Derde Wijziging van de Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022

Het college van de gemeente Lansingerland;

 

gelezen het voorstel BW2500295 van team Maatschappelijke Opgaven, domein Samenleving;

 

gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Lansingerland van 29 oktober 2025;

 

gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatiewet, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, Wet inburgering 2021 en de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023;

 

overwegende dat het vanwege wetswijzigingen, nieuw of gewijzigd beleid, rechtspraak, uitvoerbaarheid en redactionele verbeteringen wenselijk is een aantal bepalingen van de Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022 te wijzigen;

 

besluit:

ARTIKEL I  

 

De Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022 worden als volgt gewijzigd:

 

A.

 

Artikel 4.1.1 vervalt en komt te luiden “[Vervallen]”.

 

B.

 

In artikel 4.3.3, onder het kopje ‘Begeleiding jongeren’, komt de tekst te luiden:

Begeleiding jongeren

Begeleiding voor kinderen en jongeren tot 18 jaar valt onder de Jeugdwet. Als een voorziening vanuit de Jeugdwet is geïndiceerd voor het 18de jaar en het noodzakelijk is die voort te zetten, maar dit niet mogelijk is vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning, kan de voorziening tot 23 jaar worden voortgezet vanuit de Jeugdwet (Verlengde Jeugdhulp).

 

C.

 

In artikel 4.3.4, onder het kopje ‘Begeleiding groep’, wordt na de derde bullet een bullet toegevoegd, die luidt: “Personen met psychiatrische problematiek die structuur, begeleiding of sociale contacten nodig hebben.”

 

D.

 

Artikel 4.5.3, wordt de tekst onder het kopje ‘Algemeen gebruikelijke renovatie’ volledig herschreven en komt die te luiden:

 

Algemeen gebruikelijke renovatie

Voorzieningen in een woning hebben een bepaalde economische en technische levensduur. De economische levensduur is gebaseerd op de periode waarbinnen de gemiddelde Nederlander de voorziening afschrijft en overgaat tot vervanging. De technische levensduur is afhankelijk van de kwaliteit van de voorziening en verstrijkt op het moment dat de voorziening niet meer goed functioneert.

 

Als de levensduur van de voorziening is verstreken dan is het algemeen gebruikelijk om deze voorziening te vervangen/te renoveren. Van inwoners wordt verwacht dat zij de kosten voor een algemeen gebruikelijke renovatie ook kunnen dragen.

 

Bij de bepaling van de economische levensduur sluit het college als richtlijn aan bij de richtlijnen van de Landelijke Huurcommissie. Bekijk hiervoor het Beleidsboek ‘Huurverhoging na woningverbetering’ van de Huurcommissie.

 

Voorziening:

Economische levensduur in jaren:

Badkamer/douche/sanitair

25

Toilet

15

Keuken

15

 

Beoordelingskader indien levensduur nog niet is verstreken

  • is er sprake van een verandering in de lichamelijke en/of geestelijke situatie waardoor er een extra beperking is opgetreden waardoor er een hulpvraag is? en,

  • is de levensduur van de voorziening nog niet verstreken of is de voorziening na het verstrijken van de levensduur nog functioneel?

Dan beoordeelt het college of aanpassing of vervanging van de voorziening algemeen gebruikelijk is aan de hand van de hieronder genoemde criteria die volgen uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2024:1364 en ECLI:NL:CRVB:2024:136).

 

De aanpassing of voorziening is:

  • niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking

  • daadwerkelijk beschikbaar

  • levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is

  • kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau

  • is naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar.

In individuele situaties wijkt het college gemotiveerd af van deze criteria als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Een reden om af te wijken kan zijn dat de voorziening zeer goed of zeer slecht is onderhouden, waarbij ook de persoonskenmerken van de inwoner een rol spelen. Het college weegt hierbij ook de in artikel 2.2.3 van de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023 opgenomen criteria af.

 

Reparatie en onderhoud

Inwoners zijn altijd zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren van reparatiewerkzaamheden en/of (dwingend of regulier) onderhoud. Het college kent hiervoor geen voorziening of pgb toe.

 

E.

 

In artikel 4.5.4, onder het kopje ‘Verhuizing’, vervallen de voorlaatste en laatste zin.

