Beleidsregels Jeugdhulp Alphen aan den Rijn 2026

 

 

Intitulé

Beleidsregels Jeugdhulp Alphen aan den Rijn 2026

Het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn

gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht en de Verordening Sociaal Domein 2026 gemeente Alphen aan den Rijn

 

besluit: vast te stellen de navolgende Beleidsregels Jeugdhulp Alphen aan den Rijn

 

1. Inleiding

Deze beleidsregels beschrijven hoe in Alphen aan den Rijn invulling wordt gegeven aan de jeugdhulp. Op deze manier is het voor jeugdigen en ouders, (medische) verwijzers, Oog voor Thuis en jeugdhulpaanbieders duidelijk welke uitgangspunten van toepassing zijn.

De basis voor hetgeen beschreven in deze beleidsregels wordt gevormd door de Jeugdwet, verordening en nadere regels. Dit zijn de zogeheten algemeen verbindende voorschriften. De beleidsregels zijn aanvullend hierop en vormen het afwegingskader op basis waarvan de daartoe (gemandateerde) professional in samenspraak met jeugdigen en ouders tot zijn besluit komt. Met beleidsregels kan binnen de ruimte die de wet daarvoor biedt nader invulling worden gegeven aan bestaande bestuursbevoegdheden door regels te stellen waarin de interpretatieruimte van wettelijke bepalingen of de beslissingsruimte van een bestuursorgaan wordt ingekaderd. In artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn beleidsregels gedefinieerd.

In deze beleidsregels wordt aangesloten bij de lokale situatie. Dit wil zeggen dat relevante vraagstukken en situaties die in Alphen aan den Rijn voorkomen zijn opgenomen. De beleidsregels zijn daarmee geen uitputtend document. Met andere woorden, niet elke situatie of elk detail is opgenomen. Dit is ook niet logisch gelet op de maatwerk gedachte zoals opgenomen in de Jeugdwet.

De beleidsregels zijn een instrument om eenvoudiger keuzes te maken bij de beoordeling van een hulpvraag. Kaders stellen betekent ook dat er sprake is van grenzen. In deze beleidsregels zijn ook een aantal grenzen opgenomen. Nogmaals, de beleidsregels zijn afwegingskaders: de professional kan in een specifieke casus besluiten om af te wijken van de beleidsregels. Dat kan aan de orde zijn wanneer de beleidsregel voor een of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

 

1.2 Begrippen

Algemene voorzieningen: een voorziening die toegankelijk is voor iedereen, zonder toegangstoets of op basis van een beperkte toegangstoets;

Andere voorzieningen: een voorziening die vanuit een andere wetgeving beschikbaar is op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

Budgetplan: vormt onderdeel van het gezinsplan. Ouder en/of de jeugdige zijn verplicht om dit op te stellen wanneer zij hulp willen inkopen met een pgb;

Gezinsplan: een plan dat in het kader van een gezinsgerichte aanpak (één gezin, één plan, één regisseur) wordt opgesteld voor aanvragen vanuit de Jeugdwet en waarin beschreven staat welke ondersteuning door welke uitvoerder nodig is en wat de frequentie en omvang en het te behalen resultaat van de ondersteuning is;

Lokaal team: medewerkers van Oog voor Thuis die onderzoek doen naar de hulpvraag en de toeleiding verzorgen naar gespecialiseerde jeugdhulp als de jeugdige en/of de (pleeg)ouders niet op eigen kracht en binnen eigen mogelijkheden uit de jeugdhulpvraag komen.

 

2. Afwegingskader Jeugdhulp

Wanneer jeugdigen en ouders vragen hebben of ondersteuning nodig hebben als het gaat om opgroeien en opvoeden, kunnen zij terecht bij het lokaal team. In de Jeugdwet is dit in artikel 2.3 als volgt verwoord:

1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

gezond en veilig op te groeien;

te groeien naar zelfstandigheid, en

voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

De Jeugdwet kent een jeugdhulpplicht voor gemeenten. Hierin staat maatwerk centraal; op individueel niveau wordt vastgesteld of en zo ja welke ondersteuning nodig is. In dit hoofdstuk wordt beschreven welk afwegingskader wordt gehanteerd voor jeugdhulp.

