Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Heerlen 2026

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE RICHTLIJNEN

Artikel 1 Begrippen

  • 1.

    Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    • a)

      Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. Dit kan ook een gezin zijn.

    • b)

      De wet: de Participatiewet (hierna ook: Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

    • c)

      Draagkracht: het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen.

    • d)

      Draagkrachtperiode: de periode waarover de financiële draagkracht wordt vastgesteld.

    • e)

      Gezin: gehuwden of hieraan gelijkgestelden zoals bedoeld in artikel 3 van de Pw.

    • f)

      Het college: burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen.

    • g)

      Inkomen: het inkomen zoals bedoeld in artikel 31 tot en met 33 Pw.

    • h)

      MSNP: minnelijk schuldsaneringstraject in de vorm van schuldbemiddeling of een saneringskrediet.

    • i)

      Sociaal minimum: de op de leef- en woonsituatie van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld zoals bedoeld in de artikelen 20, 21, 22, 23 en 24 Pw.

    • j)

      Vermogen: het in aanmerking te nemen vermogen zoals bedoeld in artikel 34 Pw.

    • k)

      Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

    • l)

      WSNP: Wet schuldsanering natuurlijke personen.

  • 2.

    Begrippen in deze beleidsregel die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 2 Moment van aanvraag

Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet uiterlijk op 1 maart na het jaar waarin de kosten zijn gemaakt worden ingediend. Aanvragen die later binnenkomen, wijst het college af.

Artikel 3 De draagkracht

Het college verlaagt de bijzondere bijstand met de draagkracht van belanghebbende.

Artikel 4 Het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen

  • 1.

    Er is sprake van draagkracht uit inkomen voor zover het inkomen (inclusief vakantiegeld) hoger is dan 120% van het sociaal minimum. Alleen het meerdere brengt het college in mindering op de bijzondere bijstand.

  • 2.

    Er is sprake van draagkracht uit vermogen voor zover het vermogen hoger is dan het vrijgestelde bedrag zoals genoemd in artikel 34 lid 3 Pw. Alleen het meerdere brengt het college in mindering op de bijzondere bijstand.

  • 3.

    Als belanghebbende in een WSNP- of MSNP-traject zit, is er geen sprake van draagkracht zolang er een aflossingsverplichting bestaat. Dit is anders als het gehuwden of hieraan gelijkgestelden betreft waarbij maar één van de twee een schuldsaneringstraject heeft. In deze situatie wordt er wel rekening gehouden met draagkracht, waarbij het college het inkomen als volgt berekent: het vrij te laten bedrag (VTLB) van degene met schuldsanering plus het volledige inkomen van de ander.

  • 4.

    Bij de vaststelling van het vermogen laat het college maximaal één keer de geldende bijstandsnorm vrij op de positieve saldi van de bank- en spaarrekening(en) die belanghebbende heeft.

  • 5.

    De waarde van een verzekering die alleen bedoeld is voor begrafeniskosten laat het college vrij bij de vaststelling van het vermogen.

  • 6.

    De vrijlating van gemotoriseerde voertuigen zoals opgenomen in artikel 6 van de Beleidsregel algemene bijstand gemeente Heerlen 2026, past het college ook toe bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand.

  • 7.

    De individuele studietoeslag en de individuele inkomenstoeslag merkt het college niet aan als draagkracht.

  • 8.

    In afwijking van lid 2 gaat het college bij de volgende kostensoorten uit van draagkracht uit inkomen voor zover dit inkomen (inclusief vakantiegeld) hoger is dan 100% van het sociaal minimum:

    • a)

      bijzondere bijstand inrichtingsnorm voor jongeren <21 jaar;

    • b)

      woonkostentoeslag;

    • c)

      doorbetaling vaste lasten bij verblijf in een inrichting;

    • d)

      alle kosten van bewindvoering waarbij alleen het hebben van problematische schulden de grondslag van de onderbewindstelling is.

Artikel 5 Draagkrachtperiode

  • 1.

    Het college stelt de draagkracht vast voor de duur van 12 maanden met ingang van de eerste van de maand waarin de kosten zich voordoen.

  • 2.