 

F.

 

Artikel 4.6.3 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Onder het kopje ‘Voorzieningen op grond van andere wetgeving’, derde opsommingsteken ‘Vervoer vanuit de Zorgverzekeraar’, wordt “Het basispakket vergoedt vervoer per ambulance als een verzekerde naar het ziekenhuis, zorgverlener of zorginstelling gaat en de daar te verlenen zorg tot het basispakket behoort. In de voorwaarden van uw zorgverzekering kunt u nakijken welk vervoer vergoed wordt vanuit uw basispakket.” vervangen door “Het basispakket van de zorgverzekeraar vergoedt medisch noodzakelijk vervoer.”

  • 2.

    De tekst onder het kopje ‘Valys’ komt te luiden: “Voor vervoer buiten het Wmo-gebied (maximaal 30 kilometer vanaf of tot het woonadres) kan de inwoner gebruik maken van het Valys vervoersysteem. Om Valys aan te vragen moet de inwoner kunnen aantonen dat hij een beschikking heeft voor een vervoers- of rolstoelvoorziening, gehandicaptenparkeerkaart, OV-begeleiderskaart of een scootmobiel. Heeft de inwoner geen indicatie voor één van deze Wmo-voorzieningen, maar is vervoer buiten het Wmo-gebied wel noodzakelijk, dan kan het college op aanvraag een verklaring afgeven waarmee de inwoner vervoer bij Valys kan aanvragen.”

G.

 

Artikel 4.6.4 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Onder het kopje ‘Vervoersbehoefte’, komt de alinea onder het derde opsommingsteken te luiden:

    “Met het totaalpakket aan vervoersvoorzieningen wordt de inwoner in staat gesteld om in zijn dagelijkse vervoersbehoefte te voorzien. Er wordt daarbij uitgegaan van maximaal 1500 km per jaar.

    Hierbij geldt:

    • Het aantal kilometers wordt toegekend vanaf de eerste dag van de maand van aanvraag en naar rato van het jaartotaal vastgesteld.

    • Indien er op 1 januari van een nieuw kalenderjaar nog kilometers over zijn van het voorafgaande jaar dan komen deze kilometers te vervallen. De resterende kilometers mogen niet worden meegenomen naar een volgend kalenderjaar.

    • Indien de inwoner de 1500 km per jaar volledig heeft benut, kan het college dit aantal ophogen als daar ook aanleiding voor is.

    • De inwoner mag zijn kilometers naar eigen inzicht besteden met uitzondering van inzet voor woon-werkverkeer.”

  • 2.

    Onder het kopje ‘Beltax’, komt de derde zin te luiden: “De inwoner kan een loophulpmiddel of rolstoel meenemen in het vervoer.”

  • 3.

    De alinea ‘Scootmobiel’ wordt herschreven en komt te luiden:

    “Scootmobiel

    Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer op de korte en middellange afstanden en kan, afhankelijk van de vervoersbehoefte, worden gebruikt als aanvulling op het collectief vervoer.

    Er wordt rekening gehouden met:

    • a.

      hand en armfunctie;

    • b.

      vermogen tot lopen;

    • c.

      de specifieke verplaatsingsbehoefte in de nabije omgeving (zoals boodschappen doen).

  • Om een scootmobiel goed te kunnen gebruiken, kan het zijn dat er accessoires of een training voor het gebruik nodig zijn. De volgende mogelijkheden worden daarbij eventueel aangeboden:

    • Scootmobieltraining

      Voor een adequaat en zorgvuldig gebruik van de scootmobiel is het van belang dat de gebruiker goed met de scootmobiel overweg kan en zonder schade toe te brengen aan stoepen e.d. Het goed overweg kunnen met de scootmobiel vergroot niet alleen de zelfstandigheid, veiligheid en de mogelijkheden van de gebruiker; zorgvuldig omgaan met de scootmobiel bevordert tevens de levensduur van de scootmobiel en voorkomt schade en extra onderhoud. Indien er bij de indicatie wordt aangegeven dat een scootmobieltraining noodzakelijk is dan wordt deze op grond van de Wmo vergoed. De training wordt in beginsel gegeven door de leverancier.

