Gemeenteblad van Hoogeveen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoogeveen | Gemeenteblad 2025, 56577 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoogeveen | Gemeenteblad 2025, 56577 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Hoogeveen, 2025.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
De presidiumleden worden door de raad benoemd voor de duur van de raadsperiode; Mochten er meer belangstellenden dan 4 zijn, dan wordt een sollicitatieprocedure gestart. De beoordeling van de sollicitanten vindt plaats op basis van het beoordelingsformulier; Zie hiervoor bijlage 1. De sollicitatiecommissie bestaat uit de voorzitter van de raad, de vicevoorzitter en de griffier;
Artikel 6. Benoeming wethouders
De burgemeester geeft voor de aanvang van iedere ambtstermijn opdracht om de kandidaat-wethouders aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De burgemeester brengt over het eindresultaat daarvan verslag uit aan de raad. De risicoanalyse en de eindconclusie worden voor de (opvolgend) raadsleden onder geheimhouding ter inzage gelegd bij de griffie.
Hoofdstuk 2. Raadsvergaderingen
De voorzitter van de raad zendt ten minste zeven dagen voor een raadsvergadering de raadsleden en opvolgers een digitale oproep en digitaal de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken. Indien een aanvullende agenda wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 10, lid 5, worden deze agenda en de daarop vermelde voorstellen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 24 uur voor aanvang van de vergadering digitaal aan de raadsleden verzonden.
Op unaniem voorstel van de fractievoorzitters kan een onderwerp dat door het presidium is geagendeerd voor een debatblok, direct naar besluiten worden verplaatst als dit verzoek op de vrijdag voor de raadsavond voor 12:00 uur bij de griffie is ingediend. In alle andere gevallen geldt het bepaalde in lid 8.
Artikel 18. Handhaving orde en schorsing
Indien een spreker, zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de betreffende spreker, hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende het vergaderblok, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.
Artikel 21. Deelname aan de beraadslaging door anderen
Onverminderd artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet, kan de raad besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.
Artikel 22. Voorstellen van orde
Raadsleden kunnen tijdens een raadsvergadering mondeling een voorstel van orde betreffende de vergadering doen. De raad beslist hier terstond over.
Artikel 27. Stemming; procedure hoofdelijke stemming
Bij hoofdelijke stemming (zonder digitale stemapparatuur) roept de griffier de raadsleden bij naam op hun stem uit te brengen. Bij loting wordt een volgnummer van de presentielijst aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de hoofdelijke stemming en gaat vervolgens verder in de volgorde van de presentielijst.
Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen zolang de digitale stemming geopend is of, in het geval van een mondelinge stemming, tot het volgende raadslid heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan deze nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming.
Artikel 29. Stemming over personen
De stemcommissie onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden.
Artikel 30. Herstemming over personen
Deze tweede stemming vindt plaats tussen twee personen, die bij de eerste stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd. Zijn bij de eerste stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de tweede stemming zal plaatshebben.
De leden, de voorzitters, de wethouders en de griffier hebben het recht, een voorstel tot verandering aan de raad te doen, indien de besluitenlijst onjuistheden bevat of niet duidelijk is weergeven hetgeen gezegd of besloten is. Een voorstel tot verandering dient voor het vaststellen van de besluitenlijst bij de griffier te worden ingediend.
Uit een besluitenlijst blijkt in ieder geval:
een overzicht van het verloop van elke stemming met vermelding bij hoofdelijke stemming zonder digitale stemapparatuur of indien fracties verdeeld hebben gestemd van de namen van de raadsleden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig de wet van stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist;
Paragraaf 5. Besloten raadsvergaderingen en geheime informatie
Artikel 33. Toepassing reglement op besloten vergaderingen
Op besloten raadsvergaderingen is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering.
Artikel 35. Geheime informatie
Geheime informatie die door het college schriftelijk aan de raad is verstrekt kan, op grond van artikel 88 zesde lid van de wet, door het college, de burgemeester of een commissie met anderen worden gedeeld als dit voor het dagelijks bestuur van de gemeente noodzakelijk is.
Hoofdstuk 3. Bevoegdheden, instrumenten raadsleden
Artikel 43. Schriftelijke vragen
Schriftelijke beantwoording gebeurt zo spoedig mogelijk nadat de vragen zijn binnengekomen. Indien beantwoording niet binnen 30 dagen (met aftrek van schoolvakanties in de regio noord) kan plaatsvinden, dan stelt het college de raad hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij wordt aangegeven wanneer beantwoording zal plaatsvinden. De antwoorden worden door het college aan de raad medegedeeld.
Mondelinge vragen moeten kort, actueel en urgent zijn. De voorzitter van de raad kan bepalen dat de mondelinge vragen hier niet aan voldoen en de vragensteller verzoeken de vragen te herzien of in te trekken en schriftelijk te stellen. Bij afwezigheid van de voorzitter van de raad beslist het presidium over toelating van de vragen.
