HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a.
bedrijfsschip: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, hoofdzakelijk gebruikt of bestemd voor de uitoefening van enig bedrijf of beroep, voor het bedrijfsmatig vervoer van minder dan twaalf personen, de bemanning daaronder niet begrepen, dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten;
- b.
bevoorradingsschip: een vaartuig dat voorraden naar een bepaalde plaats of ander schip brengt;
- c.
bijboot : een kleine metalen boot die roeiend of met een buitenboordmotor voortbewogen kan worden en die danwel bevestigd is aan een vaartuig bestemd voor de visserij, danwel - binnen een straal van maximaal 5 meter van dit vaartuig - ten dienste van de beroepsvisserij wordt gebruikt;
- d.
binnenschip: een bedrijfsschip ingericht voor vervoer van goederen, vloeistoffen en/of (vloeibare) gassen over binnenwater;
- e.
BPR: het Binnenvaartpolitiereglement, gebaseerd op de Scheepvaartverkeerswet.
- f.
charterschip: een vaartuig dat daadwerkelijk en aantoonbaar wordt gebruikt ten behoeve van de bedrijfsmatige chartervaart hetgeen moet blijken uit een inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel;
- g.
college: het college van burgemeester en wethouders;
- h.
havenmeester: degene die in het kader van deze verordening als zodanig door het college is aangesteld alsmede diens plaatsvervanger(s);
- i.
opleggen van een vaartuig: het voor een langere periode dan twee maanden uit de vaart nemen van een vaartuig;
- j.
passantenligplaats: een ligplaats speciaal gereserveerd voor passanten/dagrecreanten danwel een als zodanig door de havenmeester aangewezen ligplaats;
- k.
pleziervaartuig: een vaartuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor niet- bedrijfsmatige d.w.z. sportieve of recreatieve doeleinden;
- l.
rechthebbende: degene die over enige zaak of dier de beschikking heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht of daarover enige feitelijke macht uitoefent;
- m.
recreatief nachtverblijf: verblijfrecreatie in de periode 1 april tot 1 november, waarbij – maximaal drie weken aaneengesloten - wordt overnacht in een eigen vaartuig met een ligplaats in de haven, door personen die hun hoofdverblijf elders hebben;
- n.
recreatiehaven: de Westhaven, Oosthaven en Nieuwe haven in het havengebied van de gemeente Urk;
- o.
schipper: degene die, rechtens dan wel feitelijk, aan boord van een vaartuig het gezag heeft;
- p.
slops: mengsel van olierestanten en water;
- q.
vaartuig: elk drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebruikt dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer te water van personen of goederen of voor het dragen of vervoeren van al dan niet met het drijvende lichaam één geheel uitmakende voorwerpen, daaronder mede begrepen een watervliegtuig, drijvende werktuigen, zoals kranen, baggermolens, pontons of materieel van soortgelijke aard alsmede woonschepen, woonarken, glijboten en ponten;
- r.
vaste ligplaats: een ligplaats, welke krachtens een daartoe verleende vergunning gedurende de daarin bepaalde periode mag worden ingenomen
- s.
veerboot: een vaartuig die een veerdienst onderhoudt via een reguliere dienstregeling bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf personen, de bemanning daaronder niet begrepen, naar een andere locatie;
- t.
werkhaven: de Klifkade, de zuid en oostzijde van de Burgemeester schipperskade en Evertbakker kade;
- u.
woonschip: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot een als hoofdverblijf geldend dag- of nachtverblijf van één of meer personen;
- v.
zeeschip: een bedrijfsschip ingericht voor het vervoer van goederen, vloeistoffen en/of (vloeibare) gassen en geschikt is voor het vervoer over zee;
Artikel 1.2 Toepassingsgebied
- 1.
Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is deze verordening van toepassing op de havens in de gemeente Urk en alle tot de havens behorende kades en kunstwerken, alsmede op het parkeerterrein op de Burgemeester Schipperkade en de scheepshellingen, scheepsreparatiewerven en los- en laadplaatsen binnen de gemeente.
- 2.
In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, is van toepassing de geldende Algemene Plaatselijke Verordening Urk, danwel de Verordening voor de fysieke leefomgeving Urk.
