Verordening financieel beleid, beheer en organisatie versie 2023 (artikel 212 Gemeentewet)

Besluit van de raad van de gemeente Veendam tot vaststelling van de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) Verordening 212 versie 2023, financieel beleid, beheer en organisatie.

 

De raad van de gemeente Veendam;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 september 2023;

gelet op artikel 212, eerste lid, van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

 

Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) Verordening 212 versie 2023, financieel beleid, beheer en organisatie.

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

  • overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.

  • rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheerhandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.

 

 

Paragraaf 2. Begroting en verantwoording

 

Artikel 2. Vaststelling programma-indeling en paragrafen

  • 1.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

  • 2.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van burgemeester en wethouders per programma vast:

    • a.

      de taakvelden, en

    • b.

      de beleidsindicatoren. Het voorstel van burgemeester en wethouders bevat in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 3.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een nadere onderverdeling van de programma’s vast.

  • 4.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

 

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt:

    • a.

      van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het investeringskrediet in het lopende boekjaar weergegeven, en

    • b.

      in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

  • 2.

    In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

  • 3.

    In het overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten per programma worden posten vanaf € 100.000,-afzonderlijk gespecificeerd.

 

 

 

Artikel 4. Kaders begroting en meerjarenraming

  • 1.

    Burgemeester en wethouders bieden aan de raad een nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota vast.

  • 2.

    In de begroting wordt een post onvoorzien van opgenomen.

 

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de raad een activiteit welke onderdeel is van een programma, als prioriteit aanwijzen en daarvoor de baten en lasten apart autoriseren.

  • 3.

    Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringskredieten worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

  • 4.

    Burgemeester en wethouders informeren de raad als zij verwachten, dat de lasten van een programma of een prioriteit de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden, of de baten van een programma of een prioriteit de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. De raad geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het programma of de prioriteit, voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet, of voor het bijstellen van het beleid.

  • 5.

    Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad bedoeld in artikel 6, eerste lid, doen burgemeester en wethouders voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doen burgemeester en wethouders indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.

  • 6.

    Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, leggen burgemeester en wethouders voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.

 

Artikel 6. Tussentijdse rapportages

  • 1.

    Burgemeester en wethouders informeren de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over het lopende boekjaar.

  • 2.

    De tussentijdse rapportages bevatten in ieder geval een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van:

    • a.

      de baten en de lasten per programma uitgesplitst naar taakvelden;

    • b.

      het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen uitgesplitst naar taakvelden;

    • c.

      het overzicht van de overhead en de geraamde vennootschapsbelasting;

    • d.

      het totale saldo van de baten en lasten, volgend uit de onderdelen a, b en c;

    • e.

      de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma;

    • f.

      het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e;

    • g.

      de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten,

    • h.

      overige ter zake doende posten

 

Artikel 7. Jaarstukken

  • 1.

    Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken bieden burgemeester en wethouders de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat.

  • 2.

    Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kunnen burgemeester en wethouders de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar.

  • 3.

    In de jaarstukken worden afwijkingen op de ramingen van de baten en lasten van taakvelden en prioriteiten groter dan 10% toegelicht.

 

 

Artikel 8. Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen

  • 1.

    In het kader van de actieve informatieplicht beslissen burgemeester en wethouders niet over:

    • a.

      de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 1.000.000,-;

    • b.

      het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 250.000,-, en

    • c.

      het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen,

  • dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van burgemeester en wethouders te brengen.

 

 

 

Artikel 9. EMU-saldo

Als het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeren burgemeester en wethouders de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als burgemeester en wethouders een aanpassing nodig achten, doen burgemeester en wethouders een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

 

 

Paragraaf 3. Rechtmatigheidsverantwoording

 

Artikel 10. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1.

    De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid.

  • 2.

    In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteren burgemeester en wethouders aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 3% van de totale lasten van de gemeente, inclusief de dotaties aan de reserves.

  • 3.

    In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) nader toegelicht.

 

Artikel 11. Voorwaardencriterium

  • 1.

    Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheerhandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijkster vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheerhandelingen kunnen voortvloeien. Burgemeester en wethouders operationaliseren dit normenkader in een toetsingskader ten behoeve van de interne beheersing.

 

Artikel 12 Begrotingscriterium

  • 1.

    Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheerhandelingen tot stand moeten zijn gekomen;

  • 2.

    De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.

  • 3.

    Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

  • 4.

    Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:

    • a.

      Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren.

    • b.

      Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling.

    • c.

      De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage .

  • 5.

    Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.

 

Artikel 13 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1.

    Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheerhandelingen.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders zorgen voor en leggen vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

 

Paragraaf 4. Financieel beleid

 

Artikel 14. Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1.

    Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de Bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening.

    Onderstaand het geldende Activabeleid:

 

Activabeleid gemeente Veendam

Aanleiding

De gemeente Veendam heeft de afgelopen jaren de materiële vaste activa verwerkt in overeenstemming met de individuele financiële verordeningen (verordening ex artikel 212 van de Gemeentewet) en de regelgeving voortvloeiend uit het Besluit Begroting en Verantwoording (hierna BBV).

 

Dit Activabeleid zal vanaf 2023 onlosmakelijk deel uitmaken van de Verordening 212 en zal hierin worden opgenomen.

 

Uitgangspunten

Bij het opstellen van het activabeleid zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd;

  • Helder en transparant

  • Pragmatisch

  • Werkbaar, adequaat

  • Zoveel als mogelijk uniform

  • Aangepast op detail waar het echt niet anders kan

 

Kernpunten uit het BBV waar het gaat om activa

Gezien de strikte activeringscriteria zal in de praktijk nauwelijks sprake zijn van immateriële vaste activa of financiële vaste activa in de vorm van bijdragen aan activa in eigendom van derden.

De maximale afschrijvingstermijn van immateriële vaste activa is 5 jaar.

Materiële vaste activa worden onderscheiden, naar economisch nut (indien de investeringen verhandelbaar zijn of bijdragen aan het genereren van middelen) en maatschappelijk nut in de openbare ruimte (overige investeringen).

Alle investeringen moeten worden geactiveerd en worden gewaardeerd op de verkrijgingprijs of vervaardigingprijs minus bijdragen van derden.

Op investeringen (met uitzondering van gronden en terreinen) wordt resultaatonafhankelijk afgeschreven op basis van de verwachte economische levensduur.

Bij een duurzame waardevermindering wordt de waarde van het actief aangepast.

 

Eigen beleid

(Uitgaven kleiner dan € 15.000 worden niet geactiveerd. Deze uitgaven worden ineens ten laste van de exploitatie gebracht.(Met uitzondering van grond en terreinen.)

Kosten van onderhoud niet activeren (en afschrijven), maar ten laste van de exploitatiebudgetten voor onderhoud brengen.

Met ingang van 1 januari 2023 (ongewijzigd ten opzichte van voorgaande nota) de uniforme afschrijvingstermijnen te hanteren zoals opgenomen in de onderstaande tabel.

Niet toestaan om afzonderlijke investeringen onderling te compenseren. Hiervoor is goedkeuring van de gemeenteraad c.q. het algemeen bestuur *noodzakelijk.

De afschrijving start op 1 januari in het jaar na ingebruikname van een actief. Dit betekent dat er niet wordt afgeschreven in het jaar van aanschaf. Dit geldt ook voor de rentelasten.

De restwaardes van alle activa op “nihil” stellen.

 

Bovengenoemd beleid moet leiden tot een transparant en éénduidig beeld en tot een vermindering van de onderbenutting van kapitaallasten op investeringen. Daarnaast moet worden voorkomen dat een ‘stuwmeer’ van investeringen ontstaat.

 

Inleiding

Het activabeleid heeft een grote invloed op de jaarlijkse exploitatie en de vermogenspositie;

De nota activabeleid is een instrument dat zorg draagt voor het eenduidig behandelen van gemeentelijke investeringen. Het belang van de nota is gelegen in het feit om zowel voor het bestuur als de ambtelijke organisatie een transparant en adequaat activabeleid op basis van objectieve grondslagen vast te stellen.

