Gemeenteblad van Lansingerland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lansingerland | Gemeenteblad 2025, 565931 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Lansingerland | Gemeenteblad 2025, 565931 | beleidsregel |
Derde Wijziging van de Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022
Het college van de gemeente Lansingerland;
gelezen het voorstel BW2500295 van team Maatschappelijke Opgaven, domein Samenleving;
gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Lansingerland van 29 oktober 2025;
gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatiewet, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, Wet inburgering 2021 en de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023;
overwegende dat het vanwege wetswijzigingen, nieuw of gewijzigd beleid, rechtspraak, uitvoerbaarheid en redactionele verbeteringen wenselijk is een aantal bepalingen van de Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022 te wijzigen;
De Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022 worden als volgt gewijzigd:
Artikel 4.1.1 vervalt en komt te luiden “[Vervallen]”.
In artikel 4.3.3, onder het kopje ‘Begeleiding jongeren’, komt de tekst te luiden:
Begeleiding voor kinderen en jongeren tot 18 jaar valt onder de Jeugdwet. Als een voorziening vanuit de Jeugdwet is geïndiceerd voor het 18de jaar en het noodzakelijk is die voort te zetten, maar dit niet mogelijk is vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning, kan de voorziening tot 23 jaar worden voortgezet vanuit de Jeugdwet (Verlengde Jeugdhulp).
In artikel 4.3.4, onder het kopje ‘Begeleiding groep’, wordt na de derde bullet een bullet toegevoegd, die luidt: “Personen met psychiatrische problematiek die structuur, begeleiding of sociale contacten nodig hebben.”
Artikel 4.5.3, wordt de tekst onder het kopje ‘Algemeen gebruikelijke renovatie’ volledig herschreven en komt die te luiden:
Algemeen gebruikelijke renovatie
Voorzieningen in een woning hebben een bepaalde economische en technische levensduur. De economische levensduur is gebaseerd op de periode waarbinnen de gemiddelde Nederlander de voorziening afschrijft en overgaat tot vervanging. De technische levensduur is afhankelijk van de kwaliteit van de voorziening en verstrijkt op het moment dat de voorziening niet meer goed functioneert.
Als de levensduur van de voorziening is verstreken dan is het algemeen gebruikelijk om deze voorziening te vervangen/te renoveren. Van inwoners wordt verwacht dat zij de kosten voor een algemeen gebruikelijke renovatie ook kunnen dragen.
Bij de bepaling van de economische levensduur sluit het college als richtlijn aan bij de richtlijnen van de Landelijke Huurcommissie. Bekijk hiervoor het Beleidsboek ‘Huurverhoging na woningverbetering’ van de Huurcommissie.
Beoordelingskader indien levensduur nog niet is verstreken
Dan beoordeelt het college of aanpassing of vervanging van de voorziening algemeen gebruikelijk is aan de hand van de hieronder genoemde criteria die volgen uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2024:1364 en ECLI:NL:CRVB:2024:136).
De aanpassing of voorziening is:
In individuele situaties wijkt het college gemotiveerd af van deze criteria als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Een reden om af te wijken kan zijn dat de voorziening zeer goed of zeer slecht is onderhouden, waarbij ook de persoonskenmerken van de inwoner een rol spelen. Het college weegt hierbij ook de in artikel 2.2.3 van de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023 opgenomen criteria af.
Inwoners zijn altijd zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren van reparatiewerkzaamheden en/of (dwingend of regulier) onderhoud. Het college kent hiervoor geen voorziening of pgb toe.
In artikel 4.5.4, onder het kopje ‘Verhuizing’, vervallen de voorlaatste en laatste zin.
Artikel 4.6.3 wordt als volgt gewijzigd:
Onder het kopje ‘Voorzieningen op grond van andere wetgeving’, derde opsommingsteken ‘Vervoer vanuit de Zorgverzekeraar’, wordt “Het basispakket vergoedt vervoer per ambulance als een verzekerde naar het ziekenhuis, zorgverlener of zorginstelling gaat en de daar te verlenen zorg tot het basispakket behoort. In de voorwaarden van uw zorgverzekering kunt u nakijken welk vervoer vergoed wordt vanuit uw basispakket.” vervangen door “Het basispakket van de zorgverzekeraar vergoedt medisch noodzakelijk vervoer.”
De tekst onder het kopje ‘Valys’ komt te luiden: “Voor vervoer buiten het Wmo-gebied (maximaal 30 kilometer vanaf of tot het woonadres) kan de inwoner gebruik maken van het Valys vervoersysteem. Om Valys aan te vragen moet de inwoner kunnen aantonen dat hij een beschikking heeft voor een vervoers- of rolstoelvoorziening, gehandicaptenparkeerkaart, OV-begeleiderskaart of een scootmobiel. Heeft de inwoner geen indicatie voor één van deze Wmo-voorzieningen, maar is vervoer buiten het Wmo-gebied wel noodzakelijk, dan kan het college op aanvraag een verklaring afgeven waarmee de inwoner vervoer bij Valys kan aanvragen.”