    • Scootmobielaccessoires

      De kosten van medisch noodzakelijke accessoires worden vergoed op grond van de Wmo. De indicatie is leidend.

  • Belangrijk is dat er een stallingmogelijkheid is, beschut tegen wind en regen, voor de scootmobiel is met een elektriciteitspunt voor het opladen van de accu’s. Als dit niet het geval is, komen ook de kosten voor de aanleg van een stalling of elektriciteitspunt mogelijk voor vergoeding in aanmerking.”

  • 4.

    Na de alinea ‘Scootmobiel’ wordt een nieuwe alinea toegevoegd, die luidt:

    “Rolstoel

    Voor rolstoelen wordt uitgegaan van de volgende soorten rolstoelen en het programma van eisen op basis van het onderzoek is daarbij leidend:

  • Handbewogen rolstoelen of duwwandelwagen

    Bij het verstrekken van een dergelijke rolstoel gelden de volgende criteria:

    • 1.

      de inwoner is niet in staat een half uur achtereen te lopen voor het winkelen, boodschappen doen, e.d. in de nabije omgeving;

    • 2.

      er is sprake van een normale hand- en armfunctie. Dit criterium geldt niet voor de duwwandelwagen;

    • 3.

      afhankelijk van de intensiteit van het gebruik moet de woning meer of minder rolstoelgeschikt zijn.

  • Elektrisch voortbewogen rolstoel, joystick bestuurd

  • Bij het verstrekken van een dergelijke rolstoel gelden de volgende criteria:

    • 1.

      de inwoner kan zich minder dan 100 meter verplaatsen met een handrolstoel, bij voorbeeld vanwege energetische problemen (hart, longen e.d.) en beperkte arm- of handfunctie en/of zitbalans;

    • 2.

      de inwoner is niet in staat gebruik te maken van een scootmobiel of handbewogen rolstoel vanwege sterk beperkte arm- of handfunctie of te weinig zitbalans.

  • Er wordt een integraal advies opgevraagd waarbij ook aandacht wordt besteed aan de rolstoel-geschiktheid van de woning.”

  • 5.

    Onder het kopje ‘Autoaanpassingen’, komt de tekst te luiden:

    “Autoaanpassingen

  • Het verstrekken van een pgb voor een autoaanpassing is alleen mogelijk indien de inwoner gezien de aard van de beperking geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, geen gebruik kan maken van het aanvullend collectief vraagafhankelijk vervoer en geen gebruik kan maken van een taxi en de inwoner wel in staat is zich met een eigen auto te verplaatsen en bovenstaande wordt ondersteund door een indicatie. Er wordt een pgb voor een autoaanpassing verstrekt voor een auto indien deze niet ouder is dan 36 maanden op de datum van aanvraag voor een autoaanpassing. Is de auto ouder dan 36 maanden, dan onderzoekt het college of de auto nog een levensduur heeft van minimaal 7 jaar en de aanpassingen de investering nog waard is. Deze vergoeding wordt slechts 1 maal per 7 jaar verstrekt.

    Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft die meer kosten dan gebruikelijke auto-aanpassingen (dus geen stuur-bekrachtiging of cruise controle).

    In de oude Wmo werd uitgegaan van een levensduur van minimaal 7 jaar van de aanpassingen; dit is in praktijk een redelijke termijn gebleken waarop opnieuw aanpassingen kunnen worden verstrekt (uiteraard rekening houdend met de persoonskenmerken van de aanvrager op dat moment). Bij verstrekking van aanpassingen is het daarom redelijk om van de aanvrager te verlangen dat hij aantoont dat de aan te passen auto de investering nog waard is (dus naar verwachting nog minimaal 7 jaar mee kan).

H.

 

In artikel 4.8.2 vervalt de tekst:

“De inwoner is zelf verantwoordelijk voor:

  • Het inkopen van het hulpmiddel of hulp.

  • Het onderhoud, de reparaties en de verzekering van hulpmiddel..

I.

 

In artikel 4.8.5 vervalt de zin: “Ook ontvangt een inwoner een vergoedingenlijst waarop staat welke kosten wel en niet voor pgb-vergoeding in aanmerking komen.”

 

J.

 

Artikel 4.8.6 vervalt.

 

K.