 

Een transparant en adequaat activabeleid vormt één van de pijlers voor het bepalen van de financiële positie en het financiële vermogen van de gemeente. Daarmee dient een transparant activabeleid niet alleen een boekhoudkundig, maar ook een bestuurlijk belang. De nota bakent de formele kaders af waarbinnen het college en de ambtelijke organisatie dienen om te gaan met investeringen en afschrijvingen en vervult een ondersteunende rol bij de totstandkoming van de jaarrekening en de begroting.

 

Kort samengevat dient de nota bij te dragen tot:

Een eenduidige verwerking van investeringen en afschrijvingen.

Tot het minimum beperken van onderschrijding.

Het maken van afspraken over de te volgen procedure om investeringen uit te voeren.

Het verkrijgen van inzicht in het verloop van investeringen.

Tot het minimum beperken van grote schommelingen in de afschrijvingskosten.

 

Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op het theoretisch kader, het juridisch kader en wordt ingegaan op enkele procedurele zaken bij de aanvraag, uitvoering en afsluiting van investeringen en kredieten. Tot slot is een tabel opgenomen met de te hanteren afschrijvingstermijnen.

 

Definities

Voor het realiseren van de beleidsdoelen zijn investeringen nodig. Van een investering is sprake als het gaat om een uitgave waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Om een goed beeld te krijgen van het beleidsveld, wordt een aantal kernbegrippen beschreven.

 

Investeringen

Het aanschaffen of zelf produceren van bedrijfsmiddelen. De bedrijfsmiddelen worden meerjarig gebruikt.

 

Activeren

Het opnemen van investeringen op de balans.

 

 

Restwaarde

De restwaarde is de ingeschatte waarde aan het eind van de gebruikstermijn. Het vertegenwoordigt de opbrengstwaarde die na de gebruikstermijn nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering, verplaatsing of vernietiging van het actief.

 

Afschrijven

Afschrijven is het boekhoudkundig laten zien dat de waarde van het bedrijfsmiddel in de loop van de tijd afneemt. De waarde afname wordt veroorzaakt door technische slijtage en/of economische veroudering. Het af te schrijven bedrag hangt af van de economische levensduur van de investering. De gebruiksduur bepaalt de afschrijvingstermijn en dus ook de hoogte van de afschrijvingslasten.

 

Kapitaallasten

Kapitaallasten zijn de jaarlijks terugkerende lasten die samenhangen met investeringen. De kapitaallasten bestaan uit afschrijving en rente. De door de vaste activa veroorzaakte lasten vormen een belangrijke kostenpost binnen de begroting.

De omvang van de kapitaallasten wordt bepaald door;

De hoogte van de investeringen.

De afschrijvingstermijn en de afschrijvingsmethode.

De (eventuele) restwaarde van de investeringen.

De rentekosten (afhankelijk van rente-omslagpercentage en boekwaarde).

Onderschrijding

Van onderschrijding bij kapitaallasten is sprake wanneer een gedeelte van de kapitaallasten in enig jaar niet is uitgegeven. Onderschrijding ontstaat door het niet uitvoeren van begrote investeringen in enig jaar.

Componentenbenadering

De componentenbenadering wil zeggen dat samenstellende delen van een materieel vast actief zoveel mogelijk afzonderlijk verantwoord wordt in de boekhouding. De afschrijving vindt plaats afhankelijk van de verwachte levensduur van het component.