    Als de belanghebbende algemene bijstand ontvangt op het moment dat de kosten zich voordoen, is er geen sprake van draagkracht en wordt er geen draagkrachtperiode vastgesteld. Dit geldt ook als er sprake is van een andere inkomstenbron die niet leidt tot draagkracht en waarvan nagenoeg zeker is dat deze niet meer zal veranderen.

  • 3.

    Als een nieuwe draagkrachtperiode overlapt met een eerdere vastgestelde draagkrachtperiode, dan stelt het college de draagkracht in afwijking van lid 1 over een kortere periode dan 12 maanden vast.

  • 4.

    Als de draagkracht is vastgesteld en er doen zich binnen de vastgestelde draagkrachtperiode opnieuw kosten voor, dan gaat het college uit van de eerder vastgestelde draagkracht, tenzij voor de nieuwe kosten een lager draagkrachtpercentage geldt.

  • 5.

    Bij bijzondere bijstand voor kosten die langer dan 12 maanden duren, kan het college de draagkrachtperiode langer vaststellen, tot maximaal 24 maanden. Dit geldt als verwacht wordt dat het inkomen en vermogen van de belanghebbende in die tijd niet aanmerkelijk zullen veranderen.

  • 6.

    Van een aanmerkelijke verandering is sprake als het inkomen met 10% of meer stijgt ten opzichte van de oorspronkelijke draagkracht. Het college stelt de draagkracht in dat geval opnieuw vast vanaf de eerste dag van de maand waarin het inkomen is veranderd, rekening houdend met lid 1 en lid 5. Daalt het inkomen, dan kan de draagkracht op verzoek van belanghebbende altijd opnieuw worden berekend.

  • 7.

    Bij eenmalige (incidentele) bijzondere bijstand verrekent het college de draagkracht in één keer met het toegekende bedrag.

  • 8.

    Bij langdurige (periodieke) bijzondere bijstand verrekent het college de draagkracht (verdeeld) over de maanden waarover de bijstand is toegekend.

Artikel 6 Vaststelling maandinkomen

  • 1.

    Het college stelt de draagkracht vast op basis van een maandinkomen.

  • 2.

    Bij de berekening van het inkomen wordt bij vaste (niet-wisselende) inkomsten uitgegaan van het inkomen in de maand waarin de kosten zijn gemaakt.

  • 3.

    Als sprake is van een wisselend inkomen, wordt het maandinkomen vastgesteld door het totaal van de inkomsten in de maand waarin de kosten zijn gemaakt, vermeerderd met de inkomsten uit de twee daaraan voorafgaande maanden, te delen door drie.

  • 4.

    Bij de toepassing van lid 2 en lid 3 kan het college alvast rekening houden met een verandering in omstandigheden die binnen de draagkrachtperiode zullen plaatsvinden of al hebben plaatsgevonden.

Artikel 7 Drempelbedrag

  • 1.

    Het college hanteert een drempelbedrag van € 50 per jaar.

  • 2.

    Als in een jaar, waarin bijzondere bijstand wordt verstrekt, een andere gemeente al de volledige drempel heeft afgetrokken, past het college geen drempel meer toe voor dat jaar. Als het drempelbedrag in die andere gemeente lager was dan € 50, wordt alleen het resterende bedrag voor dat jaar in mindering gebracht.

  • 3.

    In afwijking van lid 1 past het college bij onderstaande kostensoorten geen drempelbedrag toe:

    • a)

      in de vorm van een lening;

    • b)

      in de vorm van woonkostentoeslag;

    • c)

      voor notariskosten bij een krediethypotheek.

HOOFDSTUK 2 ZORGKOSTEN

Artikel 8 Medische kosten

  • 1.

    Bij medische kosten gaat het college uit van de vergoeding die op grond van de gemeentelijke collectieve zorgverzekering, het VGZ Zuid-Limburgpakket, mogelijk is. Hierbij wordt uitgegaan van het meest uitgebreide pakket.

  • 2.

    Als de gemeentelijke collectieve zorgverzekering niet alle medische kosten vergoedt, kan het college bijzondere bijstand toekennen voor het resterende bedrag, zolang er een medische noodzaak is.

  • 3.

    Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor de volgende medische kosten:

    • a)

      zelfzorgmiddelen (zoals pijnstillers of vitaminen);

    • b)

      niet-reguliere geneeswijzen (zoals alternatieve behandelingen);

    • c)

      behandelingen in het buitenland, tenzij je vooraf toestemming hebt van het college;

    • d)

      behandelingen die niet vergoed worden door de basisverzekering en ook niet door het VGZ Zuid-Limburgpakket;

    • e)

      het verplicht of vrijwillig eigen risico van de zorgverzekering.

  • 4.

    Aan de collectieve zorgverzekering kan deelnemen de inwoner van Heerlen die een inkomen heeft dat niet hoger is dan 150% van de normen als bedoeld in artikel 20, 21, 22 of 23 Pw.

Artikel 9 Personenalarmering en maaltijdvoorziening

  • 1.

    Of het noodzakelijk is om bijzondere bijstand te verstrekken voor de kosten van personenalarmering en een maaltijdvoorziening, wordt vastgesteld door het college.

  • 2.

    Als personenalarmering wordt afgenomen bij een gecontracteerde partij en de kosten hiervan niet worden vergoed door de zorgverzekering, vergoedt het college de aansluitkosten, het basisabonnement en de zorgopvolging.

  • 3.

    Voor een maaltijdvoorziening vergoedt het college € 110,00 per maand.

HOOFDSTUK 3 WOONKOSTEN

Artikel 10 Algemene bepalingen betreffende woonkosten

  • 1.

    Voor alle woonkosten in dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 13, merkt het college het afsluiten van een lening bij de Kredietbank Nederland aan als voorliggende voorziening.

  • 2.

    Het bescheiden vrij te laten vermogen zoals bedoeld in artikel 34 lid 3 Pw wordt voor de kosten in dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 13, niet vrijgelaten.

  • 3.

    De bijzondere bijstand voor de kosten in dit hoofdstuk verstrekt het college, met uitzondering van artikel 11, om niet.

Artikel 11 Duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen verstrekt het college als een lening, tenzij de belanghebbende geen financiële ruimte heeft om de lening terug te betalen. In dit laatste geval verstrekt het college bijzondere bijstand om niet.

  • 2.

    Het college vergoedt maximaal 75% van de bedragen uit de NIBUD prijzengids van het betreffende jaar.

Artikel 12 Andere inrichtingskosten

Voor inrichtingskosten, anders dan duurzame gebruiksgoederen, vergoedt het college maximaal 75% van de bedragen uit de NIBUD prijzengids van het betreffende jaar.

Artikel 13 Vaste lasten bij verblijf in een inrichting

  • 1.

    Bij opname in een inrichting kan verlening van bijzondere bijstand voor vaste lasten noodzakelijk zijn voor een belanghebbende:

    • a)

      van 21 jaar of ouder zonder partner: vanaf de datum met ingang waarvan de algemene bijstand is veranderd;

    • b)

      jonger dan 21 jaar zonder partner: vanaf de datum waarop de algemene bijstand is gestopt.

  • 2.

    Bijzondere bijstand voor vaste lasten is alleen mogelijk als de woonplaats van de belanghebbende niet is veranderd. Als blijkt dat de belanghebbende niet van plan is terug te keren, kan er geen bijzondere bijstand worden verstrekt.

  • 3.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de volgende vaste lasten:

    • a)

      huur of hypotheek volgens de regels van de Wet op de huurtoeslag;

    • b)

      energiekosten;

    • c)

      water;

    • d)

      opstal- en inboedelverzekering.

HOOFDSTUK 4 FINANCIËLE HULPVERLENING

Artikel 14 Budgetbeheer

Bij budgetbeheer ziet het college de dienstverlening van 'Verder' als een voorliggende voorziening.

Artikel 15 Kosten beschermingsbewind, curator of mentor

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand op basis van de beschikking van de kantonrechter.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is maximaal de vergoeding die is opgenomen in de Regeling beloning bewindvoerders, curatoren en mentoren.

  • 3.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de bankkosten van de beheerrekening.

HOOFDSTUK 5 WOONKOSTENTOESLAG

Artikel 16 Woonkostentoeslag eigendomswoning

  • 1.

