Financiële verordening 2025 gemeente Westland

De raad van de gemeente Westland;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 november 2025.

 

gelet op het bepaalde in artikel 212 van de Gemeentewet;

 

gehoord het advies van de commissie Bestuur en Economie van 27 november 2025 en gehoord de beraadslagingen van onderhavige vergadering;

 

besluit:

 

vast te stellen de volgende verordening:

 

FINANCIËLE VERORDENING 2025 GEMEENTE WESTLAND.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

  • overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.

  • rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Programma-indeling

  • 1.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

  • 2.

    De raad stelt op voorstel van het college per programma relevante indicatoren vast voor het meten van en het afleggen van verantwoording over de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid.

  • 3.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen in de begroting en rekening kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 3. Planning en controlcyclus

Voor de aanvang van een begrotingsjaar biedt het college een overzicht aan met daarin de data voor in ieder geval het aanbieden door het college van de jaarstukken, de begroting met de meerjarenraming en de eventueel nader te benoemen overige sturingsinformatie/rapportages.

Artikel 4. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1.

    Bij de begroting worden de geraamde lasten en baten weergegeven voor elk van de volgende onderdelen:

    • a.

      de programma’s,

    • b.

      de algemene dekkingsmiddelen, en

    • c.

      het overzicht van de overhead.

    Bij de jaarstukken worden de gerealiseerde lasten en baten voor deze onderdelen weergegeven.

  • 2.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het investeringskrediet in het lopende boekjaar weergegeven.

  • 3.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

  • 4.

    In de jaarrekening wordt van de investeringen en meerjarige projecten de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

  • 5.

    In het overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten per programma worden posten vanaf € 100.000 afzonderlijk gespecificeerd.

Artikel 5. Kaders begroting

  • 1.

    Het college biedt jaarlijks in overeenstemming met de in artikel 3 genoemde planning en controlcyclus aan de raad een nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad behandelt deze nota eveneens in overeenstemming met de in artikel 3 genoemde planning en controlcyclus.

  • 2.

    In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen.

  • 3.

    Het college is bevoegd de post onvoorzien als dekkingsmiddel aan te wenden voor uitgaven met een incidenteel karakter die als onvoorzienbaar, onvermijdbaar en onuitstelbaar kunnen worden aangemerkt.

  • 4.

    Het college legt over de uitgaven ten laste van onvoorzien achteraf verantwoording af in beginsel in het eerstvolgende specifieke rapportagemoment volgens de in artikel 3 genoemde planning en controlcyclus.

Artikel 6. Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1.

    Met de vaststelling van de begroting autoriseert de raad voor het begrotingsjaar de totale lasten en baten per programma en de kredieten en het bijbehorend meerjarig uitgavenpatroon van de volgende in de programmabegroting opgenomen investeringen:

    • a.

      Jaarlijks terugkerende vervangingsinvesteringen;

    • b.

      Nieuwe investeringen en mutaties van eerder geautoriseerde investeringen met een omvang kleiner dan € 250.000;

    • c.

      Voorbereidingen voor nog niet geautoriseerde nieuwe investeringen. Hiervoor is per investering 15% van het geraamde krediet beschikbaar met een maximum van € 200.000.

  • 2.

    Voor overige investeringen legt het college een voorstel voor het autoriseren van het investeringskrediet aan de raad voor. Dit gebeurt bij voorkeur tijdens het actualisatiemoment van het Meerjaren Investeringsplan (MIP). Indien dit niet mogelijk is, kan het college via een afzonderlijk raadsvoorstel op een ander moment goedkeuring vragen aan de raad.

  • 3.

    Indien het college voorziet dat een geautoriseerd lastenbudget dreigt te worden overschreden dan wel de baten de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden, meldt het college dit aan de raad door middel van een separaat voorstel dan wel uiterlijk in het eerstvolgende specifieke rapportagemoment volgens de in artikel 3 genoemde P&C-cyclus, beide met inbegrip van een voorstel voor wijziging van het budget of voor bijstelling van het beleid.

