Gemeenteblad van Assen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Assen | Gemeenteblad 2025, 564456 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Assen | Gemeenteblad 2025, 564456 | beleidsregel |
Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Assen 2026
Deze nadere regels treden in werking op 1 januari 2026.
Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Assen 2026
De gemeente van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen
gelet op de Wmo en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Assen 2026
vast te stellen de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Assen 2026
Artikel 1 Uitleg van begrippen
In deze nadere regels wordt verstaan onder:
begeleiding maatschappelijke opvang: begeleiding van jeugdigen en volwassenen met ernstige problemen op meerdere terreinen van wonen en leven, waarbij de factoren dakloosheid, geweld en/of maatschappelijke uitval feitelijk zijn of een dreigend, daadwerkelijk perspectief vormen. De begeleiding aan deze doelgroep voorkomt dakloosheid en bevordert de doorstroom uit de maatschappelijke opvang
centrumgemeente: de gemeente Assen die als centrumgemeente de eindverantwoordelijkheid heeft voor Beschermd wonen en maatschappelijke opvang en namens de gemeenten Aa en Hunze, Tynaarlo, Noordenveld, Midden-Drenthe, Meppel, Hoogeveen, De Wolden, Westerveld het mandaat heeft op grond hiervan besluiten te nemen
Hoofdstuk 2 Vormen van ondersteuning en resultaatgebieden
Op grond van de Wmo is het aan de gemeente om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In de wet is bepaald over welke elementen (aspecten) de gemeente in het kader van zijn inkoop- of subsidierelatie met de zorgaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket.
De wet gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid en eigen probleemoplossend vermogen van cliënten, met inzet van hun eigen sociale netwerk.
Paragraaf Ambulante begeleiding
Ambulante begeleiding van de cliënt is gericht op het aanleren van vaardigheden en/of het leren omgaan met een beperking, problemen of belangrijke levensgebeurtenissen. Met als doel zoveel mogelijk de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te bevorderen en te behouden. Dit is van toepassing op alle leefgebieden van waaruit begeleiding voor volwassenen ingezet kan worden.
De aanbieder heeft een actieve rol bij de aandacht voor het systeem. Met deze aandacht wordt bedoeld dat de aanbieder rekening houdt, gebruik maakt en begeleiding biedt binnen de context van de cliënt zoals familie, vrienden, werk en andere omgevingsfactoren voor zover deze invloed hebben op het te bereiken resultaat.
Ambulante begeleiding kan op twee manieren worden ingezet:
kortdurende begeleiding: ondersteuning gericht op het ontwikkelen van vaardigheden die zelfredzaamheid en participatiemogelijkheden vergroten. In een korte periode (maximaal 12 maanden) wordt er actief gewerkt aan de gewenste doelen. Deze ondersteuning kan op Basis, Basis Plus en Specialistisch niveau worden ingezet
Artikel 2 Aspecten ambulante begeleiding
De ambulante begeleiding op het resultaatgebied veilige huiselijke relatie.
Specifieke interventies op (acute) onveiligheid rond kinderen en de veiligheid van het kind (in het systeem), wordt op een andere wijze georganiseerd onder andere via Jeugdbeschermings- en Jeugdreclasseringsmaatregelen, Spoed4Jeugd, Veilig Thuis en crisisopvang en binnen de Toegang/gemeentelijke keten.
De ambulante begeleiding op het resultaatgebied financiën op orde.
Beschrijving: ambulante begeleiding van de cliënten in geval de financiële situatie niet op orde is. Er is sprake van schuldenproblematiek, onvoldoende inkomsten en/of spontaan of ongepast uitgavenpatroon. De problematiek overstijgt de reguliere financiële hulpverlening, die de afzonderlijke gemeenten hebben ingericht.
De ambulante begeleiding op het resultaatgebied maatschappelijke participatie.
Beschrijving: Ambulante begeleiding van de cliënt ingeval de cliënt niet of nauwelijks participeert in de maatschappij, waarbij de cliënt zelf of het betrokken systeem problemen ondervindt als bijvoorbeeld eenzaamheid en verwaarlozing. Er is ofwel gebrek aan motivatie, ofwel gebrek aan sociale vaardigheden om deel te nemen aan de maatschappij.
De ambulante begeleiding op het resultaatgebied gezondheid.
Beschrijving: Dit leefgebied gaat over het psychisch welbevinden van de cliënt. De begeleiding is gericht op het stabiel houden van de mentale toestand van de cliënt en de cliënt leert om te gaan met zijn of haar beperkingen in het dagelijks functioneren. Er wordt ondersteund bij het verbeteren van het geestelijk en lichamelijk welbevinden van de cliënt, zodat deze zo optimaal mogelijk kan functioneren in de maatschappij. De cliënt en zijn omgeving leren omgaan met de fysieke, verstandelijke en/of psychische beperking.
De ambulante begeleiding op het resultaatgebied verslaving.
Beschrijving: De begeleiding is gericht op het stabiel houden van de verslavingsproblematiek in brede zin. De cliënt leert omgaan met zijn beperkingen in het dagelijks functioneren. Het betreft de afhankelijkheid van middelen en het kunnen omgaan met eventuele gevolgen daarvan. Er wordt gewerkt aan de afbouw van de afhankelijkheid en het zo goed mogelijk functioneren in de maatschappij.
De cliënt is zelfstandig in staat om ondanks zijn verslaving te functioneren, zelfredzaam te blijven en te participeren. De cliënt kan met ondersteuning ondanks de verslaving blijven functioneren en participeren. Voorkomen dat de (potentiële) verslaving van de cliënt een gevaar oplevert voor zichzelf of anderen.
Dagbesteding is ondersteuning aan de cliënt ten behoeve van participatie in de maatschappij en is bedoeld voor volwassenen met een beperking die niet in staat zijn om aan onderwijs, (vrijwilligers)werk of andere vormen van maatschappelijke participatie deel te nemen. De cliënt heeft ondersteuning nodig om invulling te geven aan de dag. Dagbesteding vindt plaats op de locatie van de aanbieder waarbij meerdere cliënten begeleid worden door één of enkele begeleiders.
De locatie van de passende dagbesteding is in de leefomgeving van de cliënt of zo dichtbij mogelijk. De aanbieder bevordert zo veel als mogelijk participatie en uitwisseling tussen activiteiten en leefomgeving van de cliënt (inclusief het netwerk van de cliënt).
Dagbesteding is in principe exclusief vervoer. Het uitgangspunt hierbij is de inzet van het eigen netwerk van de cliënt. Voor cliënten die niet zelfstandig of met behulp van het netwerk van en naar de dagbesteding kunnen komen, kan er een vervoerscomponent worden toegevoegd aan de indicatie. De aanbieder is dan verplicht het vervoer van en naar de dagbesteding te organiseren. De vervoerscomponent wordt nader uitgewerkt in dit document.
We onderscheiden drie vormen van dagbesteding:
Bij M1 en M2 ligt de nadruk op ontwikkeling van de cliënt en doorstroom naar (on)betaald werk en/of terugkeer naar onderwijs en wordt slechts tijdelijk ingezet. Voor de gemeenten waarin dit beschikbaar is, kan er toeleiding naar onderwijszorgarrangementen (OZA) plaatsvinden. Indicaties voor M1 en M2 worden voor maximaal een half jaar ingezet. Bij de evaluatie moet nadrukkelijk onderzocht worden of het resultaat behaald is of binnen afzienbare tijd te behalen is. Een verlenging van een half jaar behoort tot de mogelijkheden. De totale looptijd van de indicatie mag maximaal een jaar zijn.
Als het geformuleerde resultaat (tijdelijk) niet haalbaar is, maar er is wel ondersteuning nodig om een zinvolle daginvulling en sociale participatie te bieden dan kan M3 worden ingezet. M3 kan ook arbeidsmatig van aard zijn.
Voor cliënten die niet kunnen uitstromen en aangewezen zijn op langdurige (levenslange) ondersteuning bij hun daginvulling en sociale participatie, kan zinvolle dagbesteding (M3) ingezet worden. M3 is bedoeld voor cliënten die niet zelfstandig of met behulp van hun omgeving een zinvolle daginvulling kunnen organiseren via voorliggende voorzieningen zoals vrijwilligerswerk, algemene voorzieningen voor inloop, ontmoeting en wijkactiviteiten etc.