    Het college hanteert bij de berekening van de woonkostentoeslag bij een eigendomswoning de systematiek van de Wet op de huurtoeslag. Daarbij worden de woonkosten meegenomen tot aan het zogenoemde rekenplafond; het maximale bedrag aan huur dat volledig voor huurtoeslag in aanmerking komt (de subsidiabele huurcomponent).

  • 2.

    Bij de berekening houdt het college rekening met de voorlopige teruggave van de hypotheekrenteaftrek waar de belanghebbende recht op heeft. Het definitieve bedrag aan woonkostentoeslag wordt pas vastgesteld nadat de definitieve belastingaanslag is ontvangen.

Artikel 17 Woonkostentoeslag doorstroomhuis Blijf van mijn Lijf

Het college hanteert bij de berekening van de woonkostentoeslag voor een doorstroomhuis waar de belanghebbende verblijft vanuit de crisisopvang Blijf van mijn Lijf, de systematiek van de Wet op de huurtoeslag.

HOOFDSTUK 6 OVERIGE KOSTENSOORTEN

Artikel 18 Leges verblijfsvergunning

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor legeskosten van:

    • a)

      het verkrijgen van het eerste verblijfsdocument;

    • b)

      het verlengen van een verblijfsdocument voor bepaalde of onbepaal-de tijd;

    • c)

      naturalisatie.

  • 2.

    Op de legeskosten genoemd in lid 1 onder a en b brengt het college de kosten voor een paspoort in mindering.

Artikel 19 Eigen bijdrage rechtsbijstand

Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten onder artikel 4 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand. De korting op de eigen bijdrage rechtsbijstand wordt altijd in mindering gebracht, ongeacht of de belanghebbende door het Juridisch Loket is doorverwezen naar een advocaat.

Artikel 20 Boekhoudkosten

  • 1.

    Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten voor het op orde brengen van de boekhouding als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a.

      belanghebbende is een (ex-)ondernemer;

    • b.

      belanghebbende is toegelaten tot de Wgs; én

    • c.

      de gebrekkige administratie een belemmering vormt voor verdere hulp.

  • 2.

    Het college verstrekt de bijstand als lening.

  • 3.

    Als een schuldregeling tot stand komt, wordt de lening meegenomen in deze regeling. Als geen schuldregeling tot stand komt, moet de geldlening worden terugbetaald zodra het schuldhulpverleningstraject is afgesloten.

  • 5.

    Het college verstrekt maximaal € 1.500 bijzondere bijstand per boekjaar, voor maximaal drie boekjaren.

  • 6.

    Omdat de ondernemer is toegelaten tot een schuldhulpverleningstraject, wordt aangenomen dat er geen sprake is van draagkracht uit inkomen en/of vermogen.

Artikel 21 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze regeling wordt aangehaald als ‘beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Heerlen 2026’.

  • 2.

    Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2026 onder intrekking van de ‘beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Heerlen oktober 2024’.

Aldus besloten tijdens de vergadering van het college van burgemeester en wethouders der gemeente Heerlen van 16 december 2025.

secretaris, a.i.

drs. R. van Wuijtswinkel

de burgemeester,

drs. R. Wever

ALGEMENE TOELICHTING

In deze beleidsregel worden beleidsuitgangspunten vastgelegd. Deze hebben betrekking op zowel bijzondere bijstand op basis van de Participatiewet als bovenwettelijk begunstigend gemeentelijk beleid.

 

Artikelsgewijze toelichting

(Alleen artikelen waarbij een toelichting noodzakelijk is, zijn opgenomen)

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE RICHTLIJNEN

 

Artikel 2 Moment van aanvraag

Ongeacht de kostensoort, kan bijzondere bijstand tót 1 maart na het kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt worden ingediend. Dit geldt ook als de kosten al zijn voldaan. Wanneer de kosten zijn gemaakt kan op twee manieren worden geïnterpreteerd:

  • 1.

    De kosten zijn gemaakt op het moment dat de afschrijving op de bankrekening heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld bij kosten bewindvoering) of op de datum van de behandeling (bijvoorbeeld bij medische kosten).

  • 2.

