Gemeenteblad van Groningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Gemeenteblad 2025, 564963 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Gemeenteblad 2025, 564963 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2026
DE RAAD VAN DE GEMEENTE GRONINGEN,
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025;
gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein van 16 september 2025;
gelet op de artikelen 2. 9, 2. 10, 2. 12 en 8. 1. 1, derde lid, van de Jeugdwet;
besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2026.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
pedagogische civil society: de sociale omgeving rond de jeugdige, bestaande uit ouders, familie, buurtvrienden, school, peuterspeelzalen, vrijwilligers, sportcoaches en anderen die betrokken zijn bij de opvoeding en het opgroeien van de jeugdige met als doel om de draagkracht van het gezin van de jeugdige te vergroten en opvoedingsproblemen te voorkomen;
Sociaal wijkteam: het geheel of een of meer onderdelen van de organisatie die blijkens de stukken van haar oprichting tot doel heeft het uitvoeren van (wettelijke) taken van de gemeente op het gebied van het brede sociaal domein, waaronder in elk geval begrepen taken uit hoofde van de Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Participatiewet. Deze taken behelzen onder andere de kernactiviteiten (collectieve) preventie, ondersteuning en toegang tot voorzieningen.
triage: een eerste en beperkte toegangsbeoordeling (vooronderzoek) op basis van een hulpvraag, waarbij de aard en de omvang van de in te zetten hulp nog niet hoeft te worden bepaald. Triage valt onder de gemeentelijke toegangstaak. Middels triage wordt bepaald welke ondersteuning passend en proportioneel is. Binnen de triage worden alle expertisegebieden betrokken (inclusief de preventieve). Hierbij wordt altijd een afweging gemaakt tussen kracht van de leefwereld en de omvang van het probleem.
Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp
Artikel 2. Aanbod van vormen van jeugdhulp
Het in dit artikel opgenomen regionaal en lokaal ingekochte aanbod van jeugdhulp geldt als het door de gemeente gecontracteerde aanbod. Verwijzers worden geacht naar dit aanbod te verwijzen, waarbij de in het zevende lid bepaalde voorrang van algemene voorzieningen boven individuele voorzieningen in acht wordt genomen. Verwijzing naar ander aanbod komt in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking.
Het college is niet verplicht om een vorm van hulp in te zetten als er twijfels zijn over het resultaat dat die hulp kan bereiken. Als de inzet van die (wetenschappelijk) niet erkende hulp in een individuele situatie door het college toch als meest passend wordt gezien, kan het college deze vorm van hulp na onderzoek in een individueel geval wel toekennen
Hoofdstuk 3. Voorzieningen: toegang, onderzoek en beoordeling
Bij ‘zorgtoekenningen’ hanteren jeugdhulpaanbieders en het college de afspraken die zijn vastgelegd in de ‘Goede Toekenning’.
Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gemeente
Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij Stichting WIJ Groningen. Deze organisatie is verantwoordelijk voor de gemeentelijke toegang tot jeugdhulp in de gemeente Groningen, maar heeft geen mandaat om namens het college te besluiten op aanvragen om jeugdhulp. Als de jeugdige en/of ouders daarom vragen, wordt gezorgd voor ondersteuning bij het verkennen of verhelderen van de hulpvraag.
Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Als de jeugdhulpaanbieder na verwijzing beoordeelt welke specifieke vorm van jeugdhulp nodig is en/of wat de omvang en de duur van die jeugdhulp is, houdt hij zich daarbij aan de regels in deze verordening, zoals de in artikel 7 bepaalde stappen van het onderzoek, en de afspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt in het contract.
Als bij een huisarts gebruik wordt gemaakt van een Ondersteuner Jeugd en Gezin (OJG), dan biedt deze niet alleen kortdurende en laagdrempelige hulp en ondersteuning, maar kan deze ook een rol hebben bij de (verdere) verwijzing naar jeugdhulpaanbieders. In de toelichting op bijlage 1 is de positie en het takenpakket van de OJG verder uitgewerkt.
Artikel 7. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan
Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders, waarbij de jeugdige minimaal één keer wordt gezien, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag:
of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen en zo ja, welke problemen, stoornissen en beperkingen dat zijn;
welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, te weten het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening en de mogelijkheid tot inzet van een algemene voorziening, ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met inzet van een individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg;
Het college en de jeugdige en/of zijn ouders leggen het gesprek, het onderzoek en de conclusies daaruit vast in het ondersteuningsplan. Indien uit het ondersteuningsplan blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen, geldt als voorwaarde voor het compleet maken van de aanvraag dat dit ondersteuningsplan wordt ondertekend door de ouders en/of jeugdige en daarna wordt teruggestuurd.
Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken van het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis, onafhankelijke cliëntondersteuning, zoals bedoeld in artikel 1. 1. 1 van de Wmo 2015.
Bij het onderzoeken van de stappen uit het vierde lid, wordt in elk geval bij de stappen b. en c. gebruik gemaakt van relevante deskundigheid. Voor de ouders of jeugdige moet tijdens het onderzoek duidelijk zijn wie, wanneer met welke deskundigheid de hulpvraag heeft onderzocht. Zo nodig wordt dit ook vastgelegd in het ondersteuningsplan zoals bedoeld in het zesde lid.
Artikel 8. Criteria individuele voorzieningen
Uitgangspunten bij de beoordeling van eigen kracht zijn:
Ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind (hierna te noemen ouders) zijn op grond van nationale en internationale wetgeving primair verantwoordelijk voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van het kind. Dit omvat fysieke en emotionele zorg, zoals voeding, kleding, huisvesting, veiligheid en liefdevolle aandacht.
De overheid respecteert deze verantwoordelijkheid van ouders en ondersteunt door middel van passende hulp en voorzieningen als dat nodig is, bijvoorbeeld via bijstand of kinderopvang als ouders werken. Daarnaast moet de overheid bescherming bieden als ouders de zorg voor een kind niet aankunnen, of bij mishandeling of verwaarlozing.
Opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost. Verschillen tussen kinderen, ouders en gezinnen mogen er zijn. Afwijkingen van het ‘gemiddelde’, incidenten en mindere perioden worden niet onnodig geproblematiseerd en gemedicaliseerd.
Het is normaal dat kinderen soms lastig of afwijkend gedrag vertonen. Soms is het nodig om eerst te volgen hoe iets zich ontwikkelt (‘watchful waiting’). Verwijzers en jeugdhulpaanbieders moeten ‘nee’ verkopen als ze vinden dat er onvoldoende reden is voor het inzetten van (gespecialiseerde) jeugdhulp. Daarvoor moeten zij wel in staat zijn om met ouders een goed gesprek te voeren over het hobbelige pad van opvoeden en opgroeien, wat ouders zelf kunnen doen en welke voorzieningen in de pedagogische basis ze daarvoor kunnen benutten.
Ouders kunnen niet zondermeer een beroep doen op het college voor jeugdhulp aan hun kind. Het college verstrekt geen individuele jeugdhulpvoorziening als en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen een oplossing kan bieden voor de in het onderzoek vastgestelde hulpvraag en problemen, stoornissen of beperkingen. Dit wordt eigen kracht genoemd.
Overheidsbemoeienis moet niet leiden tot zorgafhankelijkheid, maar moet primair en actief bijdragen aan herstel en versterking van de eigen kracht van kinderen, gezinnen en samenleving. Het gaat om hulp tot zelfhulp, zo dicht mogelijk bij het kind, het liefst thuis in de lokale context, en niet langer dan noodzakelijk is.
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Het kan ook gaan om activiteiten die niet standaard bij alle jeugdigen noodzakelijk zijn, maar die wel als gangbare hulp en zorg van ouders kunnen worden gezien. Dit geldt bijvoorbeeld als de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Hiervoor moet de ouder, als dat mogelijk is, aanspraak maken op zorgverlof. Is dit niet mogelijk, dan wordt gekeken naar andere voorliggende voorzieningen (zoals kinderopvang, opvang op school, naschoolse opvang) en naar wat in redelijkheid met mantelzorg (sociaal netwerk) kan worden opgevangen. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:
Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in het derde lid staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
Artikel 9. Aanvullende criteria pgb
Als een jeugdige of zijn ouder in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in en kan daarvoor gebruik maken van een door het college ter beschikking gesteld format. In het budgetplan is in elk geval opgenomen:
Artikel 10. Onderscheid formele en informele hulp
Van formele hulp is sprake als het aantoonbaar is dat de jeugdige professionele jeugdhulp nodig heeft en deze hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder:
personen die werkzaam zijn bij een hulpverlenende instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren hulpverlenende taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
Indien de hulp wordt verleend door iemand uit het sociale netwerk, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is alleen sprake van formele hulp indien wordt voldaan aan de onder de in het eerste lid, onder b en c genoemde voorwaarden en deze hulp leidt tot betere en effectievere ondersteuning en die tevens doelmatiger is.
De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van dienstbetrekking ten minste gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd.
Een pgb voor vormen van jeugdhulp en een pgb voor vervoer, waarvoor een tarief is vastgesteld per uur, per dagdeel of per etmaal of retour, mag uitsluitend en alleen besteed worden voor die daadwerkelijk geleverde diensten per uur, dagdeel of etmaal en voor dat vervoer en mag niet anders besteed worden.
Als er geen gebruik wordt gemaakt van de in dit artikel genoemde tarieven voor de categorieën pgb worden de bedragen, doelgroepen en andere mogelijke nadere invullingen vastgesteld aan de hand van de criteria, zoals in de Wet, het daarop gebaseerde besluit, de verordening en de nadere regels zijn gesteld.
Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik
Artikel 14. Herziening, intrekking en terugvordering
Degene aan wie een individuele voorziening en/of persoonsgebonden budget is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededelingen te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening en/of persoonsgebonden budget.
Artikel 15. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik
Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 8. 1. 4, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.
Hoofdstuk 5. Afstemming en afbakening met andere voorzieningen
Artikel 16a. Afstemming met Zorgverzekeringswet en Wet Langdurige Zorg
Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2. 6, eerste lid, onderdeel e van de wet en artikel 6 van deze verordening, plaatsvindt, onverminderd de daarbij te hanteren professionele standaard als bedoeld in artikel 453 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.