Doelstelling kan zijn het aanleren van vaardigheden, bieden van daginvulling en structuur tijdens de dag en/of ontlasting van de mantelzorger en/of het gezin. Het oplossend vermogen van de cliënt wordt versterkt. Dit betekent dat ook doorstroom mogelijk is vanuit M3 naar een algemene/gebruikelijke voorziening in de wijk.
Artikel 4 M2 Dagbesteding gericht op ontwikkeling en toeleiding naar onderwijs
Beschrijving: dagbesteding gericht op ontwikkeling en terugkeer naar onderwijs, bedoeld voor de cliënt die jonger is dan 23 jaar. De cliënt is tijdelijk niet in staat onderwijs te volgen. De ondersteuning is gericht op het werken aan sociale, emotionele en praktische vaardigheden, nodig om te kunnen functioneren in het onderwijs en met het doel: terug te keren naar onderwijs.
Artikel 5 M3 Dagbesteding gericht op ontwikkeling en behouden van een zinvolle daginvulling en sociale participatie
Beschrijving: Dit betreft ondersteuning overdag aan de cliënt in groepsverband op locatie van de aanbieder. Dagbesteding kan ook een vorm van ondersteuning zijn waarbij de cliënt op de locatie vaardigheden oefent en leert toepassen waarmee zelfredzaamheid wordt bevorderd. De cliënt ervaart op één of meerdere levensgebieden problemen bij het zelfstandig regelen van dagelijkse bezigheden, de dagelijkse routine en structuur.
Paragraaf Vervoer naar en van dagbesteding
De cliënt dient het vervoer zelf, eventueel met de inzet van het eigen netwerk, te organiseren. Indien dit niet mogelijk is kan er bij de indicatie een extra vervoerscomponent worden toegevoegd. De aanbieder heeft dan de verplichting dit vervoer te organiseren. Denk hierbij aan het zelf uitvoeren met eigen personeel/vrijwilligers of door het inzetten van een vervoersbedrijf. Vervoer bij dagbesteding is bedoeld om cliënten met een indicatie voor dagbesteding op grond van de Jeugdwet of Wmo te vervoeren tussen hun thuisadres en de locatie van de dagbesteding. Deze vervoerscomponent kan alleen worden ingezet in combinatie met dagbesteding. Het algemene uitgangspunt van de gemeenten is om de passende dagbesteding in de nabije omgeving van de cliënt te laten plaatsvinden. Bij de inzet van passende dagbesteding wordt eerst gekeken binnen de eigen wijk en vervolgens verder in de gemeente.
Artikel 6 Aspecten vervoer regulier naar en van dagbesteding
Beschrijving: Het betreft cliënten die vanwege fysieke-, psychische- of sociale beperking(en) (nog) niet, op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen, in staat zijn om de locatie van de dagbesteding te bereiken en om thuis te komen vanuit de locatie van de dagbesteding.
De aanbieder van dagbesteding heeft de opdracht bij ontwikkelperspectief van de cliënt te blijven stimuleren op het vergroten van de zelfredzaamheid en het gebruik van reguliere vervoersmiddelen (OV/Fiets). Wanneer een cliënt door middel van training/ coaching zelfstandig (fiets, lopend, scootmobiel, openbaar vervoer) van en naar de dagbestedingslocatie kan reizen, dan kan dit in plaats komen van het vervoer door de aanbieder. Betreffende training/coaching kan worden opgenomen als te behalen resultaat.
Artikel 7 Aspecten rolstoelvervoer naar en van dagbesteding
Beschrijving: Het betreft cliënten die die zich uitsluitend met een rolstoel kunnen verplaatsen en die vanwege fysieke-, psychische- of sociale beperking(en) (nog) niet, op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen, in staat zijn om de locatie van de dagbesteding te bereiken om thuis te komen vanuit de locatie van de dagbesteding.
De aanbieder van dagbesteding heeft de opdracht bij ontwikkelperspectief van de cliënt te blijven stimuleren op het vergroten van de zelfredzaamheid en het gebruik van reguliere vervoersmiddelen (OV/Fiets). Wanneer een cliënt door middel van training/ coaching zelfstandig (fiets, lopend, scootmobiel, openbaar vervoer) van en naar de dagbestedingslocatie kan reizen, dan kan dit in plaats komen van het vervoer door de aanbieder. Betreffende training/coaching kan worden opgenomen als te behalen resultaat.
aanbieder is verplicht om in geval van directe verwijzing (bijv. GI of medisch specialist) te toetsen of directe verwijzer de eigen kracht van cliënt en netwerk heeft getoetst ten aanzien van vervoer. Indien cliënt of diens netwerk geheel of gedeeltelijk het vervoer zelf kunnen organiseren heeft aanbieder een meldplicht bij de desbetreffende lokale gemeente.
De aanbieder moet, wanneer de gezondheid van een geïndiceerde reiziger dat noodzakelijk maakt, zonder meerkosten voor de gemeente, beschikken over voertuigen die geen allergische of andere lichamelijke reacties kunnen oproepen omdat daar eerder (huis)dieren in vervoerd zijn.
Paragraaf Schoon en leefbaar huis
Het resultaat van de ondersteuning is dat de cliënt beschikt over een schoon en leefbaar huis. Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. De gemeente Assen hanteert de meest recente versie van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van bureau HHM, gepubliceerd op de website hhm.nl, hierna te noemen HHM-Normenkader, om objectief en onafhankelijk vast te stellen wat er nodig is om een huis schoon en leefbaar te maken.
Indien cliënt regie kan voeren over het eigen leven, mag van hem/haar worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en keuzes worden gemaakt. Indien dit ontbreekt kan hiervoor extra ondersteuning worden ingezet. Bij de beoordeling of overname van de regie noodzakelijk is, wordt ook gebruik gemaakt van het HHM-Normenkader.
We onderscheiden twee categorieën van ondersteuning:
De gemeente Assen hanteert het HHM-Normenkader om objectief en onafhankelijk vast te stellen wat er nodig is aan activiteiten voor de wasverzorging. De cliënt en zijn huisgenoten moeten kunnen beschikken over gewassen, opgevouwen of opgehangen kleding en linnengoed. Van de cliënt mag in dit kader worden verwacht dat er bijvoorbeeld extra (twee- of driedubbel) beddengoed aanwezig is. Datzelfde geldt voor bijvoorbeeld voldoende handdoeken, ander linnengoed en/of kleding. Op deze manier kan de inzet van ondersteuning zo efficiënt mogelijk worden gerealiseerd.
Hieronder wordt verstaan het opstellen van een boodschappenlijst, het doen van de boodschappen en/of het opruimen van de boodschappen. Een (online) boodschappendienst is voorliggend. Indien cliënt dit niet zelf kan regelen, dan is inzet vanuit het voorliggend veld, gebruikelijke hulp, sociaal netwerk en/of een vrijwilliger voorliggend om cliënt hierbij te helpen.
Artikel 8 Activiteiten schoon en leefbaar huis
De huishoudelijke hulp wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt. Deze kan bestaan uit meewerken, begeleiden, aanleren en/of overnemen. Waar mogelijk voert de cliënt zelf de taken uit en voert de regie op het huishouden. Het college hanteert hierbij de volgende uitgangspunten:
De cliënt wordt geacht zelf bij te dragen aan het efficiënt kunnen uitvoeren van de ondersteuningsactiviteiten, bijvoorbeeld middels de aanschaf van schoonmaakmiddelen en het zorgen voor een opgeruimde kamer. Een bovenmatig bewerkelijke inrichting van de woning leidt daarom in principe niet tot de toekenning van extra activiteiten en/of frequentie. Hierbij rekening houdend met de persoonlijke kenmerken en voorkeuren van de cliënt.