    De kosten zijn gemaakt op de datum van de rekening/factuur.

Wij kiezen voor de interpretatie die voor de belanghebbende het gunstigst is.

 

Artikel 4 Het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen

De kostendelersnorm wordt buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van de draagkracht. De doelstelling waarop de kostendelersnorm is gebaseerd (stapeling van uitkeringen voorkomen en het hebben van schaalvoordelen in de woonkosten), ziet namelijk niet toe op het ook delen van bijzondere individuele noodzakelijke kosten.

 

Lid 3

De ingangsdatum van de schuldsanering wordt als volgt bepaald: bij een WSNP-traject per de datum die de Rechtbank in haar uitspraak als ingangsdatum aangeeft, bij een MSNP-traject per de datum dat de schuldregelingsovereenkomst is ondertekend. In allebei de gevallen gaat men, bij de berekening van de draagkracht, uit van de eerste van die desbetreffende maand.

 

Lid 4 tot en met 6

Met deze bepalingen, die eveneens zijn opgenomen in de beleidsregel algemene bijstand, stelt het college de beoordeling van (de hoogte van) het vermogen bij het recht op bijzondere bijstand gelijk aan de beoordeling van het recht op algemene bijstand. Hierdoor ontstaat rechtsgelijkheid en is de uitvoering eenduidig.

Voor de vaststelling van de waarde van het motorvoertuig wordt als richtlijn de koerslijst van de ANWB gehanteerd, waarbij de laagste verkoopprijs leidend is.

 

Lid 8

Uit artikel 35 lid 1 Participatiewet volgt dat rekening dient te worden gehouden met een toegekende (of toe te kennen) studietoeslag of individuele inkomenstoeslag bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand. Dit is ongewenst. De studietoeslag en de individuele inkomenstoeslag worden dan ook, voor de vaststelling van de draagkracht, niet in aanmerking genomen.

 

Lid 9 sub e

Als er rekening is gehouden met draagkracht bij een toekenning bijzondere bijstand op basis van een ander draagkrachtpercentage dan waarvoor tijdens dezelfde draagkrachtperiode een nieuwe aanvraag bijzondere bijstand wordt ingediend, dan worden de kosten waarvoor eerder bijzondere bijstand is toegekend op de nieuwe draagkrachtberekening in mindering gebracht.

Als er sprake is van gecombineerde maandelijkse kosten bewindvoering waarvoor verschillende draagkrachtpercentages gelden, wordt rekening gehouden met het hoogste draagkrachtpercentage. Voorbeelden van dit soort combinaties zijn: standaardbewind + schuldenbewind (bij gehuwden of daaraan gelijkgestelden) of mentorschap + schuldenbewind (beiden taken worden uitgevoerd door dezelfde persoon).

 

Artikel 5 Draagkrachtperiode

Lid 2

Hierbij kan gedacht worden aan inkomstenbronnen waarvan het niet in de lijn der verwachting ligt dat deze (aanzienlijk) zullen veranderen (zowel in aard als in hoogte). Voorbeelden hiervan zijn een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) of een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO, IVA of Wajong).

 

Lid 3

Een vastgestelde draagkracht kan gedurende de draagkrachtperiode veranderen. Dit kan zijn doordat het inkomen verandert, maar ook door de start/het einde van een schuldsaneringsregeling óf een verandering in de gezins- en/of woonsituatie.

 

Lid 4

De draagkracht kan voor een langere periode worden vastgesteld als het niet de verwachting is dat het inkomen en vermogen van de belanghebbende aanmerkelijk zal stijgen, waardoor een onnodige draagkrachtberekening wordt voorkomen.

 

Lid 6

Een toename van het inkomen van 10% of meer wordt aanmerkelijk geacht, waardoor het college opnieuw een draagkrachtberekening maakt. Met dit percentage hoeft er bij tussentijdse wettelijke indexaties van het inkomen – in de regel – geen nieuwe draagkrachtberekening te worden gemaakt, waarmee onnodige belasting voor de inwoner en de uitvoering wordt voorkomen.

Een afname van het inkomen raakt, wanneer de draagkrachtberekening hier niet op wordt aangepast, direct het besteedbaar inkomen van de inwoner. Een ondergrens hanteren acht het college daarom niet wenselijk.