 

Artikel 5.2.1 vervalt en komt te luiden “[Vervallen]”.

 

L.

 

Artikel 5.2.3 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    De zin “Aan het indiceren van respijtzorg gaat het beoordelen van de overbelasting vooraf.” wordt vervangen door “Aan het indiceren van respijtzorg gaat het beoordelen van de overbelasting van ouders vooraf als bedoeld in artikel 5.3.7a en 5.3.7b van de Verordening Sociaal Domein.”

  • 2.

    De zin “Bij overbelasting door een dienstverband van te veel uren, als gevolg van spanningen op het werk of relatieproblemen, zal de oplossing gezocht moeten worden in het wegnemen van deze spanningsfactoren.” wordt vervangen door “Bij overbelasting door bijvoorbeeld een dienstverband van te veel uren, als gevolg van spanningen op het werk of relatieproblemen, zal de oplossing door ouders gezocht moeten worden in het wegnemen van deze spanningsfactoren.”

  • 3.

    In het gehele artikel wordt “zorger/mantelzorger” telkens vervangen door “verzorger/mantelzorger”.

M.

 

Artikel 5.3, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    De derde bullet komt te luiden: “Behandelt in ieder geval de leefgebieden: inkomen/financiën, dagbesteding, huisvesting, gezinsrelaties/ huiselijke relaties, persoonlijke verzorging, lichamelijke gezondheid, geestelijke gezondheid, verslaving, activiteiten dagelijks leven, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie, justitie, ouderschap en veiligheid.”

  • 2.

    De vijfde bullet komt te luiden: “Wordt ondertekend door de jeugdige of zijn ouders. De jeugdige in de leeftijd van 12 tot 16 jaar mag het plan ondertekenen. Vanaf 16 jaar moet de jeugdige het plan ondertekenen. De professional ondertekent het plan ook. Het plan geeft richting aan de ondersteuning in de praktijk (professionele sturing) en is richtinggevend voor ondersteunende en uitvoerende werkers en bindend voor alle betrokkenen.”

  • 3.

    De zesde bullet komt te luiden: “Is het resultaat van de dialoog tussen de jeugdige en/of zijn ouders, bloedverwanten of aanverwanten, zijn sociaal netwerk, de casushouder en eventueel andere betrokken professionals via een vorm van een netwerkberaad.”

  • 4.

    De negende bullet komt te luiden: “Voorziet in afspraken over en afwegingen voor de inzet van een individuele jeugdhulpvoorziening (indien van toepassing).”

 

N.

 

Artikel 5.4.3 wordt herschreven en komt te luiden:

 

5.4.3 Gebruikelijke hulp en vrijetijdsbesteding

 

Onderzoek

In het onderzoek bespreekt de consulent met de inwoner (en zijn mantelzorgers) die jeugdhulp aanvraagt:

  • wat ouders en het netwerk om de jeugdige zelf kunnen doen om de zorg te leveren (eigen kracht) ook als die zorg buiten het gemiddelde ontwikkelingspatroon van een jeugdige valt;

  • of er tot dan toe al sprake is geweest van (onbetaalde) jeugdhulp;

  • wat maakt dat de zorgverlener uit het sociale netwerk er eventueel mee stopt;

  • wat maakt dat een eventuele nieuwe mantelzorger de zorg niet kosteloos wil verlenen.

Daarnaast doet de jeugdconsulent een gedegen onderzoek naar de noodzaak, kennis en ontwikkel-mogelijkheden van het kind. Hierbij raadpleegt de consulent tenminste één andere bron, zoals school, behandelaar, begeleider etc. Wanneer de consulent dit nodig acht kan er een nog niet betrokken professional geraadpleegd worden voor advies. De consulent heeft in de aanvraag zicht op het gehele systeem en de veerkracht van dit systeem.

 

In het ondersteuningsplan kunnen jeugdhulpdoelen staan die te maken hebben met de vrijetijdsbesteding van het kind. Activiteiten die overeenkomen met vormen van vrije tijdsbesteding (zoals paardrijden, scouting, zwemles e.d.) kunnen ook jeugdhulpdoelen dienen, zoals het reguleren van emoties, het vergroten van zelfvertrouwen en het doorbreken van isolement. Dat het bijdraagt aan de doelen, betekent niet dat het jeugdhulp is.