Artikel 16b. Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet
Persoonlijke verzorging voor jeugdigen die nodig is in verband met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt niet onder de jeugdhulpplicht. Persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt wel onder de jeugdhulpplicht van de wet. Het college verleent alleen laatstgenoemde individuele voorziening, mits de jeugdige daarvoor gezien zijn hulpvraag in aanmerking komt.
Een voorziening in de vorm van verblijf valt niet onder de wet als het een medisch noodzakelijk verblijf betreft vanwege geneeskundige zorg of als het gaat om tijdelijk, kortdurend geneeskundig verblijf buiten de thuissituatie. Een voorziening in de vorm van verblijf valt wel onder de jeugdhulpplicht van de wet als het een verblijf van jeugdige buiten de thuissituatie betreft, niet zijnde een ziekenhuisverblijf. Het college verleent laatstgenoemde individuele voorziening, mits jeugdige gezien zijn hulpvraag daarvoor in aanmerking komt.
Artikel 16c. Afbakening Jeugdwet en Wet langdurige zorg
Ondersteuning valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg én als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft:
Als de jeugdige of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit dan weigert het college een individuele voorziening op grond van de wet.
Artikel 18. Afstemming met het justitiedomein
Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2. 4, tweede lid, onderdeel b, van de wet.
Artikel 19a. Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht
Het college stemt de samenwerking van onderwijs en door gemeenten gefinancierde jeugdhulp af met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in wettelijk verplichte OOGO’s (op overeenstemming gericht overleg). Er is sprake van een spiegelbepaling in de Jeugdwet en de Wet op het passend onderwijs In het OOGO passend onderwijs bespreekt het samenwerkingsverband zijn ondersteuningsplan met de gemeente. In het OOGO jeugd bespreekt de gemeente haar jeugdplannen met de samenwerkingsverbanden.
Artikel 19 b. Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs
Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de wet, dan rust op het college een inspanningsverplichting om in samenwerking met het onderwijs met behulp van het in het tweede lid bedoelde plan tot een passende oplossing te komen voor de hulpvraag.
Artikel 20. Afstemming met Veilig Thuis
Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen.
Artikel 21b. Afbakening Jeugdwet en Wmo
Als naar het oordeel van het college met betrekking tot de hulpvraag een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, dan verleent het college geen voorziening op grond van de wet, tenzij sprake is van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1. 1. 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Een aanspraak op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 betreft dan bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend:
Artikel 21c. Overgang 18- naar 18+
De jeugdhulpaanbieder legt ter uitvoering van het eerste lid voor een jeugdige vanaf 16,5 jaar in een (perspectief)plan vast welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf het moment waarop de jeugdige 18 jaar wordt; hoe en vanuit welke wet (Wmo, WLZ, Zvw of verlengde Jeugdwet) de hulp vanaf dat moment wordt ingezet.
Artikel 22. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen
Het college zorgt dat het toegangsteam, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.
Hoofdstuk 6. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit
Artikel 23. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:
Hoofdstuk 7. Klachten en medezeggenschap
Artikel 25. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid
Het college stelt de jeugdige of zijn ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordening en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing voor de jeugdige en/of zijn ouders leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.
Ondertekening
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 17 december 2025
De raad voornoemd,
De burgemeester,
Roelien Kamminga
Griffier,
Josine Spier
BIJLAGE 1, bij artikel 2, eerste lid, van de Verordening:
Vormen van jeugdhulp en preventie binnen de gemeente Groningen
De volgende algemene voorzieningen gericht op het versterken van de sociale context zijn onder andere beschikbaar:
activiteiten ter versterking van de pedagogische civil society zoals stimuleren en faciliteren van initiatieven vanuit de informele netwerken, steuncontacten tussen ouders en jeugdigen en intergenerationele contacten die een bijdrage leveren aan een gezonde en veilige opgroei- en opvoedomgeving, mogelijkheden voor ouders/opvoeders om elkaar te ontmoeten;
De algemene voorziening Basis jeugdhulp is nader omschreven in bijlage 2 bij deze verordening. Deze Basis jeugdhulp wordt uitgevoerd door een sociale wijkteamorganisatie, Stichting WIJ Groningen. In die bijlage bij deze verordening die daarvan onlosmakelijk onderdeel uitmaakt, staat op welke datum deze omschrijving tot stand is gekomen.
De inrichting van het Groninger jeugdstelsel
In het Groninger Functioneel Model wordt een inhoudelijk kader geschetst, dat als basis fungeert voor het gemeentelijk aangestuurde nieuwe jeugdstelsel in de Groninger gemeenten vanaf 2015. Hoofddoel van de herinrichting van het jeugdstelsel is dat de jeugdhulp efficiënt en effectief dichtbij jeugdigen en ouders of verzorgers wordt geboden.
Belangrijke doelen en uitgangspunten van de stelselherziening jeugd van 2015 zijn de volgende:
het bieden van ondersteuning, hulp en/of behandeling indien de mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, opvoeders en de directe omgeving ontoereikend zijn. Bij voorkeur zoveel als mogelijk in, met en rondom het gezin. De insteek is hierbij het vroegtijdig bieden van hulp op maat, voorkomen van escalatie van problemen en een te zwaar appèl op intensieve ondersteuning.
Het fundament van het nieuwe jeugdstelsel is het gewone positieve opgroeien en opvoeden, in de pedagogische civil society. Het is een leefomgeving met goed functionerende en in voldoende mate aanwezige basisvoorzieningen (zoals scholen, speelvoorzieningen, beschikbaarheid van (opvoed)informatie, afgestemd op de specifieke kenmerken en behoeften van de wijk).
De basis van het nieuwe stelsel wordt gevormd door de basisondersteuning, bestaande uit een team van generalisten met elkaar aanvullende specifieke kennis en vaardigheden. De samenstelling van deze teams kan variëren afhankelijk van de populatie van de betreffende wijk. Zo kan de inzet van specifieke deskundigen in de basisondersteuning in bepaalde situaties gewenst zijn. De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) valt ook binnen deze basisondersteuning en heeft een specifiek doel: het beschermen en bevorderen van de gezondheid van alle jeugdigen van 0-18 jaar. Het is preventieve gezondheidszorg die gericht is op het voorkomen van ziekten en het vroegtijdig opsporen van gezondheidsproblemen bij jeugdigen. Beslissingen over de toeleiding naar jeugdhulp (triage) en het uitvoeren van regulier casemanagement vinden plaats vanuit de basisondersteuning. De JGZ heeft een ander wettelijk kader dan de jeugdhulp, namelijk de Wet Preventieve Gezondheid (WPG).
De Basis jeugdhulp bij de sociaal wijkteamorganisatie, Stichting WIJ Groningen richt zich voornamelijk op begeleiden en ondersteunen; de specialistische jeugdhulp die de jeugdhulpaanbieders uitvoeren is meer gericht op behandelen en beschermen. Ook dit onderscheid is een uitgangspunt en geen absolute scherpe grens.
Algemene voorziening en ondersteuning
De gemeente verwacht van de sociaal wijkteamorganisatie dat de transformatie verder wordt vormgegeven door het inrichten van een vrij toegankelijke en laagdrempelige voorziening van waaruit meerdere activiteiten plaats vinden en door het bieden van ondersteuning (al dan niet) gericht op preventie. De sociaal wijkteamorganisatie krijgt de ruimte om zelf in te vullen wat er nodig is. Bijvoorbeeld meer preventief in wijken aanwezig zijn, aanwezig zijn op vindplaatsen en meer kennis en deskundigheid op bepaalde vlakken ontwikkelingen of aantrekken. De sociaal wijkteamorganisatie heeft het beste zicht op de ondersteuningsbehoefte en kan dat invullen met activiteiten om daarmee te voorkomen dat individuele voorziening nodig zijn. Het doel is dat de voorziening en ondersteuning die de sociaal wijkteamorganisatie levert dusdanig passend wordt vormgegeven dat er geen individuele voorziening meer nodig zijn voor de producten die uit de Open House worden gehaald.
De jeugdigen en gezinnen kunnen door de sociaal wijkteamorganisatie ondersteund worden om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau. Als dat niet vanzelf gaat door een ontregeling die ze kwetsbaarder maakt, is er vanzelfsprekend passende ondersteuning, of dat nu tijdelijk is of levenslang. Bij het bepalen van wat passende ondersteuning is, is (daar waar het nodig is) een brede blik en de leefwereld van de jeugdige en het gezin erg belangrijk. Onderliggende oorzaken op de verschillende levensterreinen worden aangepakt, zoals armoede, persoonlijke problemen van de ouders, trauma’s, woonproblematiek, scheidingsperikelen, schoolklimaat etc. Dit alles met als uitgangspunt de eigen kracht van het gezin en het netwerk en in samenwerking met alle bij het gezin betrokken professionals (multidisciplinair).
(Bron: Kaders van de opdracht en financiën SAMEN. : Basisjeugdhulp, ondersteuning en preventie bij WIJ Groningen)
Wijzigingen van de inhoud van de Basis jeugdhulp zullen leiden tot een wijziging van die bijlage.
Efficiënte toeleiding naar jeugdhulp wordt bewaakt en gerealiseerd door het regulier casemanagement in de basisondersteuning. Regulier casemanagement is een taak die uitgevoerd wordt door hiertoe bekwame uitvoerende professionals uit de basisondersteuning. Het uitgangspunt is dat de (eerst) betrokken professional hiervoor verantwoordelijk is. Beslissingen over hulp worden altijd in dialoog, samen met de jeugdige en of ouders/opvoeders genomen.
Bij complexe ondersteuningsvragen kan de jeugdhulpverlener/casemanager onafhankelijk advies vragen bij het regionale expertteam. Het expertteam bestaat uit deskundigen vanuit de verschillende kennisgebieden en zorgdomeinen, zoals de GGz, jeugd- en opvoedhulp en zorg voor jeugdigen met een verstandelijke beperking. Het expertteam kan benaderd worden bij specifieke vragen rondom opvoeding en ontwikkeling, en bij meer complexe casuïstiek (bijv. rond verblijf). Ook als er behoefte is aan advies over inzet van jeugdhulp of ondersteuning bij het beoordelen van veiligheidsrisico’s, kan het expertteam om advies gevraagd worden. Het expertteam kan worden ingeschakeld door professionals van de lokale teams, GI’s en jeugdhulpaanbieders. Een advies komt altijd tot stand in samenwerking met de betrokken professionals en/of gedragswetenschappers. De leden hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het vinden van een oplossing in de betreffende casus (oplossingsverplichting). Een casus kan telefonisch of per email worden aangemeld bij de RIGG helpdesk.