Juridisch kader

De gemeenteraad van de Veendam heeft in 2013 de verordening artikel 212 van de Gemeentewet vastgesteld. In artikel 8 Waardering en afschrijving vaste activa, is het volgende opgenomen:

 

Artikel 8 Waardering en afschrijving vaste activa

Het college van B&W biedt de gemeenteraad een nota activabeleid aan. De gemeenteraad stelt deze vast. Deze nota behandelt in ieder geval:

hoe waardering van activa plaatsvindt;

welke afschrijvingsmethodiek wordt gehanteerd;

welke afschrijvingstermijnen worden gehanteerd

Activabeleid en het BBV

De artikelen 31 tot en met 35 van het BBV gaan nader in op de activa. Als gevolg van het doen van investeringen ontstaan bezittingen, ofwel de vaste activa. Vaste activa worden naar hun aard onderscheiden in drie soorten.

 

Immateriële vaste activa

Dit zijn die vaste activa die niet stoffelijk van aard zijn, niet onder de financiële vaste activa worden begrepen en niet kunnen worden aangemerkt als ongedekte tekorten. De immateriële vaste activa worden niet meer geactiveerd, behalve de kosten van het sluiten van geldleningen en de kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief. De kosten van onderzoek mogen volgens het BBV alleen worden geactiveerd wanneer het voornemen bestaat:

Om het actief te gebruiken/te verkopen.

De technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat.

Het actief zal in de toekomst economisch of maatschappelijk nut genereren.

De uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.

 

In de praktijk komt bovenstaande erop neer dat er slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn van een immaterieel vast actief.

 

Materiële vaste activa

Dit zijn investeringen met een meerjarig economisch nut of maatschappelijk nut in de openbare ruimte. Een uitzondering op deze regel vormen de kunstvoorwerpen met cultuurhistorische waarde. Deze investeringen worden niet geactiveerd. De groep van materiële vaste activa dient in de toelichting op de balans te worden onderverdeeld in:

 

Gronden en terreinen.

Woonruimten.

Bedrijfsgebouwen.

Groen- Grond-, weg en waterbouwkundige werken.

Vervoermiddelen.

Machines, apparaten en installaties.

Overige materiële vaste activa.

 

Om de administratieve lasten te beperken sluiten de categorieën van activa ten behoeve van de verschillende afschrijvingstermijnen zo dicht mogelijk bij bovenstaande indeling aan.

Investeringen met een meerjarig maatschappelijk nut, maar geen economisch nut, mits gedaan in de openbare ruimte, mogen worden geactiveerd. (art 59 lid 4 BBV)

Uitsluitend op investeringen met maatschappelijk nut mogen reserves in mindering worden gebracht. Op beide type investeringen dienen de bijdragen van derden die direct betrekking hebben op de investering in mindering te worden gebracht volgens de bruto methode.

 

Financiële vaste activa

Zijn activa die een financiële waarde vertegenwoordigen. De financiële vaste activa worden onderverdeeld in:

kapitaalverstrekkingen aan:

deelnemingen;

gemeenschappelijke regelingen.

leningen aan:

- woningbouwcorporaties;

- deelnemingen;

- overige verbonden partijen;

overige langlopende leningen;

overige uitzettingen met een rente typische looptijd van één jaar of langer;

bijdragen aan activa in eigendom van derden.

 

De bijdragen aan activa in eigendom van derden (bijvoorbeeld subsidiëring van een tribune van een vereniging), worden in het BBV aangemerkt als financiële vaste activa. Indien men bijdragen aan derden wil activeren dan moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

 

er is sprake van een investering door een derde;

de investering bijdraagt aan de publieke taak van de gemeente;

deze derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals beoogd door de gemeente;

de gemeente de bijdrage kan terugvorderen indien de derde in gebreken blijft of anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.

 

In de praktijk komt het bovenstaande erop neer dat er slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn van een financieel vast actief uit hoofde van bijdragen aan activa in eigendom van derden.

 

Grondslagen

Voor activeren en afschrijven worden de volgende grondslagen gehanteerd;

 

Activeren

Activa met een verkrijgingprijs van minder dan € 15.000,- worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Deze worden altijd geactiveerd.

 

Waarderen

Als besloten wordt het productiemiddel te activeren, dan moet dit op basis van het BBV gebeuren tegen de verkrijgingprijs of vervaardigingsprijs van het productiemiddel. Op zowel investeringen met economisch als met maatschappelijk nut dienen bijdragen van derden, die specifieke betrekking hebben op de investering, in mindering te worden gebracht.