 

Zo hebben we in artikel 5.3.7a van de Verordening Sociaal Domein bepaald wat onder gebruikelijke hulp moet worden verstaan. Het laten deelnemen van een jeugdige aan vrijetijdsactiviteiten valt daar in beginsel ook onder.

 

Jeugdhulp voor zorg in vrije tijd of vakantie kan alleen dan onderdeel zijn van jeugdhulp indien het noodzakelijk is voor het behalen van de afgesproken jeugdhulpdoelen.

 

O.

 

Artikel 5.4.4 vervalt.

 

P.

 

Paragraaf 5.5 met alle artikelen vervallen.

 

Q.

 

Paragraaf 5.6 met alle artikelen vervallen

 

R.

 

In paragraaf 5.7, derde zin, vervalt aan het einde van de zin “(pgb)”.

 

S.

 

In artikel 5.8.2, eerste alinea, komt de tweede zin te luiden: “De hoogte van het pgb wordt vastgesteld aan de hand van het onderzoek.”

 

T.

 

Artikel 5.8.3 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Het derde lid vervalt en komt te luiden “[Vervallen]”.

  • 2.

    Het vijfde wordt herschreven en komt te luiden: “In het ondersteuningsplan bij een aanvraag voor het informele pgb worden doelen opgenomen die zich richten op het vergroten van de mate van zelfredzaamheid van de jeugdige. Er kan na afloop van de indicatie een herziening plaatsvinden. Er vindt dan opnieuw onderzoek plaats waarbij gekeken wordt naar de noodzaak, kennis en ontwikke-lingsmogelijkheden van de aanvrager. Tijdens het onderzoek/evaluatie worden zowel de jeugdige als de informele zorgverleners gesproken en samen met hen worden de doelen opgesteld. Het onderzoek in combinatie met een evaluatie vindt in ieder geval plaats wanneer de indicatie afloopt. Wanneer de doelen niet behaald zijn moet de reden daarvan onderzocht worden. Hierbij speelt ook de afweging of professionele hulp wenselijk is een rol. Wanneer er ook professionele hulp wordt ingezet, heeft deze zorg-professional de taak om gezamenlijk met ouders de doelen op te stellen en te evalueren op (voortgang) van de zelfredzaamheid van de jeugdige. De formele hulpverlener legt dit vast in een evaluatieverslag. In dit verslag staan de doelen waar zijn aan gewerkt en de voortgang van deze doelen en wordt een analyse gemaakt van de actuele mate van zelfredzaamheid van de jeugdige en de doelmatigheid van huidige inzet van informele en formele hulp.”

  • 3.

    Het zesde lid vervalt.

U.

 

Artikel 6.1.1 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het eerste lid, wordt onderdeel d herschreven en komt te luiden:

    • d.

      niet-uitkeringsgerechtigden (nug-gers): mensen die geen algemene bijstandsuitkering ontvangen en:

      • -

        Mensen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw);

      • -

        Schoolverlaters met een parttime bijbaan en die geen recht op een uitkering hebben;

      • -

        Herintreders met of zonder verdienende partner of vermogen (zoals beschreven in de Participatiewet, afhankelijk van de gezinssituatie);

      • -

        WW-gerechtigden die de maximale uitkeringsduur hebben bereikt en geen recht hebben op een Participatiewetuitkering vanwege een verdienende partner of een vermogen;

  • 2.

    In onderdeel f wordt “sociale activering” vervangen door “maatschappelijke participatie”.

V.

 

In artikel 6.1.2, tweede lid, wordt “niet-kandidaten” telkens vervangen door “niet uitkeringsgerechtigden”.

 

W.

 

Artikel 6.2.3 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het opschrift van het artikel wordt “niet-kandidaten” vervangen door “niet-uitkeringsgerechtigden”.

  • 2.

    In het eerste lid, aanhef, wordt “niet-kandidaat” vervangen door “niet-uitkeringsgerechtigde”. In de onderdelen a tot en met d, wordt na de puntkomma telkens toegevoegd “en/of”. In onderdeel e wordt na de puntkomma “en” vervangen door “en/of”.

  • 3.

