Financiële verordening Gemeente Borger-Odoorn 2025

De raad van de gemeente Borger-Odoorn;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders,

 

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet,

 

besluit vast te stellen de Financiële verordening Gemeente Borger-Odoorn 2025:

 

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

 

Administratie: Het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

 

Afdeling: Iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college;

 

Baten: de opbrengsten en voordelen die aan een begrotingsjaar worden toegerekend, ongeacht het moment van ontvangst;

 

BBV: het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) is een besluit die de wet (artikel 212 Gemeentewet) nader uitwerkt en die de regels voor het opstellen van financiële rapporten van gemeenten en provincies weergeeft;

 

Begrotingscriterium: Is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen;

 

Bestuursrapportage: in de Bestuursrapportage (BERAP I en II) wordt de raad geïnformeerd over de realisatie van de themabegroting voor het lopende jaar;

 

Inkomsten: de in een begrotingsjaar feitelijk ontvangen geldmiddelen.

 

College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borger-Odoorn. Het dagelijks bestuur van de gemeente dat het beleid van de gemeente uitvoert en daarvoor verantwoordelijk is aan de gemeenteraad;

 

Doelmatigheid: het realiseren van bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen;

 

Doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde doelstellingen van het beleid ook daadwerkelijk worden behaald;

 

Exploitatie: het beheer en gebruik van gemeentelijke middelen en voorzieningen, inclusief de bijbehorende lasten en baten;

 

Grondexploitatie: het proces van productie en uitgifte van bouw- en woonrijpe grond dat gebaseerd is op een referentiekader en een verbonden geheel vormt (vanuit een stedenbouwkundige visie, vanuit hetzelfde bestemmingsplan en vanuit geografische ligging);

 

Integrale kostprijs: totaal van alle met een product samenhangende directe- en indirecte kosten;

 

Kadernota: deze nota bevat de stand van zaken van het huidige jaar en de plannen van de gemeente Borger-Odoorn voor de komende jaren en is de basis voor de nieuwe begroting;

 

Kostenplaats: de eenheid waarin thema’s nader zijn ingedeeld;

 

Lasten: de aan een begrotingsjaar toegerekende kosten en nadelen, ongeacht het jaar van betaling, die bruto worden verantwoord;

 

Overhead: omvat "alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces;

 

Paragraaf: informatie (dwarsdoorsneden van de begroting en de jaarstukken) om inzicht te krijgen in de financiële positie van de gemeente, de beheersmatige onderdelen en de risico's;

 

Raad: De (gemeente)raad is het hoogste bestuursorgaan in de gemeente. De leden van de gemeenteraad (raadsleden) nemen alle beslissingen die voor de gemeente van belang zijn;

 

Rechtmatigheidsverantwoording: De rapportage van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving;

 

Taakveld: de eenheid waarin thema’s zijn ingedeeld op basis van een samenhang van activiteiten zoals in het BBV is omschreven;

 

Thema: een samenhangend geheel van sub thema’s/producten/activiteiten waarbij de doelstellingen, in het bijzonder de beoogde maatschappelijke effecten zijn beschreven;

 

Verplichting: door opdrachtverstrekking, schriftelijk of mondeling, ontstaat voor de gemeente de plicht tot betaling aan een derde;

 

Verbonden partij: een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie waarin de gemeente een bestuurlijk én een financieel belang heeft. Voor het hebben van een financieel belang is het niet per se nodig dat een gemeente een bedrag ter beschikking stelt aan de verbonden partij. Zij heeft ook een financieel belang indien financiële problemen bij de verbonden partijen op de gemeente kunnen worden verhaald;

 

Paragraaf 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Thema-indeling

  • 1.

    De raad stelt de thema-indeling vast.

  • 2.

    De raad kan bij aanvang van iedere raadsperiode, op voorstel van het college, per thema vaststellen:

    • a.

      de taakvelden, en

    • b.

      de beleidsindicatoren. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV).

  • 3.

    De raad kan vaststellen over welke onderwerpen hij in eventuele extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken worden bij elk van de thema's de baten en lasten weergegeven.

  • 2.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen het benodigde investeringskrediet weergegeven.

  • 3.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

  • 4.

    In de jaarrekening wordt van investeringen, groter dan € 50.000, de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

Artikel 4. Kaders begroting

  • 1.

    Het college biedt jaarlijks aan de raad een kadernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor 15 juli vast. Het college verstrekt tijdig deze nota aan de raad.