Het BBV staat niet meer toe om investeringen met een economisch nut netto te activeren. Dit betekent dat het niet meer is toegestaan om direct onttrekkingen aan reserves in mindering te brengen op het investeringsbedrag. Eventueel kunnen de lasten voortvloeiende uit dit actief al naar gelang de tijdsduur worden gedekt door onttrekking aan een (bestemming)reserve maar dit geniet niet de voorkeur. Voor investeringen met een maatschappelijk nut in de openbare ruimte daarentegen wordt in het BBV aanbevolen om de investering direct (reserves direct in mindering brengen) of zo snel mogelijk af te schrijven.

 

Afschrijven

Binnen de gemeenten is afschrijven op basis van de lineaire methode gebruikelijk. Bij de lineaire methode blijven de afschrijvingsbedragen gedurende de afschrijvingstermijn gelijk, de rentelasten nemen af. Op de laatste pagina’s van deze notitie is de afschrijvingstabel opgenomen. In het jaar van aanschaf wordt geen afschrijving en geen rentelast toegerekend.

 

Rente

Aan alle geactiveerde bedragen wordt rente toegerekend. Hiervoor wordt een vast rentepercentage gehanteerd. Deze rente wordt jaarlijks bij het opstellen van de begroting bepaald via de rente- omslagmethode. In de jaren volgend op het jaar van de investering wordt de rente berekend over de boekwaarde per 1 januari. Voor bepaalde soorten financiële vaste activa (o.a. verstrekte langlopende geldleningen) kan een afwijkend rentepercentage worden gehanteerd.

Procedures aanvragen en uitvoering investeringen.

 

Aanvragen van investeringen.

De bevoegdheid tot het toekennen van investeringskredieten berust bij de gemeenteraad. De exploitatielasten van het nieuwe beleid worden in de primitieve begroting geïntegreerd. De kredieten worden bij vaststelling van de begroting direct beschikbaar gesteld. De lasten van de vervangingsinvesteringen zijn binnen het bestaand beleid als stelpost opgenomen.

Over de geplande investeringen wordt in de bestuur rapportages gerapporteerd.

Het niet uitvoeren van gepland werk veroorzaakt een onderschrijding op kapitaallasten.

 

 

 

 

 

Tussentijdse nieuwe investeringen moeten via een raadsbesluit dan wel via de voor- of najaarsrapportage worden vastgesteld.

 

Subsidies.

Bij aanvang van de investering dient te worden bezien in hoeverre er een aanspraak kan worden gemaakt op bepaalde subsidies. Subsidies, die specifiek voor een investering worden verstrekt, moeten wel direct in mindering op het investeringsbedrag worden gebracht.

Indien een beschikking voor een subsidie wordt ontvangen, dient een afschrift aan de financiële administratie te worden verstrekt.

 

Compensatiemogelijkheden.

Het is niet toegestaan om afzonderlijke investeringen onderling te vereffenen, tenzij de gemeenteraad

daartoe besluit.

Onderwerpen die specifieke aandacht verdienen.

 

Investeringen met economisch of maatschappelijk nut worden conform de afschrijvingstermijnen genoemd in die hierna opgenomen tabel, afgeschreven. Tenzij de gemeenteraad anders besluit.

 

Verwerken onderhoud.

In het BBV is opgenomen dat het is niet toegestaan om kosten van onderhoud te activeren en vervolgens af te schrijven. Daarentegen is het mogelijk om voor de kosten van achterstallig onderhoud een voorziening te vormen en deze aan te vullen op basis van beheerplannen, waarbij de werkelijke kosten onttrokken worden aan de voorziening.

 

Kosten van levensduur verlengende renovaties en/of investeringen in de openbare ruimte die het gebied een vernieuwende functie geven, worden daarentegen wel geactiveerd en afgeschreven.

 

Afbakening van grondcomplexen.

