Beleidsregel algemene bijstand gemeente Heerlen 2026

 

Artikel 1 Begrippen

  • 1.

    Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    • a)

      Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. Dit kan ook een gezin zijn.

    • b)

      BW: Burgerlijk Wetboek.

    • c)

      CPI: consumentenprijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

    • d)

      Geldende bijstandsnorm: de op de leef- en woonsituatie van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld zoals bedoeld in de artikelen 20 tot en met 24 Pw.

    • e)

      Gezin: gehuwden of hieraan gelijkgestelden zoals bedoeld in artikel 3 van de Pw.

    • f)

      Het college: burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen.

    • g)

      Inkomen: het inkomen zoals bedoeld in artikel 31 tot en met 33 Pw.

    • h)

      IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

    • i)

      IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

    • j)

      Jongere: belanghebbende in de leeftijd van 18 tot 27 jaar.

    • k)

      Vermogen: het in aanmerking te nemen vermogen zoals bedoeld in artikel 34 Pw.

    • l)

      Wet: de Participatiewet (hierna ook: Pw).

  • 2.

    Begrippen in deze beleidsregel die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 2 Eigen woning

  • 1.

    Bij bijstandsverlening zoals bedoeld in artikel 50 Pw verlangt het college extra zekerheid in de vorm van een krediethypotheek op grond van artikel 48 lid 3 Pw.

  • 2.

    In afwijking van artikel 50 lid 1 Pw verlangt het college niet dat belanghebbende het vermogen in de woning te gelde maakt of de woning verder bezwaart met een (extra) hypotheek bij een financiële instelling.

  • 3.

    De maximale krediethypotheek stelt het college als volgt vast: de meest recente WOZ-waarde min de op de woning drukkende schulden min het vrij te laten vermogen zoals bedoeld in artikel 34 lid 2 sub d Pw.

  • 4.

    Vestiging van de krediethypotheek vindt plaats bij een door het college aangewezen notaris.

  • 5.

    Voor een krediethypotheek gelden, naast de gebruikelijke notariële bedingen, de volgende voorwaarden:

    • a)

      De lening wordt maandelijks afgelost binnen een maximale termijn van tien jaar;

    • b)

      De aflossingsverplichting bestaat vanaf de datum dat de bijstandsverlening is gestopt;

    • c)

      Er is geen aflossingsverplichting als het inkomen niet hoger is dan de geldende bijstandsnorm;

    • d)

      Er wordt één keer per jaar een bericht gestuurd over de hoogte van de verschuldigde aflossing, tenzij er sprake is van omstandigheden die aanleiding geven om de hoogte van de aflossing eerder te veranderen;

    • e)

      Als de lening door toepassing van sub c en d niet volledig is afgelost na de periode van 10 jaar, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het resterende saldo;

    • f)

      De rente wordt vastgesteld op de wettelijke rente zoals deze op dat moment geldt, verminderd met 3 procent. Hierbij geldt 0% rente als ondergrens.

    • g)

      Een aflossing wordt altijd eerst in mindering gebracht op de hoofdsom, ook als er inmiddels rente over de lening wordt berekend.

    • h)

      Als de rente niet of niet volledig wordt betaald, wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het saldo van de lening;

    • i)

      Over de berekende rentevordering is geen rente verschuldigd.

  • 6.

    In de volgende situaties is het saldo van de lening, inclusief eventuele rente, direct opeisbaar:

    • a)

      Als de aflossingsverplichting gedurende de periode van 10 jaar niet (volledig) wordt nagekomen;

    • b)

      Als de woning wordt verkocht of vererft. Dit laatste als gevolg van het overlijden van de langstlevende echtgenoot.

  • 7.

    Bij verkoop van de woning tegen de actuele WOZ-waarde heeft belanghebbende, voor zover de opbrengst daartoe toereikend is, in ieder geval recht op het bedrag dat op grond van artikel 34 lid 2 sub d Pw in mindering is gebracht bij de vaststelling van de maximale lening.

  • 8.

    Als het bedrag dat na afrekening beschikbaar is bij verkoop van de woning tegen de actuele WOZ-waarde lager is dan het saldo van de lening inclusief eventuele rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

  • 8.

    Als aan belanghebbende binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandverlening onder verband van krediethypotheek opnieuw bijstand wordt toegekend, verleent het college deze bijstand met toepassing van de laatst gevestigde krediethypotheek.

  • 9.

    Het college verstrekt na afloop van het kalenderjaar een saldo-opgave van de lening en de eventuele rentevordering.

  • 10.

    Als de belanghebbende geen medewerking verleent aan het vestigen van een krediethypotheek, stelt het college de aanvraag voor een bijstandsuitkering buiten behandeling of trekt het college het recht op bijstand in.

Artikel 3 Opname in inrichting

  • 1.

