moeten worden;

    • d.

      welke zorgaanbieder de zorg/hulp gaat verlenen;

    • e.

      wat de ingangsdatum en de duur van de beschikking is;

    • f.

      dat tussentijdse evaluatie kan leiden tot aanpassing van de beschikking; en

    • g.

      de termijn van zes maanden waarbinnen van een jeugdige en/of ouder(s) wordt verwacht dat ze zich melden bij de jeugdhulpaanbieder.

  • 4.

    Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welke vorm van jeugdhulp een pgb wordt verstrekt en waarom;

    • b.

      wat de bedoelde resultaten zijn en op welke termijn deze behaald moeten worden;

    • c.

      wat de ingangsdatum en de duur van de beschikking is;

    • d.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • e.

      wat de hoogte van het pgb is en op welke gronden dit bedrag is bepaald;

    • f.

      dat tussentijdse evaluatie kan leiden tot aanpassing van de beschikking; en

    • g.

      de termijn van zes maanden waarbinnen van een jeugdige en/of ouder(s) wordt verwacht het pgb in te zetten voor de aangewezen jeugdhulp.

  • 5.

    In het geval dat hulp is ingezet in spoedeisende gevallen legt het college de beslissing omtrent de inzet van hulp zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

  • 6.

    Het ondertekende ondersteuningsplan, zoals bedoeld in artikel 9 van deze verordening, wordt als bijlage bijgevoegd bij de beschikking.

HOOFDSTUK 5. CRITERIA VOOR TOEKENNING VAN EEN INDIVIDUELE VOORZIENING

Artikel 11. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

  • 1.

    Een jeugdige en/of ouder(s) komt in aanmerking voor een individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige en/of ouder(s) jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- of opvoedingsproblematiek, psychische problemen of stoornissen en voor zover:

    • a.

      de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, als bedoeld in artikel 12 van deze verordening, ontoereikend zijn;

      en

    • b.

      gebruikmaking van een algemene voorziening, als bedoeld in artikel 2 van deze verordening;

      of

    • c.

      gebruikmaking van een andere voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.

    Bij het bepalen van de mate van de opgroei- en/of opvoedingsproblematiek wordt gebruik gemaakt van het ordeningsprincipe Kind in Fryslân.

  • 2.

    Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:

    • a.

      de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

    • b.

      de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

    • c.

      de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).

  • 3.

    Een algemene voorziening kan de noodzaak voor een individuele voorziening verminderen of wegnemen als deze (a) daadwerkelijk beschikbaar is en (b) passend en toereikend is voor de hulpvraag aan het college.

  • 4.

    Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de meest adequate, tijdig beschikbare en goedkoopste voorziening.

  • 5.

    De jeugdige en de ouder(s) kunnen geld terugkrijgen voor kosten van jeugdhulp die zij zelf hebben betaald. Dit kan voor kosten die zijn gemaakt tot drie maanden vóór de aanvraag, als zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

    • a.

      op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet;

    • b.

      het college de noodzaak en geschiktheid van de voorziening en de gemaakte kosten voor zover achteraf nog kan beoordelen, en;

    • c.

      de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Artikel 12. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

  • 1.

    Het college onderzoekt of een jeugdige en/of zijn ouder(s) (deels) in staat zijn om zelf de problemen op te lossen, eventueel met hulp van hun sociale netwerk. Het college zet geen voorziening in als sprake is van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.

  • 2.

    Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige en/of zijn ouder(s).

  • 3.

    Onder probleemoplossend vermogen en eigen mogelijkheden wordt in elk geval verstaan:

    • a.

      gebruikelijke hulp van de ouder(s) en/of andere verzorger(s) of opvoeder(s);

    • b.

      niet-gebruikelijke hulp van de ouder(s) voor zover deze beschikbaar en in staat is/zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de boven gebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan;

    • c.

      de ondersteuning vanuit het sociale netwerk;

    • d.

      het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.

  • 4.

    Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s) en/of andere verzorger(s) of opvoeder(s). Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen neemt het college, gelet op het bepaalde in artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van hun kind(eren) bij ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden en daarbij verplicht zijn om verzorging, voeding, begeleiding en toezicht te bieden. Dit geldt ook als er sprake is van ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

  • 5.

    Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Bij beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit paragraaf 6.3 van de Indicatiestelling voor de Jeugd-GGZ zoals deze luidden op 21 januari 2013. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de leeftijd van de jeugdige;

    • b.

      de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft;

    • c.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • d.

      de mate van planbaarheid van de hulp;

    • e.

      de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.

  • 6.

    Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouder(s) door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 7.

    Als de noodzakelijk geboden hulp de gebruikelijke hulp overstijgt is er sprake van niet-gebruikelijke hulp. Niet-gebruikelijke hulp valt onder de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zo lang ouder(s) zonder problemen in staat en beschikbaar zijn om de niet-gebruikelijke hulp te bieden.

  • 8.

    Bij niet-gebruikelijke hulp beoordeelt het college of van ouder(s) verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurige situaties:

    • -

      Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.

    • -

      Langdurend: het gaat om (een) chronische situatie(s) waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

  • 9.

    Het college verwacht van ouder(s) dat zij in kortdurende situaties de niet-gebruikelijke hulp bieden, tenzij niet-gebruikelijke hulp gelet op de aard van de hulp niet verwacht mag worden van ouder(s) of er sprake is van (dreigende) overbelasting. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 10.

    Bij de beoordeling van de niet-gebruikelijke hulp in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • b.

      de planbaarheid van de hulp;

    • c.

      de samenstelling van het gezin;

    • d.

      de woonsituatie;

    • e.

      het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouder(s);

    • f.

      vaardigheden van de ouder(s) om zelf hulp te bieden;

    • g.

      de manier van omgaan van ouder(s) met de problemen van de jeugdige;

    • h.

      of er sprake is van problematiek bij de ouder(s), zoals relationele problemen of schulden;

    • i.

      welke verplichtingen de ouder(s) hebben, bijvoorbeeld sociale verplichtingen of werk;

    • j.

      het belang van ouder(s) om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;

    • k.

      is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige en/of zijn ouder(s) te ondersteunen;

    • l.

      overige individuele omstandigheden die door jeugdige en/of ouder(s) worden ingebracht.

  • 11.

    Bij (dreigende) overbelasting geldt dat:

    • a.

      er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige;

    • b.

      als de overbelasting ziet op spanningen door het werk of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. Bij een aanvraag voor een individuele voorziening bekijkt het college wat er wordt gedaan om die spanningen te verminderen;

    • c.

      als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale activiteiten, wordt dit eerst van de ouder verwacht. Het verlenen van hulp aan het kind gaat voor op sociale activiteiten;

    • d.

      een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.

  • 12.

    Als na onderzoek blijkt dat de niet-gebruikelijke hulp in de gegeven omstandigheden verwacht kan worden is er sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Het college verstrekt in dat geval geen individuele voorziening.

  • 13.

    Als de jeugdige en/of de ouder(s) een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouder(s) verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

Artikel 13. Vervoer

  • 1.

    Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige naar en van de jeugdhulpaanbieder.

  • 2.

    Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

  • 3.

    Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening.

  • 4.

    Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 12 van deze verordening, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.

  • 5.

    Het college kan nadere regels vaststellen over (de toekenning van) vervoersvoorzieningen.

HOOFDSTUK 6. REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB

Artikel 14. Regels om in aanmerking te komen voor een pgb

  • 1.

    Het college kan een individuele voorziening verstrekken in de vorm van een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1. van de wet. Een pgb kan worden verstrekt indien:

    • a.

      de jeugdige en/of ouder(s), al dan niet met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, GI of gemachtigde, in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

    • b.

      de jeugdige en/of ouder(s) overtuigend kunnen motiveren waarom zij de individuele maatwerkvoorziening die door een gecontracteerde zorgaanbieder wordt geleverd niet passend achten;

    • c.

      naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) willen betrekken van een zorgaanbieder of een persoon die behoort tot het sociale netwerk van goede kwaliteit is.

  • 2.

    Als een jeugdige en/of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige en/of zijn ouder(s) daartoe een pgb-plan in. In het pgb-plan is opgenomen:

    • a.

      een probleemanalyse;

    • b.

      de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is;

    • c.

      welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;

    • d.

      de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

    • e.

      op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;

    • f.

      de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief (een begroting);

    • g.

      indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;

    • h.

      de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 15 lid 1 van deze verordening waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

  • 3.