 

Artikel 6 Vaststelling maandinkomen

Lid 2

Bij een vast inkomen kijkt het college naar het inkomen in de maand waarin de kosten zijn gemaakt. Dit zorgt ervoor dat als het inkomen in die maand verandert, de juiste bijstandsnorm wordt gebruikt om het inkomen mee te vergelijken.

Als het inkomen in de maand waarin de kosten zijn gemaakt precies gelijk is aan dat van de vorige maand, kan de belanghebbende de specificatie van die eerdere maand verstrekken. Zo hoeft men niet onnodig te wachten op de specificatie van de aanvraagmaand.

 

Lid 3

Door rekening te houden met het gemiddelde inkomen over de maand waarin de aanvraag is ingediend en de twee daaraan voorafgaande maanden, stelt het college op basis van de actuele inkomenssituatie van de belanghebbende een reële draagkracht vast.

Als de aanvraag wordt gedaan door een zelfstandige en het inkomen over deze drie maanden niet goed te bepalen is, wordt gekeken naar het inkomen van het kalenderjaar voorafgaand aan de aanvraag voor bijzondere bijstand.

 

Lid 4

Als tijdens de aanvraag bekend is dat het inkomen binnen de draagkrachtperiode aanmerkelijk zal veranderen of inmiddels is veranderd, kan het college alvast rekening houden met die feitelijke nieuwe situatie.

 

Artikel 7 Drempelbedrag

Het college kan bijzondere bijstand weigeren als de kosten in 12 maanden niet hoger zijn dan het bedrag dat in artikel 35 lid 2 van de Participatiewet staat. Het college heeft zelf bepaald dat er een lagere grens geldt: € 50 per kalenderjaar. Dat betekent dat iemand de eerste € 50 aan kosten per jaar zelf moet betalen. Dit wordt gezien als een eigen bijdrage.

 

HOOFDSTUK 2 ZORGKOSTEN

 

Een samenwerkingsverband van 18 Zuid-Limburgse gemeenten (Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal) biedt aan inwoners met een laag inkomen de mogelijkheid om deel te nemen aan een collectieve zorgverzekering. De huidige collectieve zorgverzekeraar is VGZ. De collectieve zorgverzekering bestaat uit twee integrale pakketten van basisverzekering en aanvullende verzekering. Deelnemers hebben hierin een keuze. Onder ‘laag inkomen’ wordt verstaan een inkomen tot 150% van de toepasselijke bijstandsnorm.

 

Artikel 8 Medische kosten

Lid 1

Het college kijkt bij medische kosten naar wat het meest uitgebreide pakket van de gemeentelijke collectieve zorgverzekering VGZ Zuid-Limburgpakket vergoedt. Als dat pakket de kosten helemaal vergoedt, verstrekt het college geen bijzondere bijstand, ook niet als belanghebbende bij een andere zorgverzekeraar zit die minder vergoedt. Het college verstrekt dan geen vergoeding voor het verschil.

 

Lid 3

Normaal gesproken zijn de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) de voorliggende voorzieningen voor zorg. De gemeentelijke collectieve zorgverzekeraar vergoedt echter niet altijd alles (volledig). Als dat het geval is, wijst het college een aanvraag voor bijzondere bijstand niet zonder meer af. Het college voert bovenwettelijk begunstigend beleid en houdt bij het beslissen rekening met de volgende punten:

  • wat de gemeentelijke collectieve zorgverzekering vergoedt;

  • het moet gaan om gewone medische zorg of een erkende behandeling;

  • de kosten moeten in Nederland zijn gemaakt;

  • de kosten moeten normaal zijn voor die soort zorg;

  • er moet een medische noodzaak zij;

  • de kosten kunnen niet uit het eigen inkomen of vermogen worden betaald.