Artikel 1.3 Indienen aanvraag
- 1.
Een aanvraag om een vergunning, wordt schriftelijk ingediend bij het college, tenzij anders is bepaald.
- 2.
Het college kan voor het indienen van een aanvraag om een vergunning, een formulier vaststellen.
- 3.
In een spoedeisend geval en indien het een eenmalige gedraging of een handeling van korte duur betreft, kan een aanvraag voor een vergunning mondeling worden ingediend bij het college.
Artikel 1.4 Beslissingstermijn
- 1.
Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning, binnen zes weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.
- 2.
Het college kan het nemen van een besluit voor ten hoogste zes weken verdagen.
Artikel 1.5 Schriftelijk of mondeling besluit
- 1.
Een besluit op een aanvraag geschiedt schriftelijk.
- 2.
Een besluit op een aanvraag kan mondeling geschieden indien het betrekking heeft op een spoedeisend geval, een eenmalige gedraging of een handeling van korte duur.
Artikel 1.6 Voorschriften en beperkingen
- 1.
Een vergunning kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden verleend.
- 2.
Een aanvraag om verlenging na afloop van de geldigheidsduur van een vergunning geldt als een nieuwe aanvraag om een vergunning.
- 3.
Aan een vergunning kunnen voorschriften en/of beperkingen worden verbonden ter bescherming van de belangen die ten grondslag liggen aan de betreffende bepalingen.
- 4.
De aan een vergunning verbonden voorschriften en/of beperkingen kunnen worden gewijzigd indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning moet worden aangenomen dat wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is verleend.
- 5.
Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
- 6.
Een vergunning is persoons-, ligplaats- en vaartuig gebonden. Dat wil zeggen dat bij iedere wijziging in één van deze omstandigheden een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd.
Artikel 1.7 Weigering vergunning
Een vergunning kan worden geweigerd in het geval van:
- a.
strijdigheid met het Omgevingsplan;
- b.
strijdigheid met de belangen die ten grondslag liggen aan de betrokken bepalingen;
- c.
indien de gestelde voorschriften en/of beperkingen aan de voorafgaande vergunning niet of niet volledig zijn nagekomen;
- d.
strijdigheid met een voor het betreffende gebied geldende eis van welstand.
Artikel 1.8 Intrekking of wijziging
De vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd in het geval dat:
- a.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
- b.
van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt overeenkomstig een daarin gestelde termijn of, bij gebreke van een termijn, binnen een redelijke termijn;
- c.
op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten moet worden aangenomen dan wel nodig wordt geoordeeld, dat intrekking of wijziging wordt gevorderd;
- d.
de aan de vergunning gestelde voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
- e.
strijd ontstaat met belangen die ten grondslag liggen aan de betrokken bepalingen;
- f.
de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.
Artikel 1.9 Inzage geven
De houder van een vergunning is verplicht, deze op eerste vordering van degene die is belast met de handhaving of de zorg voor de naleving van een of meer bepalingen van deze verordening, ter inzage te geven.
Artikel 1.10 Aanwijzingen
- 1.
Het college kan aanwijzingen geven in het belang van de ordening, de openbare orde, de veiligheid en het milieu, ter voorkoming van gevaar, schade of hinder.
- 2.
Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is gehouden de aanwijzing onmiddellijk op te volgen.
HOOFDSTUK 2 ORDE IN DE HAVEN
Artikel 2.1 Verkeerstekens
- 1.
Het college kan in het belang van de orde en de veiligheid tekens doen plaatsen, die zijn vermeld in het BPR, en de tekens doen voorzien van nadere aanduidingen.
- 2.
Het is verboden te handelen in strijd met een teken en daarbij behorende nadere aanduidingen, als bedoeld in het eerste lid.
- 3.
Het college kan van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 2.2 Meldingsplicht
De schipper die met zijn vaartuig, een ligplaats in de haven wenst in te nemen, dient zich, voordat hij met zijn vaartuig de haven binnenvaart bij de havenmeester te melden.
Artikel 2.3 Innemen ligplaats
- 1.
Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of zich met een vaartuig op een ligplaats te bevinden, tenzij:
- a.
toestemming is verleend door de havenmeester voor het innemen van een passantenligplaats of een ligplaats in de werkhaven;
- b.
een vergunning voor het innemen van een vaste ligplaats is verstrekt op grond van deze verordening;
- c.
dit gebeurt na toestemming van de huurder, erfpachter of eigenaar van een aan de ligplaats gelegen terrein.
- 2.
Het college kan in afwijking van het eerste lid onder c. het nemen of houden van ligplaats verbieden uit het oogpunt van orde, veiligheid of milieu.
- 3.
De havenmeester kan de – op grond van lid 1 onder a - verleende toestemming intrekken, indien zijn aanwijzingen of de bepalingen van deze Verordening niet zijn of worden nagekomen.
- 4.
Indien op grond van dit artikel geen ligplaats met een vaartuig mag worden ingenomen, dient de schipper, op eerste verzoek van de havenmeester, direct het vaartuig uit de haven te verwijderen.
Artikel 2.4 Havengeld
- 1.
Iedere innemer van een ligplaats is op grond van de Havengeldverordening havengeld verschuldigd.
- 2.
Het is verboden ligplaats in te nemen en/of ingenomen te houden indien het eerder verschuldigde havengeld of andere vorderingen met betrekking tot het havengeld niet zijn voldaan.
- 3.
De ontvangstbewijzen, bedoeld in artikel 9 van de Havengeldverordening moeten aan boord van het vaartuig aanwezig zijn en gedurende het tijdvak waarop de betaling betrekking heeft door of vanwege de belastingschuldige op eerste aanvraag van de met de inning van het havengeld of controle daarop belaste ambtenaar aan deze ter inzage worden verstrekt.
- 4.
Niet voldoen aan het voorschrift van lid 3 wordt gelijkgesteld met het niet betaald hebben van het havengeld.
Artikel 2.5 Vaste ligplaatsen pleziervaartuigen
- 1.
Voor pleziervaartuigen kunnen individuele abonnementen voor vaste ligplaatsen worden afgesloten, die recht geven op een jaarplaats.
- 2.
Een vaste ligplaatshouder is verplicht een tijdelijke afwezigheid van het vaartuig vooraf te melden aan de havenmeester. De havenmeester is bevoegd de vrije ligplaats gedurende de afwezigheid van het vaartuig door anderen in te laten nemen.
- 3.
Is een vaste ligplaats langer dan 24 uur onbezet zonder dat dit aan de havenmeester is gemeld, dan is de havenmeester bevoegd deze ligplaats door een ander vaartuig te laten innemen totdat de vaste ligplaatshouder zich weer meldt.
- 4.
Het is de vaste ligplaatshouder verboden de ligplaats aan derden onder te verhuren of in gebruik af te staan.
- 5.
Indien uit het oogpunt van de orde in de haven en/of een andere ligplaats passender is voor het betreffende vaartuig, is de havenmeester bevoegd om een vaste ligplaatshouder te verplaatsen naar een geschiktere ligplaats.
Artikel 2.6 Gebruik van een ligplaats voor bijzondere doeleinden
- 1.
Het is zonder vergunning van het college verboden:
- a.
met een veerboot ligplaats in te nemen;
- b.
een vaartuig als opslagplaats, bedrijfsruimte, horecabedrijf, werkplaats of voor handelsdoeleinden te gebruiken;
- c.
rondvaarten en/of toertochten te (laten) maken vanuit de haven;
- d.
een vaartuig te verhuren voor de pleziervaart of de sportvisserij;
- 2.
De vergunning als bedoeld in lid 1 kan alleen worden verleend indien de uit te oefenen werkzaamheden of activiteiten watergebonden zijn of wanneer het gaat om de aan- of afvoer van materialen over water en de vereiste vergunningen voor het uitoefenen van die werkzaamheden of activiteiten zijn verleend.
- 3.
In bijzondere gevallen kan het college afwijken van het gestelde in het tweede lid.
- 4.
Het college kan voorts in afwijking van het tweede lid vergunning verlenen voor incidentele sociaal-culturele activiteiten die een korte periode duren.
- 5.
Het college kan de vergunning weigeren in het belang van ordening, openbare orde, veiligheid en milieu.