    Wanneer belanghebbende wordt opgenomen in een inrichting, blijft de hoogte van de uitkering nog twee maanden hetzelfde. Deze periode begint na de maand waarin de opname plaatsvindt.

  • 2.

    Na die twee maanden verandert het college de uitkering naar de inrichtingsnorm zoals bedoeld in artikel 23 Pw.

  • 3.

    In afwijking van lid 1 verandert het college de uitkering vanaf de ingangsdatum van de opname als de belanghebbende op dat moment geen woonlasten heeft.

Artikel 4 Saldo lopende rekening

Bij de vaststelling van het vermogen laat het college maximaal één keer de geldende bijstandsnorm vrij op de positieve saldi van de bank- en spaarrekening(en) die belanghebbende heeft.

Artikel 5 Begrafenisverzekering

  • 1.

    De waarde van een verzekering die alleen bedoeld is voor begrafeniskosten laat het college vrij bij de vaststelling van het vermogen.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 laat het college de afkoopwaarde niet vrij als de verzekering gedurende de bijstandsverlening wordt stopgezet en uitbetaald (afgekocht).

Artikel 6 Motorvoertuigen

  • 1.

    Een of meer gemotoriseerde voertuigen met een waarde tot maximaal € 5.650 beschouwt het college als algemeen gebruikelijk en worden vrijgelaten bij de vaststelling van het vermogen. Als de waarde hoger is, wordt het meerdere wel meegeteld bij het vermogen.

  • 2.

    De hoogte van de vrijlating indexeert het college vanaf 2027 jaarlijks op basis van de CPI (jaarmutatie) over het voorafgaande jaar. De bedragen worden naar boven afgerond af naar boven, naar een veelvoud van € 50.

  • 3.

    In afwijking van lid 1 kan het college de waarde van het gemotoriseerde voertuig helemaal niet meetellen bij het vermogen van belanghebbende, als dit voertuig onmisbaar is in verband met werk en/of invaliditeit en verkoop van de auto hierdoor niet kan worden verlangd.

  • 4.

    Voor de vaststelling van de waarde van een gemotoriseerd voertuig hanteert het college als richtlijn de actuele koerslijst van de ANWB, waarbij de laagste verkoopprijs leidend is.

Artikel 7 Verlaging algemene bijstand in verband met woonkosten

Als de belanghebbende met een leeftijd tussen 21 jaar en de pensioengerech-tigde leeftijd geen woonkosten heeft en de kostendelersnorm niet geldt, verlaagt het college de geldende bijstandsnorm met 20%.

Artikel 8 Verhoging alleenstaande ouder met toeslagpartner

Als de belanghebbende met een leeftijd tussen 21 jaar en de pensioengerech-tigde leeftijd met ten laste komende kinderen, geen recht heeft op het verhoogde kindgebonden budget voor alleenstaande ouders (ALO-kop) vanwege het hebben van een toeslagpartner, verhoogt het college de geldende bijstandsnorm met 20%.

Artikel 9 Afkoop ‘klein’ pensioen

De afkoopsom van een pensioen rekent het college niet tot het inkomen of vermogen van belanghebbende tot maximaal het afkoopbedrag dat is vastgesteld door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit bedrag wordt jaarlijks door het ministerie geïndexeerd.

Artikel 10 Verwervingskosten marginale zelfstandigen

Bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen van een marginale zelfstandige, die geen parttime ondernemer is op grond van de Beleidsregel parttime ondernemen Heerlen 2018, wordt geen rekening gehouden met verwervingskosten.

Artikel 11 Transitievergoeding

Een transitievergoeding, zoals bedoeld in artikel 7:673 BW, merkt het college aan als vermogen.

Artikel 12 Giften

Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 sub s Pw, beschouwt het college een aantal categorieën giften in ieder geval als verantwoord. Dit betreft een gift:

  • a)

    die wordt gebruikt voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verleend had kunnen worden, waaronder duurzame gebruiksgoederen en medisch noodzakelijke kosten;

  • b)

    die wordt gebruikt om probleemschulden af te lossen die zijn ontstaan vóór de ingangsdatum van de bijstandsverlening;

  • c)

    van een gemotoriseerd voertuig met een waarde die niet hoger is dan het bedrag zoals volgt uit artikel 6 lid 1 van deze beleidsregel. Als de waarde van het gegeven voertuig:

    • hoger is dan de vrijlating of;

    • samen met de waarde van de al aanwezige voertuigen hoger is dan de vrijlating.

  • Wordt het meerdere wel meegeteld bij het vermogen.

Artikel 13 Kennismakingsperiode gezamenlijke huishouding

  • 1.

    Op aanvraag kan het college aan de belanghebbende die een uitkering op grond van de Pw, IOAW of IOAZ ontvangt, eenmalig een kennismakingsperiode verlenen.