 

2.1 Algemeen afwegingskader

Leidend in het bepalen of er sprake is van een jeugdhulpvraag zijn de eerste vier stappen zoals bepaald door de Centrale Raad van Beroep:

Wat is de ondersteuningsvraag?

Is er sprake van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of stoornissen en zo ja, wat zijn deze?

Welke ondersteuning is nodig?

In hoeverre zijn de eigen mogelijkheden van de ouders en/of het sociale netwerk toereikend om zelf hulp te bieden?

Voor het beoordelen van de eigen mogelijkheden van ouders moeten een aantal factoren worden onderzocht. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te treffen.

 

2.1.1. Normaliseren

In het onderzoek staat centraal wat de oorzaak achter de vraag is. Het uitgangspunt is om zo veel als mogelijk te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke hulpvragen en problemen ‘normaal’ zijn. Voor normaliseren geldt:

Kwetsbaarheid, problemen en ‘gedoe’ horen bij het leven. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost.

Het is normaal dat kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen.

Het uitgangspunt is door het versterken van opvoedvaardigheden en de kennis over opvoeden de acceptatie van de jeugdhulpvraag of beperking door ouders te vergroten.

Er wordt rekening gehouden met de context. Dit betekent dat het gezinssysteem onderdeel is van de beoordeling van de hulpvraag en er naar de omgeving van de ouders en jeugdige wordt gekeken.

Als het gaat om de inzet van een individuele voorziening gelden de volgende uitgangspunten rondom normaliseren:

Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet van voorzieningen die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van kinderen. Dit geldt ook voor kinderen met een jeugdhulpvraag.

De Jeugdwet is bedoeld om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen waar deze in gevaar komt en niet voor de bevordering van de algemene ontwikkeling die elke jeugdige doormaakt.

Begeleiding wordt ondersteunend aan of volgend op een behandeling ingezet. De behandelcomponent kan onderdeel zijn van de begeleiding. Uitzondering hierop zijn hulpvragen waarvoor geen behandeling mogelijk is.

De ontwikkelingsleeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde opgaven in de opvoeding. Er wordt een onderscheid gemaakt in ‘normale’ problemen die behoren bij de levensfase en ernstige problemen. De ontwikkelingsleeftijd van een jeugdige kan variëren door een aandoening of stoornis.

 

2.2 Eigen verantwoordelijkheid en probleemoplossend vermogen

Uitgangspunt is dat ouders allereerst zelf verantwoordelijk zijn voor de hulp en ondersteuning aan hun kind(eren), ook wanneer deze meer nodig heeft dan gemiddeld door een beperking of stoornis.

Van ouders wordt verwacht dat zij in ieder geval zelf de benodigde ondersteuning bieden die horen bij de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’. En indien er een aanvullende verzekering is afgesloten deze aanspreken wanneer deze vergoeding biedt voor de gevraagde hulp.

Jeugdhulp is alleen mogelijk wanneer ouders niet alle hulp en ondersteuning kunnen bieden en het netwerk en andere voorzieningen onvoldoende helpen om de hulpvraag te beantwoorden. Of wanneer de jeugdige specialistische zorg nodig heeft.

Indien ouders niet alle hulp en ondersteuning zelf kunnen bieden, wordt onderzocht in hoeverre zij wel meer zouden kunnen doen wanneer zij nieuwe vaardigheden leren, eigen problematiek aanpakken of werk anders inrichten.

In de beoordeling van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt de (over)belasting van ouders altijd meegewogen. Wanneer de hulp en ondersteuning tot overbelasting kan leiden, is het soms noodzakelijk om (tijdelijk) jeugdhulp in te zetten ter ontlasting van ouders en om te zorgen dat ze de overige zorg volhouden. Ook kan opvoedondersteuning nodig zijn om ouders meer vaardigheden aan te leren in relatie tot de problematiek van hun kind, waardoor zij zich minder belast voelen in de dagelijkse opvoeding.

 

2.2.1 Onvoldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

Het kan zijn dat het ouders op het moment van onderzoek niet lukt om alle hulp zelf te bieden. Het kan zijn door overbelasting (niet samenhangend met de zorg aan het kind), door werk, door gebrek aan vaardigheden, door eigen problematiek, etc.