- 6.
Het college kan, gelet op de in vijfde lid genoemde belangen, een maximum bepalen van het aantal af te geven vergunningen.
Artikel 2.7 Opgelegde vaartuigen
Het is verboden zonder vergunning van het college een vaartuig in de havens op te leggen.
Artikel 2.8 Woonschepen
- 1.
Het is verboden met een woonschip ligplaats in te nemen of te hebben in de haven.
- 2.
Het college kan voor een periode van maximaal zes weken van het bepaalde in het eerste lid onder voorwaarden ontheffing verlenen indien sprake is van het afbouwen van nieuwe woonschepen.
Artikel 2.9 Nachtverblijf op vaartuigen
- 1.
Op een pleziervaartuig is slechts recreatief nachtgebruik toegestaan gedurende de periode van 1 april tot 1 november, voor een aaneengesloten periode van maximaal 3 weken.
- 2.
Het is zonder vergunning van het college verboden een vaartuig, dat geen woonschip is, permanent als woon- en nachtverblijf te gebruiken.
- 3.
Het in het tweede lid vervatte verbod omvat niet het verblijf op charterschepen, bedrijfsschepen, binnenschepen en zeeschepen, die daadwerkelijk als zodanig worden gebruikt.
- 4.
Het college kan nadere eisen stellen aan het feitelijk gebruik van de vaartuigen genoemd in lid 3.
- 5.
De eigenaren van de vaartuigen genoemd in lid 3 zijn verplicht om op verzoek van het college aan te tonen dat het vaartuig daadwerkelijk als charterschip, bedrijfsschip, binnenschip en zeeschip gebruikt wordt.
- 6.
Het is verboden om een vaartuig - op een ligplaats in de haven als bedoeld in artikel 2.3 - aan een derde als nachtverblijf (al dan niet via Airbnb) aan te bieden of te laten gebruiken.
Artikel 2.10 Verbod tot het innemen van een ligplaats of tot verblijf in de haven
- 1.
Het college kan de schipper een verbod opleggen om met zijn vaartuig de haven binnen te varen, een ligplaats in te nemen of in de haven op een ligplaats te verblijven, indien het vaartuig gevaar, schade, hinder of nadelige gevolgen voor het milieu met zich meebrengt of met zich kan meebrengen.
- 2.
Het college kan de schipper een verbod opleggen om met zijn vaartuig een ligplaats in te nemen of in de haven op een ligplaats te verblijven, indien het vaartuig in een dusdanig verwaarloosde toestand of uiterlijke verschijning heeft dat het nadelige gevolgen met zich meebrengt voor het aanzien van de haven.
- 3.
De verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid worden opgelegd nadat is gebleken dat er geen uitvoering is gegeven aan maatregelen die in de onderhavige gevallen door het college kunnen worden opgelegd of indien geen maatregelen mogelijk zijn ter voorkoming van de ongewenste situatie.
- 4.
De verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid worden aan de schipper eerst mondeling medegedeeld en bij het geen gevolg geven aan het verbod, schriftelijk medegedeeld.
- 5.
Om de in lid 1 en 2 genoemde situaties te beëindigen, kan de havenmeester het vaartuig laten wegslepen of andere noodzakelijke maatregelen nemen op kosten van de eigenaar van het vaartuig
- 6.
Afgezien van de hiervoor genoemde verboden tot het innemen van een ligplaats, is de havenmeester bevoegd om een vaartuig de toegang tot de haven te ontzeggen, wanneer er - naar het oordeel van de havenmeester – geen geschikte plaats beschikbaar is in de haven om het vaartuig aan te leggen.
Artikel 2.11 Aanbrengen voorwerpen of inrichtingen
- 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college meerpalen, meerboeien, steigers, buizen, kabels, hijsbalken, laadbruggen of dergelijke voorwerpen of inrichtingen in of boven de haven te hebben, aan te brengen, te leggen of te plaatsen.
- 2.
Het is verboden zonder vergunning van het college palen, balken, planken, trossen, draden, kettingen of andere dergelijke voorwerpen in of boven de haven en/of aan of op de steigers aan te brengen, te leggen of te plaatsen.
- 3.