    In het tweede lid wordt “niet-kandidaat” vervangen door “niet uitkeringsgerechtigde”.

  • 4.

    Het derde lid komt te luiden: “De ondersteuning heeft een maximale trajectduur van een jaar en bedraagt maximaal € 3.500 per ondersteuningsaanvraag.”

  • 5.

    In het vierde lid wordt “niet-kandidaat” vervangen door “niet-uitkeringsgerechtigde”.

  • 6.

    In het vijfde lid wordt “niet-kandidaten” vervangen door “niet-uitkeringsgerechtigden”.

X.

 

In artikel 6.3.1, komt onderdeel c te luiden: “c. instrumenten gericht op maatschappelijke participatie. Deze instrumenten zijn gericht op maatschappelijke participatie en gaat om werkplekken bij een bedrijf, instelling of vereniging waar kandidaten met behoud van uitkering vrijwilligerswerk kunnen doen. Het doel hiervan is dat mensen actief en maatschappelijk nuttig bezig zijn. Zowel het college als de kandidaat kunnen hier het initiatief voor nemen.”

 

Y.

 

Artikel 6.3.5 wordt herschreven en komt te luiden:

 

Artikel 6.3.5 Werkgeverscheque

  • 1.

    De vergoeding van de werkgeverscheque bedraagt ten hoogste € 2.250,- bij een dienstverband van zes maanden en ten hoogste € 4.500,- bij een dienstverband van twaalf maanden. Indien de arbeids-overeenkomst voortijdig wordt ontbonden, dan wordt de vergoeding evenredig verlaagd.

  • 2.

    De arbeidsovereenkomst dient minimaal 32 uur per week te bedragen en dient een vast aantal uren te bedragen. Dit mag ook een gemiddelde zijn van minimaal 12 uur per week en minimaal 52 uur per maand. Indien de arbeidsovereenkomst minder uur bedraagt, dan wordt de vergoeding evenredig verlaagd.

  • 3.

    Aan de arbeidsovereenkomst zijn verder de volgende voorwaarden verbonden:

    • -

      er mag geen sprake zijn van een uitzendbeding;

    • -

      er mag geen clausule zijn opgenomen dat er bij geen werk geen loondoorbetalingsverplichting geldt;

    • -

      er mag geen sprake zijn van een nul-urencontract.

  • 4.

    De vergoeding kan op maandbasis nooit meer bedragen dan het bedrag dat de kandidaat aan bijstand ontving in de maand voorafgaand aan het aanvaarden van werk.

  • 5.

    De werkgeverscheque is niet stapelbaar met een loonkostensubsidie (LKS) en/of plaatsings fee.

Z.

 

In artikel 6.3.6, in het opschrift en de aanhef, wordt “Sociale activering” vervangen door “Maatschappelijke participatie”.

 

AA.

 

Artikel 6.3.8 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het derde lid, onderdeel b, wordt “€ 0,19” vervangen door “€ 0,23”. Onderdeel d komt te luiden:

    “d. in de vorm van een ov-chipkaart, of”.

  • 2.

    In het achtste lid vervalt “,bijvoorbeeld een baangarantie,”.

BB.

 

In artikel 6.3.10, zesde lid, wordt “De uitstroom” vervangen door “De uitstroompremie”.

 

CC.

 

Artikel 6.3.11 wordt herschreven en komt te luiden:

 

Artikel 6.3.11 Vergoeding kosten kinderopvang

Het college kan een vergoeding verstrekken voor de kosten van de eigen bijdrage voor kinderopvang en/of vroeg- en voorschoolse educatie, indien een kandidaat deze kosten moet maken in het kader van het volgen van een re-integratietraject, participatie, volwasseneducatie of een inburgeringscursus onder de Wet Inburgering 2021 en deze kandidaat kan aantonen dat diens sociaal netwerk (partner, familie, vrienden, kennissen, buren) geen opvang kan bieden.

 

DD.

 

Artikel 6.3.12 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In het tweede lid, onderdeel b, wordt “sociale activering” vervangen door “maatschappelijke participatie”.

  • 2.