  • 2.

    Tijdens de kennismakingsperiode behoudt de belanghebbende de bijstandsnorm die gold direct voorafgaand aan de kennismakingsperiode.

  • 3.

    De kennismakingsperiode duurt maximaal zes maanden en wordt in onderling overleg vastgesteld.

  • 4.

    De kennismakingsperiode gaat pas in nadat het college hiervoor schriftelijk toestemming heeft verleend.

  • 5.

    Om in aanmerking te komen voor de kennismakingsperiode, moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:

    • a)

      aanvragers hebben niet eerder met elkaar samengewoond;

    • b)

      er is geen sprake geweest van kostgangerschap of onderhuur tussen aanvragers;

    • c)

      aanvragers hebben geen voorbereidingen getroffen voor een huwelijk of geregistreerd partnerschap;

    • d)

      aanvragers behouden hun eigen woonruimte;

    • e)

      aanvragers zijn niet inwonend bij anderen.

  • 6.

    Als er sprake is van een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3 Pw, artikel 3 IOAW en artikel 3 IOAZ, verleent het college geen kennismakingsperiode.

Artikel 14 Exodus

  • 5.

    De bijstandsnorm voor bewoners van het Exodushuis is bepaald op de norm voor een alleenstaande (artikel 21 sub a van de wet) in plaats van de norm inrichting (artikel 23 van de wet) n.a.v. collegebesluit BWV-16002170.

  • 6.

    Artikel 7 van deze beleidsregel is van toepassing op in Exodus verblijvende personen zonder woonkosten.

Artikel 15 Jongeren

  • 1.

    Het college neemt de aanvraag in ieder geval in behandeling vóór het verstrijken van de zoektermijn zoals bedoeld in artikel 41 lid 4 Pw als de jongere:

    • a)

      in een inrichting verblijft of recht op opvang heeft (Wmo 2015);

    • b)

      het afgelopen jaar verbleef in een inrichting, opvang (Wmo 2015), pleeggezin of gezinshuis (Jeugdwet);

    • c)

      in het afgelopen jaar viel onder een kinderbeschermingsmaatregel;

    • d)

      een zorgbehoefte heeft;

    • e)

      niet is ingeschreven als ingezetene in de BRP of met een briefadres;

    • f)

      het afgelopen jaar bijstand ontving;

    • g)

      probleemschulden heeft of hier een risico op loopt als de zoektermijn wordt toegepast;

    • h)

      geen sociaal netwerk heeft;

    • i)

      geen startkwalificatie heeft.

  • 2.

    De jongere wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht richting zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken zoals bedoeld in artikel 20 lid 3 sub b PW als:

    • a)

      de ouder(s) is/zijn overleden;

    • b)

      er direct voorafgaand aan het bereiken van het 18e levensjaar sprake is geweest van een uithuisplaatsing op grond van de Jeugd-wet;

    • c)

      er sprake is van een acute crisissituatie tussen de thuiswonende jongere en de ouders. Hiervoor dient een indicatie te worden afgegeven door Team Toegang en/of een gecertificeerde instelling;

    • d)

      de jongere op de ingangsdatum van de bijstandverlening 12 maanden of langer zelfstandig woont.

  • 3.

    Als de bijstand inclusief de verhoging op grond van artikel 20 lid 3 Pw onvoldoende is om in de kosten van levensonderhoud te voorzien, kan het college de hoogte van de bijstand van de jongere afstemmen op grond van artikel 18 Pw. Het college stemt de bijstand in ieder geval af als de jongere zelfstandig woont en aannemelijk is dat de algemene kosten van het bestaan minstens even hoog zijn als de kosten van een belanghebbende van 21 jaar en ouder.

  • 4.

    Het college stelt de hoogte van de bijstand op grond van artikel 18 Pw maximaal vast op het verschil tussen de normen (inclusief vakantiegeld) op grond van artikel 20 Pw en 21 Pw. De bijstand mag samen namelijk niet hoger zijn dan het voor belanghebbende geldende minimumjeugdloon.

  • 5.

    Artikel 31 lid 2 sub n Pw past het college ook toe bij een jongere.

Artikel 16 Gehuwden waarvan één van beiden geen recht op bijstand heeft

Als één van de gehuwden geen recht heeft op algemene bijstand, verstrekt het college aan de rechthebbende echtgenoot met een leeftijd tussen 21 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd die geen kostendelende medebewoner heeft, de norm zoals genoemd in artikel 21 sub a Pw. Het inkomen en vermogen van de niet‑rechthebbende partner merkt het college daarbij in aanmerking volgens de artikelen 31, 32 en 33 Pw.