De cliënt is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van de algemeen gebruikelijke technische hulpmiddelen en het treffen van maatregelen. Als dergelijke middelen niet aanwezig zijn, maar wel een adequate oplossing zouden bieden voor het probleem, is de aanschaf van deze hulpmiddelen voorliggend op het inzetten van een maatwerkvoorziening schoon en leefbaar huis.
Aanbieders plannen de werkzaamheden in deze tijdsblokken in overleg met de cliënt, op volgorde van aanmelding, rekening houdend met de medische situatie van cliënt. Wanneer een cliënt uitsluitend ondersteuning wil ontvangen op momenten waarop dan geen hulp beschikbaar is, kan een andere cliënt voorgaan.
Artikel 10 Voortzetten ondersteuning na overlijden huisgenoot
Wanneer cliënt overlijdt en een huisgenoot achterblijft, zal de ondersteuning twee weken worden voortgezet. In deze periode neemt de gemeente contact op met de huisgenoot, om de ondersteuningsbehoefte in de nieuwe situatie te onderzoeken.
De maatwerkvoorziening schoon en leefbaar huis wordt toegekend op grond van de Wmo en de Jeugdwet. Het afwegingskader zoals vermeld in artikel 2.3.2 Wmo resp. artikel 2.3 Jeugdwet en de verordening zijn van toepassing. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp, maken we gebruik van de meest recente versie van het HHM-Normenkader.
Logeren is een vorm van hulp die gericht is op het ontlasten van het gezin en/of de mantelzorger in een veilige en adequate omgeving, ook wel aangeduid als respijtzorg. Er is aandacht voor sfeer, geborgenheid, ritme en regelmaat. Met de inzet van logeren kan preventief worden gewerkt aan het voorkomen van overbelasting bij het gezin en/of de mantelzorger. Daarnaast kan logeren ook worden ingezet om de balans in het gezin weer te herstellen en te werken aan de individuele begeleidingsdoelen van de cliënt. Het gezin en/of de mantelzorger krijgt handvatten en tools aangereikt, indien van toepassing op alle leefgebieden, waarmee zoveel als mogelijk de zelfredzaamheid van de cliënt en de stabiliteit van het gezin kan worden bevorderd en behouden.
Beschrijving: Het doel van logeren is het voorkomen van overbelasting van het gezin en/of de mantelzorger. Tijdens logeren wordt gewerkt aan doelen van de cliënt. De Zorgaanbieder biedt begeleiding aan de cliënt op basis van de gestelde doelen. Tijdens het logeren is er aandacht voor sfeer, geborgenheid, ritme en regelmaat. De zorgaanbieder biedt begeleiding aan de het gezin en/of de mantelzorger, waar dit het logeren raakt.
Wmo Verblijf is de overkoepelende term voor de ondersteuning voor inwoners met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Wmo Verblijf wordt in de vorm van een maatwerkvoorziening geboden. Het criterium luidt dat een maatwerkvoorziening erin moet voorzien dat betrokkene indien dat kan en zo snel als mogelijk, weer in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Binnen de voorzieningen Wmo Verblijf dient 24 uur per dag begeleiding beschikbaar te zijn, waarbij sprake van een onderscheid in de nabijheidsbehoefte. De voorzieningen zijn afgestemd op de mate waarop iemand zelfstandig kan functioneren en de behoefte aan toezicht. Er zijn verschillende vormen van ondersteuning, de zwaarste omvat intensieve ondersteuning en toezicht, dit kan trapsgewijs worden afgeschaald naar een lichtere vorm. Bij alle vormen kan zowel geplande als ongeplande begeleiding plaats vinden.
Binnen Wmo Verblijf wordt onderscheid gemaakt tussen klassiek beschermd wonen en tussenvormen.
Onder klassiek beschermd wonen verstaan we alle vormen die binnen de wettelijke definitie (Wmo 2015 art. 1.1.1) vallen. Als het wonen geen onderdeel uitmaakt van een verstrekking van een voorziening Wmo Verblijf spreken we van een tussenvorm.
Definitie en noodzaak van toezicht
Actieve observatie en signalering gedurende 24 uur per dag. De aanbieder moet in de woonsetting fysiek aanwezig zijn om indien nodig direct in te kunnen grijpen en kan indien nodig ongevraagd hulp bieden aan de inwoner. Het toezicht is nodig op zowel geplande als ongeplande momenten, waarbij de aanbieder het initiatief moet nemen. Dit betekent dat er minimaal een slaapwacht aanwezig is.
Definitie en noodzaak van nabijheid
De inwoner heeft beperkt vermogen om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties. Voortdurende begeleiding of overname van taken is nodig ten aanzien van de zelfredzaamheid, gezondheid, meedoen en veiligheid. De inwoner kan (nog) niet zelf beoordelen of voldoende aangeven welke ondersteuning hij/zij nodig heeft. Ondersteuning is nodig op zowel geplande als ongeplande momenten, waarbij de aanbieder grotendeels het initiatief moet nemen.
Kortdurende afwezigheid van toezicht gebeurt alleen op inschatting van de aanbieder omdat inwoner hier onvoldoende regie op kan voeren. De aanbieder dient altijd binnen 15 minuten weer aanwezig te kunnen zijn op de woonlocatie.
De inwoner kan buiten geplande momenten 24/7 (telefonisch) in contact treden met aanbieder, wanneer de hulpvraag van de inwoner niet uit te stellen is tot het volgende dagdeel of de volgende dag. Door de aanbieder wordt met de inwoner ingeschat of er wel/niet directe beschikbaarheid van de aanbieder noodzakelijk is (triage).
De aanbieder biedt in voorkomende situaties onplanbare begeleiding binnen 30 minuten op de woonlocatie van de inwoner.
Afbakening Thuiswonen en ambulante ondersteuning
Een voorziening voor Wmo Verblijf kan alleen ingezet worden mits uit onderzoek blijkt dat ambulante vormen van ondersteuning ontoereikend zijn.
Thuiswonen biedt een combinatie van begeleiding en 24-uurs bereikbaarheid en beschikbaarheid van ondersteuning. Meestal kan de inwoner de hulpvraag uitstellen naar het volgende begeleidingsmoment na telefonisch contact te hebben met de aanbieder. Indien dit echt niet mogelijk is, kan de aanbieder binnen 30 minuten aanwezig zijn. De inwoner betaalt zelf huur. Er wordt geen huisvesting toegekend in de maatwerkvoorziening. Thuiswonen wordt ingezet om beschermd wonen te voorkomen en om af te schalen.
Bij ambulante begeleiding (Wmo), wat niet onder deze aanbesteding valt, kan de inwoner een hulpvraag stellen indien hij/zij ondersteuning wenst en is geplande zorg toereikend. De inwoner is daarnaast in staat een hulpvraag (op eigen kracht of met hulp van zijn/haar omgeving) uit te stellen, bijvoorbeeld naar de volgende dag of naar de volgende afspraak (zonder verergering van problemen). Incidenteel ongepland is een verwachting die vanuit de reguliere ambulante ondersteuning geboden moet kunnen worden.
Een voorziening Wmo Verblijf kan uit verschillende componenten bestaan:
Inwoner verblijft in een accommodatie van aanbieder. Hieronder wordt verstaan in het gebouw en/of op het terrein van aanbieder. Dit is inclusief huisvestigingskosten. Aanbieder mag geen huur vragen. De aanbieder draagt er zorg voor dat inwoner zich als woningzoekende inschrijft of ingeschreven blijft. Betreft klassiek beschermd wonen.
Artikel 14 Beschermd Wonen - Toezicht
Doel van de in te zetten hulp. De begeleiding is gericht op het vergroten van de eigen regie en zelfredzaamheid van inwoner, waaronder het aanleren van nieuwe competenties, praktische en sociale vaardigheden en het bevorderen van gedragsverandering. Het kan betekenen dat de intensiteit en gerichtheid van ondersteuning kan wisselen. De ondersteuning wordt zowel individueel als in groepsverband geboden. Dit is afhankelijk van de behoefte van inwoner. Begeleiding in groepsverband kan zijn gezamenlijk koffiedrinken, samen koken en eten, maar ook het aanleren van vaardigheden zoals leren koken en samenwerken.