Binnen grondcomplexen zijn elementen te onderscheiden die gekwalificeerd worden als investeringen met maatschappelijk nut in de openbare ruimte, zoals bruggen, wegen en openbaar groen. Deze investeringen worden meegenomen in de kostprijscalculaties van de grondexploitatie en als zodanig verwerkt in de jaarrekening.

 

Informatieverstrekking

Voor het geven van inzicht in de voortgang en afwikkeling van uitgegeven investeringskredieten worden de volgende rapportages ingezet:

Voor- en Najaarsrapportage

Jaarrekening

 

 

Bij afronding van investeringsprojecten kunnen de volgende situaties zich voordoen:

Het krediet is overschreden. De Raad is in een tussentijdse rapportage al op de hoogte gebracht over de investering.

Het krediet is toereikend geweest en voor het juiste doel aangewend.

Het krediet is te hoog. De overblijvende middelen vloeien terug in de algemene middelen.

 

Voor investeringen groter dan € 100.000 of een budgettaire afwijking groter dan 10%, dient de informatie te worden verstrekt, na afronding of tussentijds, van het project in de tussenrapportage of de jaarrekening. In het vierde kwartaal zal een totaaloverzicht worden gemaakt van alle investeringen. Dit overzicht zal worden opgenomen in de jaarrekening.

 

Jaarrekening.

Een totaaloverzicht van alle lopende investeringen zal in de jaarrekening worden opgenomen. Tevens wordt hierin aangegeven welke investeringen in het rekeningjaar afgesloten worden.

 

 

Overzicht afschrijvingstermijnen

 

 

 

Periode

Algemeen

 

 

Activa met een verkrijgingsprijs < € 15.000

 

Niet afschrijven

 

 

 

Immateriële activa

 

 

Kosten van onderzoek en ontwikkeling

lineair

5 jaar (max)

Kosten van sluiten van geldleningen en disagio

n.v.t.

Niet afschrijven

 

 

 

Materiële vaste activa

 

 

Gronden en terreinen

n.v.t.

Niet afschrijven

Nieuwbouw gebouwen

lineair

40 jaar

Renovatie en verbouw gebouwen

lineair

25 jaar

Tijdelijke accommodaties

lineair

15 jaar

Technische installaties (w.o. zonnecollectoren)

lineair

15 jaar

Inventaris

lineair

15 jaar

Schoolgebouwen permanent

lineair

60 jaar

Schoolgebouwen semipermanent

lineair

20 jaar

Schoolgebouwen; verbouwing

lineair

25 jaar

Schoolgebouwen; installaties

lineair

40 jaar

Schoolgebouwen; inventaris (1e inrichting)