Indien een verwijzer aanvullende specifieke integrale ondersteuning van jeugdige en of gezinssysteem wenselijk vindt (in samenspraak met betrokkenen), kan gebruik gemaakt worden van inzet van uitvoerende professionals uit de flexibele ondersteuning. Ook kunnen deze medewerkers handelingsgerichte diagnostiek verlenen. De flexibele ondersteuning fungeert dus als een ‘surplus’ van de basisondersteuning.
Deze ondersteuning is niet vrij toegankelijk voor jeugdigen en/of ouders, maar kan worden ingezet na een professionele afweging van een hiertoe bevoegde verwijzer. In die zin spreken we van een individuele voorziening.
Indien blijkt dat de problemen van de jeugdige of het gezinssysteem dermate ernstig of complex is, kan de professional ook een vorm van intensieve ondersteuning inzetten. Dit zijn vormen als dagbehandeling, poliklinische trajecten, 24-uurs zorg, pleegzorg en crisiszorg. Deze ondersteuning wordt veelal decentraal georganiseerd en zoveel mogelijk uitgevoerd in de leefomgeving van de jeugdige. Medewerkers van de intensieve ondersteuning kunnen ook specialistische diagnostiek verlenen. Vanuit de intensieve zorg wordt eveneens gewerkt aan de inzet van zorgtrajecten gericht op het voorkomen van plaatsing en het voorkomen van terugval. Alle vormen van hulp die in de intensieve ondersteuning gegeven wordt, zijn niet vrij toegankelijk. Deze hulp is altijd een vorm van individuele voorziening. De intensieve ondersteuning kan pas worden ingezet na een afgewogen oordeel van een hiertoe bevoegde verwijzer.
2. Vormen van jeugdhulp en preventie
Hieronder worden enkele vormen van jeugdhulp kort nader toegelicht.
De versterking van de sociale context waarin gezinnen opvoeden en jeugdigen opgroeien.
onder a) daaronder vallen bijvoorbeeld coachingstrajecten en vormen van e-hulp;
onder c) daaronder vallen bijvoorbeeld trajecten zoals onder meer in zorgboerderijen geboden worden;
onder e) deze interventies worden uitgevoerd volgens het principe van Wrapped around care.
Intensieve ondersteuning bestaat uit een keten van specialistische behandelactiviteiten, deeltijd- of dagbehandeling en of klinische opname en gedwongen jeugdhulp.
Hieronder vallen bijvoorbeeld pleegzorg, intramurale opvang, 24uurs opvang, pleegzorg in eigen netwerk, gesloten jeugdzorg, klinische opname en kinder- en jeugdpsychiatrie.
Hieronder vallen bijvoorbeeld Jeugdzorgplus en enkele vormen van hoog specialistische GGZ, inzet van zorgtrajecten gericht op het voorkomen van uithuisplaatsing en inzet van specifieke zorgtrajecten.
Het is mogelijk om verschillende voorzieningen genoemd in dit artikel met elkaar te combineren, zodat passende jeugdhulp ingezet kan worden.
De medische verwijsroute en de OJG
De gemeente Groningen geeft sinds 2018 met de functie van Ondersteuner Jeugd en Gezin (OJG) een impuls aan een kwalitatief beter en effectief werkend jeugdstelsel. Deze functie is in het leven geroepen om te komen tot een verbetering van de samenwerking tussen huisarts en de WIJ-teams en daarmee tot een efficiënte toegang tot de jeugdhulp. De OJG bij de huisarts verbetert de samenwerking tussen de gemeentelijke toegang (het WIJ-team) en de huisarts. De OJG verleent en/of organiseert dichtbij en snel passende hulp voor jeugd en gezin en zorgt er daarmee voor dat verwijzingen naar niet passende jeugdhulp verminderen of voorkomen worden. De OJG is de verbindende schakel tussen de beide verwijzers, waardoor de kwaliteit en de effectiviteit van de verwijzing wordt verhoogd.
De huisarts heeft een verwijsfunctie naar alle vormen voor jeugdhulp en is dus voor jeugdigen en hun ouders én voor gemeenten een belangrijke partner als het gaat om een goed werkend jeugdstelsel. De samenwerking tussen OJG en huisarts is vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. Inhoudelijke leidraad voor de samenwerking wordt gevormd door de ‘Leidraad samenwerking huisartsen en gemeenten rond jeugd’ van de LHV en de VNG, die op 17 september 2018 is vastgesteld.
De samenwerking tussen huisarts en het WIJ-team wordt hiermee versterkt, zodat de inzet van jeugdhulp versterkt of ondersteund wordt met (gemeentelijke) voorzieningen of interventies die bevorderend werken voor gezondheid en veiligheid van de betrokken jeugdige(n).
De hulp die de OJG kan bieden bestaat onder andere uit:
BIJLAGE 2, bij artikel 2, eerste lid, onder a, van de Verordening:
Omschrijving, inhoud en werkwijze Basis jeugdhulp met ingang van 1 januari 2024
Omschrijving Basis jeugdhulp (BJH)
Alle ouders en jeugdigen lopen wel eens tegen problemen aan. Meestal kunnen zij deze problemen zelf en/of met hun naasten oplossen. Soms zijn de problemen dusdanig groot dat zij hulp nodig hebben bij het vinden van oplossingen, waardoor zij zelf weer grip op hun leven kunnen krijgen. Dit kunnen eenvoudige vragen zijn over de ontwikkeling van de jeugdige tot complexe vragen waarbij sprake is van een stapeling van problemen, bijvoorbeeld op het gebied van opvoeding, psychische problematiek, verslaving, financiën, gezondheid, onderwijs, relatie(s) en algemeen welbevinden. Door deze stapeling kunnen ouders en/of jeugdigen de opgaven waarvoor ze in het dagelijks leven staan als te groot ervaren. Ouders en kinderen kunnen met deze vragen terecht bij de gemeentelijke toegang, zoals uitgevoerd door Stichting WIJ Groningen.
De gemeentelijke toegang en andere bevoegde verwijzers onderzoeken samen met ouders en jeugdigen wat zij nodig hebben aan ondersteuning. Een groot deel van deze ondersteuning wordt uitgevoerd door de Basis jeugdhulp (hierna te noemen BJH) als onderdeel van Stichting WIJ Groningen. Specialistische diagnostiek en behandeling, verblijf en/of dagbesteding vallen niet onder de BJH. Daarvoor kan een individuele voorziening worden aangevraagd.
De BJH is gericht op ondersteuning bij opgroeien en opvoeden. De BJH biedt basis- en specialistische begeleiding en/of ondersteuning en is direct, zonder indicatie inzetbaar voor alle ouders en jeugdigen. Hiervoor hoeven ouders en jeugdigen geen aanvraag te doen. Er is geen beschikking jeugdhulp nodig. Het team van BJH bestaat uit jeugdhulpprofessionals met verschillende specialisaties en achtergronden. BJH is daarom een overkoepelende naam verschillende soorten jeugdhulp. Het gaat om individuele en systeemgerichte ondersteuning. Ook is er aanbod in groepsverband en aanbod waarbij wordt gewerkt met niet-taalgerichte, lichaamsgerichte en vaktherapeutische interventies.
Deze ondersteuning kan op verschillende plekken plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld thuis bij het gezin, op school of bij de huisarts.
De doelgroep van de BJH bestaat uit:
Start: periode van kennismaken
De startperiode staat in het teken van kennismaken. De BJH pakt de meest urgente vragen op zodat er ruimte in het gezin ontstaat, om na te kunnen denken over hoe de problemen zijn ontstaan en hoe deze aan te pakken. Belangrijke steunfiguren en hulpbronnen in de directe omgeving van kind en gezin worden actief betrokken bij het maken van het plan en de uitvoering. Bij steunfiguren en hulpbronnen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het sociale netwerk, Jouw Ingebrachte Mentor (JIM), maatjes of vrijwilligers in de buurt.
De BJH-medewerkers sluiten aan op een manier die past bij kind en gezin. Dit gebeurt door middel van gesprekken, lichaamsgerichte en/of creatieve interventies. Het kan ook gaan om groepsinterventies om nieuwe vaardigheden te leren en met andere jeugdigen en/of ouders te leren hoe je kunt omgaan met de moeilijkheden die je ervaart. Of om gesprekken over de ontwikkeling van het kind en de uitdagingen die je bij het opvoeden tegenkomt. Soms vraagt dat om het leren omgaan met problemen die niet of maar beperkt op te lossen zijn.
Altijd wordt uitgegaan van de deskundigheid van kind en gezin en hun eigen regie. Het kind wordt altijd gesproken en in het gehele ondersteuningsproces betrokken (belang van het kind).
Vervolg: plan maken en uitvoeren
Met de kennis vanuit de startfase wordt gezamenlijk een plan gemaakt dat uitgaat van de deskundigheid van ouders en jeugdigen over hun eigen leven. Hierbij voegt de BJH-professional zijn of haar specialistische kennis toe.
De BJH gaat samen met kind en gezin op zoek naar werkzame oplossingen, waarbij het gericht is op het versterken van veerkracht en steunbronnen van kind en gezin. Problemen kunnen invloed hebben op meerdere levensterreinen, zoals het gezin, de kinderen, de relatie, school, werk, vriendenkring, etc. Waar dit nodig is ondersteunt de BJH bij deze vraagstukken, gericht op het gehele gezin en zijn omgeving. Groepsinterventies kunnen worden ingezet om nieuwe vaardigheden te leren en met andere jeugdigen en/of ouders te leren hoe je kunt omgaan met de uitdagingen die je ervaart.
Regelmatig wordt stil gestaan bij het plan en wordt besproken of dit nog aansluit. De frequentie daarvan is afhankelijk van behoefte en noodzaak.