Begeleiding en toezicht kan geboden worden door een MBO-3 professional onder direct aansturen van een HBO-professional. Een HBO-professional dient altijd als achterwacht bereikbaar te zijn. Indien de situatie er om vraagt is fysieke aanwezigheid van de HBO-professional nodig. De toegestane verhouding is één HBO-medewerker op twee MBO-3 medewerkers.
Artikel 15 Beschermd Wonen - Nabij
Doel van de in te zetten hulp. De begeleiding is gericht op het vergroten van de eigen regie en zelfredzaamheid van inwoner, waaronder het aanleren van nieuwe competenties, praktische en sociale vaardigheden en het bevorderen van gedragsverandering. Het kan betekenen dat de intensiteit en gerichtheid van ondersteuning kan wisselen. De ondersteuning wordt zowel individueel als in groepsverband geboden. Dit is afhankelijk van de behoefte van inwoner. Begeleiding in groepsverband kan zijn gezamenlijk koffiedrinken, samen koken en eten, maar ook het aanleren van vaardigheden zoals leren koken en samenwerken.
Artikel 16 Begeleid kamer wonen (inclusief en exclusief wooncomponent)
Doel van de in te zetten hulp. De begeleiding is gericht op het vergroten van de eigen regie en zelfredzaamheid van Inwoner. Dit betekent voor inwoner dat de aangeleerde competenties, praktische en sociale vaardigheden worden toegepast en inwoner deze kan vasthouden. Bij de inzet van de begeleiding, wordt er gekeken wat inwoner nodig heeft en wat passend is. Dit betekent dat de intensiteit en gerichtheid van ondersteuning kan wisselen. Er wordt toegewerkt naar alleen planbare momenten. Wanneer het de inwoner niet lukt om ondersteuning te vragen, heeft de begeleiding signalerende functie op de geplande-en ongeplande momenten.
De aanbieder heeft de verantwoordelijkheid een juiste inschatting te maken of de inwoner om kan gaan met de afgesproken duur van afwezigheid van de aanbieder en de inschatting te maken of de inwoner in dat geval in staat is om tijdig zijn of haar ondersteuningsvraag te stellen indien nodig. Met andere woorden: is de situatie van de inwoner veilig genoeg bij afwezigheid van de aanbieder.
Artikel 17 Thuiswonen (Licht en Intensief)
Doel van de in te zetten hulp. De begeleiding is gericht op het vergroten van de eigen regie en zelfredzaamheid van inwoner. Dit betekent voor inwoner dat de aangeleerde competenties, praktische en sociale vaardigheden worden toegepast en de inwoner deze kan vasthouden. Dit betekent dat de intensiteit en gerichtheid van ondersteuning kan wisselen. Er wordt toegewerkt naar alleen planbare momenten. Wanneer het de inwoner niet lukt om ondersteuning te vragen, heeft de begeleiding signalerende functie op de geplande-en ongeplande momenten.
Voorziening Thuiswonen Intensief: Er vinden verspreid over de week geplande en ongeplande contactmomenten plaats op verzoek van inwoner wat aansluit op wat is beschreven in het ondersteuningsplan en op initiatief van de aanbieder. Hierbij variëren de uren in de ondersteuningsbehoefte van inwoner tussen de 7 en 10 uur per week.
Voorziening Thuiswonen Licht: Er vinden verspreid over de week geplande en ongeplande contactmomenten plaats op verzoek van inwoner wat aansluit op wat is beschreven in het ondersteuningsplan en op initiatief van aanbieder. Hierbij variëren de uren in de ondersteuningsbehoefte van inwoner tussen de 4 en 6 uur per week.
Artikel 18 Aanvullende module dagbesteding bij Wmo Verblijf
Beschrijving. Dagbesteding is geen vast onderdeel binnen de voorzieningen Wmo Verblijf. De toegang beoordeeld of dagbesteding vanuit de Wmo als apart product aanvullend wordt afgegeven. De module dagbesteding wordt geboden in het kader van activering en maatschappelijke participatie en is bedoeld voor inwoners met een beperking die niet in staat zijn om aan onderwijs, (vrijwilligers)werk of andere vormen van maatschappelijke participatie deel te nemen. De aanbieder bevordert zo veel als mogelijk participatie en uitwisseling tussen activiteiten en leefomgeving van de inwoner (inclusief het netwerk van de inwoner). Dagbesteding is altijd gericht op ontwikkeling, passend bij de mogelijkheden van de inwoner om te participeren.
Doel van de in te zetten hulp:
Voor de inzet van dagbesteding is de richtlijn dat 4 tot 6 dagdelen doorgaans in voldoende mate leidt tot activering en (maatschappelijke) participatie. Noodzaak tot toekenning van meer dagdelen dient gemotiveerd te worden. De toekenning van het aantal dagdelen blijft altijd maatwerk. Hierbij dient altijd rekening te worden gehouden dat er voldoende tijd en ruimte in de weekplanning dient te worden behouden, om te werken aan de doelen welke door de toegang zijn opgesteld.
Artikel 19 Vervoer bij aanvullende module dagbesteding bij Wmo Verblijf
De inwoner dient het vervoer zelf, eventueel met de inzet van het eigen netwerk, te organiseren. Indien dit niet mogelijk is kan er bij de indicatie een extra vervoerscomponent worden toegevoegd. De aanbieder heeft dan de verplichting dit vervoer te organiseren. Denk hierbij aan het zelf uitvoeren met eigen personeel/vrijwilligers of door het inzetten van een vervoersbedrijf.
Vervoer bij dagbesteding is bedoeld om inwoners met een indicatie voor dagbesteding te vervoeren tussen hun thuisadres en de locatie van de dagbesteding. Deze vervoerscomponent kan alleen worden ingezet in combinatie met dagbesteding. Het algemene uitgangspunt van de gemeenten is om de passende dagbesteding in de nabije omgeving van de inwoner te laten plaatsvinden. Bij de inzet van passende dagbesteding wordt eerst gekeken binnen de eigen wijk en vervolgens verder in de gemeente.
Beschikking / indicatie. Een beschikking vervoer dagbesteding wordt (indien vervoer noodzakelijk is) alleen in combinatie met een beschikking dagbesteding afgegeven. De aanbieder van dagbesteding is verantwoordelijk voor het organiseren van passend vervoer van en naar de dagbesteding wanneer de inwoner daar een beschikking voor heeft. De gemeentelijke toegang beoordeelt of een indicatie voor vervoer wel/niet noodzakelijk is.
Artikel 20 Aanvullende Module Begeleiding Complex bij Wmo Verblijf
Beschrijving. Begeleiding complex kan geboden worden als aanvullend product op de woonbegeleiding. Begeleiding complex betreft de inzet bij zeer complexe multiproblematiek. Het kan dan gaan om een dreigende crisis, zorgelijke terugval, een toename van probleemgedrag of zorgmijding. Ook kan dit product worden ingezet als er tijdelijk een extra inspanning noodzakelijk is om een positieve ontwikkeling bij de inwoner op gang te brengen, die anders niet tot stand komt. Indien de Toegang vaststelt dat begeleiding (tijdelijk) onvoldoende mogelijkheden biedt om de inwoner te begeleiden, kan woonbegeleiding complex ingezet worden.
Inwoners met een indicatie Beschermd Wonen waarbij sprake is van (langdurige) complexe, meervoudige dan wel psychiatrische en/of psychosociale problematiek én waarbij sprake is van een dreigende crisis, terugval, een toename van probleemgedrag, zorgmijding of waarbij extra inspanning ten behoeve van meer zelfstandigheid noodzakelijk is.
Hoofdstuk 3 Hulpmiddelen, rolstoelen, vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen
Cliënt of zijn rechtsopvolgers onder algemene titel zijn verplicht om de voorziening die in bruikleen is verstrekt terug te leveren aan de gemeente indien het recht op de voorziening is beëindigd.
Artikel 26 Vervoersvoorziening
De gemeente verstrekt een pgb voor de aanschaf van een eigen auto als het collectief vervoer, individueel (rolstoel)taxivervoer en/of andere vervoersvoorzieningen geen compenserende oplossing bieden voor het vervoersprobleem van cliënten en cliënten dit nodig hebben om in aanvaardbare mate te kunnen participeren en zelfredzaam te zijn.