  • 2.

    In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per thema.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de raad een onderwerp als prioriteit aanwijzen en daarover afzonderlijk laten rapporteren.

  • 3.

    Bij de begrotingsbehandeling kan de raad aangeven van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

  • 4.

    Het college informeert de raad middels de tussentijdse rapportages als ze verwacht, dat de lasten en/of baten van een thema de begroting dreigen te overschrijden of de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden.

  • 5.

    Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad bedoeld in artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.

Artikel 5A. Kaders voor begrotingswijzigingen bij grote projecten

  • 1.

    Bij voorstellen die leiden tot begrotingswijzigingen en betrekking hebben op grote of complexe projecten, legt het college de raad bij investeringsvoorstellen meerdere uitgewerkte scenario’s of alternatieven voor, met een financiële doorrekening en een onderbouwing van de uitgangspunten.

  • 2.

    Het voorstel bevat een afzonderlijke paragraaf Risico’s, waarin de financiële, juridische en organisatorische risico’s van de investering worden benoemd en gekwantificeerd waar mogelijk. Dit wordt in het voorstel bij het onderdeel Kanttekeningen uitgewerkt.

  • 3.

    Het college markeert in het voorstel de beslismomenten per fase (initiatiefase, planvorming, uitvoering, evaluatie), zodat voor de raad helder is wanneer en hoeveel invloed zij kan uitoefenen.

  • 4.

    Het meerjarig investeringsplan wordt twee jaarlijks geactualiseerd en bij de kadernota en begroting aangeboden aan de raad. Uit dit plan blijkt de totale toekomstige investeringen. Voor de integrale afweging van deze investeringen is een omvanganalyse van belang. Inzicht in de totale omvang van de investeringen maar ook eventuele risico's. Indien deze risico's een "rode draad" opleveren, dan worden deze risico's (en de impact van deze risico's) in de kadernota en of begroting meegenomen.

  • 6.

    Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage

  • 1.

    Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages (BERAP I en II) over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste 4 maanden en de eerste 10 maanden van het lopende boekjaar.

  • 2.

    De tussentijdse rapportages (BERAP I en II) bevatten tenminste een overzicht met de bijgestelde raming van:

    • a.

      Realisatie van beleidsdoelen (alleen in BERAP I)

    • b.

      De baten en de lasten per thema;

    • c.

      Het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen;

    • d.

      Het overzicht van de overhead en de geraamde vennootschapsbelasting, indien afwijkend van de begroting;

    • e.

      Het totale saldo van de baten en lasten;

    • f.

      De (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves;

    • g.

      Het resultaat, volgend uit de onderdelen c en d; en

    • h.

      de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten groter dan € 50.000

  • 3.

    In de tussentijdse rapportages (BERAP I en II) worden verwachte afwijkingen van de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten per thema, prioriteiten en investeringskredieten in de begroting groter dan €50.000, toegelicht.

  • 4.

    Het college heeft, in aanvulling op de tussentijdse rapportages (BERAP I en II), een actieve informatieplicht ten aanzien van materiële afwijkingen ten opzichte van de begroting indien deze informatie relevant is voor de kaderstellende en controlerende taak van de raad.

Artikel 7. Jaarstukken

  • 1.

    Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken biedt het college de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat.

  • 2.

    Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kan het college de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar.

Artikel 8. Informatieplicht

In het kader van de actieve informatieplicht besluit het college niet over:

  • a.

    de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 500.000;

  • b.

    het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties aan derden uit hoofde van de publieke taak groter dan € 50.000; en

  • c.

    het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen in de vorm van aandelen, obligaties e.d.,

dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

Artikel 9. EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college in de tussenrapportages een voorstel voor het wijzigen van de begroting .

 

Paragraaf 3. Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 10. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1.

    De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid.

  • 2.

    In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het college aan de raad over afwijkingen (fouten en onzekerheden) met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de gemeente, exclusief dotaties aan de reserves.

  • 3.

    In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan € 100.000 nader toegelicht.

Artikel 11. Voorwaardencriterium

  • 1.

    Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2.

    Het college biedt de raad jaarlijks uiterlijk op 31 januari ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid met betrekking tot het voorgaande jaar aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.

Artikel 12 Begrotingscriterium

  • 1.

    Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende thema’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen;

  • 2.

    De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.

  • 3.

    Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

  • 4.

    Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:

    • a.

      Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren.

    • b.

      Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling.

    • c.

      De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage.

    • d.

      Overschrijdingen veroorzaakt door externe informatie die aantoonbaar pas ná het opstellen van de tussentijdse rapportages beschikbaar kwam, en waarvan het college redelijkerwijs niet eerder op de hoogte kon zijn.

  • 5.

    Acceptabele begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van het college, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.

  • 6.

    Overschrijdingen van baten en/of onderschrijdingen van lasten en baten zijn op zichzelf niet onrechtmatig en kunnen alleen onrechtmatig zijn als die niet tijdig aan de raad zijn gemeld. Deze afwijkingen zijn tijdig gemeld als de afwijkingen zijn opgenomen in een tussentijdse rapportage aan de raad en/of zijn gemeld in de jaarstukken over het betreffende jaar.

Artikel 13 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1.

    Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2.

    Het college zorgt voor en legt vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

 

Paragraaf 4. Financieel beleid

Artikel 14. Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1.

    Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening.

  • 2.

    Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 3.

    Een saldo van agio of disagio wordt direct ten laste van de exploitatie gebracht.

Artikel 15. Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1.

    Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen. Voor oninbare vorderingen uit hoofde van SZW-regelingen wordt rekening gehouden met ervaringscijfers uit het verleden.

  • 2.

    Voor openstaande vorderingen betreffende :

    • a.

      Onroerende-zaakbelastingen;

    • b.

      Rioolheffing;

    • c.

      Afvalstoffenheffing;

    • d.

      Overige vorderingen

    wordt een voorziening gevormd wegens oninbaarheid op basis van individuele beoordeling.

Artikel 16. Reserves en voorzieningen

  • 1.

    De wijze van toerekening van rente over de reserves blijkt uit de nota reserves en voorzieningen.

  • 2.

    Het college biedt de raad, afhankelijk van de noodzaak, periodiek een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandeld ten aanzien van:

    • a.

      De vorming en besteding van reserves;

    • b.

      De vorming en besteding van voorzieningen;

    • c.

      Minimale omvang van de algemene reserve.

  • 3.

    Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      Het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      De voeding van de reserve;

    • c.

      De looptijd van de reserve

Artikel 17. Kostprijsberekening

  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten, de rente van de inzet van vreemd vermogen en reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2.

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

  • 3.

    Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten.

  • 4.

    Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

  • 5.

    Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rioolrechten en reinigingsrechten wordt uitgegaan van een opslagpercentage op de directe kosten, gebaseerd op de verhouding: kosten volgens het taakveld overhead gedeeld door de totale kosten van de taakvelden exclusief overhead. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van leges, overige heffingen en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van een opslagpercentage op de kostprijs, gebaseerd op de verhouding: totale uren volgens het taakveld overhead gedeeld door het totaal aantal uren van de taakvelden exclusief de uren volgens het taakveld overhead.

  • 6.

    Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en kredieten.

  • 7.

    Conform de nota reserves en voorzieningen wordt geen (bespaarde) rente toegerekend aan de reserves en in plaats hiervan wordt een vast bedrag aan de algemene reserve (WAR) toegevoegd.

  • 8.

    In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Er wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen.

Artikel 18. Prijzen economische activiteiten

  • 1.

    Voor de levering van goederen, diensten en werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht.

  • 3.

    Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaan burgemeester en wethouders uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen.

  • 4.

    Bij afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doen burgemeester en wethouders vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd.

  • 5.

    Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorige lid zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet.

Artikel 19. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1.

    Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, rechten, heffingen en leges.

  • 2.

    Het college biedt de raad jaarlijks een kadernota aan waarin opgenomen de kaders voor de prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, werken en diensten aan overheidsbedrijven en derden en voor de huren en de erfpachten.

  • 3.

    Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en erfpachten ten opzichte van de kaders uit de nota vooraf een besluit voor aan de raad.

Artikel 20. Financieringsfunctie

  • 1.

    Voor nadere detaillering van het beleid, richtlijnen en limieten wordt verwezen naar de nota treasurybeleid.

 

Paragraaf 5. Paragrafen bij de begroting en jaarstukken

Artikel 21 tot en met artikel 27 zijn komen te vervallen.

 

Paragraaf 6. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 28. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    Het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen;

  • b.

    Het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten;

  • c.

    Het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    Het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    Het afleggen van verantwoording door het college aan de raad over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving, en

  • f.