    Het pgb-budget is niet bedoeld voor de volgende kosten:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, coördinatie, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      kosten voor de uitvoering van taken die horen bij budgetbeheer als het voeren van een pgb-administratie, het aanvragen van het pgb en het beheren van het pgb;

    • c.

      reiskosten;

    • d.

      besteding van het pgb in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;

    • e.

      bijkomende zorgkosten zoals opleiding, maaltijden en entreegelden;

    • f.

      kosten ten behoeve van een feestdaguitkering of eenmalige uitkering;

    • g.

      kosten voor de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG);

    • h.

      zak- of kleedgeld aan jeugdigen.

  • 4.

    Onverminderd artikel 8.1.1 van de wet, verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op de kosten die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt.

  • 5.

    Onverminderd artikel 8.1.1 lid 2 en artikel 8.1.4 van de wet, verstrekt het college geen pgb voor crisishulp.

  • 6.

    Voor informele hulp kan alleen een pgb worden verstrekt voor de profielen A: Enkelvoudige Specialistische Jeugdhulp, E: Begeleiding en Ondersteuning en I: Logeren. Dit in verband met de doelmatigheid van de geboden hulp in combinatie met de complexere problematiek in de andere profielen.

  • 7.

    Het college mag nadere regels vaststellen over de regels om in aanmerking te komen voor een pgb.

Artikel 15. Pgb-vaardigheid

  • 1.

    Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogde budgethouder, al dan niet met behulp vanuit het sociaal netwerk, of indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:

    • a.

      een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;

    • b.

      op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;

    • c.

      in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

    • d.

      voldoende vaardig zijn om te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;

    • e.

      in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

    • f.

      in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;

    • g.

      in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • h.

      in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

    • i.

      in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren, en;

    • j.

      voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.

  • 2.

    Een budgethouder of budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • a.

      het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder;

    • b.

      er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

      • I.

        schuldenproblematiek;

      • II.

        ernstige verslavingsproblematiek;

      • III.

        aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      • IV.

        een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

      • V.

        een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

      • VI.

        een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

      • VII.

        het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;

      • VIII.

        het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag;

      • IX.

        onder bewind of curatele gesteld.

Artikel 16. Onderscheid formele en informele hulp

  • 1.

    In het kader van pgb maakt het college onderscheid tussen formele en informele hulp.

  • 2.

    Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling en die voor het uitvoeren van de pgb taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitvoering van de desbetreffende taken;

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister, conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007, en beschikken over de relevante diploma’s of relevante werkervaring die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken;

    • c.

      personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet (SKJ-register), voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

  • 3.

    Van informele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt:

    • a.

      door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder;

    • b.

      door het sociaal netwerk van de budgethouder;

    • c.

      door een ander persoon dan beschreven in het tweede lid. Dit geldt ook voor een beroepskracht die niet voldoet aan de gestelde eisen.

Artikel 17. Hoogte van een pgb

  • 1.

    De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 80% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura.

  • 2.

    Het tarief voor formele hulp is lager als op basis van het door de jeugdige en/of ouder(s) ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 3.

    Als het op basis van lid 1 vastgestelde pgb voor formele hulp in een individueel geval onvoldoende is om de passende jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht.

  • 4.

    De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt:

    • a.

      100% van het wettelijk minimumloon, inclusief 8% vakantiebijslag, voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek

    • b.

      de vergoeding bij informele ondersteuning in de vorm van Logeren bedraagt, conform de ministeriële regeling voor hulp uit het sociaal netwerk (te betalen uit een pgb), maximaal € 141,-- per kalendermaand.

  • 5.

    De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij:

    • a.

      de indexering wordt berekend uit de som van het geprognotiseerde percentage voor het komende jaar (t+1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t-1) geprognosticeerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en

    • b.

      het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 90% op basis van het geprognosticeerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA, en voor 10% op basis van het geprognosticeerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA.

  • 6.

    Het college stelt de pgb-tarieven, conform de door de Gemeenteraad vastgestelde tariefbepaling, eenmaal per jaar vast in nadere regels.

Artikel 18. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

  • 1.

    Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:

    • a.

      beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden waarbij de VOG bij de aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder is dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor uitoefening van diens functie;

    • b.

      beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;

    • c.

      houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;

    • d.

      is voldoende vaardig om te communiceren;

    • e.

      werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

    • f.

      voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;

    • g.

      stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s);

    • h.

      stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige en/of zijn ouder(s) gebruik van maken;

    • i.

      respecteert de privacy van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;

    • j.

      neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige en/of de ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;

    • k.

      meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;

    • l.

      werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en

    • m.

      is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.