Het verbod in het tweede lid geldt niet voor toegangsmiddelen tot een vaartuig en voor trossen, draden of kettingen welke dienen voor het afmeren of slepen van vaartuigen.
- 4.
Het is verboden om losse materialen op de steiger of kade achter te laten bij vertrek uit de haven. De kosten voor het verwijderen en/of afvoeren van de achtergelaten materialen worden in rekening gebracht bij de verantwoordelijke.
Artikel 2.12 Vaarsnelheid
- 1.
Het is verboden met een vaartuig in de haven te varen met een snelheid van meer dan 6 kilometer per uur.
- 2.
Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen.
Artikel 2.13 Vaargedrag
- 1.
Het is verboden met een vaartuig in de haven op zodanige wijze te varen dat met dat vaartuig dan wel door de golfslag of zuiging daarvan gevaar, schade of hinder voor andere vaartuigen wordt veroorzaakt.
- 2.
Het is verboden om een schip in de haven te varen, indien het sturen niet wordt verricht door een daartoe bekwaam persoon – zoals nader geregeld in het Binnenvaartpolitiereglement (BPR).
- 3.
Overeenkomstig hetgeen is bepaald in het BPR, mag een open motorboot - welke niet sneller kan dan 13 km/u en korter is dan 7 meter - niet worden bestuurd door iemand jonger dan 12 jaar.
Artikel 2.14 Overlast van schepen
- 1.
Het is verboden met of op een vaartuig overlast of hinder te veroorzaken dan wel op een andere wijze de openbare orde te verstoren.
- 2.
De schipper is verplicht er voor zorg te dragen dat geen onderdelen van het vaartuig of andere voorwerpen buiten boord steken, zodanig dat daardoor gevaar of hinder kan ontstaan.
Artikel 2.15 Overlast aan schepen
- 1.
Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.
- 2.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan openbaar water, los te maken.
Artikel 2.16 Bereikbaarheid van vaartuigen
- 1.
Het is verboden de toegang tot een vaartuig te blokkeren.
- 2.
De schipper van een gemeerd vaartuig is verplicht er voor zorg te dragen dat het vaartuig te allen tijde vlot en tijdig kan worden betreden en verlaten.
Artikel 2.17 Verhalen vaartuig
- 1.
De schipper dan wel de rechthebbende op een vaartuig is verplicht het vaartuig – binnen een door het college gestelde termijn - naar elders te verhalen indien dit naar het oordeel van het college in het belang van ordening, openbare orde, veiligheid, milieu of in het belang van werkzaamheden aan gemeentelijke eigendommen noodzakelijk is.
- 2.
Het college kan het in het eerste lid bedoelde vaartuig op kosten van de schipper of rechthebbende verhalen indien de havenmeester dit noodzakelijk acht, dan wel de schipper of rechthebbende onbekend is.
Artikel 2.18 Verbod gebruik van sloten
Het is niet toegestaan om zonder vergunning van het college een afgemeerd vaartuig vast te leggen met sloten.
Artikel 2.19 Geluidsoverlast
- 1.
Het is verboden om aan boord van een vaartuig voortstuwingsinstallaties, motoren, aggregaten, geluidsapparatuur of andere toestellen of installaties in werking te hebben of werkzaamheden of activiteiten te verrichten in strijd met de geluids- en trillingsvoorschriften van het omgevingsplan of andere regelgeving.
- 2.
In afwijking van het bepaalde in lid 1, geldt voor het in werking hebben van toestellen of installaties of werkzaamheden die plaats vinden binnen het gezoneerd industrieterrein zoals bepaald in het omgevingsplan dat hiervoor het cumulatieve geluidsniveau van het industrieterrein de geluidszone zoals bepaald in het omgevingsplan niet wordt overschreden.
- 3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op het (laten) verrichten van werkzaamheden bij een bedrijf of een inrichting die voor die werkzaamheden beschikt over een vergunning op grond van de Omgevingswet danwel de Wet milieubeheer.
- 4.
Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op geluidsversterkers, voor zover deze gebruikt worden voor het veilig manoeuvreren van vaartuigen.
Artikel 2.20 Energiebronnen
- 1.
Het is verboden om aggregaten te gebruiken voor het opwekken van energie.