    De controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 29. Financiële organisatie

Het college draagt in ieder geval zorg voor:

  • a.

    Een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;

  • b.

    Een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

  • c.

    De verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d.

    De interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    De te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    Het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • g.

    Het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen, en

  • h.

    Het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

  • i.

    Het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

Artikel 30. Interne controle

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen met betrekking tot de rechtmatigheid rapporteert het college daarover in de rechtmatigheidsverantwoording. Daarnaast informeert het college de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

  • 2.

    Het college zorgt voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in 4 jaar. Bij afwijkingen in de administratie neemt het college maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

 

Paragraaf 6. Slotbepalingen

Artikel 31. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De financiële verordening gemeente Borger-Odoorn 2023 (eerdere versie), vastgesteld op, 25-05-2023 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2017 zijn gedaan, blijft de Financiële verordening gemeente Borger-Odoorn 2023, vastgesteld op 01-07-2012, van toepassing zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2025.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Borger-Odoorn 2025.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad dd 11 december 2025

De raad voornoemd,

de griffier

I. Oosting

de burgemeester

J. Seton

Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 14

 

Algemeen

 

Materiële vast activa met economisch nut en immateriële vaste activa met een verkrijgingsprijs is het uitgangspunt van minder dan € 25.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden, terreinen en conform BBV activering gewenst is.

 

Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd.

 

Start afschrijving: Op 1 januari van het jaar volgend op de afronding/uitvoering van het werk.

 

Rentetoerekening; Conform BBV wordt de werkelijke rente toegerekend.

 

Restwaarde: Geen, afschrijving tot nihil

 

Afschrijvingsbeleid immateriële vaste activa

 

De volgende immateriële vaste activa worden lineair afgeschreven in:

 

Maximaal 10 jaar: bijdragen aan activa in eigendom van derden;

 

5 jaar: kosten voor onderzoek en ontwikkeling;

 

Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met economisch nut

 

Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.

 

De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden lineair afgeschreven in:

 

Maximaal 5 jaar: aanleg tijdelijke terreinwerken;

 

Maximaal 40 jaar: nieuwbouw woonruimten en schoolgebouwen (50 jaar indien duurzaam);

 

Maximaal 40 jaar: nieuwbouw kantoren en bedrijfsgebouwen (50 jaar indien duurzaam);

 

Maximaal 10 jaar: nieuwbouw tijdelijke woonruimten en tijdelijke bedrijfsgebouwen;

 

Maximaal 40 jaar: renovatie, restauratie en aankoop woonruimten, en schoolgebouwen (50 jaar indien duurzaam);

 

Maximaal 40 jaar: renovatie, restauratie en aankoop kantoren en bedrijfsgebouwen (50 jaar indien duurzaam);

 

Maximaal 15 jaar: technische installaties in bedrijfsgebouwen;

 

Maximaal 10 jaar: veiligheidsvoorzieningen bedrijfsgebouwen;

 

Maximaal 10 jaar: telefooninstallaties;

 

Maximaal 3 jaar: automatiseringsapparatuur;

 

Maximaal 4 jaar: computerapplicaties;

 

Maximaal 10 jaar: kantoormeubilair en schoolmeubilair;

 

Maximaal 10 jaar: containers ABP;

 

Maximaal 15 jaar: ondergrondse glascontainers;

 

Maximaal 15 jaar: speeltoestellen

 

Maximaal 25 jaar: riool- en bouwkundige vervangingen tot en met 2022;

 

Maximaal 60 jaar: riool- en bouwkundige vervangingen vanaf 2023;

 

Maximaal 60 jaar: klimaat- en grondwatermaatregelen;

 

Maximaal 15 jaar: riool, mechanische/elektrische vervangingen;

 

Maximaal 10 jaar: laadpalen voor elektrische voertuigen;

 

Div.jaar: materieel BORG (voertuigen/werkmaterieel) volgens materieelplan BORG.