Artikel 4.6.4 wordt als volgt gewijzigd:
Om een scootmobiel goed te kunnen gebruiken, kan het zijn dat er accessoires of een training voor het gebruik nodig zijn. De volgende mogelijkheden worden daarbij eventueel aangeboden:
Voor een adequaat en zorgvuldig gebruik van de scootmobiel is het van belang dat de gebruiker goed met de scootmobiel overweg kan en zonder schade toe te brengen aan stoepen e.d. Het goed overweg kunnen met de scootmobiel vergroot niet alleen de zelfstandigheid, veiligheid en de mogelijkheden van de gebruiker; zorgvuldig omgaan met de scootmobiel bevordert tevens de levensduur van de scootmobiel en voorkomt schade en extra onderhoud. Indien er bij de indicatie wordt aangegeven dat een scootmobieltraining noodzakelijk is dan wordt deze op grond van de Wmo vergoed. De training wordt in beginsel gegeven door de leverancier.
Belangrijk is dat er een stallingmogelijkheid is, beschut tegen wind en regen, voor de scootmobiel is met een elektriciteitspunt voor het opladen van de accu’s. Als dit niet het geval is, komen ook de kosten voor de aanleg van een stalling of elektriciteitspunt mogelijk voor vergoeding in aanmerking.”
Het verstrekken van een pgb voor een autoaanpassing is alleen mogelijk indien de inwoner gezien de aard van de beperking geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, geen gebruik kan maken van het aanvullend collectief vraagafhankelijk vervoer en geen gebruik kan maken van een taxi en de inwoner wel in staat is zich met een eigen auto te verplaatsen en bovenstaande wordt ondersteund door een indicatie. Er wordt een pgb voor een autoaanpassing verstrekt voor een auto indien deze niet ouder is dan 36 maanden op de datum van aanvraag voor een autoaanpassing. Is de auto ouder dan 36 maanden, dan onderzoekt het college of de auto nog een levensduur heeft van minimaal 7 jaar en de aanpassingen de investering nog waard is. Deze vergoeding wordt slechts 1 maal per 7 jaar verstrekt.
Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft die meer kosten dan gebruikelijke auto-aanpassingen (dus geen stuur-bekrachtiging of cruise controle).
In de oude Wmo werd uitgegaan van een levensduur van minimaal 7 jaar van de aanpassingen; dit is in praktijk een redelijke termijn gebleken waarop opnieuw aanpassingen kunnen worden verstrekt (uiteraard rekening houdend met de persoonskenmerken van de aanvrager op dat moment). Bij verstrekking van aanpassingen is het daarom redelijk om van de aanvrager te verlangen dat hij aantoont dat de aan te passen auto de investering nog waard is (dus naar verwachting nog minimaal 7 jaar mee kan).
In artikel 4.8.2 vervalt de tekst:
“De inwoner is zelf verantwoordelijk voor:
In artikel 4.8.5 vervalt de zin: “Ook ontvangt een inwoner een vergoedingenlijst waarop staat welke kosten wel en niet voor pgb-vergoeding in aanmerking komen.”
Artikel 5.2.1 vervalt en komt te luiden “[Vervallen]”.
Artikel 5.2.3 wordt als volgt gewijzigd:
De zin “Bij overbelasting door een dienstverband van te veel uren, als gevolg van spanningen op het werk of relatieproblemen, zal de oplossing gezocht moeten worden in het wegnemen van deze spanningsfactoren.” wordt vervangen door “Bij overbelasting door bijvoorbeeld een dienstverband van te veel uren, als gevolg van spanningen op het werk of relatieproblemen, zal de oplossing door ouders gezocht moeten worden in het wegnemen van deze spanningsfactoren.”
Artikel 5.3, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
De derde bullet komt te luiden: “Behandelt in ieder geval de leefgebieden: inkomen/financiën, dagbesteding, huisvesting, gezinsrelaties/ huiselijke relaties, persoonlijke verzorging, lichamelijke gezondheid, geestelijke gezondheid, verslaving, activiteiten dagelijks leven, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie, justitie, ouderschap en veiligheid.”
De vijfde bullet komt te luiden: “Wordt ondertekend door de jeugdige of zijn ouders. De jeugdige in de leeftijd van 12 tot 16 jaar mag het plan ondertekenen. Vanaf 16 jaar moet de jeugdige het plan ondertekenen. De professional ondertekent het plan ook. Het plan geeft richting aan de ondersteuning in de praktijk (professionele sturing) en is richtinggevend voor ondersteunende en uitvoerende werkers en bindend voor alle betrokkenen.”