- 2.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod, indien ter plaatse van de aangewezen ligplaats geen of onvoldoende walvoorzieningen zijn aangebracht voor het verkrijgen van de benodigde energie.
- 3.
Het gebruik van walstroom is voor eigen verantwoording en risico.
Artikel 2.21 Langszij gemeerde vaartuigen
De schipper van een vaartuig, dat langszij een ander vaartuig gemeerd ligt, is verplicht het andere vaartuig, indien de schipper daarvan dit wenst, gelegenheid te geven te ontmeren en te vertrekken.
Artikel 2.22 Uitstekende delen
- 1.
De schipper is verplicht in de havens ervoor zorg te dragen dat laadbomen, tuig en andere uitstekende delen niet buiten dat vaartuig uitsteken en goed zijn vastgezet zodat de kade en/of de steigers niet worden geblokkeerd.
- 2.
De schipper van een schip, gelegen in een steigerbox, dient ervoor te zorgen dat onderdelen niet uitsteken buiten de achterpaal van die box. Dit ter voorkoming van schade aan derden.
HOOFDSTUK 3 GEBRUIK VAN DE HAVEN
Artikel 3.1 Gebruik van ankers
- 1.
Het is de schipper verboden om zonder vergunning van het college:
- a.
een anker te gebruiken om een vaartuig te stoppen;
- b.
ten anker te gaan of te gaan liggen.
- 2.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voor een vaartuig:
- a.
ter voorkoming van aanvaring of aandrijving;
- b.
dat zich verplaatst op een ligplaats of dat een manoeuvre uitvoert.
Artikel 3.2 Opslag goederen op kade of steigers
Het is verboden zonder vergunning van het college enige zaak op te slaan op de kade of de steigers.
Artikel 3.3 Los- en laadinrichtingen
Het is verboden zonder vergunning van het college los- en laadinrichtingen op de kade te hebben of in gebruik te nemen.
Artikel 3.4 Vissen
- 1.
Vissen in de havens is uitsluitend toegestaan met een hengel en van 8:00 tot 18:00 uur.
- 2.
Het is verboden te vissen in de havens vanaf de drijvende steigers en de daaraan afgemeerde boten.
Artikel 3.5 Leefnetten
Het is verboden om in de havens en tussen de IJsselmeersteigers leefnetten te gebruiken waarin (levende) vissen worden bewaard.
Artikel 3.6 Zwemverbod
- 1.
Het is verboden om in de havens recreatief of in wedstrijdverband te zwemmen.
- 2.
Het college kan toestemming verlenen op (in afwijking van) het in lid 1 genoemde verbod, in geval van georganiseerde evenementen.
Artikel 3.7 Duiken en dreggen
Behoudens vergunning van het college is het verboden, al dan niet bij wijze van beroep of bedrijf, te duiken en met enigerlei middel naar zich onder het wateroppervlak bevindende voorwerpen te zoeken of deze op te dreggen.
Artikel 3.8 Zeilplanken, waterjetski en waterskies
- 1.
Het is verboden in de haven te varen met een zeilplank, supboard, waterscooter of een waterjetski.
- 2.
Het is verboden in de haven een waterski voort te bewegen dan wel zich op waterskies te bewegen of te doen voortbewegen.
- 3.
Het in het eerste lid gestelde is niet van toepassing voor de werkhaven mits het betreft het direct vertrekken via de kortst mogelijke route uit of het binnenkomen van de haven, tevens via de kortst mogelijke route vanaf de boothelling danwel varend naar de boothelling.
Artikel 3.9 Zeilen in de haven
Het is verboden in de haven een vaartuig door middel van zijn zeil voort te bewegen, tenzij toestemming van de havenmeester is verkregen.
Artikel 3.10 Varen in de haven
Het is verboden in de haven te varen anders dan voor het direct meren of vertrekken of het rechtstreeks varen naar een aangrenzend vaarwater.
Artikel 3.11 Verbod vuur te stoken
- 1.
Het is verboden in de openlucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben, danwel vuurwerk af te steken.
- 2.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover:
- a.
op de Omgevingswet of Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn
- b.
de provinciale Omgevingsverordening van toepassing is;
- c.
artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, Wetboek van strafrecht van toepassing is.