  • 4.

    Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten en de investeringskredieten en het bijstellen van het beleid.

  • 5.

    Voor een investering die niet is opgenomen in de begroting en het MIP legt het college een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Dit gebeurt bij voorkeur tijdens het actualisatiemoment van het MIP. Indien dit niet mogelijk is, kan het college via een afzonderlijk raadsvoorstel op een ander moment goedkeuring vragen aan de raad.

  • 6.

    Voor investeringen die zijn opgenomen in het MIP geldt dat de structurele financiële gevolgen (kapitaallasten) moeten zijn verwerkt in de meerjarenbegroting. Bij afzonderlijke raadsvoorstellen voor investeringskredieten wordt tevens de financiële dekking nader onderbouwd.

Artikel 6a. Meerjaren Investeringsplanning (MIP)

  • 1.

    Het MIP is een meerjarig overzicht van geplande investeringen van de gemeente met een looptijd van minimaal vier jaar en maakt integraal onderdeel uit van de programmabegroting.

  • 2.

    In het MIP worden investeringen opgenomen met een investeringsbedrag van minimaal € 50.000. Investeringen lager dan € 50.000 worden in het boekjaar ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 3.

    Per investering wordt in het MIP inzicht geboden in de omvang van het investeringskrediet, waarbij het krediet bestaat uit zowel uitgaven als bijbehorende inkomsten die afzonderlijk door de raad moeten worden geautoriseerd, evenals de looptijd, de kapitaallasten en, per jaarschijf, de verwachte kasstromen voor de komende 4 jaar vanuit investeringsuitgaven, bijdragen van derden.

  • 4.

    Het MIP vormt een afwegingskader voor investeringsbesluiten en wordt afgestemd op de beschikbare ruimte in de meerjarenbegroting. Hierbij wordt rekening gehouden met het effect van een eventuele overprogrammering.

  • 5.

    Het toevoegen van nieuwe projecten aan het MIP vindt in beginsel plaats bij de eerste actualisatie medio juli, gelijktijdig met de kadernota. Hierdoor kunnen college en raad een integrale afweging maken over prioritering, financiële ruimte en beleidsdoelen. In de kadernota worden de kapitaallasten van deze nieuwe meerjarig verwerkt.

Artikel 7. Tussentijdse rapportage

  • 1.

    Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente conform de in artikel 3 genoemde planning en controlcyclus.

  • 2.

    De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting van de relevante ontwikkelingen en risico’s, de post onvoorzien conform artikel 5 lid 4, de financiële afwijkingen van het beleid en een overzicht met de bijstelling van de raming van:

    • a.

      de baten en de lasten per programma;

    • b.

      de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma; en

    • c.

      het resultaat, volgend uit de onderdelen a. en b;

    • d.

      de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten.

    In de tussentijdse rapportages en jaarstukken worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van producten en investeringskredieten in de begroting groter dan € 100.000 toegelicht.

Artikel 8. Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen

Het college besluit, voor zover niet voorzien in de geautoriseerde begroting, niet over:

  • a.

    de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 1.000.000;

  • b.

    de aankoop van gronden en gebouwen groter dan € 25.000;

  • c.

    het verstrekken van leningen of van waarborgen en directe garanties groter dan € 1.000.000; en

  • d.

    het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen,

dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

Artikel 9. EMU-saldo

Als het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting als onderdeel van de reguliere P&C-cyclus.