Artikel 5.4.3 wordt herschreven en komt te luiden:
5.4.3 Gebruikelijke hulp en vrijetijdsbesteding
In het onderzoek bespreekt de consulent met de inwoner (en zijn mantelzorgers) die jeugdhulp aanvraagt:
Daarnaast doet de jeugdconsulent een gedegen onderzoek naar de noodzaak, kennis en ontwikkel-mogelijkheden van het kind. Hierbij raadpleegt de consulent tenminste één andere bron, zoals school, behandelaar, begeleider etc. Wanneer de consulent dit nodig acht kan er een nog niet betrokken professional geraadpleegd worden voor advies. De consulent heeft in de aanvraag zicht op het gehele systeem en de veerkracht van dit systeem.
In het ondersteuningsplan kunnen jeugdhulpdoelen staan die te maken hebben met de vrijetijdsbesteding van het kind. Activiteiten die overeenkomen met vormen van vrije tijdsbesteding (zoals paardrijden, scouting, zwemles e.d.) kunnen ook jeugdhulpdoelen dienen, zoals het reguleren van emoties, het vergroten van zelfvertrouwen en het doorbreken van isolement. Dat het bijdraagt aan de doelen, betekent niet dat het jeugdhulp is.
Zo hebben we in artikel 5.3.7a van de Verordening Sociaal Domein bepaald wat onder gebruikelijke hulp moet worden verstaan. Het laten deelnemen van een jeugdige aan vrijetijdsactiviteiten valt daar in beginsel ook onder.
Jeugdhulp voor zorg in vrije tijd of vakantie kan alleen dan onderdeel zijn van jeugdhulp indien het noodzakelijk is voor het behalen van de afgesproken jeugdhulpdoelen.
Paragraaf 5.5 met alle artikelen vervallen.
Paragraaf 5.6 met alle artikelen vervallen
In paragraaf 5.7, derde zin, vervalt aan het einde van de zin “(pgb)”.
In artikel 5.8.2, eerste alinea, komt de tweede zin te luiden: “De hoogte van het pgb wordt vastgesteld aan de hand van het onderzoek.”
Artikel 5.8.3 wordt als volgt gewijzigd:
Het vijfde wordt herschreven en komt te luiden: “In het ondersteuningsplan bij een aanvraag voor het informele pgb worden doelen opgenomen die zich richten op het vergroten van de mate van zelfredzaamheid van de jeugdige. Er kan na afloop van de indicatie een herziening plaatsvinden. Er vindt dan opnieuw onderzoek plaats waarbij gekeken wordt naar de noodzaak, kennis en ontwikke-lingsmogelijkheden van de aanvrager. Tijdens het onderzoek/evaluatie worden zowel de jeugdige als de informele zorgverleners gesproken en samen met hen worden de doelen opgesteld. Het onderzoek in combinatie met een evaluatie vindt in ieder geval plaats wanneer de indicatie afloopt. Wanneer de doelen niet behaald zijn moet de reden daarvan onderzocht worden. Hierbij speelt ook de afweging of professionele hulp wenselijk is een rol. Wanneer er ook professionele hulp wordt ingezet, heeft deze zorg-professional de taak om gezamenlijk met ouders de doelen op te stellen en te evalueren op (voortgang) van de zelfredzaamheid van de jeugdige. De formele hulpverlener legt dit vast in een evaluatieverslag. In dit verslag staan de doelen waar zijn aan gewerkt en de voortgang van deze doelen en wordt een analyse gemaakt van de actuele mate van zelfredzaamheid van de jeugdige en de doelmatigheid van huidige inzet van informele en formele hulp.”
Artikel 6.1.1 wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 6.1.2, tweede lid, wordt “niet-kandidaten” telkens vervangen door “niet uitkeringsgerechtigden”.
Artikel 6.2.3 wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 6.3.1, komt onderdeel c te luiden: “c. instrumenten gericht op maatschappelijke participatie. Deze instrumenten zijn gericht op maatschappelijke participatie en gaat om werkplekken bij een bedrijf, instelling of vereniging waar kandidaten met behoud van uitkering vrijwilligerswerk kunnen doen. Het doel hiervan is dat mensen actief en maatschappelijk nuttig bezig zijn. Zowel het college als de kandidaat kunnen hier het initiatief voor nemen.”
Artikel 6.3.5 wordt herschreven en komt te luiden:
Artikel 6.3.5 Werkgeverscheque
In artikel 6.3.6, in het opschrift en de aanhef, wordt “Sociale activering” vervangen door “Maatschappelijke participatie”.
Artikel 6.3.8 wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 6.3.10, zesde lid, wordt “De uitstroom” vervangen door “De uitstroompremie”.