Vragen die ten minste 24 uur voor aanvang van een raadsvergadering zijn ingediend worden mondeling beantwoord in de eerstvolgende raadsvergadering, tenzij het college of de burgemeester de griffier gemotiveerd in kennis stelt dat dit onmogelijk is, waarbij tevens aangegeven wordt binnen welke termijn beantwoording zal plaatsvinden.
In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de voorzitter van de raad.
Artikel 51. Intrekking oude reglement
Het Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad, vastgesteld bij raadsbesluit op 9 december 2021, wordt ingetrokken.
Raadsbesluit 14 juni 2018 gemeenteraad Hoogeveen
Profiel en sollicitatiecommissie vicevoorzitter van de raad
De fractievoorzitters zijn samen tot de conclusie gekomen dat het plaatsvervangend voorzitterschap een belangrijke functie is voor de raad. Zij willen de nieuwe raad dan ook adviseren een sollicitatieprocedure te starten voor het invullen van de functie van plaatsvervangend voorzitter van de raad. Zij hebben hiertoe ook een functieprofiel opgesteld. Zie bijlage 1.
Daarnaast hebben zij een voorstel gedaan voor de samenstelling van een sollicitatiecommissie bestaande uit drie leden:
Deze commissie wordt ondersteund door de griffier.
De vicevoorzitter is geen loco-burgemeester. Dat zijn de leden van het college. Hier gaat het uitsluitend om vervanging van de burgemeester als voorzitter van de raad.
Artikel 77, lid 1 Gemeentewet bepaalt, dat de gemeenteraad de bevoegdheid heeft om uit zijn midden een waarnemend raadsvoorzitter aan te wijzen. Doet de gemeenteraad dit niet, dan wordt het voorzitterschap van de gemeenteraad bij verhindering of ontsteltenis van de burgemeester waargenomen door het langstzittende lid van de raad. Deze ‘vicevoorzitter’ zit bijvoorbeeld de gemeenteraad voor als de burgemeester afwezig is, of vervangt hem of haar in zo’n geval bij een werkbezoek.
Een meerderheid van de gemeenteraden in Nederland maakt gebruik van de bevoegdheid om een vicevoorzitter aan te wijzen, zo blijkt uit onderzoek.
Er zijn geen financiële gevolgen.
Het alternatief is om geen vicevoorzitter aan te stellen. In dat geval bepaalt artikel 77, lid 1 Gemeentewet, dat het voorzitterschap wordt waargenomen door het langstzittende lid van de raad.
Bijlage 2. Planning sollicitatieprocedure
1. Functieprofiel vicevoorzitter
VEREISTE KENNIS EN VAARDIGHEDEN
In artikel 1 wordt een aantal begrippen uit dit reglement van orde gedefinieerd. Deze spreken grotendeels voor zich. Voor wat betreft het begrip ‘voorzitter van de raad’ zij nog vermeld dat de burgemeester voorzitter is van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet (hierna: wet) schrijft dit dwingend voor. De voorzitter van de raad wordt bij afwezigheid vervangen door de door de raad benoemde vicevoorzitter.
De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de wet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.
Het presidium vervult een belangrijke (coördinerende) rol bij de agendering van zaken in de raad. Het presidium heeft het overzicht van alle onderwerpen waar de raad zich mee bezig houdt en zorgt voor de planning. Daarnaast organiseert het presidium hoorzittingen, werkbezoeken, excursies, workshops, cursussen etc.
Het presidium stelt de agenda's van de raadsvergaderingen voorlopig vast. De definitieve vaststelling van de agenda van de raadsvergadering geschiedt bij de aanvang van de betreffende vergadering. Bij kortdurende afwezigheid, bijvoorbeeld door ziekte worden de presidiumleden niet vervangen. Bij langdurige afwezigheid kan het presidium besluiten een nieuw lid te werven. Dit is aan het oordeel van het presidium.
Voor het laten functioneren van de raad moet het presidium tot besluiten kunnen komen, ook in het geval dat de stemmen staken. De voorzitter heeft daarin, nadat er advies is gevraagd aan de burgemeester en griffier, een doorslaggevende stem.
De raad is van mening dat het plaatsvervangend voorzitterschap een belangrijke functie is voor de raad. Om die reden heeft de raad op 14 juni 2018 een profiel vastgesteld. Tevens is besloten om een sollicitatiecommissie samen te stellen, bestaande uit de voorzitter van de raad en twee raadsleden. Deze commissie wordt ondersteund door de griffier. De benoeming van de vicevoorzitter vindt plaats op voordracht van deze sollicitatiecommissie. Opvolgende raadsleden mogen niet deelnemen aan de sollicitatieprocedure en geen deel uitmaken van de sollicitatiecommissie.
De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikelen 100 en 107 van de wet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. De griffier is in principe in raadsvergadering (besluitvorming) aanwezig. De wet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid, van de wet). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 van de wet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging.