- 3.
De havenmeester kan toestemming verlenen voor verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, of vuur voor koken, bakken, braden en barbecueën, indien dat ter beoordeling van de havenmeester geen gevaar oplevert voor de omgeving.
Artikel 3.12 Verbod ijs te breken
- 1.
Het is verboden ijs te breken in een haven of langs een steiger, kade, laad- en losplaats.
- 2.
Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor:
- a.
de schipper van een vaartuig die rond zijn eigen vaartuig het ijs losmaakt;
- b.
diegene die handelt in opdracht of met toestemming van de havenmeester.
Artikel 3.13 Schade aan eigendommen van de gemeente
De schipper, die schade veroorzaakt aan gemeente-eigendommen, is verplicht met de havenmeester een schaderegeling te treffen voordat hij zijn reis vervolgt.
HOOFDSTUK 4 VEILIGHEID EN MILIEU IN DE HAVEN
Artikel 4.1 Verbouwings-, herstel-, onderhouds- en sloopwerkzaamheden
- 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college op of aan de kaden dan wel in, op of aan het openbaar water verbouwings-, herstel-, onderhouds- of sloopwerkzaamheden te (laten) verrichten.
- 2.
Het is verboden werkzaamheden uit te voeren op plaatsen van waar de bij de werkzaamheden te gebruiken of vrijkomende stoffen rechtstreeks in het openbaar water terecht kunnen komen.
- 3.
Het is verboden op of aan de kaden dan wel in, op of aan het openbaar water vaartuigen te zandstralen.
- 4.
Een op de kade geplaatste container – voor de in dit artikel genoemde werkzaamheden – moet dicht zijn en afgesloten kunnen worden, om openen door wind of onbevoegde derden te voorkomen.
- 5.
Het college weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien door het stellen van voorwaarden niet kan worden tegemoetgekomen aan te verwachten gevaar, schade of hinder.
- 6.
Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op het (laten) verrichten van werkzaamheden bij een bedrijf of inrichting die voor het uitvoeren van de werkzaamheden beschikt over een vergunning op grond van de Wet milieubeheer.
- 7.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het in eigen beheer uitvoeren van reparaties van geringe omvang.
Artikel 4.2 Vrijkomen van stoffen en dergelijke
Zowel de schipper van een vaartuig als de exploitant van een aan de havens gelegen terrein is verplicht:
- a.
zodanige maatregelen te nemen, dat het te water geraken van vloeistoffen (niet zijnde water en huishoudelijk afvalwater), voorwerpen of zelfstandigheden wordt voorkomen;
- b.
onmiddellijk na het te water geraken van het onder a genoemde daarvan kennis te geven aan de havenmeester en er zorg voor te dragen, dat deze vloeistoffen, voorwerpen of zelfstandigheden onmiddellijk of, bij gebreke van dien, binnen de door het college te bepalen tijd uit de haven wordt verwijderd.
Artikel 4.3 Vervoeren, laden en lossen
- 1.
Het is verboden te laden of te lossen in de haven, indien dit naar het oordeel van de havenmeester een gevaar zou kunnen opleveren voor de scheepvaart of personen, of schade kan veroorzaken aan de oevers, kaden, werken, eigendommen van derden en inrichtingen van welke aard ook.
- 2.
De havenmeester kan het laden en lossen stil leggen indien dit gevaar kan opleveren voor de scheepvaart of personen, of schade kan veroorzaken aan de oevers, kaden, werken, eigendommen van derden en inrichtingen van welke aard ook.
- 3.
Het is verboden, stoffen en of voorwerpen op of aan de kaden of op of aan het openbaar water te vervoeren dan wel te laden of te lossen, te hijsen of te vieren zonder voldoende voorzieningen te hebben getroffen om te voorkomen dat de lucht, het water of de kaden worden verontreinigd als gevolg van morsen, verliezen of stuiven.
- 4.
Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover milieu- of veiligheidswetgeving daarin voorziet.
- 5.
De schipper is verplicht in het water gekomen goederen te verwijderen, zulks ten genoegen van het college.
