Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen tot vaststelling van de BELEIDSREGELS ONDERSTEUNING TOESLAGAFFAIRE AMSTELVEEN

Zaaknummer: Z25-144612

Burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen;

gelezen het advies van afdeling Werk en Inkomen van 1 december 2025 ;

gelet op artikel 160 van de Gemeentewet, gelet op 2.21 van de Wet hersteloperatie toeslagen;

en overwegende dat:

  • 1.

    in de periode tussen 2004 en 2019 heeft de Rijksbelastingdienst (hierna: RBD) in voorkomende gevallen niet juist gehandeld bij de uitvoering van de Kinderopvangtoeslag. Ouders moesten daardoor onterecht veel geld terugbetalen en kwamen in grote problemen. Ouders die benadeeld zijn met kinderopvangtoeslag hebben recht op herstel;

  • 2.

    in de landelijke samenwerkingsafspraken die zijn gemaakt tussen de Vereniging Nederlandse Gemeenten en de Rijks Belastingdienst is afgesproken dat gemeenten zorgen voor zorgvuldige, effectieve en efficiënte hulp aan gedupeerden die dat nodig hebben op de leefdomeinen financiën , gezin, werk, wonen en zorg ;

  • 3.

    het college zoveel mogelijk probeert bij te dragen aan het herstel en behoud van vertrouwen van gedupeerden in de overheid;

besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:

Beleidsregels ondersteuning toeslagaffaire Amstelveen

 

 

Artikel 1 Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    brede ondersteuning: ondersteuning die ziet op het kunnen maken van een nieuwe start op de leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg.

  • b.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen;

  • c.

    dreigende situatie: gedwongen woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektriciteit, stadsverwarming of water, gedwongen beëindiging van de zorgverzekering, ernstig belemmerende psychische omstandigheden of een soortgelijke acute crisissituatie;

  • d.

    UHT: Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagenaffaire dit is een apart onderdeel van Toeslagen van de Belastingdienst, opgericht om gedupeerde ouders te begeleiden naar herstel;

  • e.

    gezin: Bij de omschrijving van het begrip ‘gezin’ wordt aangesloten bij het begrippenkader van artikel 4 van de Participatiewet. Per rechthebbende zal moeten worden beoordeeld welke personen tot het gezin kunnen worden gerekend van degene die aanspraak maakt op brede ondersteuning.

  • f.

    gedupeerde: ouders die zich hebben aangemeld bij het UHT als mogelijk gedupeerde ouder van de toeslagenproblematiek en de definitieve beoordeling (beschikking) hebben ontvangen en daarin zijn aangemerkt als erkend gedupeerde en waarin wordt aangekondigd dat ze de eenmalige tegemoetkoming gaan ontvangen. Tevens worden als gedupeerde aangemerkt: de kinderen, pleegkinderen of voormalig pleegkind van de erkend gedupeerde ouder die de eenmalige tegemoetkoming hebben ontvangen. In een aanvullend wetsvoorstel zijn op 15 juli 2023 daaraan de ex-toeslagpartners van erkend gedupeerde ouder(s), nabestaanden van een overleden erkend gedupeerde aanvrager of een overleden kind van een erkend gedupeerde ouder aan toegevoegd.

  • g.

    niet-gedupeerde: de ouder die een eindbeschikking na de integrale beoordeling heeft ontvangen waarin de UHT heeft vastgesteld dat de ouder niet gedupeerd is;

  • h.

    plan van aanpak: Het college verleent de brede ondersteuning op basis van een plan van aanpak dat ziet op het kunnen maken van een nieuwe start en die is opgesteld door het college in samenspraak met de gedupeerde die in aanmerking komt voor brede ondersteuning. Het plan van aanpak is een beschikking conform de Awb.

  • i.

    zelfmelder: de ouder die zich heeft gemeld bij de UHT, de gemeente heeft de gegevens van de ouder ontvangen, maar de integrale beoordeling van de UHT loopt nog.