De gemeente verstrekt een sporthulpmiddel indien verstrekking ervan noodzakelijk is om in aanvaardbare mate te kunnen participeren.
Artikel 30 Eigen verantwoordelijkheid cliënt
Kosten voor onderhoud en reparaties ten gevolge van opzet, grove schuld of ernstige nalatigheid komen voor rekening van cliënt. Hieronder valt ook het vervangen van accu's van bijvoorbeeld een scootmobiel bij niet of niet voldoende opladen.
Voorzieningen die buiten de eigen woon- en leefomgeving worden gebruikt voor bijvoorbeeld vakantie in binnen- of buitenland, dienen door cliënt zelf voldoende verzekerd te worden voor diefstal, schade, noodzakelijk onderhoud en pech.
Artikel 37 Voorziening woonruimte geschikt maken voor bezoek
Artikel 41 Onderhoud en reparatie woonvoorziening
Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget
Artikel 44 Tarieven pgb ondersteuning
De hoogte van het pgb voor informele hulp wordt verhoogd met werkgeverslasten als de pgb-houder werkgeverslasten moet afdragen. De gemeente gaat uit van het lage tarief voor werkgeverslasten tenzij hiervoor niet aan de voorwaarden wordt voldaan. In dat geval verhoogt de gemeente het pgb met het hoge tarief voor werkgeverslasten. De pgb-houder hoeft geen werkgeverslasten af te dragen als de zorgverlener in de eerste of tweede graad familie is van de cliënt.
Artikel 45 Vaardigheden om een pgb voor ondersteuning te beheren
Artikel 46 Uitvoerder van het pgb
In het Toetsingskader Wmo en Jeugdzorg staat dat de niet professionele inzet altijd in redelijke verhouding moet zijn met de professionele inzet. Hiervan is sprake als minstens 80% van de maatwerkvoorziening geleverd wordt door een professional met een passende opleiding voor de problematiek van de cliënt. Voor de overige tijd is er altijd een professional op afroep beschikbaar.
Artikel 47 Weigeringsgronden pgb
De gemeente weigert een pgb in de volgende situaties.
Artikel 49 Verantwoordelijkheden van de cliënt of pgb-beheerder
Hoofdstuk 5 Bijdrage in de kosten
Artikel 52 Eigen bijdrage maatschappelijke opvang
De gemeente hanteert de volgende uitzonderingen op het bepaalde in het eerste lid:
Als het netto-inkomen hoger is dan de bijstandsuitkering of inkomensvoorziening waarop cliënt recht zou hebben, wordt de hoogte van de eigen bijdrage vastgesteld op de bijstandsnorm respectievelijk inkomensvoorziening waarop cliënt recht zou hebben. De hoogte van de eigen bijdrage wordt vermeerderd met 15% van het verschil tussen het netto-inkomen en de betreffende uitkering, onder aftrek van de norm persoonlijke uitgaven.
Hoofdstuk 6 Maatschappelijke opvang
Indien de gemeente vaststelt dat de cliënt, voor het ontstaan van dakloosheid, woonachtig was in een gemeente of regio buiten centrumgemeente Assen en hierover overeenstemming heeft met de gemeente of regio in kwestie, kan de gemeente de uitvoering van het onderzoek overlaten aan de gemeente of regio in kwestie, waarbij bij overdracht van eventuele informatie artikel 57 van toepassing is.
Indien de gemeente de woonplaats van de cliënt voor het ontstaan van dakloosheid niet vaststelt of kan vaststellen, dan wel de uitvoering van het onderzoek niet wenst te laten uitvoeren door de gemeente of regio zoals bedoeld in lid 2 voert de gemeente het onderzoek uit. Dit geldt ook indien de gemeente niet tot overeenstemming komt met de in lid 2 bedoelde gemeente of regio.
De gemeente betrekt bij het onderzoek in elk geval de wens van de cliënt. Verder dient de gemeente ook in elk geval bij het onderzoek te betrekken:
of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, en/of bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de cliënt en/of lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten.
of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en/of actuele criminele activiteiten van de cliënt en/of maatregelen die opgelegd zijn aan de cliënt.
Artikel 57 Overdracht van cliënt en cliëntgegevens
Deelt de andere gemeente of regio het oordeel van de gemeente, zoals bedoeld in lid 1, dan vindt de overdracht van de cliëntgegevens én de cliënt onverwijld plaats. Dit tenzij met de andere gemeente of regio wordt overeengekomen dat het bijdraagt aan de kans van slagen van een traject als deze overdracht later plaatsvindt.
Artikel 59 Begeleiding maatschappelijke opvang
Begeleiding Maatschappelijke Opvang betreft ondersteuning aan volwassenen met ernstige problemen op meerdere terreinen van wonen en leven (dak- en thuisloosheid, geweld, maatschappelijke uitval). Het gaat om ambulante begeleiding van zelfstandig wonende mensen gericht op preventie (dakloosheid voorkomen) of nazorg (cliënt is uitgestroomd uit de maatschappelijke opvangvoorziening en woont weer op zichzelf).
Hoofdstuk 7 Herziening, intrekking en beëindiging
Artikel 60 Herziening, intrekking en beëindiging
De gemeente beëindigt het recht op een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen indien cliënt verhuist naar een gemeente buiten de centrumgemeenteregio, tenzij de voorziening, op grond van de afspraken uit het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang En Beschermd Wonen en bijbehorende handreiking, tijdelijk door de centrumgemeente gefinancierd wordt.
Hoofdstuk 9 Waardering en ondersteuning mantelzorgers
Artikel 62 Ondersteuning mantelzorgers
De uitvoering van de ondersteuning van mantelzorgers als bedoeld in artikel 13 van de verordening gebeurt in de eerste plaats via Vaart Welzijn (via de buurtteams en het team Informele Ondersteuning). Indien noodzakelijk kan er vanuit een maatwerkvoorziening mantelzorgondersteuning worden ingezet. Tot slot zijn er digitale ondersteuningsmogelijkheden: enerzijds via de website www.ikzorginassen.nl en anderzijds via de Digitale Assistent App van Valtes.
Deze nadere regels moeten in samenhang met Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Assen 2026 gelezen worden. Dit betekent dat zaken die in de verordening geregeld worden, niet herhaald worden in de nadere regels.
Paragraaf Schoon en leefbaar huis
Toelichting over het normenkader
Het HHM-Normenkader maakt het mogelijk voor de gemeente Assen om resultaatgericht te indiceren en rechtszekerheid te bieden aan de cliënt, met een onderbouwing die voldoet aan de eisen die de rechter hieraan stelt. Het resultaat schoon en leefbaar huis wordt beschreven door de schoonmaakactiviteiten en de frequentie daarvan vast te stellen in de beschikking. De activiteiten en de frequentie zijn gebaseerd op objectieve criteria en deugdelijk onderzoek van bureau HHM. Zie bijlage 3 van het normenkader voor de (basis)activiteiten en de frequentie.
Toelichting over hoe de gemeente Assen het Normenkader toepast
Bij toepassing van het normenkader maakt de gemeente een optelsom van de resultaatgebieden waarbij de cliënt ondersteuning nodig heeft. Zo nodig wordt ‘meer inzet’ opgeteld en ‘minder inzet’ afgetrokken. Het normenkader wordt op de volgende manier geïnterpreteerd.
Met dit normenkader kan een verantwoord niveau van een schoon en leefbaar huishouden worden gerealiseerd. Aandachtspunt is dat persoonlijke opvattingen van cliënten of hulpen soms anders zijn dan waarop dit normenkader is gebaseerd. Het normenkader is dan leidend, omdat dit op basis van onderzoek bij en met vele cliënten en in afstemming met diverse deskundigen tot stand is gekomen.