Lid 3 sub a Zelfzorgmiddelen

Zelfzorgmiddelen zijn zowel zelfzorgmedicijnen als andere medische hulpmiddelen. Een zelfzorgmedicijn is een eenvoudig medicijn dat belanghebbende zonder recept kan kopen, zoals bijvoorbeeld pijnstillers, hoestdranken, neusdruppels, medicijnen tegen diarree of wagenziekte, spierpijnzalf en vitaminetabletten. Naast medicijnen vallen ook andere medische hulpmiddelen onder zelfzorgmiddelen, zoals een bloeddrukmeter of een thermometer. Deze kosten worden niet vergoed via de bijzondere bijstand.

 

Lid 3 sub b Reguliere geneeskunde

Bijzondere bijstand is alleen mogelijk voor behandelingen die wetenschappelijk zijn bewezen en die algemeen geaccepteerd zijn. Kosten voor alternatieve of experimentele behandelingen worden niet vergoed.

 

Lid 3 sub c Behandeling in Nederland

De bijstand is gebaseerd op het territorialiteitsbeginsel. Dit betekent dat kosten die buiten Nederland worden gemaakt in principe niet worden vergoed. Alleen in zeer dringende gevallen kan hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van een acute noodsituatie.

 

Lid 3 sub d Uitgesloten van verzekering

De Rijksoverheid bepaalt wat in het basispakket van de zorgverzekering zit en de zorgverzekeraar, in dit geval het VGZ Zuid-Limburgpakket, bepaalt wat in de aanvullende verzekering zit. Als kosten onder beide pakketten niet gedekt zijn, worden ze ook niet vergoed via de bijzondere bijstand.

Bekende voorbeelden van kosten die niet vergoed worden, zijn maagzuurremmers en slaap- of kalmeringsmiddelen. Ook IVF-behandelingen boven een bepaalde leeftijd worden niet vergoed.

 

Artikel 9 Personenalarmering en maaltijdvoorziening

Lid 1

Het opvragen van een onafhankelijk medisch advies werkt vertragend en kostenverhogend. Dat is niet wenselijk. Als door het college daartoe gemandateerde, kan de inkomensconsulent de noodzaak zelf bepalen.

 

Lid 2

De kosten van personenalarmering worden – mits afgenomen bij een gecontracteerde aanbieder – vergoed vanuit de basisverzekering van de zorgverzekeraar. De meerkosten komen voor bijzondere bijstand in aanmerking.

 

Lid 3

Als de noodzaak voor een maaltijdvoorziening vaststaat, dan komt het college tegemoet in de kosten voor middel van een vaste maandelijkse vergoeding. Hiermee worden ingewikkelde berekeningen en/of het toekennen van bijzondere bijstand op declaratiebasis voorkomen.

 

HOOFDSTUK 3 WOONKOSTEN

 

Artikel 10 Algemene bepalingen betreffende woonkosten

Lid 1

Tot 1 januari 2024 was het afsluiten van een lening bij de Kredietbank Limburg een voorliggende voorziening. Vanaf 1 januari 2024 is dit de Kredietbank Nederland.

 

Lid 2

Het volledige vermogen wordt als draagkracht in aanmerking genomen voor de woonkosten in dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 13. Het bescheiden vrij te laten vermogen zoals bedoelt in artikel 34 lid 3 Participatiewet wordt dus niet vrijgelaten.

 

Artikel 11 Duurzame gebruiksgoederen

Uit artikel 51 van de Participatiewet volgt dat bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen verstrekt kan worden in de vorm van een lening. Als de belanghebbende een bijstandsuitkering ontvangt wordt de aflossing op de lening verrekend met de uitkering op grond van artikel 48 lid 4 Participatiewet.

 

Lid 1

Onnodige instroom van vorderingen moet worden voorkomen. Dit betekent dat er alleen een lening aan belanghebbende wordt verstrekt als er financiële ruimte is om deze lening terug te betalen. Deze ruimte wordt aanwezig geacht als belanghebbende na aftrek van de aflossing van de geldlening beschikt over de beslagvrije voet. Als dit laatste niet het geval is, bijvoorbeeld omdat er al sprake is van een verrekening, beslag of een lopende schuldregeling, is het verstrekken van een lening niet verantwoord en verstrekt het college bijstand om niet.

 

Artikel 13

Lid 3

Bij een koopwoning verstrekt het college alleen bijzondere bijstand voor de hypotheekrente en niet voor de aflossing.