Als blijkt dat ouders en jeugdige weer met meer vertrouwen en veerkracht zelfstandig verder kunnen, wordt toegewerkt naar een passende afronding van de inzet van BJH.
TOELICHTING OP DE VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE GRONINGEN 2026
Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Deze houdt kort gezegd in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet treffen als de jeugdige of ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en omvang van deze voorzieningenplicht wordt in beginsel door de gemeente bepaald (maatwerk).
De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2. 9, 2. 10 en 2. 12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:
over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen;
met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;
over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;
over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;
voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet;
over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet;
ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;
Artikel 2. 9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt derhalve ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet nog andere regels te stellen.
Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8. 1. 1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.
Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan dat de gemeenteraad op grond van artikel 2. 2 van de Jeugdwet vaststelt. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Lid 1 onderdeel a: algemene voorziening
Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Er vindt geen of slechts een beperkte toegangsbeoordeling plaats. Dit betekent dat voorafgaand geen (diepgaand) onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige of ouder(s).
Lid 1 onderdeel b: andere voorziening
Een andere voorziening is een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar bijvoorbeeld op grond van de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz).
Lid 1 onderdeel c: budgethouder
De budgethouder is degene aan wie op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (pgb) wordt toegekend om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Aangezien zowel jeugdigen als ouders jeugdhulp kunnen krijgen, gaat het om de jeugdige of om de ouder(s).
In deze verordening wordt in plaats van het begrip college ook wel het begrip gemeente gehanteerd. Daar waar college staat vermeld kan ook worden bedoeld de persoon of organisatie die namens het college bepaalde taken uitoefent op grond van deze verordening.
Lid 1 onderdeel f: gebruikelijke hulp
Het college hoeft geen voorziening voor jeugdhulp toe te kennen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn (artikel 2. 3 Jeugdwet). Dit wordt ook wel ‘eigen kracht’ genoemd. Ter invulling hiervan wordt onderscheid gemaakt tussen gebruikelijke en boven-gebruikelijke hulp. Uit de jurisprudentie van de CRvB volgt dat ook boven-gebruikelijke hulp onder ‘eigen kracht’ kan vallen en van ouders kan worden verlangd. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor de hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen.
Lid 1 onderdeel n: sociaal netwerk
Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o. a. (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging, school etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving.
De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht als een jeugdige of ouder zich meldt met een hulpvraag. Het komt in dat verband ook aan de orde bij de vaststelling van ‘eigen kracht’. Daarnaast komt het begrip ook voor in de bepaling over het pgb (artikel 8. 1. 1 van de Jeugdwet).
Lid 1 onderdeel p: Veilig Thuis
In de Jeugdwet wordt het begrip 'advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling' gebruikt. Inmiddels is hiervoor de naam Veilig Thuis in gebruik. In de verordening wordt daarom laatstgenoemde term gebruikt.
Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp
Artikel 2. Vormen van jeugdhulp
Dit artikel geeft een nadere uitwerking van artikel 2. 9 onderdeel a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college regels stelt over de te verlenen individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente.
Het college kan op grond van het tweede lid, de in het eerste lid genoemde voorzieningen nader uitwerken of specificeren.
Het ingekochte aanbod van jeugdhulp binnen de gemeente Groningen
Het gecontracteerde aanbod van jeugdhulp binnen de gemeente Groningen bestaat onder meer uit een gesubsidieerde algemene voorziening en regionaal ingekochte individuele voorzieningen. Een overzicht van deze laatste voorzieningen is opgenomen in de verwijsgids van de RIGG (Regionale Inkooporganisatie Groninger gemeenten), te vinden op de internetsite www. rigg. nl. Een overzicht met een beschrijving van het aanbod aan algemene voorzieningen en individuele voorzieningen binnen de gemeente Groningen is opgenomen in de bijlage bij deze verordening.
Bij de inkoop van jeugdhulp handelt de gemeente in overeenstemming met het geldende subsidie- en aanbestedingsrecht. Verwijzers zijn in beginsel gebonden aan het door de gemeente ingekochte en gecontracteerde aanbod. In uitzonderingssituaties zal soms gebruik moeten worden gemaakt van zogenaamde niet-gecontracteerde hulp. Voor de inzet daarvan maakt de gemeente gebruik van een (werk)proces. Daarbij geldt dat als een persoonsgebonden budget (pgb) ook tot de mogelijkheden behoort, deze vorm de voorkeur geniet.
Bij een aantal producten die onder de Basis jeugdhulp van Stichting WIJ Groningen vallen, zijn uitvoeringsvoorwaarden geformuleerd. Deze producten kunnen toch worden ingezet door jeugdhulpaanbieders die onder de Open House overeenkomst zijn gecontracteerd wanneer deze producten zijn gecombineerd met bepaalde producten of zijn verwezen door bepaalde verwijzers. Een actueel overzicht van de uitvoeringsvoorwaarden is opgenomen in de Verwijsgids van de RIGG.
Hoofdstuk 3. Voorzieningen: toegang, onderzoek en beoordeling
De gemeente organiseert een jeugdhulpstructuur gebaseerd op het Groninger Functioneel Model. In dat model gaan we er van uit dat toegang naar jeugdhulp zo dicht mogelijk bij en met het kind en gezin wordt georganiseerd en geregisseerd wordt door een casemanager. Hiermee geven de Groninger gemeenten vorm aan het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur. Dit gebeurt ook als de toegang via de huisarts loopt. Met de huisartsen en de zorgaanbieders moeten over de uitvoering afspraken worden gemaakt. In de praktijk kunnen tussen de professionals onderling en of met de opvoeders verschillen van inzichten ontstaan over het ondersteuningsplan en de in te zetten jeugdhulp. Daarom moeten binnen de afspraken de rollen en verantwoordelijkheden helder worden beschreven en duidelijke procesafspraken worden gemaakt.
Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen
Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten.
In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet.
De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten:
via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI);
na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts;
via Veilig Thuis (het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling: AMHK).
Toegang jeugdhulp via de gemeente
Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Het toegangsteam zal dan onderzoeken of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig, dan geeft het college (althans een deskundige namens het college) daartoe een besluit af.
Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist
De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar één van de jeugdhulpaanbieders waar de gemeente jeugdhulp heeft ingekocht. Dit betekent dat als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts kiezen voor een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente geen contract- of subsidierelatie heeft (en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdaanbieder waarmee zij wel een contract of subsidierelatie heeft), de gemeente deze hulp niet hoeft te vergoeden. De jeugdige en/of zijn ouders moeten de kosten van deze jeugdhulp zelf betalen (MvT bij art. 2. 6 lid 1 aanhef en onder g). De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang de hulp moet duren (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening.
Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting.
In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat en welke jeugdhulp nodig is (artikel 3. 5 lid 1 van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI.
De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2. 4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet). Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht.
Toegang via Veilig Thuis (het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: AMHK)
Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.
Indien Veilig Thuis inschat dat er jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning of een vorm van (verzekerede) zorg nodig is, verwijst Veilig Thuis door naar vrij toegankelijke hulp of naar het toegangsteam.
Artikel 3. Toegang algemene voorziening
Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het college geeft hiervoor dan ook geen beschikking af.
In het tweede lid is opgenomen dat ouders en jeugdigen altijd recht hebben op een goed onderzoek als bedoeld in artikel 7 van deze verordening. Dit is een onderdeel van de jeugdhulpplicht die op gemeenten rust. Op basis van dit onderzoek conform het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (1 mei 2017) wordt dan op basis van de hulpvraag en met gebruik van de daarvoor noodzakelijke deskundigheid beoordeeld welke voorziening het meest passend is. De uitkomst van dit onderzoek kan zijn dat de algemene voorziening toch de meest passende voorziening is. Een aanvraag voor een individuele voorziening zal dan om die reden worden afgewezen. Van deze afwijzing volgt dan wel een beschikking, waartegen bezwaar en beroep mogelijk is.
Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de Gemeente en aanvraag
Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is een aanvraag een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. De wet noemt in artikel 4:1 en 4:2 een aantal vormvoorschriften aan de aanvraag. Het moet schriftelijk worden ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan. De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste: de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening, een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd en de gegevens en documenten die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. In de praktijk kan het voorkomen het eerste contact over de hulpvraag al voldoet aan de vereisten van een aanvraag.
In de praktijk kunnen verschillende documenten ook als aanvraag worden aangemerkt, te weten het ondertekende ondersteuningsplan, het ondertekende verslag van het gesprek en het ondertekende budgetplan. Daarnaast kan het college op grond van artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht voor het indienen van een aanvraag een formulier vaststellen.
Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.
Deze bepaling regelt dat van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen 3 maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het pgb binnen 3 maanden gaan inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een reden zijn om de aanspraak op de jeugdhulpvoorziening in te trekken. Er wordt dan niet voldaan aan de voorwaarden van de individuele voorziening (zie artikel 14 lid 2 onderdeel d van deze verordening).
Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
In artikel 2. 6 lid 1 onderdeel g van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de mogelijkheid bestaat tot directe verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Dit laatste geldt zowel voor de algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen als de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, gezinswerker of orthopedagoog) zijn die op basis van de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. De jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn. Hij baseert zijn oordeel mede op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2).
Deze toegang wijkt af van de reguliere aanvraagprocedure zoals genoemd in artikel 5. Daarom is de bepaling van artikel 5, tiende lid hier ook nog weer apart opgenomen. Voor de toelichting wordt verwezen naar de toelichting op die bepaling.
Artikel 7. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan
Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de situatie van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het één en ander wordt besproken. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken.
A tot en met j hebben een vaste volgorde. Dit kan betekenen dat niet alle onderdelen onderwerp van gesprek zijn. Als er bijvoorbeeld sprake is van eigen kracht, komt men niet tot het bespreken van een individuele voorziening en/of pgb.
A tot en met c bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Daarna verkleint deze vervolgens weer vanaf d, eventueel zelfs tot nul.
Een zorgvuldig onderzoek vereist het op enigerlei doorlopen van de volgende stappen. Dit volgt uit onder andere de uitspraak van de CRvB van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477).