Artikel 5. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden
Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde meldt schriftelijk aan de raad of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt legt hij aan de raad stukken over waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de wet (artikel V 3 van de Kieswet). Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de wet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.
Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na de raadsverkiezingen beslist de raad in oude samenstelling in zijn laatste vergadering over de toelating van de nieuwgekozen leden. Met ingang van 00:00 uur de volgende dag treedt de nieuwe raad aan (artikel 18 van de wet en artikel C 4, tweede lid, van de Kieswet).
Het onderzoek van het proces-verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten.
Het derde lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (of deze juist is vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad een dergelijk besluit kan baseren. Op 28 februari 2014 heeft de minister van BZK een circulaire uitgebracht waarin toegelicht wordt wanneer de raad gebruik kan maken van deze bevoegdheid (Gemeenteraadverkiezingen: hertellingen, kenmerk 2014-0000116196, 28 februari 2014, Ministerie van BZK. Zie:
https://vng.nl/files/vng/publicatie_bijlagen/2014/20140319-hertelling-gemraadsverk-bzk2014-0000116196.pdf).
In deze circulaire wordt onder meer uiteengezet wanneer de raad tot hertelling kan besluiten. Het ligt niet voor de hand dat besloten wordt tot een hertelling waarvan tevoren duidelijk is dat deze niet tot een andere samenstelling in de raad kan leiden. Ook een verschil in zetels tussen de voorlopige uitslag en de definitieve uitslag is geen reden om over te gaan tot hertelling.
Na een raadsverkiezing kunnen de toegelaten raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling als bedoeld in artikel 18 van de wet de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen (vierde lid).
Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden (vijfde lid). De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de wet vastgelegd.
Artikel 6. Benoeming wethouders
Artikel 6 geeft invulling aan een leemte in de wet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De wet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder, maar niet op welk moment deze getoetst worden.
Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen (eerste lid). De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen 36a, 36b, 41b en 41c van de wet). Bij de benoeming van een wethouder zal er een integriteitstoets plaatsvinden. De gedragscode integriteit speelt hierbij een rol. Na het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, brengt de commissie advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder (derde lid). De kandidaat-wethouders worden in opdracht van de burgemeester voor aanvang van iedere ambtstermijn aan een integriteitstoets worden onderworpen. De burgemeester brengt over de uitkomsten daarvan verslag uit aan de raad. De risicoanalyse en de eindconclusie liggen onder geheimhouding ter inzage bij de griffie. De uitkomsten van het onderzoek en het verslag zijn niet openbaar (vierde lid).]
Artikel 6 is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten; maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen dan immers opnieuw beoordeeld te worden.
Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de wet).
De Kieswet en de wet kennen het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de wet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractieondersteuning). Vanaf de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd (eerste lid). De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee (tweede lid).
In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede (vierde lid). Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen.
Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de wet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.
Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen. Een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij, maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie.
kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn vanwege strijd met de wet en de Kieswet;
Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben. Te denken valt aan: fractievergoedingen en -faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door opvolgende raadsleden.
Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet).
De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde; als een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren gebeurt dit ook. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam.
Artikel 8. Opvolgende raadsleden
Per fractie kunnen twee opvolgend raadsleden worden benoemd.
Steunfractieleden zijn niet formeel benoemd en hebben daarmee geen status, geen recht tot niet-openbare informatie of ondersteuning vanuit de griffie. Fracties hoeven geen melding te doen wie zijzelf als steunfractieleden in hun vergadering toelaten.
In artikel 19, eerste lid, van de wet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.
Het presidium bepaalt hoe de voorlopige agenda er uit ziet. Het vierde lid stelt verplicht dat de voorzitter een vastgesteld aantal dagen vóór een vergadering de leden een schriftelijke oproep, waarin de vergadering wordt aangekondigd, en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken stuurt. Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit wenst, de oproep en stukken per elektronische weg te versturen. De oproep vermeldt de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering.
De raadsavonden eindigen in principe uiterlijk om 24.00 uur. De voorzitter vraagt de raad om 23.45 uur of de raadsavond na 24.00 uur moet worden voortgezet of op een nader te bepalen dag of tijdstip verder gaat. De raad neemt daarover terstond (bij meerderheid) een besluit.
In het eerste lid gaat het om een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen (zevende lid).
Als omtrent stukken op grond van Hoofdstuk Va, van de wet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van artikel 9, zesde en zevende lid onder berusting van de griffier en verleent deze de raadsleden op verzoek inzage (artikel 11, vierde lid). Van geheimhouding wordt melding gemaakt op de stukken.
Het tweede lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Drie fracties kunnen het presidium verzoeken om een onderwerp voor de agenda voor te dragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda. Als op grond van het tweede lid een verzoek van drie fracties door het presidium is geagendeerd kan bij het vaststellen van de agenda dit verzoek, uitsluitend op verzoek van de indieners van de agenda worden afgehaald (vierde lid). Dit om te voorkomen dat een, voor de meerderheid onwelgevallig onderwerp nooit ter bespreking kan worden geagendeerd.