 

HOOFDSTUK 4 FINANCIËLE HULPVERLENING

 

Artikel 14 Budgetbeheer

Om in aanmerking te komen voor de dienstverlening van ‘Verder’ moet Team Schuldhulpverlening van de gemeente Heerlen vaststellen dat budgetbeheer noodzakelijk is.

Deze bepaling geldt voor personen die op of na 1 juli 2024 onder budgetbeheer zijn gekomen, omdat de beleidsregel bijzondere bijstand juli 2024 op deze datum in werking is getreden.

 

Artikel 15 Kosten beschermingsbewind, curator en mentor

Lid 1

Alle kosten waarvoor de kantonrechter een beloning toekent, komen in aanmerking voor vergoeding via bijzondere bijstand. Voorbeelden van deze kosten zijn:

  • intakekosten;

  • jaarbeloning;

  • kosten voor het beheren van een persoonsgebonden budget.

Lid 3

De vergoeding voor de bankkosten van de beheerrekening wordt bepaald op basis van de kosten in de maand waarvoor een specificatie is meegestuurd bij de aanvraag.

 

HOOFDSTUK 5 WOONKOSTENTOESLAG

 

Artikel 16 Woonkostentoeslag eigendomswoning

Eigenaren van een woning hebben geen recht op huurtoeslag. Als zij een laag inkomen en hoge woonlasten hebben, kunnen zij in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag. De hoogte van deze bijstand wordt bepaald volgens de regels die ook gelden voor huurders (zoals bij de Wet op de huurtoeslag).

 

Vanaf 1 januari 2026 is de huurgrens niet langer een toegangsvoorwaarde voor het recht op huurtoeslag. Iedereen met een laag inkomen kan vanaf 2026 huurtoeslag aanvragen, ongeacht hoe hoog de huur is. De grens blijft wel bestaan als rekenplafond: de toeslag wordt alleen berekend over de huur tot aan dat bedrag. Het gedeelte van de huur dat niet in aanmerking komt voor huurtoeslag, noemen we de niet-gesubsidieerde huurcomponent.

 

Bij de beoordeling van het recht op woonkostentoeslag houdt het college rekening met de woonkosten tot (maximaal) de maximale huurgrens (de gesubsidieerde huurcomponent).

 

Bij de beoordeling van het recht op woonkostentoeslag wordt onder andere gekeken naar:

 

Lasten die meetellen bij de berekening van de woonkostentoeslag:

  • hypotheekrente minus het recht op hypotheekrenteaftrek;

  • eigenaarsdeel van de rioolheffing;

  • eigenaarsdeel van de waterschapslasten;

  • eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelasting.

Lasten die niet meetellen bij de berekening van de woonkostentoeslag:

  • aflossing van de hypotheek;

  • premies van spaarhypotheken;

  • rente van leningen voor andere zaken (bijv. auto of caravan);

  • het gebruikersgedeelte van gemeentelijke- en waterschapsbelastingen.

Artikel 17 Woonkostentoeslag doorstroomhuis Blijf van mijn lijf

Een belanghebbende die verblijft in een doorstroomhuis van de crisisopvang Blijf van mijn Lijf, kan niet ingeschreven worden op dat adres in de Basisregistratie Personen (BRP). Hierdoor bestaat geen recht op huurtoeslag. Als aan alle overige voorwaarden wordt voldaan, kan belanghebbende bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag ontvangen om dit tekort op te vangen.

 

HOOFDSTUK 6 OVERIGE KOSTENSOORTEN

 

Artikel 20 Boekhoudkosten

Sinds 2021 kunnen ondernemers de gemeente vragen om toegelaten te worden tot de gemeentelijke schuldhulpverlening (volgens de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening). In de praktijk blijkt dat veel ondernemers met schulden geen hulp kunnen krijgen, omdat hun boekhouding niet op orde is. Ze missen de middelen of ondersteuning om dit te herstellen. Om te voorkomen dat ondernemers hun bedrijf moeten stoppen of dat (ex-)ondernemer buiten de samenleving komen te staan door hun schulden, is er een regeling voor bijzondere bijstand voor het herstellen van de boekhouding tot maximaal drie voorgaande boekjaren.

Naar boven