Gemeenteblad van Molenlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Molenlanden | Gemeenteblad 2025, 564982 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Molenlanden | Gemeenteblad 2025, 564982 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening afvalstoffenheffing Molenlanden 2026
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder ‘gebruik maken’: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
Artikel 2. Aard van de belasting en belastbaar feit
Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 3. Voorwerp van de belasting
Voorwerp van de belasting is een perceel.
de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;
de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 5. Grondslag van heffing en belastingtarief
een en ander naar de maatstaven en tarieven zoals opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Het belastingtijdvak is voor de belastingen verschuldigd naar de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c, d en e bedoelde grondslagen: het kalenderjaar.
De overige belastingen worden per belastbaar feit geheven.
De belasting, verschuldigd naar de grondslag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a t/m e, wordt bij wege van aanslag geheven.
De belasting, verschuldigd naar de grondslag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b en e kan op hetzelfde aanslagbiljet vermeld worden als de belasting verschuldigd naar de grondslagen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen c en d van het daaraan voorafgaande jaar.
De belasting, verschuldigd naar de grondslag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen f en g wordt geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke of digitale kennisgeving, waaronder ook wordt verstaan een nota of ander schriftuur of een bonnetje van de PIN betaling. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 8. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
De belasting, naar de grondslagen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b en e is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
De belastingschuld, naar de grondslagen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen c en d artikel 5, tweede lid, ontstaat na het einde van elk kalenderjaar.
Indien in afwijking van het tweede lid, de belastingplicht, voor de belasting verschuldigd naar de grondslagen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen c en d in de loop van het kalenderjaar eindigt, ontstaat de belastingschuld bij het einde van de belastingplicht.
Indien de belastingplicht voor de belasting verschuldigd naar de grondslag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b en e in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Indien de belastingplicht voor de belasting verschuldigd naar de grondslag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, b en e in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10,00.
Bij toepassing van het vierde en vijfde lid wordt voor de bepaling van de belastingplicht uitgegaan van het gegeven dat:
bij ontstaan of wijziging van de belastingplicht vóór of op de 10e van de maand de belasting over de lopende maand ten volle is verschuldigd;
bij ontstaan of wijziging van de belastingplicht ná de 10e van de maand over de lopende maand geen belasting wordt geheven;
bij beëindiging of wijziging van de belastingplicht vóór of op de 10e van de maand over de lopende maand geen belasting wordt geheven;
bij beëindiging of wijziging van de belastingplicht ná de 10e van de maand de belasting over de lopende maand ten volle wordt geheven.
Het vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.
Voor de belasting, verschuldigd naar de grondslagen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a en b worden belastingbedragen van minder dan € 10,- niet geheven.
Voor de toepassing van de bepalingen in het vijfde en achtste lid, wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen aangemerkt als één belastingbedrag.
De belasting als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel f, is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening.
De belasting als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel g, is verschuldigd na afloop van de dienstverlening.
Artikel 9. Termijnen van betaling
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen naar de grondslagen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a t/m e, worden betaald uiterlijk drie maanden na de dagtekening van de aanslag.
In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in negen gelijke termijnen of zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden min één in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
In afwijking van het eerste lid moeten de belastingen verschuldigd naar de grondslagen als bedoeld in artikel 5, onderdeel f worden betaald:
in geval van uitreiking van de kennisgeving, op het tijdstip van uitreiking.
in geval van toezending van de kennisgeving, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Bij de invordering van afvalstoffenheffing wordt voor de belastingschuld op grond van artikel 5 eerste lid onder c, d en e maximaal € 42,00 kwijtschelding verleend.
Bij de invordering van afvalstoffenheffing wordt geen kwijtschelding verleend voor de van de aanslagen gebaseerd op artikel 5 eerste lid onder f en g.
Wanneer vanwege medische redenen een grote hoeveelheid onvermijdbaar medisch restafval wordt geproduceerd kan, op aanvraag en na het overleggen van bewijs van een medische indicatie, een vrijstelling verleend van:
50% op de tarieven genoemd in artikel 1.3 tm 1.5 van de tarieventabel;
indien het te betalen bedrag na de vrijstelling genoemd in het 1e lid het bedrag van € 78,- overschrijdt.
De “Verordening afvalstoffenheffing Molenlanden 2025” van 10 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Vastgesteld tijdens de openbare raadsvergadering gemeente Molenlanden,
gehouden op 16 december 2025.
de griffier,
Marjolein Teunissen
de voorzitter,
Theo Segers
Bijlage 1 Tarieventabel, behorende bij de verordening Afvalstoffenheffing 2026
Hoofdstuk 1. Maatstaven en jaarlijkse t arieven afvalstoffenheffing
Hoofdstuk 2. Op aanvraag inzamelen van grof huishoudelijk en grof tuin afval
Hoofdstuk 3. Maatstaven en tarieven voor achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen op de milieustraat.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-564982.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.