Artikel 4.4 Reinigen van openbare kaden, terreinen en wegen
Gebruikers van de openbare kaden, terreinen en wegen in het havengebied zijn verplicht erop toe te zien dat, indien ten gevolge van door hen of op hun last verrichte werk terreinen of wegen na afloop van de werkzaamheden achterblijven, of indien die werkzaamheden langer dan een dag duren, die kaden, terreinen of wegen tenminste eenmaal per dag behoorlijk te reinigen.
Artikel 4.5 Afvalinzameling
Onverlet het bepaalde in de Algemene Plaatselijke Verordening is het verboden zich van huishoudelijke afvalstoffen en grof huisvuil afkomstig van een in de haven liggend vaartuig te ontdoen anders dan door gebruikmaking van de daartoe bij de havens geplaatste en als zodanig aangewezen afsluitbare afvalcontainers. Oliehoudend afval en klein gevaarlijk afval dient te worden ingeleverd bij de daartoe in het Havenafvalplan aangewezen bedrijven.
Artikel 4.6 Bunkeren en slopafgifte
Het is verboden brandstof, smeermiddelen dan wel slops over te slaan of over te laden indien een schip niet behoorlijk is gemeerd of ten anker ligt.
Artikel 4.7 Olie tanken
- 1.
In de recreatiehaven is het verboden om olie te tanken vanuit een bevoorradingsschip of een auto die op de wal staat.
- 2.
Schippers die olie willen tanken dienen zich te melden bij de oliesteiger.
- 3.
De havenmeester kan het in lid 1 genoemde in bijzondere gevallen ontheffing verlenen.
Artikel 4.8 Olietanks schoonmaken en overpompen
- 1.
Het is in de recreatie- en werkhaven verboden om olietanks te zeven en/of schoon te maken.
- 2.
Het is verboden om in de recreatiehaven olie en/of benzine over te pompen.
- 3.
Het genoemde in lid 2 is toegestaan in de werkhaven, wanneer dit door een gecertificeerd bedrijf gebeurt met voorafgaande toestemming van de havenmeester.
HOOFDSTUK 5 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 5.1 Aanwijzing
- 1.
Met toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening en het BPR is de havenmeester belast.
- 2.
Voorts zijn met het toezicht op naleving van het bij of krachtens deze verordening en het BPR belast de door het college aangewezen personen.
Artikel 5.2 Binnentreden als woning ingerichte gedeelte
Zij die zijn belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften zijn, indien de zorg voor de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde dit vereist, bevoegd om het als woning ingerichte gedeelte van een vaartuig te betreden zonder toestemming van de schipper en andere (bemannings)leden.
Artikel 5.3 Strafbepaling
Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Artikel 5.4 Bestuurlijke boete
Het college kan een overtreding van een verbod, bedoeld in de artikelen 2.3 en 2.10 van deze verordening beboeten door een bestuurlijke boete op te leggen.
Artikel 5.5 Ontzegging toegang havens
Indien na overtreding van een verbod als bedoeld in de artikelen 2.10, 2.12, 2.13, 2.14, 2.15, 2.16, 2.20, 3.7, 3.8, 4.1 en 4.2 naar het oordeel van het college ernstige vrees bestaat dat de veiligheid in de haven door de overtreder(s) opnieuw zou kunnen worden verstoord, kunnen zij de overtreder(s) met zijn (hun) vaartuig, respectievelijk de schipper met het vaartuig waarop de overtreding plaatsvond voor maximaal 12 maanden de toegang tot de haven of een deel van de haven ontzeggen.
Artikel 5.6 Overgangsbepaling
- 1.
Vergunningen die zijn verleend onder de werking van de Havenverordening Urk 2009 en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van de onderhavige verordening worden aangemerkt als vergunningen krachtens deze verordening.
- 2.
Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige verordening een aanvraag om een vergunning van de Havenverordening Urk 2009 is ingediend en waarop nog niet is beslist, wordt daarop conform de onderhavige verordening beslist.
Artikel 5.7 Intrekking voorgaande verordening
De Havenverordening Urk, vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 14 december 2017, wordt ingetrokken
Artikel 5.8 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de achtste dag nadat zij op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 5.9 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als “Havenverordening Urk 2026”.