 

Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met maatschappelijk nut

 

De volgende materiële vaste activa met maatschappelijk nut worden lineair afgeschreven in:

 

maximaal 30 jaar: parken, sportvelden en groenvoorzieningen;

 

maximaal 20 jaar: wegen, pleinen en rotondes;

 

maximaal 60 jaar: betonnen tunnels, viaducten en bruggen;

 

maximaal 60 jaar: stalen bruggen;

 

maximaal 25 jaar: houten bruggen;

 

maximaal 25 jaar: aanleg geluidswallen;

 

maximaal 20 jaar: openbare verlichting, armaturen;

 

maximaal 40 jaar: openbare verlichting, lichtmasten;

 

maximaal 10 jaar: straatmeubilair;

 

maximaal 50 jaar: havens, kades, sluizen en waterkeringen;

 

maximaal 25 jaar: waterwegen, waterbergingen en walbeschoeiing.

 

Toelichting Financiële verordening gemeente Borger-Odoorn 2025

Inleiding

De financiële verordening vormt het fundament onder het financieel beleid, beheer en de organisatie van de gemeente Borger-Odoorn. Deze verordening is opgesteld op grond van artikel 212 van de Gemeentewet, waarin de raad verplicht wordt regels te stellen voor het financieel beleid, financieel beheer en de inrichting van de financiële organisatie.

 

Voor de actualisatie in 2025 is opnieuw de Modelverordening van de VNG 2022 als uitgangspunt genomen. De modelverordening is aangepast op de lokale situatie en praktijk. Afwijkingen zijn opgenomen waar de gemeente Borger-Odoorn dit wenselijk acht, bijvoorbeeld omdat de lokale werkwijze daar aanleiding toe geeft of omdat het de controlerende taak van de raad versterkt.

 

Nieuwe ontwikkeling: rechtmatigheidsverantwoording

  • Met ingang van boekjaar 2023 neemt het college een rechtmatigheidsverantwoording op in de jaarrekening. Deze verplichting is nu volledig doorgewerkt in de verordening.

  • De accountant geeft geen afzonderlijk oordeel meer over de rechtmatigheid, maar uitsluitend over de getrouwheid van de jaarrekening.

  • De verantwoordingsgrens is verlaagd naar 2% van de totale lasten exclusief dotaties aan reserves.

Met deze keuzes wordt rechtmatigheid nadrukkelijker onderdeel van het gesprek tussen raad en college en wordt verwacht dat het college actief maatregelen treft.

 

Nieuwe ontwikkeling: Kaders voor begrotingswijzigingen bij grote projecten

 

Met deze wijziging wordt beoogd de kwaliteit van de besluitvorming rond grote en complexe projecten te versterken. Het college wordt verplicht om bij investeringsvoorstellen meerdere scenario’s of alternatieven voor te leggen, inclusief financiële doorrekeningen en een onderbouwing van de uitgangspunten. Daarnaast wordt aandacht besteed aan een afzonderlijke paragraaf over risico’s en aan het markeren van duidelijke beslismomenten per projectfase. Hierdoor krijgt de raad beter inzicht in de gevolgen van keuzes, de financiële risico’s en de momenten waarop invloed kan worden uitgeoefend.

 

Van grote en complexe projecten kan worden gesproken indien:

  • Er sprake is van een niet routinematige, grootschalige en in de tijd begrensde activiteit;

  • De (financiële) risico’s grotendeels worden gedragen door de gemeente Borger-Odoorn

  • Er sprake is van complexe financieringsconstructies;

  • Er sprake is van een in organisatorisch opzicht complex besturings-en uitvoeringsproces

Voorbeelden van deze projecten zijn:

  • Bouw van een MFA. Complexiteit: Meervoudige functies (bijvoorbeeld onderwijs en maatschappelijk), maatschappelijke impact, politieke discussie over prioritering en budget.

  • Verduurzaming en renovatie van gebouwen. Complexiteit: Technisch, organisatorisch en financieel uitdagend.

  • Woningbouwproject. Complexiteit: Bestemmingswijziging, stedenbouwkundig ontwerp, participatie, meerdere doelgroepen.

  • Wijkrenovaties

  • Ander voorbeeld zou de Mobiliteitshub N34 kunnen zijn

  • en investeringen in het MJIP.

Samenvattend: projecten zijn groot en complex indien:

  • Ze meerdere beleidsdomeinen raken (zoals wonen, duurzaamheid, onderwijs).

  • Er sprake is van hoge investeringen (> €1 miljoen).

  • Er bestuurlijke interpretatie is over prioritering en dekking.

  • Er participatieprocessen nodig zijn met inwoners.

  • Er afhankelijkheid van subsidies of externe partijen bestaat.