Wat hebben ouders nodig om het wel te kunnen, of om meer te kunnen bieden?

Hierin wordt in ieder geval verwacht van ouders dat zij, waar mogelijk;

Oorzaken van overbelasting wegnemen

Zorgverlof en andere soorten verlof inzetten

Werktijden en aantal werkuren per week aanpassen, indien mogelijk

Trainingen of cursussen volgen om opvoedvaardigheden, in relatie tot de problematiek, te vergroten

Gebruik maken van opvangmogelijkheden van de Wet kinderopvang

Hun sociale netwerk inzetten en proberen te vergroten indien nodig

Hun kind voltijds onderwijs laten volgen

Werken aan het verminderen van eigen problematiek door gebruik te maken van algemene voorzieningen, preventief aanbod of voorzieningen uit de Wmo, en/of zorgverzekeringswet

Als de oorzaak van de hulpvraag is gelegen in problematiek bij de ouder, bijv. vanwege lichamelijke handicap, psychosociale problematiek of financiële problematiek, dan hoort de ondersteuning van de ouder onder andere wetgeving of algemene voorzieningen, ook als de jeugdige een handicap heeft.

Specialistische opvang van een jeugdige kan wel jeugdhulp zijn wanneer er sprake is van problematiek die ervoor zorgt dat er geen reguliere opvangplek mogelijk is en ouders (en netwerk) al hun opties hebben onderzocht en benut, maar dit nog onvoldoende oplossing biedt. Reguliere opvang is vaak niet mogelijk wanneer een jeugdige specialistische (1-op-1) begeleiding vraagt door gedrag, een beperking of stoornis. In die gevallen kan er aanvullend jeugdhulp nodig zijn op een reguliere opvang, of volledig specialistische opvang.

Op het moment dat ouders aangeven overbelast te zijn, of wanneer er op basis van het onderzoek twijfel is over de draagkracht en belastbaarheid van ouders, wordt de belastbaarheid gemeten via een gevalideerd instrument, of wordt een deskundige geraadpleegd die in staat is om de belastbaarheid te beoordelen (onafhankelijk medisch advies).

Voorbeelden van gevalideerde meetinstrumenten zijn: OBVL (opvoedbelasting vragenlijst), CSI (Caregiver Strain Index), EDIZ (Ervaren Druk Informele Zorg), etc.

Het wordt niet van ouders verwacht dat zij alle zorg en ondersteuning alleen bieden wanneer een jeugdige aangewezen is op 24 uur toezicht en hulp, maar (nog) geen aanspraak kan maken op de Wlz. Indien er onvoldoende netwerk of overige voorzieningen beschikbaar zijn, dan kan het inzetten van jeugdhulp een oplossing zijn om overbelasting van ouders te voorkomen.

 

2.3 Systeemproblematiek

Bij ouder-/ systeemproblematiek geldt:

Voor de problematiek van de ouders wordt hulp vanuit de Zvw ingezet (GGZ), vanuit rechtsbijstand (bijv. bij mediation) of vanuit een algemene voorziening en niet vanuit de Jeugdwet.

Voor de problematiek die de jeugdige als gevolg van het ouder-/ systeemproblematiek ondervindt, wordt jeugdhulp ingezet.

Om de hulp die wordt aangeboden vanuit de Jeugdwet effectief te laten zijn wordt de problematiek van de ouders en het systeem in samenhang behandeld.

Als de jeugdhulpvraag samenhangt met ouderproblematiek is het een voorwaarde om het jeugdhulptraject in te zetten dat ook de ouder-/ systeemproblematiek wordt behandeld. Uitzondering hierop is als de veiligheid van de jeugdige in het geding komt.

De jeugdhulpaanbieder heeft de verantwoordelijkheid om bij ouder-/ systeemproblematiek het lokale team of de huisarts te betrekken (met toestemming van de jeugdige en ouders), zodat de juiste hulp kan worden ingezet.

 

3. Voorliggende en andere voorzieningen

Een voorliggende voorziening is een voorziening waar jeugdige en ouders een beroep op kunnen doen, waardoor geen of in mindere mate ondersteuning vanuit de Jeugdwet nodig is. Bij voorliggende voorzieningen voor de Jeugdwet valt te denken aan algemene voorzieningen, de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet en de Wet Passend Onderwijs. Onderstaand is toegelicht wanneer welke voorziening van toepassing is.