  • 2.

    Aanvullend op het bepaalde in artikel 18 lid 1 voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening aan de volgende eisen:

    • a.

      hetgeen is bepaald in artikel 16, tweede lid;

    • b.

      handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

    • c.

      werkt op basis van een hulpverleningsplan;

    • d.

      werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

    • e.

      hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

    • f.

      stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE DOMEINEN EN VOORZIENINGEN

Artikel 19. Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs

De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en aanspraken op basis van de Wet passend onderwijs is als volgt geregeld:

  • 1.

    Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma die primair is gericht op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen en/of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet;

  • 2.

    Als de ondersteuning, zoals beschreven in het eerste lid, mogelijk ook een bijdrage levert aan de ontwikkeling op andere leefgebieden, is er mogelijk een gedeelde verantwoordelijkheid voor die ondersteuning als er naast onderwijsdoelen ook jeugdhulpdoelen zijn;

  • 3.

    Als een jeugdige begeleiding en/of persoonlijke verzorging nodig heeft op school in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en/of stoornissen, valt die ondersteuning onder de jeugdhulpplicht. Daarbij zijn algemene voorzieningen voorliggend op individuele voorzieningen;

  • 4.

    Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college een inspanningsverplichting om in samenwerking met onderwijs met behulp van het ondersteuningsplan en/of het onderwijsperspectiefplan tot een passende oplossing te komen voor de hulpvraag.

  • 5.

    Indien jeugdhulp wordt ingezet in situaties als bedoeld in het vierde of vijfde lid van dit artikel, wordt die inzet afgestemd met eventueel in te zette ondersteuning vanuit de Wet passend onderwijs. De gezamenlijke inzet is gericht op het versterken van ontwikkelkansen door deelname aan onderwijs.

Artikel 20. Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, peuterspeelzaal, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het gebiedsteam van de gemeente.

  • 2.

    Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in lid 1 genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren.

  • 3.

    Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken voor een jeugdige worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige.

Artikel 21. Afstemming Zorgverzekeringswet en Wet Langdurige Zorg

  • 1.

    In artikel 5 van deze verordening is de mogelijkheid opgenomen dat jeugdigen en/of ouder(s) via het medisch domein jeugdhulp kunnen ontvangen. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en met de zorgverzekeraars, over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt. Dit volgt uit artikel 2.7 lid 4 van de wet.

  • 2.

    De inzet van zorg voor een jeugdige die 18 jaar wordt, kan wijzigen. Als het gaat om zorg die vanaf het 18e jaar onder de Zorgverzekeringswet valt, zorgt het college in samenwerking met de zorgverzekeraars voor een soepele overgang. Het college doet dit door afspraken te maken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De afspraken gaan over hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen. Dit om te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.

  • 3.

    Het college draagt zorg dat de jeugdige en/of ouder(s) ondersteund worden richting het CIZ, als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

Artikel 22. Afstemming met GI

  • 1.

    Het college maakt afspraken met de GI over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 en de GI.

  • 2.

    Het college maakt op regionaal niveau, overeenkomstig de Centrumregeling samenwerking Sociaal Domein Fryslân 2022, afspraken met de GI over de in te zetten jeugdhulp.

Artikel 23. Afstemming justitiedomein

  • 1.

    Het college maakt op regionaal niveau, overeenkomstig de Centrumregeling samenwerking Sociaal Domein Fryslân 2022, regionale afspraken met de GI, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de wet.

  • 2.

    Het college en de betrokken GI nemen de regionale afspraken op in het protocol zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 3 lid van de wet. Het college en de Raad voor de Kinderbescherming leggen de manier van samenwerken en de gemaakte afspraken vast in het protocol bedoeld in artikel 3.1 lid 5 van de wet. .

Artikel 24. Afstemming met Veilig Thuis

Het college maakt op regionaal niveau, overeenkomstig de Centrumregeling samenwerking Sociaal Domein Fryslân 2022, afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar individuele voorzieningen.

Artikel 25. Afstemming werk en inkomen

Het college draagt zorg dat de toegang, jeugdhulpaanbieders en de GI financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren. Als het nodig is zorgt het college ervoor dat jeugdigen en/of ouder(s) de juiste ondersteuning krijgen vanuit de gemeentelijke voorzieningen om deze belemmeringen weg te nemen, zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen.