Artikel 10. Overheveling programmabudget en resterende bestedingen reserves

Het college legt voorstellen voor budgetoverheveling en voor resterende bestedingen reserves bij tussentijdse rapportages en/of de jaarstukken ter vaststelling voor aan de raad. Voorstellen voor budgetoverheveling zijn getoetst aan de volgende criteria:

  • a.

    beleidsinhoudelijke noodzaak;

  • b.

    inbedding in de werkplanning/jaarplan van het nieuwe jaar;

  • c.

    effect op de voortgang/uitvoering van de reguliere werkzaamheden/activiteiten;

  • d.

    de overheveling heeft betrekking op incidentele budgetten;

  • e.

    het uitgaventotaal van het betreffende programma mag niet worden overschreden, behoudens situaties waarbij aantoonbare exogene factoren het resultaat negatief hebben beïnvloed;

  • f.

    het minimumbedrag voor de overheveling bedraagt € 100.000 per post.

Na goedkeuring van de jaarstukken worden de over te hevelen budgetten via een begrotingswijziging toegevoegd aan het nieuwe begrotingsjaar.

Bij de vaststelling van de eerste bijstelling van het nieuwe begrotingsjaar in de vorm van een P&C-document wordt de actualisatie van de bestedingsplannen via een begrotingswijziging geraamd in het nieuwe begrotingsjaar.

Voor zover er voorafgaand aan bovenstaande begrotingsbijstellingen in het begin van het nieuwe begrotingsjaar activiteiten worden uitgevoerd zonder dat formeel de begroting door de raad is gewijzigd worden deze tijdelijke budgetoverschrijdingen geacht te passen binnen het beleid van de raad.

Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 11. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1.

    In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het college aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de gemeente, exclusief de dotaties aan de reserves.

  • 2.

    In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten en/of onduidelijkheden) groter dan € 100.000 voor baten en lasten en € 100.000 voor investeringen nader toegelicht.

Artikel 12. Voorwaardencriterium

  • 1.

    Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks voor aanvang van de accountantscontrole op de jaarstukken ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Burgemeester en wethouders operationaliseren dit normenkader in een toetsingskader voor de interne beheersing.

Artikel 13. Begrotingscriterium

  • 1.

    Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen.

  • 2.

    De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 6.

  • 3.

    Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

  • 4.

    Uitgangspunt is dat iedere overschrijding op de lasten als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel beschouwd in de volgende situaties:

    • a.

      Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren op het autorisatieniveau zoals opgenomen in artikel 6 van de financiële verordening.

    • b.

      Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling.

    • c.

      Er is sprake van een overschrijding op een jaarschijf van een grondexploitatie die echter wel past binnen het totaal van de desbetreffende grondexploitatie.

    • d.

      De overschrijding is tijdig, doch uiterlijk in de jaarrekening, toegelicht aan de raad.

    • e.

      Er is sprake van een overschrijding die het gevolg is van onvoorziene omstandigheden, zoals een naheffing, waarvan het college ten tijde van het opstellen van de laatste tussenrapportage in het kalenderjaar niet op de hoogte was en ook niet op de hoogte behoorde te zijn.

    • f.

      Bij grondexploitatieprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde project. Een overschrijding van de jaarschijf, passend binnen het totale grondexploitatieproject, wordt daarmee als rechtmatig geschouwd.

  • 5.

    Onderschrijdingen van lasten, overschrijdingen van baten en onderschrijdingen van baten worden als rechtmatig aangemerkt in de volgende situaties:

    • a.

      Er is sprake van een afwijking die wordt gecompenseerd door direct gerelateerde inkomsten of uitgaven;

    • b.

      De afwijking heeft betrekking op een open-einde regeling;

    • c.

      De overschrijding is tijdig, doch uiterlijk in de jaarrekening, toegelicht aan de raad;

    • d.

      Er is sprake van een afwijking die het gevolg is van onvoorziene omstandigheden, zoals een naheffing, waarvan het college ten tijde van het opstellen van de laatste tussenrapportage in het kalenderjaar niet op de hoogte was en redelijkerwijs ook niet op de hoogte behoorde te zijn.

Artikel 14. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1.

    Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders zorgen voor en leggen vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

Hoofdstuk 4. Financieel beleid

Artikel 15. Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1.