Toelichting op de gemiddelde cliëntsituatie
In dit document wordt gesproken over de gemiddelde cliëntsituatie. Hieronder wordt verstaan:
Toelichting bij normenkader over indicatie voor extra kamer(s)
Een woning kan meerdere slaapkamers, eventueel ook logeerkamers, omvatten, naast de dagelijks in gebruik zijnde slaapkamer. Als deze extra kamers niet in gebruik zijn, moeten ze toch één keer per maand worden schoongemaakt, om te zorgen dat ze op termijn niet een bron van vervuiling van het hele huis worden.
Een kamer waar alleen een wasrek staat en eventueel de strijk wordt gedaan, valt onder de noemer ‘niet in gebruik’ en wordt eenmaal per maand schoongemaakt.
Er kunnen redenen zijn waarom een extra kamer wel regelmatig schoongemaakt moet worden, bij voorbeeld wanneer een (echt)paar gescheiden slaapt. Als sprake is van een huisgenoot met een eigen slaapkamer, dan ligt de vraag voor of professionele overname van het schoonmaken van die slaapkamer noodzakelijk is of dat hier sprake is van eigen kracht of gebruikelijke zorg van die huisgenoot.
Als (klein)kinderen komen logeren, wordt van hen verwacht dat zij hun kamer zelf schoon maken.
Ook kamers of zolders die bij voorbeeld als hobbykamer worden gebruikt worden eenmaal per maand schoongemaakt.
Toelichting op het resultaat boodschappen
Een boodschappendienst in doorgaans een algemeen gebruikelijke voorziening. Of dat werkelijk zo is wordt bepaald door of deze dienst:
Indien de cliënt de boodschappendienst niet zelf kan regelen dan is inzet vanuit gebruikelijke hulp, sociaal netwerk en /of een vrijwilliger, voorliggend om de cliënt te helpen bij de bestelling.
De omstandigheid dat de supermarkt waar de cliënt normaal gesproken zijn boodschappen doet of zou willen doen geen boodschappendienst heeft, maakt niet dat een andere boodschappendienst niet als passende oplossing kan gelden.
Als de cliënt zelf nog in staat is om met een scootmobiel (dagelijkse) boodschappen te doen kan van de cliënt ook worden verlangd om de hulp van het personeel of het netwerk in te roepen als hij onverwacht niet bij een boodschap kan omdat deze te laag of te hoog in de schappen ligt. Verder mag van de cliënt in voorkomende gevallen ook worden verwacht dat met een daarop gerichte training wordt geleerd om met een scootmobiel op een veilige manier winkels binnen te gaan en boodschappen te doen.
Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels resulteert niet in extra inzet voor het resultaat boodschappen. Alleen wanneer bovenstaande medisch noodzakelijk is, kan de cliënt extra inzet krijgen vanuit het resultaat boodschappen.
Uit onderzoek/keukentafelgesprek kan blijken dat de cliënt geen gebruik kan maken van de boodschappendienst omdat de cliënt de boodschappen van de bezorgservice niet kan aanpakken en/of opruimen. Een eventueel passende oplossing zou kunnen zijn dat de bezorgdienst gevraagd wordt om de spullen weg te zetten.
Het feit dat de cliënt, die gebruik kan maken van de boodschappendienst (of bezorgen van maaltijden), afhankelijk is van bezorgtijden brengt niet mee dat de boodschappendienst om die reden niet als passende oplossing kan worden aangemerkt (ECLI:NL:CRVB:2011:BU5492).
Hoofdstuk 2 Vormen van ondersteuning en resultaatgebieden
Artikel 2 Aspecten ambulante begeleiding
Ambulante begeleiding is op drie niveaus ingekocht: Basis, Basis Plus en Specialistisch.
Basis begeleiding is praktijkgerichte begeleiding, met nadruk op het stimuleren van zelfredzaamheid, het aanbrengen van structuur en het ondersteunen bij dagelijkse taken. Gericht op sociale activering (stimuleren van deelname aan de samenleving, vergroten van sociale contacten, opbouwen van routine). Er is geen sprake van overname van taken: begeleiding is gericht op ondersteunen, oefenen, aanleren en coachen. Voorliggende voorzieningen (zoals huishoudelijke hulp) worden eerst benut. Inzet kan kortdurend (aanleren/ontwikkelen van vaardigheden) of langdurend (stabiliseren, voorkomen van achteruitgang) zijn.
Bij basis plus begeleiding neemt de aanbieder tijdelijk regie of taken over, omdat de inwoner dit zelf (nog) niet kan. Begeleiding omvat methodisch werken, gedragsverandering en intensievere ondersteuning. Inzet kan kortdurend (doorbreken van patronen, aanleren van vaardigheden) of langdurend (stabiliseren en voorkomen van terugval) zijn. Specifieke kennis van bepaalde problematieken (zoals ASS, LVB of NAH) kan noodzakelijk zijn.
Specialistische begeleiding is gericht op inwoners met ernstige, complexe problemen die leiden tot forse beperkingen in zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. De begeleiding is specialistisch van aard en vereist analytische en gedragsgerichte methodieken (bijv. oplossingsgericht werken, motiverende gespreksvoering, crisisinterventie). Het doel is stabiliseren van de situatie en het creëren van voorwaarden voor afschaling naar Basis of Basis Plus. In principe kortdurend (richtwaarde maximaal 12 maanden). Bij verlenging is een gemotiveerde herbeoordeling noodzakelijk.
Er bestaan diverse soorten hulphonden, zoals de blindengeleidehond en ADL-hond. Deze hulphonden worden vanuit de Zorgverzekeringswet vergoed. Dit geldt echter alleen voor hulphonden waarvan wetenschappelijk is vastgesteld dat zij effectief zijn. Dit geldt voor de blindengeleidehond, de ADL-hulphond en de signaalhond.
Inmiddels zijn er ook allerlei andere soorten hulphonden, zoals de PTSS-hulphond en ook bijvoorbeeld de hulphond die mensen met autisme helpt. Van deze hulphonden is (nog) niet wetenschappelijk vastgesteld dat zij bewezen effectief zijn. Vanuit de Zorgverzekeringswet (ZvW) wordt er daarom geen vergoeding verstrekt voor deze honden.
De gemeente Assen vergoedt, onder voorwaarden, de opleidingskosten voor een hulphond. Deze voorwaarden zijn in de nadere regels uitgewerkt.
Voorbeelden van kosten die uitgesloten zijn van vergoeding:
Hoofdstuk 3 Hulpmiddelen, rolstoelen, vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen
Artikel 26 Vervoersvoorziening
Voor een stalling gelden de volgende voorwaarden:
Sporten en bewegen is geen doel in het kader van de Wmo. De gemeente verstrekt een sporthulpmiddel indien verstrekking ervan noodzakelijk is om in aanvaardbare mate te kunnen participeren. Wanneer een sporthulpmiddel niet wordt verstrekt op grond van de Wmo of er wel een pgb wordt toegekend, maar het bedrag niet toereikend is om de gewenste voorziening aan te schaffen, kan er een beroep worden gedaan op fondsen.
Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget
Artikel 44 Tarieven pgb ondersteuning
De pgb-tarieven voor informele hulp voor begeleiding en schoon en leefbaar huis worden gebaseerd op het wettelijk minimumloon vermeerderd met vakantietoeslag. Dit naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB: ECLI:NL:CRVB:2025:1276 en ECLI:NL:CRVB:2025:1380.
Voor de pgb-tarieven voor schoon en leefbaar huis informele hulp wordt geen onderscheid gemaakt tussen wel/geen overname van regie.
Voor informele hulp kan het pgb-tarief verhoogd worden met de werkgeverslasten. De gemeente doet dit alleen wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan. Bij familie in de eerste en tweede graad van de cliënt is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst en zijn er geen werkgeverslasten van toepassing.
Er zijn 2 tarieven voor werkgeverslasten: een laag tarief en een hoog tarief. Deze tarieven worden gepubliceerd op de website van de SVB.
Werkgevers betalen het lage tarief als de arbeidsovereenkomst aan 3 voorwaarden voldoet:
Voldoet de arbeidsovereenkomst met de zorgverlener niet aan al deze voorwaarden dan is het hoge werkgeverstarief van toepassing.
Als het lagere tarief is gehanteerd en later blijkt dat het hogere tarief van toepassing is, verhoogt de gemeente het budget met terugwerkende kracht.
Voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen
In artikel 2.3.6 Wmo worden een drietal voorwaarden gesteld om in aanmerking te komen voor een pgb. Een pgb wordt verstrekt indien:
de cliënt naar het oordeel van de gemeente op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociaal netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren
Het is aan de gemeente om invulling te geven aan de toetsing die plaatsvindt op grond van de eerste en de derde voorwaarde. In artikel 4.3 beschrijven wij dit beoordelingskader. Deze voorwaarden komen overeen met het landelijke toetsingskader minimale pgb vaardigheid.
Wat wordt aangegeven voor de cliënt, geldt in dezelfde mate voor een persoon uit zijn sociale netwerk of de vertegenwoordiger die cliënt ondersteunt bij de aan het pgb verbonden taken.
Zorgverleners en diens eerste- en tweedegraads familieleden mogen niet namens de aanvrager de regietaken met betrekking tot het pgb uitvoeren. Dit levert een onwenselijke vermenging van taken en verantwoordelijkheden op.
De omstandigheden die opgenoemd worden in het eerste lid van artikel 4.3 zijn niet limitatief. Ook andere omstandigheden kunnen van invloed zijn op de beslissing om wel of geen pgb toe te kennen.
Artikel 46 Uitvoerder van het pgb
Relevante en recente (zorg)diploma’s zijn bewijsstukken waaruit blijkt dat de hulpverlener in staat is om de juiste hulp te geven. Denk hierbij ook aan certificaten, trainingen, bijscholing en cursussen.
Hierbij wordt aangesloten bij de functie-eisen voor professionals wanneer die via een gecontracteerde aanbieder dezelfde hulp zouden geven.
Borgen van de kwaliteit van de ondersteuning is ook de reden dat een hulpverlener (professioneel en informeel) die via een pgb ingehuurd wordt nooit meer dan 48 uur ondersteuning per week mag leveren. Ondersteuners die structureel meer uren beschikbaar moeten zijn, raken overbelast. Dat geldt ook voor informele ondersteuners. Daarmee komt niet alleen de kwaliteit en de veiligheid van de ondersteuning in het geding, maar ook de gezondheid van de ondersteuner. Bij de beoordeling van het maximale aantal uren dat een hulpverlener nog ingehuurd mag worden, kunnen alle betaalde werkzaamheden worden meegewogen en ook de hoeveelheid ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een pgb, levert aan andere personen of gezinsleden.
In de Arbeidstijdenwet staat dat iemand niet iedere week maximaal 60 uren mag werken. Voor een langere periode geldt het volgende:
Een werkweek loopt van maandag 00.00 uur tot zondag 24.00 uur.
Artikel 47 Weigeringsgronden pgb
Wanneer het door de aanvrager beoogde pgb-aanbod duurder is dan het door de gemeente voorgestelde en ingekochte aanbod, kan de gemeente op die grond het pgb weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door de gemeente voorgestelde aanbod.
Niet integer handelen is onder andere:
iemand te bewegen door bedreiging, het aanbieden van geld of diensten of andere voordelen, door het uitoefenen van lichamelijke of psychische druk, dan wel het vertellen van onwaarheden met als doel een maatwerkvoorziening, individuele voorziening of (zorg)overeenkomst te verkrijgen op grond van de Wmo 2015 en/of Jeugdwet, Wet Langdurige Zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw).
Artikel 48 Besteding pgb buiten Assen
Maatschappelijke ondersteuning dient zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving plaats te vinden. In de Wmo en de memorie van toelichting wordt niet uitgelegd wat precies bedoeld wordt met ‘eigen leefomgeving’. Maatschappelijke ondersteuning die in het buitenland wordt verleend, lijkt in beginsel niet onder de vergoedingsplicht van de wet te vallen.
De gemeente Assen wil niet te rigide omgaan met dit uitgangspunt. Daarom staan in dit artikel uitzonderingsgevallen op dit hoofdbeginsel omschreven.
Artikel 50 De zorgovereenkomst
De SVB heeft (digitaal) modelovereenkomsten opgesteld. Deze overeenkomsten moeten als basis worden gebruikt door de budgethouders en de zorgverleners. De bepalingen van de modelovereenkomst mogen niet worden geschrapt of aangepast. Er blijft wel ruimte om aanvullende afspraken in de overeenkomst op te nemen.
Een wijziging van de zorgovereenkomst moet door middel van een modelformulier aan de SVB kenbaar worden gemaakt. De wijziging moet in overeenstemming blijven met de toekenningsbeschikking.
Hoofdstuk 6 Maatschappelijke opvang
Artikel 55 Melding en (eerste) opvang
Alle gemeenten dragen er (al dan niet in samenwerking met andere gemeenten in de betreffende regio) zorg voor dat personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, zich kunnen melden bij de gemeente voor maatschappelijke opvang. De melding kan worden gedaan door of namens de cliënt.
De gemeente (dan wel het regionaal samenwerkingsverband van gemeenten welke zorgdraagt voormaatschappelijke opvang) tot welke iemand zich heeft gewend voor maatschappelijke opvang is in eerste instantie verantwoordelijk voor het bieden van maatschappelijke opvang. Gemeenten (dan wel het regionaal samenwerkingsverband van gemeenten welke zorgdragen voor maatschappelijke opvang) bieden altijd maatschappelijke opvang als het gaat om personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Maatschappelijke opvang wordt in elk geval geboden in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.
Daarbij is het van belang dat er voldoende maatschappelijke opvang in de gemeente (dan wel binnen de regio maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) beschikbaar is, dusdanig dat de maatschappelijke opvang direct kan worden geboden. Tegelijk is de praktijk in een aantal gemeenten (dan wel regio’s maatschappelijke opvang) dat er een situatie kan ontstaan dat maatschappelijke opvang tijdelijk niet kan worden geboden.
Als er door omstandigheden tijdelijk geen plaats in de maatschappelijke opvang kan worden geboden, zoekt de gemeente (dan wel het regionaal samenwerkingsverband waar de gemeente onderdeel van uitmaakt en dat zorgdraagt voor maatschappelijke opvang) tot welke de cliënt zich heeft gewend samen met de cliënt direct een tijdelijk passend alternatief, dusdanig dat de cliënt in elk geval direct (tijdelijk) onderdak en begeleiding wordt geboden in de betreffende gemeente (of in de regio waar de gemeente onderdeel van uitmaakt en die zorgdraagt voor maatschappelijke opvang).
De verantwoordelijkheid voor het bieden van maatschappelijke opvang hoeft niet altijd te betekenen dat in de betreffende gemeente (of in de regio maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) zelf deze maatschappelijke opvang wordt geboden. De maatschappelijke opvang kan ook worden geboden in een gemeente waarmee de betreffende gemeente regionaal samenwerkt in het kader van maatschappelijke opvang, dan wel kan door de betreffende gemeente (of door het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) tijdelijk in een andere regio beschikbaar worden gesteld. Ook kan een alternatief voor maatschappelijke opvang worden gebonden, maar in elk geval dusdanig dat wordt voorzien in de geconstateerde ondersteuningsbehoefte aan onderdak en begeleiding. Dit kan dus ook een alternatief zijn welke meer aansluit bij de geconstateerde ondersteuningsbehoefte. N.B. Het gaat in deze fase om de begeleiding tijdens de onderzoeksperiode.
Ook kan de gemeente (dan wel het regionaal samenwerkingsverband waartoe de gemeente behoort en welke maatschappelijke opvang biedt), waartoe iemand zich heeft gewend erin slagen direct (dezelfde dag) tot overdracht van de cliënt te komen naar een andere gemeente of regio, waardoor maatschappelijke opvang kan worden geboden in die andere gemeente of regio.