Artikel 2 Rechthebbende

  • 1.

    De volgende inwoners van de gemeente Amstelveen komen in aanmerking voor brede ondersteuning en worden aangeduid als rechthebbende:

    • a.

      Een aanvrager van de kinderopvangtoeslag die zich heeft gemeld bij UHT voor herstel, maar nog niet definitief beoordeeld is;

    • b.

      Een aanvrager van de kinderopvangtoeslag die zich heeft gemeld bij UHT voor herstel en erkend is als gedupeerde ouder;

    • c.

      Een ex-toeslagpartner die door UHT als zodanig is erkend en in aanmerking komt voor compensatie;

    • d.

      Een kind van een erkende ouder dat in aanmerking komt voor de tegemoetkoming in het kader van de kindregeling;

    • e.

      Een nabestaande die in aanmerking komt voor compensatie of tegemoetkoming.

  • 2.

    De brede ondersteuning wordt ook geboden aan het gezin van de rechthebbende. Het moment van melden bij het college is leidend voor het bepalen wie er binnen de gezinsdefinitie van de rechthebbende op brede ondersteuning valt.

  • 3.

    In beginsel wordt de brede ondersteuning geboden aan de rechthebbende, zoals beschreven in dit artikel, die in de gemeente Amstelveen woonachtig is. Er zijn uitzonderlijke situaties denkbaar die het wenselijk maken om brede ondersteuning aan te kunnen bieden aan een rechthebbende die voldoet aan een van bovenstaande criteria, maar niet woonachtig (meer) is in de gemeente. In die gevallen zal in afstemming met de betreffende woongemeente en de rechthebbende naar een oplossing worden gezocht.

  • 4.

    Minderjarige jongere

    • a.

      Een handelingsbekwame minderjarige jongere die in aanmerking komt voor de kindregeling – en daarmee een rechthebbende op brede ondersteuning is - kan te allen tijde zelf een beroep doen op de brede ondersteuning door de gemeente. Een jongere die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, wordt geacht handelingsbekwaam te zijn.

    • b.

      Een handelingsonbekwame minderjarige jongere die in aanmerking komt voor de kindregeling – en daarmee een rechthebbende op brede ondersteuning is – kan terecht bij de gemeente in de woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige kind uit, maar hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft op grond van de Basisregistratie Personen.

Artikel 3 Doelstelling van de ondersteuning

  • 1.

    Het college stelt zich tot doel om met de ondersteuning van gedupeerden daar waar mogelijk een nieuwe start te faciliteren.

  • 2.

    De ondersteuning van het college is aanvullend op de eigen inzet van het gezin en het sociale netwerk.

  • 3.

    De brede ondersteuning zoals omschreven in het plan van aanpak is gericht op het faciliteren van het kunnen maken van een nieuwe start (voor zover mogelijk) of de juiste richting hiertoe te vinden op de vijf leefgebieden genoemd onder a tot en met e. De daarbij omschreven doelstellingen op de leefgebieden bieden een beschrijving van de situatie die de betrokkene naar het oordeel van het college in staat stelt om een nieuwe start te kunnen maken voor zover haalbaar op individueel niveau van rechthebbende. De doelstellingen hebben betrekking op de volgende leefgebieden;

    • a.

      financiën: de doelstelling ten aanzien van financiën is om in staat te kunnen zijn een financiële gezond huishouden te kunnen voeren;

    • b.

      gezin: de doelstelling ten aanzien van gezin betreft het kunnen samenleven en opgroeien in een veilige omgeving waarbinnen kinderen zich kunnen ontwikkelen;

    • c.

      werk: de doelstelling ten aanzien van werk is het duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces met minimaal de beschikking over een startkwalificatie.

    • d.

      wonen: de doelstelling ten aanzien van wonen betreft een veilige en betaalbare plek om te wonen;

    • e.

      zorg: de doelstelling ten aanzien van zorg is het welzijn vanuit lichamelijke en geestelijke gezondheid;

  • 4.