    Materiële en immateriële vaste activa worden volledig afgeschreven volgens de lineaire methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingstermijnen bij deze verordening.

  • 2.

    Het college kan de raad in voorkomende gevallen onderbouwde voorstellen doen om van lid 1 en de bij deze verordening behorende bijlage afschrijvingstabel af te wijken.

  • 3.

    Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 50.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen, die altijd worden geactiveerd en voorbereidingskosten waarvoor een ondergrens geldt van € 25.000.

  • 4.

    Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 5.

    Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief worden in maximaal 5 jaar afgeschreven.

  • 6.

    Een saldo voor agio of disagio wordt in maximaal 5 jaar afgeschreven.

  • 7.

    De afschrijving start in het jaar volgend op het jaar van ingebruikname van het actief.

Artikel 16. Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1.

    Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen.

  • 2.

    Voor openstaande vorderingen betreffende:

    • a.

      onroerende zaakbelasting;

    • b.

      rioolheffing;

    • c.

      afvalstoffenheffing;

    • d.

      forensenbelasting;

    • e.

      toeristenbelasting;

    • f.

      leges;

    • g.

      lijkbezorgingsrechten;

    • h.

      marktgelden; en

    • i.

      bijstandsverstrekking,

    wordt, met uitzondering van vorderingen groter dan € 50.000 die individueel worden beoordeeld, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid.

Artikel 17. Reserves en voorzieningen

  • 1.

    Het college beziet tenminste één keer in de duur van een raadsperiode de noodzaak tot herziening van de nota reserves en voorzieningen. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt:

    • a.

      de vorming en besteding van reserves;

    • b.

      de vorming en besteding van voorzieningen; en

    • c.

      de rentetoerekening aan reserves en voorzieningen.

  • 2.

    Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      de voeding van de reserve;

    • c.

      de maximale hoogte van de reserve met een gemotiveerde onderbouwing;

    • d.

      de wijze van toerekening en verwerking van rente over de bestemmingsreserve; en

    • e.

      de maximale looptijd.

  • 3.

    Bij de instelling van een bestemmingsreserve dient het om een bedrag van minimaal € 250.000 te gaan.

  • 4.

    Van het minimale bedrag in lid 3, kan de raad afwijkend besluiten als zij daartoe een goed beargumenteerd collegevoorstel ontvangt.

  • 5.

    Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een besteding, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.

Artikel 18. Kostprijsberekening

  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten van de gemeente, die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden naast de directe kosten de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2.

    Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW), de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid en de kosten voor straatreiniging betrokken.

  • 3.

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

  • 4.

    Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

  • 5.

    Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten, die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt uitgegaan van een tarief uitgedrukt door een aandeel in de totale toe te rekenen overheadkosten, gedeeld door de totale direct productieve uren.

Artikel 19. Prijzen economische activiteiten

  • 1.

    Voor de levering van goederen, diensten en werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht.

  • 3.

    Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaan burgemeester en wethouders uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen.

  • 4.

    Bij afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doen burgemeester en wethouders vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd.

  • 5.

    Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorige lid zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet.

Artikel 20. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1.

    Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen, de afvalstoffenheffing en leges.

  • 2.

    Het college stelt eens in de 2 jaar de kaders vast voor de prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, werken en diensten aan overheidsbedrijven en derden en voor de huren en de erfpachten. Het college biedt deze kaders ter informatie aan de raad aan.

  • 3.

    Het college informeert de raad over een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en erfpachten ten opzichte van de vastgestelde kaders.

Artikel 21. Financieringsfunctie

  • 1.

    De gemeente stelt een Treasurystatuut op. In deze nota wordt het beleid op het gebied van financiering van de gemeente Westland vastgelegd waarin onder meer is opgenomen:

    • a.

      De wettelijke en interne kaders;

    • b.

      De opzet en inrichting van de financieringsfunctie;

    • c.