Soms komt het voor dat een verzoek van drie fracties om een onderwerp te agenderen door ontwikkelingen toch niet nodig blijkt te zijn. Dan is het mogelijk dat dezelfde drie fracties een verzoek indienen bij het presidium om het betreffende onderwerp niet te agenderen. Dit kan tot het moment dat de concept-agenda is verzonden naar de raad (artikel 9, zesde lid).
Als na de fractievergaderingen blijkt dat een onderwerp dat, in de door het presidium vastgestelde agenda is geagendeerd voor een debatblok, rechtstreeks naar besluiten zou kunnen; wordt een unaniem verzoek van de fractievoorzitters, dat voor vrijdag 12:00 uur voorafgaande aan de betreffende raadsvergadering bij de griffie is ingediend, verwerkt in de agenda en opnieuw gepubliceerd.
Indien er bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de wet logischerwijs niet van toepassing en geldt artikel 32, vijfde lid, van de wet.
Artikel 11. Ter inzage leggen van stukken
Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep gepubliceerd op de website. Op verzoek kunnen de stukken fysiek worden ingezien in het gemeentehuis.
Dit staat in artikel 13 van de Bekendmakingswet. Dit betekent niet dat de stukken in schriftelijke vorm bij de overheidsinstantie aanwezig moeten zijn. Toegestaan is dat inwoners bijvoorbeeld via een beeldscherm op het gemeentehuis toegang verkrijgen. Dit laatste volgt uit de rechtspraak (ECLI:NL:RVS:2018:295).
De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom worden stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd. Op verzoek van de raadsleden kan de griffier inzage aan hen verlenen (vierde lid).
Artikel 12. Openbare kennisgeving
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de wet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In artikel 12 wordt vastgelegd op welke wijze raadsvergaderingen worden aangekondigd.
De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de wet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de wet.
De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij samen met de voorzitter deze vast en ondertekent deze (tweede lid). Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was.
Alle raadsleden, de voorzitters, het college en de griffier hebben een vaste zitplaats. Deze zitplaatsen worden vastgesteld door de voorzitter van de raad in overleg met het presidium bij de start van de nieuwe zittingsperiode van de raad.
Op verzoek kan de voorzitter van de raad in overleg met het presidium de indeling herzien.
Het vierde lid is opgenomen om te voorkomen dat een fractie meer zitplaatsen inneemt dan het aantal toegewezen zetels. Dit kan voorkomen als een opvolgend raadslid deelneemt aan de informerende- en debatrondes. Bij deelneming door een opvolgend raadslid, dient een raadslid van de fractie op de publiekstribune plaats te nemen of de zaal te verlaten.
Artikel 15. Opening vergadering
Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 16. Informerende ronde
Een informerende ronde hoeft niet per se plaats te vinden tijdens een reguliere raadsvergadering. Om de raadsvergaderingen te ontlasten kan dit op een ander moment en in een andere vorm.
Als de raad een besluit moet nemen over het onderwerp waarover wordt geïnformeerd, dan dient informeren altijd in de openbaarheid plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat de informerende ronde in een andere vorm wordt georganiseerd dan een gebruikelijke raadsvergadering. Deze avond dient dan wel te worden uitgezonden via internet en publiek is dan toegestaan op de publiekstribune.
Artikel 17. Spreektermijnen en spreektijd
Tijdens de eerste termijn geven de fracties kort aan wat hun voorlopig standpunt is en welke punten zij nog willen bespreken tijdens het debat. Daarmee gaat het debat nog over de punten waarover de fracties nog een mening willen vormen. Aan het einde van het debat hebben de fracties dan de benodigde informatie om een goede afweging te maken voor besluitvorming. Het is niet de bedoeling dat er tijdens de eerste termijn een lang betoog wordt gehouden, maar raadsleden kunnen hun standpunt wel motiveren. Dit zorgt ervoor dat er efficiënt wordt vergaderd en inwoners een goed beeld hebben van wat de partijen belangrijk vinden. Er geldt een maximale spreektijd van 3 minuten voor de eerste termijn.
Het college (lees: portefeuillehouder (s)) neemt tijdens de tweede termijn deel aan het debat.
Indien de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten (eerste lid). Het vijfde lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn.
Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, wordt door de voorzitter niet toegestaan.
De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp (artikel 29 van de wet).
Artikel 18. Handhaving orde en schorsing
Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 20. De portefeuillehouder
Artikel 21. Deelname aan de beraadslaging door anderen
Deze bepaling is noodzakelijk in verband met de in artikel 22 van de wet geregelde immuniteit. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen.
De raad kan op grond van artikel 4, derde lid, bepalen dat de griffier deelneemt aan de beraadslagingen. De burgemeester en de wethouder(s) hebben het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet.