lineair

20 jaar

Riolering; eerste aanleg

lineair

60 jaar

Riolering; pompputten en rioolgemalen eerste aanleg

lineair

40 jaar

Riolering; aanleg bezinkbassin eerste aanleg

lineair

60 jaar

Riolering; IBA/pompgemalen eerste aanleg

lineair

30 jaar

Riolering; mechanisch deel bezinkbassins eerste aanleg

lineair

25 jaar

Wegen; aanleg en ingrijpende reconstructies

lineair

25 jaar

Wegen; trottoirs

lineair

25 jaar

Wegen; parkeervoorzieningen

lineair

25 jaar

Verkeersmaatregelen

lineair

25 jaar

Openbare verlichting; masten

lineair

40 jaar

Openbare verlichting armaturen

lineair

20 jaar

Groenvoorzieningen

lineair

25 jaar

Aanleg / inrichting speelvoorzieningen

lineair

15 jaar

Sportvoorziening; binnen accommodaties: aanleg

lineair

30 jaar

Sportvoorziening; binnen accommodaties renovatie

lineair

15 jaar

Sportvoorziening; buitenaccommodaties aanleg

lineair

25 jaar

Sportvoorziening; buitenaccommodaties renovatie

lineair

15 jaar

Sportvoorziening; buitenaccommodaties kunstgrasvelden

lineair

12 jaar

Sportvoorziening; gymlokalen/sporthallen

lineair

20 jaar

Sportvoorziening; inventaris gymlokalen

lineair

15 jaar

Sportvoorziening; nieuwbouw kleed accommodatie

lineair

30 jaar

Sportvoorziening; renovatie kleed accommodatie

lineair

15 jaar

Voertuigen

lineair

8 jaar

Verkeersregelinstallaties

lineair

15 jaar

Borden en bewegwijzering

lineair

10 jaar

Materieel

lineair

8 jaar

Tractie

lineair

8 jaar

Automatisering; netwerkbekabeling

lineair

8 jaar

Automatisering; hardware

lineair

4 jaar

Automatisering; software/ infosystemen/bestanden

lineair

5 jaar

 

 

 

Artikel 15. Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1.

    Voor openstaande vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een beoordeling op inbaar- en oninbaarheid.

 

Artikel 16. Reserves en voorzieningen

  • 1.

    Het college van B&W biedt de gemeenteraad een nota reserves en voorzieningen aan. De gemeenteraad stelt deze vast. Deze nota behandelt in ieder geval :

    • a.

      De vorming en besteding van reserves;

    • b.

      De vorming en besteding van voorzieningen;

    • c.

      De toerekening en verwerking van rente over de reserves en voorzieningen.

 

Artikel 17. Kostprijsberekening

  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en dienstendie worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2.

    Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW), de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid, de kosten van straatreiniging en de kosten van beheer van waterbergingen betrokken.

  • 3.

    Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten.

  • 4.

    Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

  • 5.

    Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van [een aandeel in de totale overheadkosten ter grootte van de geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel die worden besteed aan de desbetreffende goederen, werken, diensten, rechten en heffingen, gedeeld door de totale geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel.

  • 6.

    Het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen in de omslagrente voor de kostprijsberekening als bedoeld in artikel 16 eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld.

  • 7.

    In afwijking van artikel 16 eerste lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.

 

Artikel 18. Prijzen economische activiteiten

  • 1.

    Voor de levering van goederen, diensten en werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht.

  • 3.

    Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaan burgemeester en wethouders uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen.

  • 4.

    Bij afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doen burgemeester en wethouders vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd.

  • 5.

    Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorige lid zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet.

 

Artikel 19. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1.

    Burgemeester en wethouders doen de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen, de afvalstoffenheffing, en verdere rechten en leges waarvan het wenselijk wordt geacht de tarieven jaarlijks vast te stellen.

 

Artikel 20. Financieringsfunctie

  • 1.

    Burgemeester en wethouders nemen bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

    • a.

      voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; en

    • b.

      er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal bedingen burgemeester en wethouders indien mogelijk zekerheden.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een garantie zal deze garantie betrokken worden bij de risicoparagraaf in de begroting en de jaarstukken.

 

Paragraaf 5. Paragrafen bij de begroting en jaarstukken

 

Artikel 21. Lokale heffingen

Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf lokale heffingen bij de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht;

  • b.

    de berekening van het rentepercentage voor de omslagrente voor het bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 17, zesde lid;

  • c.

    de berekening van het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en de voorzieningen voor het bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 17, zesde lid;

  • d.

    onder het onderdeel beleid bedoeld in artikel 10, Aanhef en onder b, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten een overzicht van de te onderscheiden lokale heffingen, de maatstaf en de doelstelling die wordt beoogd met het opleggen van de heffing;

 

Artikel 22. Weerstandsvermogen en risicobeheersing

  • 1.

    In dit artikel wordt verstaan onder:

  • netto schuld per inwoner: bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar. Onder bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteuren, vorderingen en overlopende passiva. Onder geldelijke bezittingen wordt verstaan: het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen, debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa;

  • onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting: positieve uitkomst van het verschil tussen de opbrengst onroerendezaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerendezaakbelasting.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

    • a.

      de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner;

    • b.

      het saldo van de baten en lasten voor dotaties en onttrekkingen van reserves als percentage van de inkomsten;

    • c.

      de onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting als percentage van de inkomsten;

    • d.

      de wijze waarop met conjuncturele risico’s en de omvang van het weerstandsvermogen wordt omgegaan;

    • e.

      de wijze waarop met project specifieke risico’s wordt omgegaan bij het bepalen van de tussentijdse winstneming en de omvang van het weerstandsvermogen, en

 

Artikel 23. Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1.