      Het financieringsbeleid: missie, doelstellingen, taakvelden, richtlijnen en limieten;

    • d.

      De organisatie rondom de financiering: verantwoordelijkheden, bevoegdheden, administratieve organisatie, planning & control en informatievoorziening;

  • 2.

    Het Treasurystatuut zal worden geactualiseerd zodra wettelijke of interne ontwikkelingen daartoe aanleiding geven;

  • 3.

    Het college stelt het Treasurystatuut vast.

Artikel 22. Publieke geldverstrekkingen

  • 1.

    De gemeente stelt Beleidsregels garanties en borgstellingen op. In deze nota wordt het beleid op het gebied van garanties en borgstellingen van de gemeente Westland vastgelegd waarin onder meer is opgenomen:

    • a.

      De wettelijke en interne kaders;

    • b.

      Het beleid ten aanzien van het garanderen of waarborgen van geldleningen;

    • c.

      De Beleidsregels garanties en borgstellingen zullen worden geactualiseerd zodra wettelijke of interne ontwikkelingen daartoe aanleiding geven.

  • 2.

    Het college stelt de Beleidsregels garanties en borgstellingen vast.

Hoofdstuk 4. Paragrafen

Artikel 23. Lokale heffingen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht.

Artikel 24. Financiering

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf Financiering in ieder geval op:

  • a.

    het kas- en saldobeheer inclusief spiegeling aan het drempelbedrag voor schatkistbankieren;

  • b.

    de financierings- en schuldpositie, waaronder:

    • -

      bij de begroting: de financieringsbehoefte, het EMU-saldo en de ontwikkeling van de netto schuldquote;

    • -

      bij de jaarstukken: de werkelijke financieringstransacties, het EMU-saldo en de omvang en samenstelling van de netto schuld en de netto schuldquote.

  • c.

    het overzicht van de rentelasten, de toerekening daarvan aan activa, grondexploitaties en taakvelden en het renteresultaat;

  • d.

    het risicobeheer van de financieringsportefeuille:

    • -

      kasgeldlimiet;

    • -

      renterisiconorm;

  • e.

    een overzicht van verstrekte en gewaarborgde geldleningen.

Artikel 25. Weerstandsvermogen & risicobeheersing

  • 1.

    Het college geeft in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing van de programmabegroting en van de jaarstukken een overzicht van de risico’s van materieel belang.

  • 2.

    Het college geeft in deze paragraaf inzicht in het weerstandsvermogen. Het weerstandsvermogen is de beschikbare weerstandscapaciteit gedeeld door het geraamde totaal aan schades en verliezen als gevolg van de risico’s van materieel belang.

  • 3.

    Het college rapporteert in deze paragraaf over de financiële positie door inzicht te geven in:

    • a.

      de verplichte financiële ratio’s (BBV), met toelichting en duiding;

    • b.

      eventueel door de raad toegevoegde financiële kengetallen.

Artikel 26. Grondbeleid

  • 1.

    Het college biedt, indien bijstelling nodig is, een geactualiseerde beleidsnota Grondbeleid aan ter vaststelling door de raad. In deze nota wordt in ieder geval aandacht besteed aan:

    • a.

      de strategische visie van het grondbeleid van de gemeente;

    • b.

      de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.

  • 2.

    Het college biedt jaarlijks maar uiterlijk bij de jaarrekening een geactualiseerd Meerjarenperspectief taakveld Gebiedsontwikkeling (MPG) aan. Naast de jaarlijkse rapportage informeert het college de raad door middel van een tussentijdse rapportage.

  • 3.

    In de paragraaf grondbeleid van de jaarstukken wordt op hoofdlijnen ingegaan op (de uitvoering van) het MPG.

  • 4.