Artikel 22. Voorstellen van orde
De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (omdat het ordevoorstel betrekking heeft op de lopende vergadering is artikel 32, vierde lid, van de wet hierop logischerwijs niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 30 van de wet).
Insprekers wordt gevraagd aan te geven namens wie zij het woord voeren. Insprekers kunnen het woord voeren als inwoner of belanghebbende, maar soms ook als vertegenwoordiger van een groepering, instelling of bedrijf. Het is voor de raad van belang dit te weten om de woorden van de inspreker in de juiste context te kunnen besluiten.
Artikel 24. Inloopspreek(half)uur
Stemverklaringen zijn kort en krachtig. Deze mogen niet het karakter krijgen van een betoog in een derde termijn. Reactie op een stemverklaring van een vorige spreker is niet toegestaan. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming begint.
De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist (eerste lid). De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing (tweede lid). Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de wet.
Artikel 27. Stemming; procedure hoofdelijke stemming
Indien een raadslid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden (eerste lid). De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de wet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen.
Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog gewezen op artikel 209, tweede lid, van de wet, dat tot hoofdelijke stemming verplicht bij het aangaan van een verplichting voordat de begroting is goedgekeurd.
Zie hieronder de tekst van het betreffende artikel 209 uit de wet:
In gevallen van dringende spoed kan, indien de raad daartoe besluit, verplichting worden aangegaan voordat de desbetreffende begroting of begrotingswijziging is goedgekeurd. Het besluit wordt gedeputeerde staten terstond toegezonden. Is de aangegane verplichting geraamd bij een begrotingswijziging welke nog niet ter goedkeuring is ingezonden, dan wordt deze begrotingswijziging tezamen met het besluit toegezonden.
De regeling in het eerste deel van het derde lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele raadsleden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van deelname aan stemming op grond van artikel 28 van de wet.
In alle andere gevallen is een raadslid verplicht om stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden.
- In ABRvS 22 juni 2011, LJN BQ8863, AB 2011/261 overwoog de Afdeling dat een raadslid dat woonde en werkte op een bedrijventerrein een persoonlijk belang had bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor dat bedrijventerrein. De Afdeling oordeelde dat in strijd was gehandeld met artikel 2:4 van de Awb omdat naar derden de schijn is gewekt dat het persoonlijke belang van invloed is geweest op de besluitvorming. Daarbij speelde een rol dat het raadslid tijdens de vergadering van de raad veelvuldig het woord heeft gevoerd en namens zijn fractie een aantal amendementen heeft ingediend en voorgelezen die in feite tot gevolg hebben dat een gunstiger woon- en leefklimaat ontstaat ter hoogte van gronden van het betreffende raadslid. De Afdeling achtte niet van belang of het raadslid daadwerkelijk het oogmerk had te bewerkstelligen een plan ten gunste van zijn leefklimaat vast te stellen. Ook indien van de goede trouw van het raadslid kan worden uitgegaan, kan de schijn van belangenverstrengeling zijn gewekt. Ook het gegeven dat het raadslid niet bij alle amendementen een doorslaggevende stem heeft gehad leidt niet een ander oordeel, omdat gelet op het feit dat het raadslid veelvuldig het woord heeft gevoerd niet kan worden gesteld dat niet de schijn is gewekt dat hij invloed heeft gehad op de besluitvorming;
- In ABRvS 6 februari 2013, LJN BZ0796 preciseert de Afdeling haar hiervoor vermelde uitspraak van 22 juni 2011. In de zaak die tot de uitspraak van 6 februari 2013 heeft geleid ging het om een besluit van een gemeenteraad om een bestemmingsplan niet vast te stellen. Dat besluit was genomen met de kleinst mogelijke meerderheid, waarbij een raadslid die mogelijk belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb was, tegen de vaststelling van het plan had gestemd. De Afdeling overwoog dat, in aanmerking genomen dat het hier gaat om besluitvorming door de gemeenteraad die een belangenafweging vergt waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen, het in de rede ligt voor de invulling van het begrip ‘persoonlijk belang’ in artikel 2:4, tweede lid, van de Awb aansluiting te zoeken bij artikel 28, eerste lid, onder a, van de wet. Deze bepaling dient strikt te worden uitgelegd, nu daarbij het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt ingeperkt. Uit artikel 2:4 van de Awb volgt dus — en de Afdeling preciseert hiermee haar (hiervoor vermelde) uitspraak van 22 juni 2011 — in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de fundamentele rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratisch proces.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 februari 2013 in aanvulling op het voorgaande overwogen dat er zich evenwel bijkomende omstandigheden kunnen voordoen die maken dat de behartiging van het persoonlijk belang van een raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de besluitvorming dat hij daaraan niet behoort deel te nemen. Weliswaar kan de gemeenteraad niet verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen, maar deelname van een lid kan er bij aanwezigheid van zo’n persoonlijk belang wel toe leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende besluit is genomen in strijd met artikel 2:4 van de Awb. De conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan echter pas worden getrokken wanneer aannemelijk is dat het betrokken raadslid de besluitvorming daadwerkelijk heeft beïnvloed.