 

3.1. Algemene voorzieningen

Een algemene voorziening is een voorziening die toegankelijk is voor iedereen, zonder toegangstoets of op basis van een beperkte toegangstoets. Algemene voorzieningen zijn voorliggend op een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet. Dit betekent dat bij een aanvraag eerst beoordeeld wordt in hoeverre een algemene voorziening beschikbaar is. Indien nodig kan er aanvullend een individuele voorziening worden ingezet voor dat deel van de ondersteuning waar geen algemene voorziening beschikbaar voor is.

 

 

3.1.1 Preventie

Een belangrijk doel van de Jeugdwet is het voorkomen van problemen en door vroegtijdige inzet van hulp zwaardere vormen van jeugdhulp te voorkomen. Het versterken van de veerkracht/samenredzaamheid van de samenleving, zodat mensen verantwoordelijkheid kunnen nemen voor hun eigen welzijn en dat van anderen.

Preventie richt zich op jeugdigen en ouders met een verhoogd risico op ontwikkelingsachterstand of uitval. Preventie valt onder de algemene voorzieningen en is daarmee voorliggend op een individuele voorziening uit de Jeugdwet.

3.1.2 Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Een algemeen gebruikelijke voorziening is voorliggend aan een individuele voorziening en voldoet aan de volgende criteria. De voorziening:

is niet speciaal bedoeld voor personen met een beperking;

is verkrijgbaar in de reguliere handel;

kan voor een persoon zonder beperkingen in een financieel vergelijkbare positie worden gerekend tot het normale aanschaffingspatroon.

Onder algemeen gebruikelijke voorzieningen hoort ook het algemeen gebruikelijk onderhoud. Dit zijn situaties waarbij de kosten voor onderhoud en reparatie als gangbaar kunnen worden beschouwd en horen bij het gebruik van deze voorzieningen.

 

3.2 Wet langdurige zorg

De Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) is voorliggend op de Jeugdwet. Dit betekent dat wanneer iemand toegang heeft tot deze wet, de benodigde zorg en ondersteuning ook vanuit deze wet betaald wordt.

Er wordt geen voorziening vanuit de Jeugdwet ingezet:

wanneer een jeugdige een Wlz-indicatie voor verblijf in een instelling heeft of er redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige deze indicatie zou kunnen krijgen;

als jeugdige en ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit voor de Wlz, terwijl er wel redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige deze zou kunnen krijgen.

Het kan zo zijn dat tegelijkertijd vanuit de Wlz en Jeugdwet zorg wordt ingezet. Dit is het geval bij zorg die onder de Jeugdwet valt, zoals psychische zorg of pleegzorg.

Waar nodig wordt in afwachting van het besluit vanuit de Wlz, jeugdhulp geboden tot het moment dat er een besluit is genomen.

De Jeugdwet en de Wlz verschillen op de volgende punten:

De Jeugdwet biedt zorg en ondersteuning aan de jeugdige zelf, maar ook aan het systeem van de jeugdige. De Wlz gaat niet uit van een herstelgedachte ten opzichte van de Jeugdwet.

De Wlz is bedoeld om jeugdigen (en volwassenen) met een blijvende beperking zorg te bieden. Om toegang te krijgen tot een Wlz-voorziening worden twee toetsingscriteria gehanteerd: ontwikkelperspectief en 24-uurs zorg.

Omdat de Jeugdwet een leeftijdsrestrictie bevat, is er per definitie sprake van tijdelijke zorg. Anders dan de Jeugdwet biedt de Wlz levenslange en levensbrede zorg.

De toegangscriteria voor Wlz zijn opgenomen in de Wlz en beleidsregels indicatiestelling Wlz. Ook jeugdigen onder de 8 jaar kunnen toegang krijgen tot de Wlz. Het CIZ toetst op het criterium ‘gebruikelijke zorg’, hierbij speelt de leeftijd van de jeugdige een rol.