Artikel 6.3.11 wordt herschreven en komt te luiden:
Artikel 6.3.11 Vergoeding kosten kinderopvang
Het college kan een vergoeding verstrekken voor de kosten van de eigen bijdrage voor kinderopvang en/of vroeg- en voorschoolse educatie, indien een kandidaat deze kosten moet maken in het kader van het volgen van een re-integratietraject, participatie, volwasseneducatie of een inburgeringscursus onder de Wet Inburgering 2021 en deze kandidaat kan aantonen dat diens sociaal netwerk (partner, familie, vrienden, kennissen, buren) geen opvang kan bieden.
Artikel 6.3.12 wordt als volgt gewijzigd:
Het tweede lid wordt herschreven en komt te luiden: “Voor inwoners waarvan het vermoeden bestaat dat deze in aanmerking komen voor de voorziening beschut werk, kan het college eerst een voortraject aanbieden om vanuit daar door te stromen naar een passende werkplek. Het voortraject is gericht op het verkrijgen van inzicht in de arbeidsmogelijkheden van de inwoner en op het stimuleren van zijn ontwikkeling, met het oog op doorstroom naar een passende werkplek. Indien uit het voortraject naar voren komt dat de inwoner uitsluitend kan functioneren in een beschutte werkomgeving onder aangepaste omstandigheden, vraagt het college advies aan bij het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV). Dit advies dient ter onderbouwing van de beoordeling of de inwoner uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.”
Artikel 6.3.14, eerste lid, komt te luiden: “Het college kan een werkgever een plaatsingsfee van € 500 uitkeren wanneer hij een kandidaat een baan heeft aangeboden, mits er sprake is van een arbeidscontract van minimaal 6 maanden.”
In artikel 6.4.3, tweede lid, wordt “als bedoeld in het tweede lid” vervangen door “als bedoeld in het eerste lid”.
Artikel 7.2.2 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 7.2.3 wordt als volgt gewijzigd:
Het vijde lid komt te luiden: “Statushouders die onder de taakstelling van de gemeente vallen en worden gehuisvest, hebben recht op een vergoeding van de woninginventaris, ongeacht of zij een betaalde baan hebben. Voor deze doelgroep vindt geen draagkrachtberekening op inkomen en vermogen plaats. De vergoeding wordt verstrekt in de vorm van een lening. Statushouders lossen de lening af door maandelijks het aflosbedrag aan het college over te maken dan wel wordt het aflos-bedrag maandelijks door het college ingehouden op de algemene bijstandsuitkering. De aflossing is rentevrij en start in de maand nadat de lening is toegekend. “
Artikel 7.3.1 wordt als volgt gewijzigd:
Het vijfde lid komt te luiden: “Indien een inwoner deelneemt aan een minnelijke schuldregeling (Msnp) of is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wnsp), wordt geen draagkracht uit inkomen aangenomen, aangezien het inkomen boven het vrij te laten bedrag (Vtlb) niet vrij beschikbaar is.”
Artikel 7.3.2 wordt als volgt gewijzigd:
Het vijfde lid komt te luiden: “5. Indien een inwoner deelneemt aan een minnelijke schuldregeling (Msnp) of is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wnsp), wordt geen draagkracht uit inkomen aangenomen, aangezien het inkomen boven het vrij te laten bedrag (Vtlb) niet vrij beschikbaar is.
In artikel 7.4.3 wordt “sociale activering” vervangen door “maatschappelijke participatie”.
In artikel 7.4.11, tweede lid, wordt € 0,19” vervangen door € 0,23”.
Artikel 7.4.12 wordt herschreven en komt te luiden:
Paragraaf 7.6 wordt in zijn geheel herschreven en komt te luiden:
Artikel 7.6.1 Aanvragen studietoeslag
Artikel 7.6.2 Eenmaal per studiejaar studietoeslag verlenen
Een inwoner kan eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een studietoeslag.
Artikel 7.6.3 Hoogte studietoeslag
De hoogte van de studietoeslag is afhankelijk van de leeftijd van de inwoner en komt overeen met het op dat moment geldende bedrag wat de rijksoverheid hanteert.
Artikel 7.2.4 Betaling individuele studietoeslag
De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.
Artikel 7.6.5 Tussentijdse beëindiging studie
Artikel 7.6.6 Ziekte of gebrek
In artikel 7.7.2 komt het eerste lid te luiden: “Als een belanghebbende die 21 jaar of ouder is geen woonkosten heeft voor de woning die hij bewoont dan vindt een verlaging plaats van 20 procent op basis van artikel 27 van de Participatiewet van de bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet.”
In artikel 7.7.8, tweede lid, wordt “BOVAG” vervangen door “ANWB/BOVAG”.
In artikel 7.8.16, eerste lid, worden onder verlettering van onderdeel d naar c, de onderdelen b en c samengevoegd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-565931.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.