    Middelen worden alleen ingezet als dit nodig is voor én langdurig bijdraagt aan het gestelde doel. De middelen die nodig zijn om het gestelde doel te bereiken worden binnen een half jaar na het eerste gesprek ingezet en maken onderdeel uit van het plan van aanpak.

  • 5.

    Het college kan bij een eventuele verstrekking de financiële draagkracht van rechthebbende in acht nemen.

  • 6.

    Om de noodzaak van maatwerk te kunnen beoordelen kan het college inzicht vragen in de financiële situatie van de inwoner. Dit is met name bedoeld om te kunnen achterhalen of de geboden maatwerkvoorziening een duurzame oplossing is.

  • 7.

    Het college kan voordat de maatwerkvoorziening wordt toegekend de aanvrager om medewerking vragen om te kunnen bepalen op een beoogde voorziening noodzakelijk is voor het maken van een nieuwe start,

  • 8.

    De onder lid 7 bedoelde medewerking kan bestaan uit het afleggen van een huisbezoek teneinde de noodzaak van de brede ondersteuning te kunnen beoordelen

  • 9.

    Geen onderdeel van de brede ondersteuning zijn:

    • a.

      vormen van algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning;

    • b.

      ondersteuning op andere leefgebieden dan bedoeld in lid 3

    • c.

      vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet;

    • d.

      vergoeding van schulden, tenzij het gaat om vergoeding van betalingsachterstanden in een bedreigende situatie en onder de voorwaarde dat er ook aanvullende voorzieningen worden ingezet om herhaling van een bedreigende situatie te voorkomen;

    • e.

      kosten voor voorzieningen die zijn gemaakt voordat een aanvraag is ingediend tenzij sprake was van een bedreigende situatie; of

    • f.

      kosten voor een advocaat bij het ontvangen van vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet.

  • 10.

    Bij een vergoeding van kosten wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate oplossing.

  • 11.

    Eventuele periodieke kosten komen in beginsel 6 maanden voor vergoeding in aanmerking.

  • 12.

    Waar nodig en mogelijk worden voorliggende voorzieningen ingezet binnen de gebruikelijke regelgeving, hulpverlening en werkwijzen.

  • 13.

    Het college hanteert bij de vergoeding van kosten de richtlijnen van het NIBUD, tenzij er gemeentelijke bepalingen over de hoogte van een verstrekking in het gemeentelijk beleid zijn opgenomen.

  • 14.

    Als een door de ouder gewenste oplossing niet (meteen) haalbaar is, bijvoorbeeld vanwege wachtlijsten, wordt besproken welke alternatieven wel haalbaar zijn.

  • 15.

    Bij het bepalen welke voorzieningen worden ingezet voor de betrokkene, wordt onderscheid gemaakt tussen wens en noodzaak. De inzet van voorziening(en) en/of middelen moet redelijkerwijs noodzakelijk zijn om het gestelde doel te bereiken. Wordt het doel niet bereikt als het middel of de voorziening niet wordt ingezet, dan wordt vervolgens redelijkerwijs bekeken naar de meest adequate manier om dit doel te bereiken.

Artikel 4 Aanvullend schuldhulpverleningsaanbod jongeren

  • 1.

    Het plan van aanpak bevat een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, als de aanvrager:

    • a.

      achttien jaar of ouder is;

    • b.

      in aanmerking komt voor de kindregeling;

    • c.

      naar het oordeel van het college in een problematische schuldsituatie zit; en

    • d.

      diens aanvraag heeft ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021

  • 2.

    Het college begeleidt de aanvrager bij het inzichtelijk maken van diens financiële situatie.

Artikel 5 Toekenning voorzieningen

  • 1.

    Het college verstrekt aan de aanvrager de immateriële en materiële voorzieningen die in het plan van aanpak zijn toegekend.

  • 2.