Voor het onderzoek is in ieder geval het volgende van belang:
Wat is de hulpvraag van jeugdige en/of ouders?
Wat kunnen de jeugdige en/of ouders zelf en met behulp van hun netwerk aan hun hulpvraag doen?
Zijn er andere mogelijkheden bijvoorbeeld algemene voorzieningen of andere wetten (bijv. Wlz)?
Wat is nodig vanuit de Jeugdwet?
In het handboek Grip op Jeugd van Schulinck worden de stappen als volgt samengevat:
Onderzoeken of deze gemeente verantwoordelijk is
Onderzoeken of de Jeugdwet van toepassing is
In kaart brengen van beperkingen/problematiek
Onderzoeken van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht)
Aanspraak op een voorliggende voorziening
Aanspraak op een algemene voorziening
Informeren over de mogelijkheid van het aanvragen van een pgb
Indien aangevraagd: beoordelen of aan voorwaarden pgb voldaan wordt
De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. Uit het plan moet blijken welke doelen er zijn gesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht worden. Ook de onderzoeksvragen moeten terugkomen in het ondersteuningsplan. De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het ondersteuningsplan ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Waardoor ook toepassing kan worden gegeven aan de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, waaronder die over de opschorting van de beslistermijn. In situaties dat ouders en/of jeugdigen het niet eens zijn met de inhoud van dit plan, moeten zij dit separaat of in het ondersteuningsplan aangeven. Dit betekent dat ouders en/of jeugdigen altijd schriftelijk moeten reageren op het ondersteuningsplan, met een handtekening.
De ondertekening van het plan ziet ook op overeenstemming over de afspraken die zijn gemaakt.
Artikel 8. Criteria individuele voorzieningen
In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven.
Bij het beoordelen van de problematiek wordt gekeken in hoeverre de eigen mogelijkheden van de jeugdige, zijn ouders en hun omgeving toereikend zijn om (al dan niet gedeeltelijk) een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Artikel 8a van deze verordening kent een uitwerking van de eigen kracht en een afwegingskader om te beoordelen of, en zo ja in hoeverre, sprake is van gebruikelijke hulp.
Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als jeugdige of zijn ouders gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (onderdeel b). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijvoorbeeld Wmo 2015 of Wlz). Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1. 2 van de Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen.
Een algemene (vrij toegankelijke) voorziening (onderdeel c) heeft voorrang boven een individuele voorziening. Met andere woorden: is er een algemene voorziening beschikbaar die volledig tegemoetkomt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders, dan hoeft het college geen individuele voorziening meer te treffen.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat wanneer slechts een gedeelte van de ondersteuningsbehoefte opgelost kan worden, door bijvoorbeeld het eigen netwerk of een voorliggende voorziening, het college nog steeds een voorziening zal moeten treffen voor de resterende ondersteuningsbehoefte. Dat volgt uit het gebruik van de zinsnede "voor zover" in de aanhef van deze bepaling.
In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) reeds zelf jeugdhulp ingeschakeld hebben en daarna pas een aanvraag indienen bij het college voor de betreffende hulp. Het college kan onder omstandigheden dan alsnog een voorziening verstrekken voor deze hulp, voor een periode gelegen tot maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. Uiteindelijk is het immers de eigen verantwoordelijkheid van de jeugdige en ouders tijdig een aanvraag in te dienen bij de gemeente.
Voorwaarde voor het alsnog verstrekken van een voorziening is dat de jeugdige/ouder op het moment dat ze de aanvraag doen, nog steeds tot de doelgroep van de Jeugdwet behoren. Er moet met andere woorden nog steeds sprake zijn van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. Is dat niet het geval, dan heeft college geen jeugdhulpplicht.
Verder moet het college nog in staat zijn de noodzaak en het passend zijn van de ingeschakelde hulp te beoordelen. Indien het college na onderzoek concludeert dat andere hulp hier meer op zijn plek was geweest, hoeft het geen voorziening te verstrekken. Evenmin hoeft het college nog iets te verstrekken als het niet meer mogelijk is deze beoordeling te maken. Het komt dan voor risico van de jeugdige/ouders zelf dat ze niet eerder bij het college hebben gemeld.
In het vijfde lid is een uitzondering opgenomen voor de situatie dat de ingezette ondersteuning tot stand is gekomen door een verwijzing van de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts. In dat geval moet het college de voorziening toekennen. De jeugdige en/of ouders hebben zich dan immers tijdig gemeld bij een bevoegde verwijzer.
Anders dan de Wmo 2015, kent de Jeugdwet geen bepaling over een financiële afweging bij de keuze en de inzet van individuele voorziening. De gemeentelijke verordening biedt wel ruimte om hierover regels te stellen. Met lid 7 wordt uitvoering gegeven aan artikel 2. 9, aanhef en onder a, van de wet. Daar is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.
De begrippen ‘goedkoopst’, ‘adequaat’ en ‘tijdig beschikbaar’ moeten in onderlinge samenhang worden bezien. De volgorde waarin deze begrippen zijn geplaatst, betekent niet dat in de afweging die wordt gemaakt bij het verstrekken van een bepaalde voorziening, de hoogte van de kosten van de voorziening voorop staat en pas in tweede instantie wordt gekeken naar het feit of de voorziening als voldoende passend en tijdig beschikbaar kan worden aangemerkt. ‘Goedkoopst adequaat en tijdig beschikbaar’ betekent dat een voorziening altijd adequaat en tijdig beschikbaar moet zijn. Pas als er meerdere adequate voorzieningen zijn, kan de goedkoopste adequate en tijdig beschikbare voorziening worden gekozen. Een hulpvrager die een duurdere voorziening wenst dan de voorziening die het goedkoopst adequaat en tijdig beschikbaar is, betaalt de meerkosten zelf.
In lid 8 is opgenomen dat zoveel mogelijk een (gedeelde) verklarende analyse wordt opgesteld wanneer er kan of moet worden gekozen tussen jeugdhulp met verblijf (of de voortzetting daarvan) en jeugdhulp in de thuissituatie (of de voortzetting daarvan). Dergelijke ingrijpende keuzes vergen een extra zorgvuldig onderzoek. Een (gedeelde) verklarende analyse kan daarvoor een goed middel zijn. Zo'n analyse bevordert een transparante besluitvorming: niet alleen op basis van urgentie en veiligheid, maar ook op basis van inzicht in oorzaken, draagkracht, netwerk en kosten. Dit draagt bij aan de rechtszekerheid.
Met de stijgende kosten van jeugdhulp is het belangrijk dat juist in deze situaties ook kritisch en zorgvuldig wordt gekeken naar alle consequenties van zo'n ingrijpende keuze en daarmee dus ook naar de financiële.
De Centrale Raad van Beroep heeft in mei 2025 een drietal uitspraken gedaan, waaruit blijkt dat de invulling van het begrip eigen kracht en een daarbij te hanteren afwegingskader thuishoort in de gemeentelijke verordening. Eén van die uitspraken heeft betrekking op de gemeente Groningen. In die uitspraak van 29 mei 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1097) heeft de Centrale Raad daarover het volgende overwogen.
(R. o. 4. 5) “Uit de artikelen 2. 3 en 2. 9 van de Jw volgt, mede gelet op de wetsgeschiedenis, dat de algemene begrippen van artikel 2. 3 nader dienen te worden uitgewerkt en geduid in een verordening op grond van artikel 2. 9. Ten behoeve van de rechtszekerheid en ter voorkoming van willekeur dienen in de verordening regels te worden gesteld over het aanbod, de toekenningsvoorwaarden van een individuele voorziening en de wijze van beoordeling en afwegingsfactoren daarbij. De wetgever is nadrukkelijk van mening dat artikel 2. 3 Jw zelf de jeugdige en zijn ouders onvoldoende rechtszekerheid, althans onvoldoende concrete op de individuele situatie betrekking hebbende duidelijkheid, biedt over de door het college te verlenen voorzieningen, over de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling daarvan, en over de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Niet kan dan ook worden volstaan met een herhaling in de verordening van de begrippen uit de Jw. In de gemeentelijke verordening dient onder andere een duidelijke hoofdrichting te worden neergelegd voor de betekenis die de gemeentelijke regelgever wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, nu dit binnen het wettelijk systeem wordt beschouwd als één van de afwegingsfactoren als bedoeld in artikel 2. 9 Jw. Specifiek wijst de Raad hierbij op de duiding die de gemeentelijke regelgever in dit kader wenst te geven aan de betekenis van de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek, al dan niet in relatie tot begrippen als eigen kracht, gebruikelijke hulp en/of bovengebruikelijke hulp. Een opdracht in de verordening van de gemeenteraad aan het college tot nadere regelstelling op dit vlak volstaat niet.
(R. o. 4. 6) In artikel 2. 3, eerste lid van de Jw is de bevoegdheid tot het beslissen op een verzoek om jeugdhulp op grond van de Jw toebedeeld aan het college. Het college dient dus een besluit te nemen over toe- of afwijzing van het verzoek op grond van de criteria die door de gemeenteraad in de verordening zijn neergelegd. ”
Naar aanleiding van het voorgaande is in artikel 8a een uitwerking van de begrippen eigen kracht, gebruikelijke en boven-gebruikelijke hulp opgenomen en het daarbij te hanteren afwegingskader.
Artikel 9. Aanvullende criteria pgb
Als een jeugdige/ouder in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij een budgetplan opstellen. In lid 1 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De Jeugdwet noemt in artikel 8. 1. 1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.
In deze bepaling zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp.
Alvorens een pgb toe te kennen is het van belang dat het college toetst aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8. 1. 1 lid 2 Jeugdwet (zie ook de toelichting bij lid 1). Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van ggz-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp.