Artikel 17 Vereenvoudigde aanvraagprocedure

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens te gebruiken die bekend zijn doordat belanghebbende eerder bijstand heeft ontvangen zoals bedoeld in artikel 43a lid 1 Pw wanneer:

    • a)

      dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;

    • b)

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen 12 maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en

    • c)

      de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:

      • werkaanvaarding;

      • een uitsluitingsgrond op grond van artikel 13 Pw;

      • verhuizing naar een andere gemeente.

  • 2.

    Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:

    • a)

      het hoofdverblijf;

    • b)

      de gezinssituatie; en

    • c)

      het inkomen en het vermogen.

  • 3.

    Lid 1 en lid 2 zijn ook van toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering bedoeld in artikel 15a lid 1 Ioaw.

Artikel 18 Verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

  • 1.

    Het college is in ieder geval van oordeel dat er individuele omstandigheden zijn die het noodzakelijk maken om bijstand toe te kennen vanaf een eerdere datum dan de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, zoals bedoeld in artikel 44 lid 5 Pw, wanneer:

    • a)

      er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de onderstaande situaties het geval kan zijn. De belanghebbende:

      • I.

        was niet in staat om zich eerder voor bijstand te melden of was niet op de hoogte van de mogelijkheid hiertoe;

      • II.

        heeft een passende en toereikende voorliggende voorziening aangevraagd die is afgewezen;

      • III.

        heeft een eerdere bijstandsaanvraag ingediend die buiten behandeling is gesteld of is afgewezen omdat niet alle gegevens op tijd zijn aangeleverd;

      • IV.

        had onvoldoende zicht op de hoogte van het inkomen of vermogen, bijvoorbeeld door flexibel werk, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

      • V.

        heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.

    • b)

      er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de onderstaande situaties het geval kan zijn. De belanghebbende:

      • I.

        heeft betalingsachterstanden;

      • II.

        dreigt uit huis gezet te worden of dreigt afgesloten te worden van water, gas of elektra;

      • III.

        is failliet verklaard of er is executoriaal beslag gelegd op de middelen.

  • 2.

    Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal 3 maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.

  • 3.

    Lid 1 en lid 2 zijn ook van toepassing op de toekenning van een uitkering zoals bedoeld in artikel 16a lid 4 IOAW.

Artikel 19 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze regeling wordt aangehaald als ‘beleidsregel algemene bijstand gemeente Heerlen 2026’.

  • 2.

    Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2026 onder intrekking van de ‘beleidsregel algemene bijstand gemeente Heerlen juli 2024’.

Aldus besloten tijdens de vergadering van het college van burgemeester en wethouders der gemeente Heerlen van 16 december 2025.

secretaris, a.i.

drs. R. van Wuijtswinkel

de burgemeester,

drs. R. Wever

ALGEMENE TOELICHTING

In deze beleidsregel worden beleidsuitgangspunten vastgelegd. Deze hebben betrekking op zowel bijzondere bijstand op basis van de Participatiewet als bovenwettelijk begunstigend gemeentelijk beleid.

 

Artikelsgewijze toelichting

(Alleen artikelen waarbij een toelichting noodzakelijk is, zijn opgenomen)

 

Artikel 2

In dit artikel is vastgelegd onder welke voorwaarden het college bijstand verstrekt in de vorm van een krediethypotheek. Dit is nodig omdat het wettelijk kader waarin deze voorwaarden waren vastgelegd, het Besluit krediethypotheek bijstand, sinds 1 januari 2004 is vervallen.

 

Lid 3

Als de belanghebbende van mening is dat de meest recente WOZ-waarde aanzienlijk afwijkt van de daadwerkelijke waarde, kan de belanghebbende een recent taxatierapport aanleveren.

 

Artikel 3

Lid 1 en 2

Voorbeeld: een belanghebbende wordt in juni 2026 opgenomen in een instelling. In juli en augustus 2026 blijft de uitkering hetzelfde. Vanaf september 2026 wordt de uitkering aangepast naar de inrichtingsnorm.

 

Artikel 6

Lid 2

Het college rondt het geïndexeerde bedrag af naar boven, naar een veelvoud van € 50. Op deze manier wordt voorkomen dat er bedragen ontstaan die lastig hanteerbaar zijn in de uitvoering. Voorbeelden:

  • Een geïndexeerd bedrag van € 5.763 wordt afgerond naar € 5.800.

  • Een geïndexeerd bedrag van € 6.427 wordt afgerond naar € 6.450.

Lid 4

Als de belanghebbende van mening is dat de waarde van de ANWB-koerslijst aanzienlijk afwijkt van de daadwerkelijke waarde, kan belanghebbende dit aantonen door middel van een bewijsstuk (bijvoorbeeld een aankoopfactuur of taxatierapport).

 

Artikel 7

De verlaging van 20% wordt berekend op basis van de gehuwdennorm.

 

Artikel 8

De verhoging van 20% wordt berekend op basis van de gehuwdennorm.

Naar boven