De gemeente (dan wel het regionaal samenwerkingsverband waartoe de gemeente behoort en welke zorg draagt voor maatschappelijke opvang), waartoe de cliënt zich heeft gewend, gaat vervolgens eerst met de cliënt na wat de woonplaats was van de cliënt voor het ontstaan van dakloosheid. De woonplaats is hierbij de gemeente de gemeente waar de cliënt het jaar voorafgaand aan de melding hoofdzakelijk is ingeschreven als ingezetene in de zin van de Wet basisregistratie personen. Ingeval de woonplaats niet op grond van de onderdelen Wet basisregistratie personen kan worden vastgesteld wordt de plaats van het werkelijke verblijf van de cliënt op het moment van de melding gehanteerd als ‘woonplaats’.
Indien wordt vastgesteld wat de woonplaats was van de cliënt vóór het ontstaan van dakloosheid, wordt de uitvoering van het onderzoek in beginsel overgedragen aan deze gemeente van herkomst (dan wel het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe de gemeente van herkomst behoort). In beginsel mag van de gemeente van herkomst verwacht worden dat zij hiertoe bereid en in staat is. Indien de woonplaats niet vastgesteld kan worden of er geen overeenstemming is met de gemeente van herkomst voert de gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) tot welke de cliënt zich heeft gewend, het onderzoek zelf uit. Dit is ook het geval indien de gemeente (dan welde regio maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) tot welke de cliënt zich heeft gewend het onderzoek niet wenst over te dragen aan de gemeente van herkomst. Indien de gemeente tot welke de cliënt zich heeft gewend het onderzoek zelf uitvoert, kan zij de gemeente waar de cliënt woonachtig was voor het ontstaan van dakloosheid verzoeken om informatie ten behoeve van het onderzoek aan te leveren.
De gemeente (dan wel het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) die het onderzoek uitvoert onderzoekt vervolgens met de cliënt in welke gemeente (dan wel in welke regio) een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen in beginsel het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt. Bij het onderzoek betrekt de gemeente (dan wel het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) in elk geval de wens van de cliënt. Ook andere factoren die de kans van slagen van een traject naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de cliënt en lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten dienen daarbij betrokken te worden. Overigens hoeft het feit dat de cliënt werk, dagbesteding of onderwijs heeft in een bepaalde gemeente (of regio) geen reden te zijn om ook opgevangen te worden in de betreffende gemeente (of regio). Ook hierbij kan reistijd redelijk en acceptabel zijn. Ook dient in het onderzoek te worden betrokken of er factoren zijn in een gemeente (of regio) die de kans van slagen van een traject naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en/of actuele criminele activiteiten en/of justitiële maatregelen die opgelegd zijn aan de cliënt.
In het belang van de cliënt dient het onderzoek zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen 2 weken uitgevoerd te worden. Dit is ook van belang voor de gemeente (dan wel voor de regio maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort), welke gedurende het onderzoek de cliënt maatschappelijke opvang biedt. Er kunnen redenen zijn waardoor het onderzoek niet afgerond kan worden binnen 2 weken.
Indien er – gedurende het onderzoek – een gemeente (dan wel een regio) naar voren komt waarbij een traject in de maatschappelijke opvang mogelijk of waarschijnlijk de grootste kans van slagen heeft, dan wordt deze gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe deze gemeente behoort), betrokken bij het onderzoek. De verantwoordelijkheid voor het onderzoek blijft echter bij de gemeente (dan wel bij de regio maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort), welke het onderzoek uitvoert. De uitkomsten van het onderzoek worden, door de gemeente (dan wel door het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) welke het onderzoek uitvoert vastgelegd in een onderzoeksverslag, zoals de Wmo 2015 ook voorschrijft. Dit onderzoeksverslag kan overigens bondig zijn om administratieve lasten zo veel als mogelijk te voorkomen.
Artikel 57 Overdracht van cliënt en cliëntgegevens
Indien de kans van slagen van een traject groter wordt geacht in een andere gemeente (dan wel in een regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort), neemt de gemeente (dan wel de regiomaatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort), welke het onderzoek uitvoert, contact op met die andere gemeente. Dit in overleg met de cliënt, wat niet hoeft te betekenen dat er overeenstemming is met de cliënt.
Deelt de gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) waar de kans van slagen van een traject het grootst wordt geacht deze conclusie, dan stelt deze gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waar die gemeente bij hoort) direct maatschappelijke opvang beschikbaar, zodat ‘warme’ overdracht tussen de betrokken gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe de gemeenten behoren) ook snel kan plaatsvinden. Uitstel van deze overdracht is alleen mogelijk indien de gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe de gemeenten behoren) overeenkomen dat het bijdraagt aan de kans van slagen van een traject, dat deze overdracht later plaatsvindt.
Ook voor de gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) waar de kans van slagen van een traject het grootst wordt geacht betekent de verantwoordelijkheid voor het bieden van maatschappelijke opvang niet noodzakelijk dat in de betreffende gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) zelf de maatschappelijke opvang wordt geboden. De maatschappelijke opvang kan eventueel ook door de gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) waar de kans van slagen van een traject het grootst wordt geacht tijdelijk in een andere regio beschikbaar worden gesteld. Ook kan een alternatief voor maatschappelijke opvang worden aangeboden, maar in elk geval dusdanig dat wordt voorzien in de geconstateerde ondersteuningsbehoefte van onderdak en begeleiding van de cliënt.
Tot aan het moment dat de overdracht van de cliënt is gerealiseerd blijft de gemeente (dan wel de regiomaatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) tot welke de cliënt zich oorspronkelijk heeft gewend verantwoordelijk voor het bieden van maatschappelijke opvang, dan wel blijft die gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) verantwoordelijk maatregelen te treffen om op een andere wijze te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.
Bij de ‘warme’ overdracht wordt alle noodzakelijke informatie over de cliënt overgedragen tussen de gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren), waaronder het onderzoeksverslag. Dit uiteraard binnen de wet- en regelgeving inzake persoonsgegevens en in overleg met de cliënt. De wijze waarop de overdracht plaatsvindt is vormvrij.
Ook worden er tussen de gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) concrete afspraken gemaakt over de datum van overdracht, welke aanbieder zal voorzien inde ondersteuningsbehoefte van de cliënt en hoe het vervoer van de cliënt en eventuele reisbegeleiding plaatsvindt. Dit zodat er, vóór de overdracht, zekerheid is over de wijze waarop in de andere gemeente of regio tegemoet gekomen zal worden aan de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. ‘Warme’ overdracht vindt plaats dusdanig dat de cliënt zo min mogelijk hinder ondervindt hiervan.
Verder is belangrijk te onderkennen dat de gemeenten (dan wel regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) personen zonder vaste woon- of verblijfplaats kunnen inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) op een zogenaamd ‘briefadres’. De gemeente dient in die situatie afspraken te maken met een ’briefadresgever’ (bijvoorbeeld een instelling voor maatschappelijke opvang) of kan zelf optreden als ’briefadresgever’.
Indien de cliënt weigert medewerking te verlenen aan de overdracht, kan de gemeente tot welke de cliënt zich heeft gewend (dan wel een toegangsorgaan welke het mandaat heeft om te beslissen over aanvragen voor maatschappelijke opvang van de betreffende gemeente) overgaan tot weigering van de aanvraag tot een voorziening maatschappelijke opvang met verwijzing naar de uitkomst van het onderzoek, waarin gemotiveerd kenbaar is gemaakt dat de kans op een succesvol traject groter in een andere gemeente of regio is. Ook kan de gemeente vervolgens het bieden van maatschappelijke opvang beëindigen. Desgewenst kan de cliënt in bezwaar (en daarna eventueel beroep) gaan tegen het besluit van de gemeente.
Artikel 58 Verschil van mening tussen gemeenten
Bij verschil van mening tussen gemeenten (dan wel tussen regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) proberen de gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) onderling tot een oplossing te komen. Als de gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) niet tot een oplossing komen, dan kan het geschil worden voorgelegd aan de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid.
In afwachting van het oordeel van de commissie wordt dan de maatschappelijke opvang voortgezet bij de gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) waar maatschappelijke opvang in eerste instantie al werd geboden. Ook kan op andere wijze langer voorzien worden door die gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoort) in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang. De bij het geschil betrokken gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) volgen het oordeel van de commissie bij de te nemen gemeentelijke toekenningsbesluiten.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-564456.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.