Wanneer een jeugdige een Wlz-indicatie heeft, blijft de behandeling van een psychische stoornis onder de Jeugdwet vallen. Uitzondering is wanneer de jeugdige verblijf en behandeling van dezelfde instelling ontvangt en de behandeling van de psychische stoornis niet los is te zien van de Wlz behandeling. Alleen in dat geval valt de behandeling van de psychische stoornis onder de Wlz.

Bij verblijf zonder behandeling, volledig pakket thuis, modulair pakket thuis en persoonsgebonden budget valt de behandeling van de psychische stoornis onder de Jeugdwet.

 

3.3 Zorgverzekeringswet

De Zorgverzekeringswet is voorliggend op de Jeugdwet. De Zorgverzekeringswet wordt uitgevoerd door zorgverzekeraars en regelt medische zorg die gericht is op genezing en behandeling, thuisverpleging/wijkverpleging en kortdurende GGZ.

Voor de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) geldt dat:

Alle verzorging die samenhangt met geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt onder de Zvw. Dus, ook de verzorging van kinderen die noodzakelijk is door een gezondheidsprobleem of verpleegkundige verzorging in de eigen omgeving.

Een aanvullende zorgverzekering is voorliggend op de Jeugdwet.

Voor verzorging geldt:

Begeleidende verzorging is Jeugdwet.

Geneeskundige verzorging en verpleging is Zorgverzekeringswet. Het accent bij deze zorgverlening ligt op de medische zorg.

Palliatief terminale zorg is Zorgverzekeringswet.

Voor gespecialiseerde behandeling geldt:

Bij een verstandelijke beperking valt behandeling onder de Jeugdwet.

Bij een lichamelijke ziekte of lichamelijke beperking valt behandeling meestal onder de Zorgverzekeringswet.

Bij een zintuiglijke handicap valt de behandeling onder de Zorgverzekeringswet.

Bij psychiatrische problemen valt behandeling onder de Jeugdwet.

Het is mogelijk dat jeugdigen tegelijkertijd hulp ontvangen vanuit de Jeugdwet en de Zvw.

Indien de jeugdige problemen ervaart als gevolg van ouderproblematiek, wordt naast hulp aan de jeugdige vanuit de Jeugdwet, ook hulp ingezet voor de ouders vanuit de Zvw (bijvoorbeeld in geval van GGZ of verslavingsproblematiek).

 

3.4 Wet passend onderwijs

De Wet passend onderwijs is in Nederland ingevoerd om ervoor te zorgen dat alle kinderen een passende plek in het onderwijs krijgen, ook als zij extra ondersteuning nodig hebben. Deze wet geldt voor het primair en voortgezet onderwijs. De zorgplicht van scholen houdt in dat scholen verantwoordelijk zijn voor het bieden van een passende onderwijsplek aan elke leerling, ook als die extra ondersteuning nodig heeft. Deze verplichting geldt zowel voor leerlingen die al op school zitten als voor nieuw aangemelde leerlingen.

Specialistische jeugdhulp tijdens het onderwijs is in sommige gevallen noodzakelijk om te zorgen dat jeugdigen onderwijs kunnen volgen. Doel is om te zorgen dat kinderen en jongeren een ononderbroken schoolloopbaan te bieden.

 

3.4.1 Algemeen

Om te bepalen of er jeugdhulp noodzakelijk is op school is er in alle gevallen eerst een Ontwikkelperspectief Plan (hierna: OPP) nodig. Deze wordt door school opgesteld en ouders moeten akkoord gaan met het handelingsdeel uit het OPP.

School is verplicht om bij elke leerling een OPP op te stellen wanneer er extra ondersteuning nodig is, ook in het regulier onderwijs. In dit OPP moet minimaal opgenomen zijn:

de verwachte uitstroombestemming van de leerling;

de onderbouwing van de verwachte uitstroombestemming van de leerling (met in elk geval een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren);

een beschrijving van de te bieden ondersteuning en begeleiding en - indien aan de orde - de afwijkingen van het (reguliere) onderwijsprogramma (handelingsdeel).

 

Zonder OPP kan er geen jeugdhulp worden ingezet op school, omdat de ondersteuningsbehoefte op school dan niet beoordeeld kan worden.

Op basis van de gestelde resultaten uit het OPP en de benodigde ondersteuning kan worden bepaald of er ook resultaten zijn die gaan over jeugdhulp en niet over het volgen van onderwijs.