    Bij het toekennen van de voorzieningen houdt het college onder andere rekening met:

    • a.

      de vaardigheden van de aanvrager;

    • b.

      de draagkracht en financiële armslag van de aanvrager;

    • c.

      de omvang en de samenstelling van het huishouden van de aanvrager;

    • d.

      het duurzame karakter van de voorziening; en

    • e.

      de wijze waarop de voorziening de aanvrager in staat stelt om de doelstellingen zoal somschreven in artikel 3 uit het plan van aanpak te bereiken.

Artikel 6 Besluit op de aanvraag

  • 1.

    Het college zorgt dat de aanvrager 8 weken na het eerste gesprek een beschikking ontvangt. De beschikking bevat:

    • a.

      een verlening van toegang tot brede ondersteuning met een plan van aanpak dat minstens op hoofdlijnen is vastgesteld; of

    • b.

      een gemotiveerde weigering van de toegang tot brede ondersteuning.

  • 2.

    Het college kan de termijn uit het eerste lid voor het opstellen van een plan van aanpak met 4 weken verlengen.

Artikel 7 Weigeren voorzieningen

Het college weigert het toekennen van een voorziening als:

  • a.

    de gevraagde voorziening al vóór het eerste gesprek is gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er na het indienen van de aanvraag maar vóór het eerste gesprek sprake was van een dreigende situatie waarvoor de voorziening noodzakelijk was;

  • b.

    de voorziening niet aan de artikelen voldoet zoals opgenomen in deze beleidsregels; of

  • c.

    de aanvrager niet de medewerking verleend waardoor het college niet kan vaststellen of de beoogde voorziening aan de artikelen in deze beleidsregels voldoet.

Artikel 8 Het wijzigen van het plan van aanpak

  • 1.

    Het college kan tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak in samenspraak met de aanvrager aanvullen of nieuwe of andere voorzieningen toekennen. Bij materiële voorzieningen is deze termijn beperkt tot zes maanden na het eerste gesprek.

  • 2.

    Een aanvrager kan schriftelijk een verzoek indienen om het plan van aanpak te wijzigen.

  • 3.

    Als de aanvrager het college verzoekt een aanvullende voorziening toe te kennen, toetst het college dit verzoek aan artikel 3 en artikel 9.

  • 4.

    De in het plan van aanpak vastgestelde doelstellingen wijzigt het college niet, tenzij zich gedurende de uitvoering van het plan van aanpak nieuwe feiten en omstandigheden voordoen die wijziging noodzakelijk maken.

Artikel 9 Beëindiging ondersteuning

  • 1.

    De ondersteuning wordt beëindigd binnen 2 jaar na het formeel vaststellen van het plan van aanpak of indien naar het oordeel van het college;

    • a.

      de uitvoering van het plan van aanpak en de nazorg met de ouder(s) succesvol is afgerond;

    • b.

      de hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de ouders, niet (langer) passend is;

    • c.

      de ondersteuning door het college niet (langer) noodzakelijk wordt geacht;

    • d.

      als de inwoner niet meewerkt aan het opstellen of uitvoeren van het plan van aanpak.

  • 2.

    Het college beëindigt de ondersteuning als de RBD de ouder afwijst als gedupeerde na de integrale beoordeling door de UHT. Waar nodig en mogelijk worden ouders warm overgedragen aan reguliere hulpverlening.

  • 3.

    Wanneer er blijvende ondersteuning nodig is na de termijn zoals genoemd in lid 1 vindt er in overleg met de rechthebbende overdracht plaats naar de reguliere gemeentelijke hulpverlening.

Artikel 10 Onvoorziene Omstandigheden

In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.

Artikel 11 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbenden afwijken van de bepalingen in de beleidsregels, indien strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden.

Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking per 1 januari 2026 en worden aangehaald als "Beleidsregels ondersteuning toeslagaffaire Amstelveen ”.

  • 2.

    Op het tijdstip genoemd in het eerste lid wordt het document "Beleidsregels KOT”, zoals vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van 24 december 2024, ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 9 december 2025

 

De secretaris,

Bert Winthorst

De voorzitter,

Tjapko Poppens

Naar boven