    Het tweede lid wordt herschreven en komt te luiden: “Voor inwoners waarvan het vermoeden bestaat dat deze in aanmerking komen voor de voorziening beschut werk, kan het college eerst een voortraject aanbieden om vanuit daar door te stromen naar een passende werkplek. Het voortraject is gericht op het verkrijgen van inzicht in de arbeidsmogelijkheden van de inwoner en op het stimuleren van zijn ontwikkeling, met het oog op doorstroom naar een passende werkplek. Indien uit het voortraject naar voren komt dat de inwoner uitsluitend kan functioneren in een beschutte werkomgeving onder aangepaste omstandigheden, vraagt het college advies aan bij het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV). Dit advies dient ter onderbouwing van de beoordeling of de inwoner uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.”

  • 3.

    In het derde lid wordt “werkstage” vervangen door “voortraject”.

EE.

 

Artikel 6.3.14, eerste lid, komt te luiden: “Het college kan een werkgever een plaatsingsfee van € 500 uitkeren wanneer hij een kandidaat een baan heeft aangeboden, mits er sprake is van een arbeidscontract van minimaal 6 maanden.”

 

FF.

 

In artikel 6.4.3, tweede lid, wordt “als bedoeld in het tweede lid” vervangen door “als bedoeld in het eerste lid”.

 

GG.

 

Artikel 7.2.2 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Het zesde lid komt te luiden: “Bij het bepalen van de hoogte van te verstrekken bijzondere bijstand voor verhuisbare duurzame gebruiksgoederen wordt bij de aanschaf uitgegaan van de Nibud-norm.”

  • 2.

    Het zevende lid vervalt.

HH.

 

Artikel 7.2.3 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Het tweede lid vervalt en komt te luiden “[Vervallen]”.

  • 2.

    In het derde lid komt onderdeel c te luiden: “c. Een aanvullende vergoeding voor een bed en matras vanaf het 5e kind.”

  • 3.

    In het derde lid wordt een onderdeel toegevoegd, dat luidt: “d. Wandbekleding overeenkomstig 100% van de Nibud-norm.”

  • 4.

    In het vierde lid vervallen de voorlaatste en laatste zin.

  • 5.

    Het vijde lid komt te luiden: “Statushouders die onder de taakstelling van de gemeente vallen en worden gehuisvest, hebben recht op een vergoeding van de woninginventaris, ongeacht of zij een betaalde baan hebben. Voor deze doelgroep vindt geen draagkrachtberekening op inkomen en vermogen plaats. De vergoeding wordt verstrekt in de vorm van een lening. Statushouders lossen de lening af door maandelijks het aflosbedrag aan het college over te maken dan wel wordt het aflos-bedrag maandelijks door het college ingehouden op de algemene bijstandsuitkering. De aflossing is rentevrij en start in de maand nadat de lening is toegekend. “

II.

 

Artikel 7.3.1 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Het tweede lid komt te luiden: “Om te bepalen welke middelen in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van draagkracht wordt aangesloten bij artikel 31 tot en met 34 van de Participatiewet.”

  • 2.

    Het vijfde lid komt te luiden: “Indien een inwoner deelneemt aan een minnelijke schuldregeling (Msnp) of is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wnsp), wordt geen draagkracht uit inkomen aangenomen, aangezien het inkomen boven het vrij te laten bedrag (Vtlb) niet vrij beschikbaar is.”

  • 3.

    Het achtste lid vervalt.

JJ.

 

Artikel 7.3.2 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Het derde lid vervalt en komt te luiden “[Vervallen]”.

  • 2.

    Het vijfde lid komt te luiden: “5. Indien een inwoner deelneemt aan een minnelijke schuldregeling (Msnp) of is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wnsp), wordt geen draagkracht uit inkomen aangenomen, aangezien het inkomen boven het vrij te laten bedrag (Vtlb) niet vrij beschikbaar is.

KK.

 

In artikel 7.4.3 wordt “sociale activering” vervangen door “maatschappelijke participatie”.

 

LL.

 

In artikel 7.4.11, tweede lid, wordt € 0,19” vervangen door € 0,23”.

 

MM.

 

Artikel 7.4.12 wordt herschreven en komt te luiden:

 

Artikel 7.4.12 Procedure

  • 1.

    Een aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend voordat de kosten worden gemaakt. Als dit redelijkerwijs niet haalbaar is, kan de aanvraag tot 1 maand met terugwerkende kracht worden toegekend. Hierbij geldt de datum waarop de betalingsverplichting is aangegaan als datum van de kosten.