    In het MPG wordt tenminste aandacht besteed aan:

    • a.

      de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

    • b.

      de voorraadverwerving en uitgifte van gronden;

    • c.

      de risico's die samenhangen met de grondontwikkeling;

    • d.

      de planning en financiële uitkomsten;

    • e.

      financiële prognoses;

Artikel 27. Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het onderhoudsplan openbare ruimte geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair. De raad stelt het onderhoudsplan openbare ruimte vast.

  • 2.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een rioleringsplan aan. Het rioleringsplan geeft het kader weer voor het beheer van het watersysteem, waaronder het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud. De raad stelt het rioleringsplan vast.

  • 3.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een onderhoudsplan gebouwen aan. Het onderhoudsplan gebouwen bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen. De raad stelt het onderhoudsplan gebouwen vast.

Artikel 28. Bedrijfsvoering

Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf Bedrijfsvoering verslag van actuele en/of bijzondere onderwerpen die aandacht behoeven waaronder rechtmatigheid.

Artikel 29. Wet open overheid

Bij de begroting en de jaarstukken doet het college verslag in de paragraaf Wet open overheid over de passieve openbaarmaking (= openbaar maken van documenten op verzoek) en de actieve openbaarmaking (= informatie uit eigen beweging openbaar maken).

Artikel 30. Verbonden partijen

Het college biedt, indien bijstelling nodig is, een geactualiseerde beleidsnota Verbonden partijen aan ter vaststelling door de raad. In deze nota wordt in ieder geval ingegaan op de uitgangspunten ten aanzien het openbaar - en financieel belang en de zeggenschap van de gemeente. De nota bevat ook de kaders voor het beleid over (het aangaan van nieuwe) participaties, taken, bevoegd- en verantwoordelijkheden, rollen en financiële condities.

Artikel 31. Subsidies

In deze paragraaf geeft het college een overzicht van de uitgaande subsidies aan instellingen en ondernemingen, als mede het doel van de toegekende subsidies.

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 32. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de domeinen;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten;

  • c.

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; en

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 33. Financiële organisatie

Het college draagt zorgt voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de domeinen;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken met de domeinen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    de verdeling van de directe loonkosten op basis van urenramingen naar de producten;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • h.

    het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en

  • i.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen,

opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 34. Interne controle

  • 1.

    Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheerhandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

  • 2.

    Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen (investeringen met een economisch nut) tenminste eenmaal in de 4 jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 35. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Financiële verordening gemeente Westland 2023 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

  • 2.

    Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2017 zijn gedaan, blijft de Financiële verordening gemeente Westland 2015 van toepassing zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 36. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2025.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als Financiële verordening gemeente Westland 2025.

Aldus besloten door de raad in zijn openbare vergadering van 10 december 2025,

de griffier,

P. van Oosten

de voorzitter,

B.R. Arends

BIJLAGE 1 TABEL AFSCHRIJVINGSTERMIJNEN VOOR INVESTERINGEN VANAF 2021

 

Algemeen

 

Ondergrens voor activeren (minimum investeringsbedrag) € 50.000, met uitzondering van voorbereidingskredieten (minimumbedrag € 25.000) en gronden en terreinen (geen minimum).

 

Immateriële vaste activa

De afschrijvingsduur van immateriële activa is maximaal 5 jaar.

 

Materiële investeringen met een economisch nut

Ten aanzien van de materiële investeringen met een economisch nut gelden de navolgende afschrijvingstermijnen:

  • a.

    25/30/40/50 jaar: gebouwen (semi-permanente opstallen 25 jaar, opstallen zwembaden 30 jaar, opstallen sporthallen en sportzalen 40 jaar, onderwijshuisvesting (vervangende) nieuwbouw 50 jaar en overige gebouwen op basis van de verwachte (restant) levensduur (50 jaar minus ouderdom pand));

  • b.

    5/10/15/25/50 jaar: rioleringen (meetapparatuur 5 jaar, peilbuizen 10 jaar, pompen en overige apparatuur 12 jaar; leidingen rioolstelsel 50 jaar, relining rioolstelsel 25 jaar, voorziening emissiereductie 25 jaar;

  • c.