Anders gezegd, komt deze rechtspraak op het volgende neer.
Het uitbrengen van een stem door een raadslid is te zien als een fundamenteel democratisch recht. Uitsluitend het raadslid bepaalt of hij wel of niet deelneemt aan de stemming. Ook als het gaat over een onderwerp waarvan kan worden gezegd dat hij daar meer belang bij heeft dan de andere raadsleden.
Het uitbrengen van een stem door dat raadslid maakt niet dat het raadsbesluit daarmee onrechtmatig is. Van onrechtmatigheid is pas sprake als dat raadslid aanmerkelijke invloed heeft uitgeoefend op de totstandkoming en/of de inhoud van het raadsbesluit.
Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de wet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
In het vierde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming.
Artikel 28. Volgorde stemming over amendementen en moties
Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement.
Een amendement strekt tot wijziging van een voorstel en komt daarom in stemming voorafgaand aan de stemming over dat voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond.
Op verzoek van een fractie kan van deze volgorde worden afgeweken en kan er eerst over de moties en dan over het voorstel zelf worden besloten. Over dit verzoek wordt gestemd en het verzoek wordt vooraf ter kennis van de voorzitter gebracht zodat de digitale stemming hierover kan worden voorbereid.
Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp (motie vreemd aan de orde van de dag) geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing.
Artikel 29. Stemming over personen
Artikel 31, eerste lid, van de wet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Sinds 1 februari 2016 is artikel 31 ook van toepassing op de stemming over de benoeming van een wethouder (artikel 35, eerste lid, van de Gemeentewet). Datzelfde geldt voor de stemming over het ontslag van een wethouder in het geval een motie van wantrouwen niet tot onmiddellijk aftreden leidt (artikel 49 van de Gemeentewet). Ook dat gebeurt schriftelijk en is daarmee geheim.
Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, blz. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld.
Bij de benoeming van wethouders is er sprake van een vrije stemming. Dat is dus anders dan bij een voordracht, waarbij de keus beperkt is tot twee of meer kandidaten.
Bij een vrije stemming is artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de wet niet van toepassing. Daarin is bepaald dat een raadslid zich van stemming onthoudt wanneer hij “behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt". Zoals vermeld is dat bij de benoeming van wethouders niet aan de orde. Een raadslid kan op het stembriefje de naam van elke kandidaat die zijn voorkeur heeft invullen: die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander. Dat geldt dus ook voor raadsleden die zelf genomineerd zijn; die kunnen op zichzelf stemmen als ze dat willen.
De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze:
Een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en mevrouw Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen;
Het is denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken.
Artikel 30. Herstemming over personen
Dit artikel beschrijft de procedure die wordt gevolgd al er geen volstrekte meerderheid van stemmen wordt bereikt.
Artikel 31. Beslissing door het lot
Dit artikel beschrijft de procedure die volgt uit artikel 30, tweede lid.
In de wet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid, van de wet).
Artikel 32 regelt de wijze wat er in de besluitenlijst staat en op welke wijze deze wordt vastgesteld. Voorstellen tot wijziging van de besluitenlijst kunnen tot 24 uur voorafgaande aan de vergadering waarin ze worden vastgesteld worden ingediend bij de griffie.
Voor een volledig verslag van de betreffende raadsvergadering wordt verwezen naar het beeld- en geluidsverslag dat tijdens en direct na de vergadering beschikbaar is via internet.
Artikel 33. Toepassing reglement op besloten vergaderingen
Artikel 33 bepaalt dat de bepalingen van dit Reglement van Orde van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie en het maken van een besluitenlijst.
De bepalingen in dit Reglement van Orde zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van de wet wordt opgelegd dan wel bekrachtigd of opgeheven.
In artikel 23 van de wet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.
Artikel 34. Besluitenlijst besloten vergadering
In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de wet. In overeenstemming met de bepaling over de besluitenlijst van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor de besluitenlijst van een besloten vergadering. De besluitenlijst ligt ter inzage bij de griffier (eerste lid).
In dit artikel wordt een uitwerking gegeven aan het bepaalde in artikel 88, zesde lid dat de raad regels kan stellen dat geheime informatie, zoals bedoeld in artikel 87 van de wet, door het college, de burgemeester of een commissie met anderen kan worden gedeeld als dit voor het dagelijks bestuur van de gemeente noodzakelijk is. Lid zes bepaald namelijk dat de geheimhouding van informatie die aan de raad is verzonden daarna bij de raad berust. Dat wil zeggen dat het college deze informatie niet meer op eigen gezag met anderen kan delen, tenzij de raad daar regels voor stelt. Voorkomen moet worden dat in het geval het college of de burgemeester geheime informatie, op grond van artikel 23 van de wet, met de raad deelt hen het normaal functioneren onmogelijk wordt gemaakt.