In artikel 8. 1. 1, derde lid, van de Jeugdwet heeft de wetgever de mogelijkheid opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgeboden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kringen van andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige regelmatig contacten onderhoudt zoals mantelzorgers, buren, (mede)leden van een vereniging, etc. De regering vindt de inzet van het sociale netwerk zeer waardevol. Toch vindt ze het ook wenselijk dat de beloning daarvan met een pgb beperkt blijft tot een beperkt aantal gevallen. In die gevallen moet duidelijk zijn dat de inzet vanuit het sociale netwerk aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De gemeente kan dit het beste beoordelen in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders. In de meeste situaties zal het daarbij gaan om informele ondersteuning, met het daarbij behorende tarief. Belangrijk is dat de veiligheid van de jeugdige altijd is gewaarborgd en dat de jeugdhulp van goede kwaliteit is. Bij de beoordeling van die veiligheid en kwaliteit dient een goede afweging te worden gemaakt of de inzet van het sociale netwerk voldoende is, of dat daarnaast nog professionele externe begeleiding/behandeling nodig is.
Ook moet worden voorkomen dat de jeugdhulp tot overbelasting leidt bij de persoon die deze verleent. Verder gelden natuurlijk de door de wet gestelde voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Voor wat betreft het in dit verband relevante begrip gebruikelijke hulp, wordt verwezen naar artikel 1, eerste lid, onder f van deze Verordening.
Als de overeenkomst niet door het college wordt goedgekeurd, betekent dit nog niet dat daarmee de toewijzing van de individuele voorziening en het pgb komen te vervallen. Een overeenkomst moet conform de afgegeven beschikking worden opgesteld, dus met de juiste tarieven en vermelding van de jeugdhulpverlener.
Artikel 10. Onderscheid formele en informele hulp
Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd.
Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staat van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o. a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.
Professionals die hulp verlenen – ook vanuit een pgb – moeten geregistreerd zijn in het SKJ of BIG. Dat is een kwaliteitseis voor jeugdhulpverleners. De inspectie controleert de kwaliteit van jeugdhulpverleners. Ook als het gaat om hulpverleners die ingekocht worden met een pgb.
Een voorwaarde voor toekennen van een pgb is dat de hulpverlening die ingekocht wordt van goede kwaliteit is. Hiervoor gelden de kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. Eén van deze eisen is de verplichte registratie (artikel 4. 1. 6 lid 5 Jeugdwet en paragraaf 5. 1 Besluit Jeugdwet). Professionele hulpverleners die via een pgb hulp verlenen moeten dus in beginsel geregistreerd zijn, in het SKJ of BIG (register voor beroepen in de individuele gezondheidszorg).
In bijzondere situaties kan de hulp verleend worden door een professional die niet geregistreerd is. De gemeente mag de hulp alleen door deze niet-geregistreerde professionals laten uitvoeren, als aannemelijk gemaakt kan worden dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed (zie artikel 5. 1. 1 lid 2 Besluit Jeugdwet). Let op: het gaat hier dan echt om een uitzondering op de hoofdregel dat de professional moet zijn geregistreerd.
Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk.
Bloedverwantschap ontstaat door:
afstamming van dezelfde voorvader;
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap;
Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor formele hulp en een tarief voor informele hulp. Voor het onderscheid van deze twee vormen wordt verwezen naar art. 10 van de Verordening.
In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2. 9 onderdeel c van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. In deze verordening is het pgb-tarief voor informele hulp gebaseerd op 160 procent van het wettelijk minimumloon (zie de toelichting bij lid 7).
De essentialia van het voorzieningenpakket moeten in de verordening worden vastgelegd. Dit volgt onder andere uit CRvB 17 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Deze uitspraak betrof weliswaar de Wmo 2015, maar hetgeen in rechtsoverweging 4. 5 is van gelijke toepassing op de Jeugdwet (zie ECLI:RBNNL:2018:1092).
In dit lid worden de categorieën waarvoor pgb-tarieven zijn bepaald opgenomen. Als basis voor de tarieven is – zoals gezegd – in de eerste plaats een keuze gemaakt voor de zes meest voorkomende soorten jeugdhulp (productgroepen) te weten persoonlijke verzorging, begeleiding individueel/gezin, specialistische begeleiding individueel/gezin, begeleiding groep, specialistische begeleiding groep en verblijf/logeren. Daarnaast is een afzonderlijke categorie voor vervoer opgenomen.
In het tweede lid is bepaald wat de tarieven voor formele hulp met pgb zijn. In 2025 is voor elk van de in het eerste lid genoemde categorieën bepaald wat het rekenkundig gemiddelde bedrag is. Hierbij is het hoogste en het laagste bedrag buiten beschouwing gelaten. Hiervan is 70% gehanteerd. Achterliggende gedachte bij deze 70% is dat pgb in het algemeen goedkoper kan worden aangeboden dan zorg in natura, omdat pgb-aanbieders minder overheadkosten maken.
Bij het rekenkundig gemiddelde berekenden we het gemiddelde van de bedragen waarvoor de jeugdhulpaanbieders hebben ingeschreven, zonder het aantal inschrijvingen daarbij te betrekken. Hierbij werd gebruik gemaakt van de tarieven van de door de Regionale Inkooporganisatie Groninger Gemeenten (RIGG) gehanteerde inschrijfprocedure met peildatum 1 januari 2025.
Naast dit indexpercentage dat door de gemeenteraad is vastgesteld, maakt lid 10 het voor het college mogelijk om de in deze verordening opgenomen tarieven (nader) te indexeren, te verhogen of te verlagen.
Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, zal nagenoeg altijd aan deze voorwaarde zijn voldaan. Desalniettemin moet het college in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde hulp kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet zal gelden (zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO).
Bij het inzetten van een pgb binnen het sociale netwerk, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In deze bepaling is dan ook geregeld dat het informeel pgb-tarief wordt vastgesteld op tenminste het wettelijk minimumloon. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief op basis van het wettelijk minimumloon ook passend.
Het tarief voor informele begeleiding wordt vastgesteld op € 18,11 per uur, dit is 160% van het Wettelijk minimumloon, inclusief vakantietoeslag per 1 januari 2020.
Het tarief voor verblijf/logeren bedraagt € 18,11, dit is 160% van het Wettelijk minimumloon, inclusief vakantietoeslag per 1 januari 2020. De eenheid betreft etmaal.
Met een percentage van 160% van het wettelijk minimumloon inclusief vakantietoeslag, 1 januari 2020 is voorwaarde uit het zesde lid te allen tijde geborgd.
De pgb-tarieven jeugdhulp, formeel, informeel en vervoer, zijn opgenomen in een bijlage bij de Nadere regels jeugdhulp.
Dit artikellid maakt het voor het college mogelijk om de in deze verordening opgenomen tarieven te indexeren. Of daarvoor bijvoorbeeld de consumentenprijsindex (cpi) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt genomen, of een andere index, zoals de verhoging van het Wettelijk minimumloon (Wml) of de loonontwikkeling in de Cao’s VVT/GHZ kan per voorziening door het college worden bepaald.
De VNG, het ministerie van VWS, ZN en Per Saldo hebben het 'Kader pgb-vaardigheid' opgesteld. Hierin is een lijst van 10 punten opgenomen, aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of iemand pgb-vaardig is.
Het doel van het kader is om potentiële pgb-houders te informeren over welke taken, kennis en vaardigheden er zoal komen kijken bij een pgb. Door hen goed te informeren, zijn zij beter toegerust om een bewuste keuze voor een pgb.
In dit artikel wordt onder (potentiële) pgb-houder verstaan de persoon die met het pgb jeugdhulp gaat inkopen en gaat beheren. In verreweg de meeste gevallen is dit een ouder.
Daar waar in dit artikel jeugdhulpverlener staat, wordt ook verstaan iemand uit het sociale netwerk.
In dit artikel worden 10 eisen gesteld om als 'pgb-vaardig' te kunnen worden gekwalificeerd.
De pgb-houder weet welke zorg hij, of de persoon voor wie het budget bestemd is, nodig heeft. Als hij dat niet weet, is zorg in natura mogelijk meer aangewezen.
De pgb-houder moet weten welke regels er horen bij een pgb, of weet waar hij die regels kan vinden. Bijvoorbeeld op de website van de verstrekker die het pgb geeft. Het helpt als de pgb-houder digitaal vaardig is, bijvoorbeeld dat hij kan omgaan met de computer en e-mail en websites op het internet kan bezoeken.
De pgb-houder is in staat een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden en weet ook welk deel van het pgb al uitgegeven is. Een overzichtelijke pgb-administratie is niet alleen handig voor de pgb-houder zelf. Hij kan de administratie ook nodig hebben als de pgb-verstrekker (bijvoorbeeld de gemeente) daarom vraagt.
De pgb-houder moet uit zichzelf en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Bijvoorbeeld op tijd brieven van de jeugdhulpverlener beantwoorden of telefoongesprekken voeren met jeugdhulpverleners. Als er iets verandert, moet hij dat zelf aangeven. Die verplichting geldt altijd en volgt uit de wet en de verordening.
Als de pgb-houder een pgb krijgt, moet hij zelf jeugdhulpverleners uitzoeken en afspraken maken over de jeugdhulp die ze gaan geven en over hun uurtarief en hun uren.
De pgb-houder moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Bijvoorbeeld of de jeugdhulpverlener genoeg uren maakt. Omgekeerd moet hij kunnen laten zien dat hij de jeugdhulp inkoopt waarvoor hij het geld gekregen heeft.
De pgb-houder moet beoordelen of de jeugdhulp die met het pgb wordt ingekocht passend is en of de kwaliteit van de jeugdhulp in orde is. Als hij de zorg niet goed vindt, kan hij uitleggen waarom. Als de zorg niet volgens afspraak verloopt, grijpt hij zelf in. Bijvoorbeeld door de jeugdhulpverlener te bellen en uit te leggen wat er niet goed gaat.
De pgb-houder moet zelf de jeugdhulp regelen met één of meer jeugdhulpverleners en dat zo regelen dat er altijd jeugdhulp is en dat de hulp juist wordt ingezet. Ook als de jeugdhulpverlener ziek is of op vakantie gaat. Hij moet zelf jeugdhulpverleners kunnen kiezen die goed bij zijn situatie passen en hij moet zelf opletten of zij hun werk goed doen. Als de jeugdhulpverlener ziek is, moet hij zelf vervanging regelen.
De pgb-houder moet ervoor zorgen dat de jeugdhulpverleners die voor hem werken weten wat ze moeten doen en hij durft daarover een gesprek te beginnen als zij hun werk niet goed doen. Als de pgb-houder een overeenkomst met een jeugdhulpverlener is aangegaan, dan is hij juridisch gezien werkgever of opdrachtgever. Hij moet dan goed kunnen vertellen wat de jeugdhulpverlener moet doen.