    Burgemeester en wethouders bieden de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het onderhoudsplan openbare ruimte geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair. De raad stelt het onderhoudsplan openbare ruimte vast.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders bieden de raad ten minste eens in de 4 jaar een rioleringsplan aan. Het rioleringsplan geeft het kader weer voor het beheer van het watersysteem, waaronder het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud. De raad stelt het rioleringsplan vast.

  • 4.

    Burgemeester en wethouders bieden de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan gebouwen aan. Het onderhoudsplan gebouwen bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen. De raad stelt het onderhoudsplan gebouwen vast.

 

Artikel 24. Financiering

Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf financiering van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    Stellen dit vast per periode van 4 jaar of geven speerpunten aan

 

Artikel 25. Bedrijfsvoering

Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand;

  • b.

    de inhuur derden;

  • c.

    de huisvesting;

  • d.

    de automatisering;

  • e.

    een toelichting op alle afwijkingen in rechtmatigheid, die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn opgenomen, voor zover deze de rapportagegrens, zoals bedoeld in artikel 10 overschrijden of voldoen aanen eventueel welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen;

  • f.

    een overzicht van en toelichting op niet-financiële onrechtmatigheden in verband met het niet naleven van bepalingen in de Wet financiering decentrale overheden en de bijbehorende ministeriële regelingen, als deze voorkomen;

  • g.

    rapportage van het veelvuldig niet naleven van normen uit de gids proportionaliteit en/of slechte documentatie of naleving hiervan, als deze voorkomen;

  • h.

    geconstateerde fraude door eigen medewerkers, als dit voorkomt,

 

 

Artikel 26. Verbonden partijen

Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf verbonden partijen van de begroting en de jaarstukken de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op

 

 

Artikel 27. Grondbeleid

  • Burgemeester en wethouders bieden de raad ten minste eens in de 4 jaar een nota grondbeleid aan.

  • 1.

    De raad stelt de nota grondbeleid vast. De nota grondbeleid bevat in ieder geval:

    • a.

      de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

    • b.

      te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

    • c.

      het verloop van de grondvoorraad;

    • d.

      de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden;

    • e.

      de wijze waarop met de toerekening van bovenwijkse voorzieningen wordt omgegaan, en

  • 2.

    Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks een grondprijzenbrief aan met een vastgestelde uitgifteprijs voor zowel maatschappelijke grond als intern door te leveren grond. De raad stelt de grondprijzenbrief vast.

  • 3.

    De voorziening voor verliesgevende grondexploitaties wordt gewaardeerd tegen nominale waarde.

 

Paragraaf 6. Financiële organisatie en financieel beheer

 

Artikel 28. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten;

  • c.

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording door burgemeester en wethouders aan de raad over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving, en

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

 

Artikel 29. Financiële organisatie

Burgemeester en wethouders dragen in ieder geval zorg voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen, en

  • h.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

  • i.

    het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

 

 

Artikel 30. Interne controle

  • 1.

    Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheerhandelingen. Bij afwijkingen rapporteren burgemeester en wethouders daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 25 onder f. Daarnaast informeren burgemeester en wethouders de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders zorgen voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de 4 jaar. Bij afwijkingen in de administratie nemen burgemeester en wethouders maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

 

 

Paragraaf 7. Slotbepalingen

 

Artikel 31. Intrekking oude regeling

De Verordening 212 (versie 2014) en het separate Activabeleid (versie 2014) worden ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

 

Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening financieel beleid, beheer en organisatie gemeente Veendam 2023.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 25 september 2023.

De voorzitter,

De griffier,

Naar boven