Het college onderhandeld met een grondeigenaar over een ruimtelijke ontwikkeling en wil hierover informatie delen met de raad. De geheimhouding komt daarmee op grond van dit artikel bij de raad te liggen. Het college kan daardoor niet meer in vrijheid deze geheime informatie delen met een mogelijk bij het project betrokken projectontwikkelaar. Om te voorkomen dat de raad hiervoor aparte besluiten moet nemen of de voortgang vertraging oploopt bepaalt dit artikel dat het college deze bevoegdheid heeft, waarmee aansluiting wordt gevonden bij de bestaande praktijk voor de wijziging van de gemeentewet op 1 april 2023.
Artikel 36. Toehoorders en pers
De in dit artikel aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de wet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.
Artikel 37. Geluid- en beeldregistraties
Aangezien de vergaderingen van de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft. Wel dient rekening gehouden te worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts vanaf een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat burgers die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties.
Artikel 38. Amendementen en subamendementen
Elk lid van de raad kan wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen ter behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 17).
Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de wet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in artikel 36. Op basis van artikel 147b, tweede lid, juncto artikel 147a, tweede lid, van de wet is de raad verplicht een amendement te behandelen, overeenkomstig de door de raad vastgestelde regels. Uit de bewoordingen van artikel 147b, tweede lid, van de wet blijkt dat het recht om amendementen in te dienen aan elk individueel raadslid toekomt; drempelsteun is derhalve niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).
Om andere raadsleden en het college niet te verrassen en hen voldoende tijd te geven een mening te vormen over de (sub)amendementen, worden de amendementen “in principe” minimaal 48 uur voor de betreffende raadsvergadering gedeeld met de andere fracties en het college. Er moet dan wel al vooraf afstemming hebben plaatsgevonden met de portefeuillehouder. Er staat expliciet “in principe”, omdat deze termijn niet wettelijk afdwingbaar is. Dit vijfde lid vloeit voort uit een met het college gemaakte mondelinge afspraak gebaseerd op de nieuwe mores.
De griffie kan fracties desgewenst adviseren en ondersteunen bij het opstellen van (sub)amendementen. De (politieke) inhoud is echter de verantwoordelijkheid van de fracties/raadsleden.
In artikel 1 is de definitie van het begrip ‘motie’ gegeven. Een ‘motie’ is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke of procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom is het college formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.
Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft (tweede lid).
Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp (motie vreemd aan de orde van de dag) vindt aan het einde van de vergadering plaats (derde lid). Dergelijke moties benaderen de in artikel 39 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.
In de wet wordt één specifieke motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Dit betreft de “motie van wantrouwen” waarbij de raad uitspreekt het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.
Om andere raadsleden en het college niet te verrassen en hen voldoende tijd te geven een mening te vormen over de moties, worden de moties “in principe” minimaal 48 uur voor de betreffende raadsvergadering gedeeld met de andere fracties en het college. Er moet dan wel al vooraf afstemming hebben plaatsgevonden met de portefeuillehouder
Er staat expliciet “in principe”, omdat deze termijn niet wettelijk afdwingbaar is. Dit zesde lid vloeit voort uit een met het college gemaakte mondelinge afspraak gebaseerd op de nieuwe mores.
De griffie kan fracties desgewenst adviseren en ondersteunen bij het opstellen van moties. De (politieke) inhoud is echter de verantwoordelijkheid van de fracties/raadsleden.
Artikel 40. Initiatiefvoorstel
Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen, maar de raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend.
In artikel 147a, eerste lid, van de wet is dit uitgewerkt. Hier is bepaald dat een lid van de raad een initiatiefvoorstel kan indienen; met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat dit recht aan elk individueel raadslid toekomt, drempelsteun is dus niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).
Het tweede en derde lid van artikel 147a van de wet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld.
Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van de eis van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie.
De wet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden (eerste lid). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen.
In het tweede lid is een termijn gesteld van zes weken om het college in de gelegenheid te stellen zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen.
In het vierde lid van artikel 147a van de wet is sinds 1 februari 2016 bepaald dat het college de gelegenheid moet krijgen om wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Het college moet immers de besluiten van de raad uitvoeren (artikel 160, eerste lid, onder b, van de wet). Deze zgn. voorhangregeling is uitgewerkt in het tweede lid van dit artikel. Het is in eerste instantie aan de indiener om te beslissen wat hij met die inbreng doet en uiteindelijk beslist de raad over het al dan niet gewijzigde voorstel (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33691, 3, p. 2-3).
Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 10, zevende lid, voor te stellen het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Voor zover de in het tweede of derde lid gestelde termijn dan nog niet verlopen is zal er echter niet over het voorstel besloten kunnen worden (artikel 147a, van de Gemeentewet, juncto tweede lid van artikel 30). Dit staat er weliswaar niet aan in de weg dat er al over wordt beraadslaagd in de raadsvergadering, maar de voorzitter van de raad zal dan vervolgens de stemming over het voorstel aan moeten houden totdat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Ook kan nadere beraadslaging op dat moment wenselijk worden geacht.
Het vierde lid houdt in dat, na ommekomst van de wensen en bedenkingen van het college, het presidium een initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk agendeert voor behandeling in de raad.
Voor het overige is het aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt behandeld als het op de agenda staat. Indien de wensen of bedenkingen van het college daar aanleiding toe geven kan de indiener van het voorstel eventuele wijzigingen doorvoeren. Hij of zij is daartoe echter niet verplicht, omdat de wet alleen aangeeft dat het college de mogelijkheid moet hebben om een visie op het initiatiefvoorstel te hebben. Er is geen verplichting om de wensen of bedenkingen ook daadwerkelijk in het voorstel te verwerken.
Artikel 41 heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven (eerste lid).
Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw wordt behandeld. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het presidium overlaten.
Dit artikel stelt nadere regels bij artikel 155, tweede lid, van de wet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht en is een zwaarder instrument. Het gaat om het recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig, omdat de vergaderorde wordt doorbroken.
Artikel 43. Schriftelijke vragen
Het vragenrecht stelt de leden van de raad in staat informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Deze dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het college of de burgemeester geeft daarom het schriftelijke antwoord. In de praktijk zal een schriftelijk antwoord van het college vaak door de desbetreffende portefeuillehouder gegeven worden (artikel 168 van de wet).
Raadsleden moeten in de gelegenheid worden gesteld om mondelinge vragen te stellen over een actueel en urgent onderwerp. Dit wordt in artikel 43 geregeld. Om ervoor te zorgen dat het stellen van mondelinge vragen inderdaad wordt gebruikt voor actuele en urgente onderwerpen wordt gebruikt vindt een beoordeling hiervan plaats door de voorzitter van de raad.
In het verleden is namelijk meerdere keren gebleken dat het stellen van mondelinge vragen werd gebruikt voor profilering van de partij en daar is dit instrument niet voor bedoeld.
Er is gekozen voor beoordeling van de criteria door de voorzitter van de raad. Deze staat boven de partijen en heeft nimmer een politiek belang. Om deze reden wordt de beoordeling op de criteria bij afwezigheid van de voorzitter van de raad gedaan door het presidium. Als deze beoordeling aan de vicevoorzitter wordt overgelaten maakt dat de positie van dit raadslid kwetsbaar voor het verwijt van (partij) politieke motieven. Dat risico wordt verkleind door het presidium hierover te laten besluiten.
In artikel 44 wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. De passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de wet is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee wordt voorkomen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid.
De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is, zo blijkt uit de bewoordingen van artikel 169 van de wet, wettelijk objectief en algemeen omschreven. Het moet dan gaan om zwaarwegende belangen.
In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als de raad en het college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven. Vervolgens kent de wet een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, van de wet verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het college moet permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht.
Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, van de wet verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, van de wet indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien de raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. De term ‘ingrijpend’ is in de wet niet nader omschreven. De raad en het college dienen, op basis van de situatie in de eigen gemeente, tot een afbakening te komen. De wetgever heeft destijds het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. De raad en het college moeten hier derhalve zelf een modus in vinden.
Artikel 46. Mondelinge en schriftelijke vragen aan de ambtelijke organisatie
In dit artikel is geregeld dat raadsleden rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van de griffier, mondelinge en schriftelijke vragen aan ambtelijke organisatie mogen stellen. Het betreft hier dan uitsluitend feitelijke en technische informatie. Politiek bestuurlijke vragen kunnen worden gesteld aan het college/portefeuillehouder. Het is van belang dat ambtenaren goed het verschil tussen technisch en politiek bestuurlijk kennen.
Artikel 47. Besluitenlijsten van het college
In dit artikel wordt, in het kader van actieve informatieplicht, geregeld dat de besluitenlijsten en onderliggende stukken van het college op de dag na de collegevergadering (woensdag) actief ter beschikking worden gesteld aan de raad. Na ontvangst plaatst de griffie deze in het raadsinformatiesysteem (Notubiz).
Artikel 48. Themabijeenkomsten
Themabijeenkomsten zijn interne bijeenkomsten en kennen een informeel karakter met d bedoeling de raad de gelegenheid te beiden om kennis omtrent een bepaald onderwerp op te doen. Vanwege het informele karakter worden themabijeenkomsten niet actief openbaar gemaakt.
(Opvolgend) Raadsleden kunnen digitaal via teams deelnemen aan themabijeenkomsten. In afwijking hiervan kan het presidium besluiten dat besloten themabijeenkomsten alleen fysiek bijgewoond kunnen worden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-56577.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.