De pgb-houder hoeft niet alle regels over hoe een werkgever of opdrachtgever zijn taak moet vervullen te kennen. Bijvoorbeeld bij ontslag van een zorgverlener. Maar hij moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden. Bijvoorbeeld bij instanties die hierover advies geven.
De publicatie ‘Handreiking voor toetsing op (minimale) pgb-vaardigheid’ van de Rijksoverheid biedt meer informatie.
Artikel 13. Periodiek onderzoek en heroverweging
Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht van artikel 2. 9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Op grond van artikel 8. 1. 3 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 8. 1. 3 van de wet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is dit artikel 13 toegevoegd, dat bovendien ook ziet op beslissingen aangaande de verlening van individuele voorzieningen. Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8. 1. 3 van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte individuele voorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van de jeugdige, de ouders of een pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder.
Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik
Artikel 14. Herziening, intrekking en terugvordering
In deze bepaling komen de begrippen intrekken, beëindigen, wijzigen en herzien voor. Deze begrippen behoeven een nadere toelichting. Onder intrekken wordt verstaan het stoppen van een voorziening of een pgb met terugwerkende kracht. Onder beëindigen wordt verstaan het stopzetten van een voorziening of pgb naar de toekomst. Onder herzien wordt verstaan het veranderen van een voorziening of pgb met terugwerkende kracht en onder wijzigen wordt verstaan het veranderen van een voorziening of pgb naar de toekomst.
Deze bepaling berust mede op artikel 8. 1. 2 lid 1 van de Jeugdwet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.
Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan (met terugwerkende kracht) ‘beëindigd’ vanaf een in het verleden gelegen datum.
De bepaling is afgeleid van artikel 8. 1. 4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de Jeugdwet enkel spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Dat is daarom expliciet benoemd in deze bepaling.
Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.
Deze bepaling betreft een uitbreiding ten opzichte van de wet (artikel 8. 1. 4, eerste lid), zowel wat betreft individuele voorzieningen (in natura) als pgb. Op grond hiervan kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de cliënt langer dan een 12 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wlz of de Zvw. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5. 20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken, als de verzekerde langer dan – in dat geval – twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zvw.
Deze bepaling houdt verband met de verplichting zoals is opgenomen in artikel 5, lid 10, van de verordening. In geval van een pgb heeft de gemeente de bevoegdheid om bij te laat aanspreken van de voorziening, tot intrekking van de beslissing over te gaan. Hierbij is wel een uitzondering geformuleerd voor het geval de jeugdige en/of ouders hiervan geen verwijt kan worden gemaakt.
In de Jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8. 1. 4 lid 3 Jeugdwet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.
Artikel 15. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik
Op grond van artikel 2. 9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht.
Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 14 lid 1 van deze verordening). Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen.
In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezighoudt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11).
Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is namelijk belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie Hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). Zij voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD). Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg, stuurt de gemeente deze door naar het TSD.
Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet o. a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders.
De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb.
Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2. 9, aanhef en onderdeel d, van de wet, in combinatie met artikel 8b, vierde lid, aanhef en onder f, van de Regeling Jeugdwet, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden. In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 8b, vierde lid, van de Regeling Jeugdwet) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 8. 1. 4 van de wet). Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.
Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat:
de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,
de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb, of
de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.
Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting.
Verder kan ervoor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wlz.
Op grond van het vierde lid kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder e. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.
Hoofdstuk 5. Afstemming met andere voorzieningen
Artikel 16a. Afstemming met Zorgverzekeringswet en Wet Langdurige Zorg
De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente – namelijk als het gaat om preventieve jeugdgezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg, en (licht)verstandelijk gehandicaptenzorg. De gemeente is niet verantwoordelijk voor huisartsenzorg, paramedische zorg (logopedie, fysiotherapie, dieetadvies) en de meeste medisch specialistische (ziekenhuis)zorg. Deze zorg valt onder de Zorgverzekeringswet. Langdurige (24-uurs) zorg vanwege (voornamelijk) verstandelijke en/of lichamelijke handicap, valt evenmin onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. De aanspraak op deze zorg is geregeld in de Wet langdurige Zorg (Wlz) en, voor zover het vooral somatische problematiek van minderjarigen betreft, in de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Gelet op deze afbakening, is het van belang dat er afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de aanbieders van deze zorg (en hun financiers: de zorgverzekeraars/zorgkantoren). De Jeugdwet schrijft dit ook voor (zie artikel 2. 7 lid 5 Jeugdwet). Dit artikel beschrijft een aantal onderdelen waarop afspraken nodig zijn, namelijk op het gebied van de doorverwijzing naar (algemene en individuele) jeugdhulpvoorzieningen en op welke wijze een doorverwijzing uiteindelijk wordt vastgelegd in een schriftelijke beschikking voor de jeugdige en/of zijn ouders.
Als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken, verandert veelal het wettelijk kader van waaruit zorg geleverd wordt. GGZ-zorg bijvoorbeeld komt na het 18e jaar voor rekening van de Zvw. Om zoveel mogelijk continuïteit van zorg te kunnen bieden, maakt het college afspraken met de zorgverzekeraars en het CIZ (uitvoerder van de Wlz).
Uit de Jeugdwet volgt dat het college een voorziening op grond van de Jeugdwet mag weigeren als er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige een Wlz-indicatie zou kunnen krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit (artikel 1. 2 lid 1 sub c Jeugdwet). In deze bepaling is geregeld dat indien dergelijke ‘gegronde redenen’ bestaan, het college in ieder geval zorgdraagt voor ondersteuning van het gezin in het aanvraagproces bij het CIZ. Pas als jeugdigen/ouders weigeren hieraan medewerking te verlenen, kan het college de inzet van jeugdhulp weigeren. Mits het college kan onderbouwen dat inderdaad aanspraak op Wlz-zorg zal bestaan en altijd het belang van het kind in het oog houdend.
Artikel 17. Afstemming met gecertificeerde instellingen
Om iedere jeugdige geschikte hulp, zorg of bescherming te bieden en een doorgaande lijn in de hulp voor de jeugdige te bewerkstelligen, is een intensieve samenwerking tussen gecertificeerde instellingen en gemeenten noodzakelijk. De 10 gemeenten in Groningen (na herindeling) en de gecertificeerde instellingen: Jeugdbescherming Noord, William Schrikker Groep, het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (LJ&R) hebben in regionaal verband samenwerkingsafspraken gemaakt. Afgesproken is dat de gecertificeerde instellingen werken volgens het principe één gezin, één plan, één aanspreekpunt en aansluiten op het bestaande plan van het gezinssysteem. Daartoe overleggen zij met het gemeentelijke lokale team. De gemeente blijft de procesregie houden over het één gezin, één plan, vóór, tijdens en na beëindiging van de maatregel. De inhoudelijke regie en welke jeugdhulp (aanvullend) ingezet moet worden op het moment dat een maatregel is ingezet, ligt bij de gecertificeerde instelling. Uitgangspunt is een zo ‘kort en licht’ mogelijke inzet van het gedwongen kader, zodat beëindiging van de maatregel en afschalen naar het lokale team mogelijk wordt.
Voor het inzetten van een pgb zijn specifieke afspraken gemaakt, waarbij het uitgangspunt is dat de gecertificeerde instelling geen pgb inzet. In uitzonderingsgevallen kan een pgb noodzakelijk zijn voor het leveren van maatwerk. Ook hier wordt nauw samengewerkt met het lokale team.
Artikel 18. Afstemming met Justitiedomein
In het jeugdhulpstelsel moeten gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming (vanaf nu verder afgekort RvdK) intensief samenwerken. De gemeente heeft, samen met de andere gemeenten in de provincie Groningen, op regionaal niveau afspraken gemaakt met de RvdK over de samenwerking, uitwisseling van informatie, inzet van jeugdbescherming en optreden bij crisissituaties. Deze afspraken gelden zijn vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.
Professionals/gemeenten kunnen de RvdK om advies vragen in situaties waarin de ontwikkeling en opvoeding worden bedreigd of als hier vermoedens van zijn. De gemeenten kunnen ook de RvdK verzoeken om een onderzoek in te stellen. Hiertoe dient via het Casusoverleg Bescherming (COB) een verzoek tot onderzoek (VTO) te worden ingediend, waarbij het veiligheidsplan als vaste bijlage wordt toegevoegd, conform de afspraken hierover tussen de Raad en de Groninger gemeenten.
In het COB vindt in feite de intake van de RvdK plaats. Voor dit overleg wordt de verzoeker (die het VTO indient) uitgenodigd om het VTO toe te lichten en om aanvullende vragen te beantwoorden.
In de strafrechtelijke beslissing – in het kader van een taakstraf of (gedragsbeïnvloedende) maatregel – kan de rechter besluiten tot de inzet van jeugdhulp. In de regel zal de RvdK hierover adviseren. Bij (jeugdreclasserings)maatregelen zal de gecertificeerde instelling betrokken zijn bij de uitvoering hiervan. Gaat het om taakstraffen, dan is dat de RvdK. Daarnaast kan de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts, of directeur van de Justitiële Jeugdinrichting besluiten tot de inzet van jeugdhulp in het kader van het scholings- en trainingsprogramma in het nazorgtraject.
Artikel 19a. Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht
Veel kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar bezoeken een kinderdagverblijf, waar ook voorschoolse educatie wordt geboden. De gemeente speelt een belangrijke rol in de bevordering van de pedagogische kwaliteit van deze voorschoolse voorziening en het vergroten van het bereik onder specifieke doelgroepen. Het is daarom van belang om over de relatie tussen de voorschoolse voorzieningen en de algemene (en individuele) voorzieningen op grond van deze verordening afspraken te maken met de aanbieders van kinderopvang en basisscholen.