Het kan zijn dat doelen tweeledig zijn en alleen deels onder de Jeugdwet vallen. Dan wordt alleen voor dat deel jeugdhulp ingezet.

 

3.4.2 Vrijstelling

Bij een aanvraag voor jeugdhulp voor een jeugdige die (tijdelijk) niet naar school gaat, moet er sprake zijn van vrijstelling of de aanvraag hiervoor loopt. Zonder vrijstelling, of zonder dat deze in aanvraag is, is er sprake van ongeoorloofd verzuim. Het is dan in de eerste plaats belangrijk dat leerplicht betrokken is/wordt om met ouders in gesprek te gaan over het weer volgen van onderwijs en wat daarvoor nodig is. Indien nodig of gewenst kan het lokale team, met toestemming van ouders, hierbij aansluiten om mee te denken. Het lokale team beoordeelt in hoeverre de jeugdige jeugdhulp nodig heeft omdat de oorzaak van het niet (volledig) kunnen volgen van onderwijs komt door specifieke problematiek die onder de jeugdwet valt. Voor dat deel wordt jeugdhulp ingezet.

School moet beoordelen welke vorm van onderwijs kan worden geboden. Opvang op zichzelf, omdat een leerling niet volledig naar school kan is geen jeugdhulp.

 

3.5 Wet maatschappelijke ondersteuning

Hulpmiddelen voor jeugdigen, zoals woningaanpassingen of rolstoelen, worden vanuit de Wmo verstrekt. Wanneer een jeugdige naast een hulpvraag voor jeugdhulp ook een hulpmiddel nodig heeft, betrekt het lokale team Tom in de buurt voor beoordeling van dat deel van de hulpvraag.

Daarnaast wordt Tom in de buurt ook betrokken door het lokale team wanneer er bij ouders sprake is van een hulpvraag die valt onder de Wmo.

Wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning zorgt het lokale team ervoor dat Tom in de buurt tijdig wordt betrokken voor een overdracht.

 

4. Toelichting vormen van jeugdhulp

Van veel voorzieningen is in de (landelijke) regelgeving of richtlijnen duidelijk welke criteria gelden. Vervoer jeugd vraagt om een nadere toelichting als het gaat om het afwegingskader. In dit hoofdstuk zijn deze afwegingskaders beschreven.

 

4.1 Criteria vervoer

In artikel 2.3, tweede lid van de Jeugdwet is beschreven wanneer vervoer onder jeugdhulp valt:

“Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.”

Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen ouders in beginsel voor het vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Van ouders wordt verwacht dat zij hun kind zelf vervoeren.

In geval van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige kan er een vervoersvoorziening worden toegekend. Er wordt gekozen voor het goedkoopst adequate vervoer. Dat wil zeggen dat wanneer zowel individueel als groepsvervoer passend is, er wordt gekozen voor het goedkopere groepsvervoer.

Van medische noodzaak is sprake wanneer een jeugdige door zijn psychische, lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om (eventueel onder begeleiding van een volwassene) gebruik te maken van het openbaar vervoer.

Van beperkingen in de zelfredzaamheid is sprake wanneer:

De leeftijd van de jeugdige het niet toelaat zelfstandig te reizen met het OV (jonger dan 12 jaar/ middelbare schoolleeftijd) en nadat is aangetoond dat ouders of andere personen in de naaste omgeving niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer.

Er sprake is van ernstige gedragsproblemen welke reizen in het OV of eigen vervoer onmogelijk maken; of er andere redenen van niet-medische aard zijn die het zelfstandig of onder begeleiding reizen in het OV of eigen vervoer onmogelijk maken.

Er wel de mogelijkheid is zelfstandig van het vervoer gebruik te maken, maar er geen financiële draagkracht is, ook niet na beroep op andere voorliggende wetgeving.

 

4.2 Afwegingskader

Om voor vervoer van en naar de jeugdhulplocatie in aanmerking te komen:

Heeft een jeugdige een indicatie voor een individuele voorziening jeugdhulp.

Is sprake van een medische noodzaak dan wel een beperking in de zelfredzaamheid.