Artikel 26. Afstemming Wmo

  • 1.

    Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen en/of ouder(s) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).

  • 2.

    Het college draagt zorg voor de continuïteit van zorg als de jeugdige 18 jaar wordt en de zorg na het 18e jaar onder de Wmo valt.

Artikel 27. Overgang 18- naar 18+

  • 1.

    Als een jeugdige van 16,5 jaar of ouder hulp op grond van de wet ontvangt en naar alle waarschijnlijkheid na het 18e levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een ander wettelijk kader, dan is het college gehouden om:

    • a.

      voor het 18e levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en

    • b.

      de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.

HOOFDSTUK 8. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK

Artikel 28. Inlichtingen

  • 1.

    Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige en/of de ouder(s) op verzoek of uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over een individuele voorziening.

Artikel 29. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s

  • 1.

    Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 2.

    Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.

  • 3.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

  • 4.

    De toezichthouder is in ieder geval bevoegd om alle gegevens te vorderen die noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen of de ondersteuning voldoet aan de eisen zoals bedoeld in artikel 18 van deze verordening.

  • 5.

    Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

Artikel 30. Niet meewerken ouder(s)

  • 1.

    De jeugdige en/of zijn ouder(s) zijn verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp.

  • 2.

    Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) naar oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief. Dan kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.

Artikel 31. Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering

  • 1.

    Het college evalueert periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen.

  • 2.

    Volgens artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing over een individuele voorziening herzien, intrekken, wijzigen of beëindigen als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige en/of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb; of

    • e.

      de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.

  • 3.

    Een beslissing tot verlening van pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 4.

    Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich niet binnen zes maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.

  • 5.

    Als het college een beslissing op grond van artikel 30 het tweede lid, onderdeel a van deze verordening, heeft ingetrokken omdat onjuiste of onvolledige gegevens zijn gegeven, kan door het college geheel of gedeeltelijk het geld van de individuele voorziening of het pgb teruggevorderd.

  • 6.

    Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte ontvangen pgb invorderen.

  • 7.

    Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid onder a, d, e of f de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.

HOOFDSTUK 9. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT

Artikel 32. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

  • 1.

    Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:

    • a.

      cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;

    • b.

      cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;

    • c.

      redelijke toeslag voor overheadkosten;

    • d.

      reis- en opleidingskosten;

    • e.

      kosten voor indexering;

    • f.

      kosten voor een voor de sector reële mate van niet-productieve uren van de beroepskracht als gevolg van ziekte, verlof, scholing en werkoverleg;

    • g.

      het Friese kwaliteitskader Jeugdhulp zoals vastgesteld door de Friese gemeenten;

    • h.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 2.

    Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouder(s) en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichten diensten.

HOOFDSTUK 10. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP Artikel 33. Klachtregeling

Het college gebruikt voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en ouder(s) die gaan over jeugdhulpvragen en aanvragen zoals bedoeld in deze verordening, de algemene klachtenregeling gemeente Opsterland.

Artikel 34. Medezeggenschap

Het college betrekt de jeugdige en de ouder(s) van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid over de jeugdhulp volgens de in artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels en Verordening Inwonersparticipatie Opsterland 2025.

HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN

Artikel 35. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de jeugdige of de ouder(s) afwijken van de bepalingen in deze verordening, wanneer toepassing van deze verordening, tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 36. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    Een besluit op een aanvraag wordt genomen op basis van de op de datum van het besluit geldende verordening.

  • 2.

    Jeugdigen en/of ouder(s) houden hun recht op de lopende voorziening, verstrekt op grond van een eerdere Verordening Hart voor de Jeugd, tot de einddatum van de beschikking. Tenzij het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, is ingetrokken.

  • 3.

    In de gevallen waarin de uitvoering van deze verordening en de hierop afgestemde regels niet voorzien, beslist het college.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit dat op grond van een eerdere Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Opsterland genomen is, wordt beslist op basis van Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Opsterland 2026, in hoeverre de belanghebbende hierdoor niet materieel wordt benadeeld.

  • 5.

    De Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Opsterland 2025 wordt ingetrokken.

Artikel 37. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Opsterland 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 december 2025,

De voorzitter,

De griffier

Naar boven