De Jeugdwet draagt de gemeente ook op te overleggen met het onderwijs bij het treffen van een individuele voorziening (zie artikel 2. 7 Jeugdwet). Elke school heeft daarom een contactpersoon bij het gemeentelijke jeugdteam, zodat waar nodig makkelijk en snel afstemming gezocht kan worden. Bij schoolverzuim of voortijdig schoolverlaten zal hierbij tevens de leerplichtambtenaar worden betrokken. Uiteraard worden de jeugdige/ouders betrokken bij dit overleg en de gemaakte afspraken worden vastgelegd in het individuele ondersteuningsplan van de jeugdige.
Als een school vindt dat een jeugdige jeugdhulp nodig heeft, kan de school altijd contact opnemen met het lokale toegangsteam.
Artikel 19b. Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs
Alle leerlingen die extra onderwijsondersteuning nodig hebben, zowel als er sprake is van een lichte als van een zware (onderwijs) ondersteuningsbehoefte, komen in aanmerking voor Passend onderwijs. Passend onderwijs houdt in dat scholen extra onderwijsondersteuning bieden. Het gaat dan om didactische en pedagogische ondersteuning die nodig is om de onderwijsdoelen te bereiken. In de memorie van toelichting bij de Wet passend onderwijs staan de verantwoordelijkheden van de school beschreven: “De extra ondersteuning die leerlingen in het onderwijs ontvangen kan op veel verschillende manieren worden vormgegeven. Afhankelijk van de problematiek van de leerling en de mogelijkheden van de school zal de extra ondersteuning door de school worden ingezet. De ondersteuning zal er altijd op zijn gericht om de leerling verder te helpen in zijn onderwijsontwikkeling. Voorbeelden van
ondersteuning van een leerling zijn speltherapie die erop is gericht om spelenderwijs
leerproblemen aan te pakken, observatie, onderzoek of tijdelijke begeleiding door een
orthopedagoog of een psycholoog, het aanschaffen van aangepast lesmateriaal, remedial teaching sociale vaardigheidstraining of kindcoaching. ” (Bron: Memorie van Toelichting Wet Passend Onderwijs (TK 2011-2012, 33 106, nr. 3 p. 16)
Ook bij gedragsproblemen heeft de school een verantwoordelijkheid. Bij de invoering van de Wet passend onderwijs in 2014 is in de AWBZ-indicatiewijzer 7. 1 beschreven welke verantwoordelijkheden de school heeft. Als een kind vanwege een aandoening, stoornis of beperkingen gedrag heeft dat het leren bemoeilijkt, valt de daarbij behorende begeleiding onder het onderwijs. Het gaat daarbij om activiteiten die te maken hebben met de lessen, het leren, de vakinhoud en de pedagogische en didactische omgang én om alle activiteiten onder schooltijd die bij de behandelvorm ‘Behandeling gericht op herstel en/of het aanleren van vaardigheden of gedrag’ horen.
Scholen voor primair en voortgezet onderwijs hebben een zorgplicht. Dit betekent dat de school verplicht is om kinderen die extra ondersteuning nodig hebben een zo goed mogelijke plek (passende plek) in het onderwijs aan te bieden. De zorgplicht gaat in vanaf het moment dat ouders hun kind schriftelijk hebben aangemeld bij de school die ze willen. Als een leerling niet is ingeschreven op een school, moet er vrijstelling zijn van de leerplicht (op grond van artikel 5 onder a van de Leerplichtwet). Bij vrijstelling geldt er geen zorgplicht voor het onderwijs.
Om de zorgplicht waar te kunnen maken, werken scholen en schoolbesturen samen in regionale samenwerkingsverbanden. Niet elke school hoeft zorgleerlingen op te vangen. Maar binnen het samenwerkingsverband moet er wel een passende plek te vinden zijn op een andere school; het samenwerkingsverband moet een dekkend aanbod realiseren.
Voorbeelden van ondersteuning van een leerling staan in de memorie van toelichting van de Wet Passend onderwijs. Welke extra ondersteuning de school inzet, hangt af van de problemen van de leerling en de mogelijkheden die de school heeft. De mogelijkheden voor extra ondersteuning kunnen per school verschillen. In het schoolondersteuningsprofiel legt de school vast welke voorzieningen er op de school zijn voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Dit profiel wordt in de schoolgids geplaatst.
In de regio Groningen hebben de samenwerkingsverbanden met de schoolbesturen afgesproken welke ondersteuning op elke school geboden wordt. Dit heet de basisondersteuning.
Zorgplicht niet van toepassing
De zorgplicht geldt niet bij aanmelding bij een instelling voor (voortgezet) speciaal onderwijs van cluster 1 of 2. Deze instellingen maken geen deel uit van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs (TK 2011-2012, 33 106, nr. 3, p. 14-15).
In de regio Groningen wordt het Protocol Dyslexie, diagnostiek en behandeling 3. 0 gehanteerd.
Artikel 20. Afstemming met Veilig Thuis
Veilig Thuis Groningen is de organisatie voor advies, ondersteuning en onderzoek bij huiselijk geweld en kindermishandeling in Provincie Groningen. Daarmee is Veilig Thuis Groningen een belangrijke partner in de ketenaanpak voor huiselijk geweld en kindermishandeling. In de regiovisie ‘Vaailig Thoes in regio Groningen’ is deze ketenaanpak voor Provincie Groningen weergegeven. Met de gemeenten is een raamovereenkomst afgesloten waarin de afspraken tussen Veilig Thuis en de gemeenten in Provincie Groningen zijn vastgelegd. Alle gemeenten werken op basis van het Groninger Functioneel Model met lokale basisteams. Iedere gemeente kan, in het verlengde van de raamovereenkomst, aanvullende afspraken met Veilig Thuis maken over een zo optimale mogelijke aansluiting op de werkwijze van de lokale basisteams. Deze afspraken worden in dat geval aan de raamovereenkomst toegevoegd.
Artikel 21a. Afstemming met Wmo‐voorzieningen
Bepaalde voorzieningen, waaronder in ieder geval begeleiding, vallen na het 18e jaar niet meer onder de Jeugdwet, maar onder de Wmo. De gemeente is verantwoordelijk voor een warme overdracht na het 18e jaar. Daarbij is van belang dat tijdig, minimaal een half jaar tevoren, met uitgangspunt 1,5 jaar, bekeken wordt wat er gaat veranderen na het 18e jaar. Zodat de continuïteit van zorg geborgd is.
Artikel 21c. Overgang 18- naar 18+
Als de jeugdige na het 18e jaar nog hulp nodig heeft, waarborgt het college de continuïteit van de hulp en de ondersteuning. Dit houdt in dat de overgang naar een andere wet door het college begeleid wordt. Of dat verlengde jeugdhulp tijdig wordt ingezet. Om voor een jeugdige een goede overgang te hebben van de ingezette hulp wordt vanaf 16,5 jaar gekeken naar wat na het 18e jaar nodig is aan hulp. Het doel hiervan is om overgangsproblemen te voorkomen en om vanaf het 18e jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden. Als inzet van (extra) hulp kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het achttiende jaar heeft dit de voorkeur. Dit vraagt wel extra bewustwording bij jeugdige, ouders en hulpverleners. In het perspectiefplan wordt ook aandacht besteed aan aspecten als huisvesting, inkomen, werk/opleiding en welzijn na het 18e jaar.
Artikel 22. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen
Soms speelt in gezinnen die jeugdhulp nodig hebben, ook armoede- en schuldenproblematiek. De jeugdhulp kan daardoor niet of veel minder effectief zijn. Het is daarom van belang dit soort problematiek tijdig te signaleren en gezinnen naar de juiste hulp en armoedevoorzieningen te leiden. Ook van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen wordt hierin een actieve houding verwacht.
Hoofdstuk 6. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit
Artikel 23. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen
Het college kan de uitvoering van de wet door aanbieders laten verrichten (artikel 2. 11 lid 1 van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2. 12 van de Jeugdwet). Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.
Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering, worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.
Hoofdstuk 7. Klachten en medezeggenschap
De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In Hoofdstuk 9 van de Awb is de klachtbehandeling uitvoering geregeld.
De gemeente moet erop toezien dat deze aanbieders van ondersteuning, die werken onder de verantwoordelijkheid van de gemeente, een klachtenregeling hebben die voldoet aan de wettelijke eisen.
Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten jeugdige of zijn ouders zich richten tot de aanbieder/instelling die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4. 2. 1 e. v. van de Jeugdwet.
Artikel 25. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2. 10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2. 1. 3 lid 3 van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de uitvoering van deze Wet.
Deze bepaling verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.
Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of zijn ouders.
Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Gaat het om het verlenen van individuele jeugdhulpvoorzieningen, dan verplicht artikel 2. 3 Jeugdwet het college reeds maatwerk te verrichten. Gebruik van de hardheidsclausule zal daarom in dat opzicht niet snel aan de orde komen. In uitzonderingsgevallen zou het bijvoorbeeld kunnen spelen bij de regels rondom het verstrekken van een pgb.
Bij toepassing van de hardheidsclausule moet het college uitgebreid motiveren waarom in de desbetreffende situatie van de verordening wordt afgeweken.
De hardheidsclausule is van toepassing voor zowel de verordening als de nadere regels. Een situatie, waarin de hardheidsclausule toegepast kan worden, is bijvoorbeeld een situatie, waarbij in de toekomst op enigerlei wijze duidelijk wordt, dat strijd aanwezig is met internationale verdragen of bepalingen, die daarop gebaseerd zijn.
Deze afwijkingsbevoegdheid is een andere dan de inherente afwijkingsbevoegdheid van art. 4:84 Awb, dat ziet namelijk op het afwijken van een beleidsregel.
Het opnemen van een hardheidsclausule in een regeling opent de mogelijkheid voor een bestuursorgaan om, in gevallen waarin toepassing van de regeling - gegeven de doelstelling en de strekking van de regeling - een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren, een onderdeel van de regeling buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken (aanw. 5. 25, aanwijzing voor de regelgeving).
Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Als pgb-tarieven worden gewijzigd, geldt deze wijziging vanaf 1 januari van het nieuwe kalenderjaar. De wijzigingen gelden vanaf dat moment voor alle pgb’s, dus zowel voor nieuwe als voor lopende. Onder nieuwe pgb’s worden in dit verband ook verstaan pgb’s die na heronderzoek of (verlengings)aanvraag worden verleend.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-564963.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.