  • 2.

    Een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en budgetbeheer (zoals bedoeld in artikel 7.4.7) kan maximaal 3 maanden met terugwerkende kracht worden toegekend vanaf de datum van indiening.

  • 3.

    Binnen twee weken na uitbetaling van de bijzondere bijstand moet de belanghebbende een nota van aanschaf overleggen, waaruit blijkt dat hij de verstrekking heeft aangewend voor het doel waarvoor deze is verstrekt.

  • 4.

    In gevallen waarin de nota niet overgelegd wordt of indien blijkt dat de verstrekking niet is aangewend waarvoor het bedoeld was, wordt de verstrekte bijzondere bijstand teruggevorderd.

NN.

 

Paragraaf 7.6 wordt in zijn geheel herschreven en komt te luiden:

 

Paragraaf 7.6 Studietoeslag

 

Artikel 7.6.1 Aanvragen studietoeslag

  • 1.

    Een inwoner kan een aanvraag voor studietoeslag, als bedoeld in artikel 36b, lid 1 Participatiewet, alleen met een door het college vastgesteld aanvraagformulier schriftelijk of digitaal indienen.

  • 2.

    De studietoeslag kan met terugwerkende kracht per 1 april 2022 worden aangevraagd.

  • 3.

    De terugwerkende kracht kan nooit verder gaan dan 1 april 2022. Het recht op studietoeslag verjaart 5 jaar na de datum waarop aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag is voldaan. Na afloop van die termijn is de aanspraak op de studietoeslag niet meer rechtens afdwingbaar.

Artikel 7.6.2 Eenmaal per studiejaar studietoeslag verlenen

Een inwoner kan eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een studietoeslag.

 

Artikel 7.6.3 Hoogte studietoeslag

De hoogte van de studietoeslag is afhankelijk van de leeftijd van de inwoner en komt overeen met het op dat moment geldende bedrag wat de rijksoverheid hanteert.

 

Artikel 7.2.4 Betaling individuele studietoeslag

De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.

 

Artikel 7.6.5 Tussentijdse beëindiging studie

  • 1.

    Het recht op studietoeslag vervalt indien belanghebbende de studie tussentijds beëindigt.

  • 2.

    Indien een belanghebbende de studie tussentijds beëindigt, vordert het college het deel van de studietoeslag waar belanghebbende hierdoor niet langer recht op heeft terug.

Artikel 7.6.6 Ziekte of gebrek

  • 1.

    Het college stelt op basis van een deskundig advies vast of er sprake is van een ziekte of gebrek zoals bedoeld in artikel 36b. van de Participatiewet, waardoor belanghebbende niet in staat is om structureel inkomsten te verwerven naast een voltijds studie.

  • 2.

    Het deskundig advies kan achterwege blijven als:

    • -

      uit feitelijke omstandigheden blijkt dat belanghebbende reeds inkomsten verwerft naast de voltijds studie of;

    • -

      meer dan 30 uur per week heeft kunnen werken voorafgaand aan het volgen van de voltijds studie.

OO.

 

In artikel 7.7.2 komt het eerste lid te luiden: “Als een belanghebbende die 21 jaar of ouder is geen woonkosten heeft voor de woning die hij bewoont dan vindt een verlaging plaats van 20 procent op basis van artikel 27 van de Participatiewet van de bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet.”

 

PP.

 

In artikel 7.7.8, tweede lid, wordt “BOVAG” vervangen door “ANWB/BOVAG”.

 

QQ.

 

In artikel 7.8.16, eerste lid, worden onder verlettering van onderdeel d naar c, de onderdelen b en c samengevoegd.

 

RR.

 

Bijlage 1 vervalt en komt te luiden “[Vervallen]”.

ARTIKEL II  

Onderdeel K, L, N, O en P treden met terugwerkende kracht per 1 juli 2025 in werking.

ARTIKEL III  

Alle overige onderdelen treden per 1 januari 2026 in werking.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland tijdens de vergadering op 16 december 2025.

Mickel Beckers

Gemeentesecretaris

Jules Bijl

Burgemeester

Naar boven