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit artikel zijn definities opgenomen die belangrijk zijn voor het gebruik van de verordening. Ten opzichte van 2023 zijn enkele begrippen toegevoegd of verduidelijkt, zoals thema, taakveld, bestuursrapportage en rechtmatigheidsverantwoording. Hiermee sluit de verordening beter aan bij het BBV en de praktijk in de gemeente.

 

Artikel 2. Thema-indeling

De raad stelt de thema-indeling vast. Hiermee wordt aangesloten op de BBV-structuur. Nieuw is de mogelijkheid dat de raad bij aanvang van iedere raadsperiode nadere keuzes maakt per thema, inclusief de vaststelling van beleidsindicatoren.

 

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

De bepalingen over de inrichting van de begroting en jaarstukken zijn grotendeels gelijk gebleven. Nieuw is de expliciete verplichting om investeringen groter dan € 50.000 afzonderlijk in de jaarrekening toe te lichten.

 

Artikel 4. Kaders begroting

Zoals in 2023 bevat de begroting een kadernota en een post onvoorzien. Dit artikel is redactioneel aangescherpt.

 

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

Dit artikel regelt hoe de raad de begroting en investeringskredieten autoriseert. Nieuw in 2025 is de toevoeging van artikel 5A, waarin wordt vastgelegd dat bij grote en complexe projecten alternatieven, risico’s en scenario’s moeten worden meegenomen. Dit vergroot de kwaliteit van de besluitvorming.

 

Artikel 6. Tussentijdse rapportage

De rapportagedrempel voor tussentijdse afwijkingen is verhoogd van € 25.000 (2023) naar € 50.000. De raad ontvangt zoals gebruikelijk twee bestuursrapportages (BERAP I en II).

 

Artikel 7. Jaarstukken

Ongewijzigd: de jaarstukken moeten voldoen aan de BBV-voorschriften en geven inzicht in afwijkingen en de uitvoering van de begroting.

 

Artikel 8. Informatieplicht

De actieve informatieplicht van het college is uitgebreid en aangescherpt. Dit artikel benadrukt de verplichting tot tijdige en volledige informatievoorziening aan de raad.

 

Artikel 10. Rechtmatigheidsverantwoording

In 2023 is de rechtmatigheidsverantwoording al in de verordening opgenomen. Voor 2025 is de verantwoordingsgrens verlaagd van 3% naar 2% van de lasten (exclusief dotaties aan reserves). Daarnaast geldt dat afwijkingen groter dan € 100.000 worden toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.

 

Artikel 11 t/m 13. Criteria rechtmatigheid

Artikel 11 (voorwaardencriterium): verduidelijkt dat financiële beheershandelingen moeten voldoen aan wettelijke voorwaarden, gemeentelijke regelingen en raadsbesluiten.

 

Artikel 12 (begrotingscriterium):

nieuw toegevoegd dat overschrijdingen binnen een investeringsproject toegestaan zijn zolang het totaal door de raad gevoteerde krediet niet wordt overschreden.

 

Artikel 13 (misbruik- en oneigenlijk gebruikcriterium ):

ongewijzigd, maar met nadrukkelijke opdracht aan het college om preventieve maatregelen te nemen.

 

Artikel 14 t/m 20. Financieel beleid

Deze artikelen regelen de waardering, afschrijving en voorzieningen. Ten opzichte van 2023 zijn de regels voor duurzame investeringen explicieter gemaakt. Bij de reserves en voorzieningen (artikel 16) is toegevoegd dat doel, voeding en looptijd duidelijk moeten zijn bij het instellen van een bestemmingsreserve. De overige artikelen sluiten grotendeels aan bij de voorgaande verordening en het BBV.

 

Paragraaf 5 – Paragrafen bij de begroting en jaarstukken

De artikelen over verplichte paragrafen zijn vervallen, omdat dit reeds volledig in het BBV geregeld is. Daarmee is de verordening compacter geworden.

 

Artikel 28 t/m 30. Financiële organisatie en beheer

Deze artikelen zijn grotendeels gelijk aan 2023, maar in 2025 is nadrukkelijk aandacht opgenomen voor fraudepreventie en het vastleggen van maatschappelijke effecten in de administratie. Het college voert jaarlijks interne toetsingen uit en legt herstelmaatregelen vast bij tekortkomingen.

 

Slotbepalingen

De Financiële verordening 2022 wordt ingetrokken. De nieuwe verordening treedt met terugwerkende kracht in werking per 1 januari 2025.

Naar boven