    25 jaar: renovatie (=levensduurverlengend) gebouwen, interne aanpassing (waaronder onderwijskundige vernieuwing) en uitbreiding van scholen;

  • d.

    20 jaar: sportvelden (natuurlijk materiaal);

  • e.

    15 jaar: technische installaties in gebouwen, inzamelingsmiddelen (containers e.d.);

  • f.

    10 jaar: geluidsinstallaties; inventaris scholen; materieel gladheidsbestrijding;

    stemmachines;

  • g.

    10 jaar: kantoormeubilair;

  • h.

    4 jaar: facilitaire middelen en inrichting ;

  • i.

    6/8 jaar: vervoermiddelen (veegmachines 6 jaar, overige tractie 8 jaar);

  • j.

    2/3/4/5/6/8 jaar: automatiseringsapparatuur (smartphones 3 jaar, hardware op basis van verwachte technologische levensduur 3 of 5 jaar, software 5 jaar, centrale infrastructuur 4 jaar en overige infrastructuur ICT 8 jaar, telefooncentrale 6 jaar); E-laadpalen (6 jaar);

  • k.

    vervallen;

  • l.

    15/20/40 jaar: dakbedekking (afschrijvingstermijn wordt gerelateerd aan materiaalkeuze);

  • m.

    15 jaar: noodlokalen;

  • n.

    12/15/20/25 jaar: sportterreinen (kunstgrasvelden 10-12 jaar*, renovatie sportvelden en beregeningsinstallaties 15 jaar, hekwerken 20 jaar en tennisbanen 25 jaar);

  • o.

    25/50 jaar: inrichting begraafplaats 25 jaar, aanleg begraafplaats 50 jaar;

  • p.

    afgestemd op gegarandeerde onderhoudsperiode: software;

  • r.

    25 jaar: parkeerterrein (betaald parkeren);

  • s.

    niet: gronden en terreinen; voorbereidingskredieten tijdens de voorbereidingsfase.

* Financieel worden de kunstgrasvelden in 10 jaar afgeschreven. Voorafgaand aan dat 10e jaar (dus in jaar 9) wordt bezien of het kunstgrasveld daadwerkelijk moet worden vervangen, of dat de gebruiksduur nog 1 of 2 jaar kan worden verlengd. Hiermee wordt voorkomen dat een automatisch recht op vervanging na 10 jaar ontstaat.

 

Materiële activa in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut

 

Als investeringen met een maatschappelijk nut worden in Westland doorgaans de volgende zaken geactiveerd (voor zover niet opgenomen in een grondexploitatie):

  • -

    eerste aanleg en reconstructies van wegen, openbare (gratis) parkeerterreinen (af te schrijven in 29 jaar);

  • -

    straatmeubilair (af te schrijven in 15 jaar)

  • -

    eerste aanleg en renovatie speelplaatsen (af te schrijven in: kleine toestellen 10 jaar, gecombineerde toestellen 14 jaar en grote toestellen 18 jaar);

  • -

    aanleg damwanden, geluidsschermen, bruggen en tunnels (afhankelijk van materiaalkeuze af te schrijven in 25 respectievelijk 40 jaar);

  • -

    verkeersregelinstallaties (af te schrijven in 10 jaar);

  • -

    waterkeringen, waaronder beschoeiingen en duikers (af te schrijven in 25 jaar);

  • -

    eerste aanleg en reconstructie groenvoorzieningen (af te schrijven in 25 jaar);

  • -

    armaturen en masten openbare verlichting (af te schrijven in 20 respectievelijk 40 jaar).

Materiële vaste activa in eigendom van derden

 

De afschrijvingstermijn bij een bijdrage aan materiële vaste activa in eigendom van derden wordt gelijk gesteld aan de termijn die bij eigen investeringen in materiële vaste activa gelden.

Naar boven