Is het niet mogelijk om op eigen kracht het vervoer te organiseren. Voor de eigen kracht geldt dat ouders hierin een rol hebben en dat hierbij het OV voorliggend is.

Voor ouders met een minimuminkomen, waardoor reiskosten niet betaald kunnen worden, is de participatiewet voorliggend.

Is er geen andere regeling/voorziening waarvan de jeugdige gebruik kan maken voor het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening.

Bedraagt de afstand van de verblijfsplaats van de jeugdige tot de jeugdhulpvoorziening meer dan 6 kilometer. Een reisafstand binnen 6 kilometer wordt gezien als gebruikelijke zorg en/of hulp; van ouders wordt verwacht dat zij dit zelf regelen.

Het gaat hier om één van de wegingsfactoren. Dit wil dus zeggen dat als de afstand korter is dan 6 kilometer er om andere redenen zoals in dit hoofdstuk beschreven wel vervoer kan worden toegekend. Ook geldt dat een afstand van meer dan 6 km niet vanzelfsprekend leidt tot een vervoersvoorziening als ouders wel met eigen mogelijkheden het vervoer kunnen organiseren.

Vervoer dat onder de Zvw of Wlz valt wordt niet verzorgd vanuit de Jeugdwet.

Ander vervoer van jeugdigen dan naar de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld sociaal recreatief vervoer) valt onder gebruikelijke zorg en eigen kracht. Als dit niet toereikend is dan kan dat vervoer onder de Wmo 2015 vallen, als deze sociale contacten noodzakelijk zijn en het eigen netwerk geen mogelijkheden biedt.

 

4.3 Financiering vervoer

Met een aantal gecontracteerde jeugdhulpaanbieders is afgesproken dat vervoer onderdeel is van het ingekochte jeugdhulpaanbod. De jeugdhulpaanbieder die hiervoor gecontracteerd is, is daarmee direct verantwoordelijk voor het organiseren van vervoer. Er worden geen indicaties voor andere vervoersaanbieders afgegeven bij deze specifieke jeugdhulpaanbieders.

Voor jeugdigen die zorg krijgen via de landelijk gecontracteerde aanbieders (LTA), een Pgb of maatwerkovereenkomst kan een aparte voorziening vervoer worden toegekend door het lokale team.

 

4.4 Pgb en vervoer

Er kan op hoge uitzondering een Pgb voor formeel vervoer worden toegekend. Wanneer de jeugdige in verband met zijn problematiek moet worden begeleid tijdens het vervoer, kan hiervoor een informeel Pgb begeleiding worden toegekend. Dit geldt alleen op het moment dat het kind meereist. Voor een ‘lege’ terugreis wordt geen Pgb verstrekt.

 

5. Het persoonsgebonden budget

Op basis van de Jeugdwet kan een individuele voorziening worden ingezet in de vorm van door de gemeente gecontracteerd aanbod (zorg in natura) of een persoonsgebonden budget (Pgb). Een besluit voor een Pgb wordt genomen met behulp van het budgetplan. Het budgetplan is een aanvulling op het gezinsplan. Om voor een Pgb in aanmerking te komen, moet worden voldaan het motiveringsvereiste en de gestelde kwaliteitscriteria. Zie hiervoor onder andere artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 7 van de verordening.

 

5.1 Motiveren Pgb

De formulering van het eerste lid van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet geeft aan dat het uitgangspunt is dat de jeugdige en zijn ouders een voorziening ‘in natura’ krijgen. Ouders en jeugdigen die een Pgb wensen te ontvangen moeten dit motiveren. De motivering is samen met de bekwaamheid en kwaliteit onderdeel van het budgetplan. Voor de motivering geldt dat:

Uit de motivering moet blijken dat de ouders en jeugdige zich voldoende hebben georiënteerd op de voorziening in natura. Dit kan blijken uit het gesprek met de jeugdige en ouders en de gemandateerd professional waarin de Pgb aanvraag wordt besproken.

Gemotiveerd moet worden waarom het aanbod in natura niet passend is.

De motiveringseis houdt niet in dat het college moet beoordelen of de aangeboden individuele voorziening in natura al dan niet passend is.

Voorbeelden van een motivering zijn:

jeugdhulp die op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden;

jeugdhulp die op verschillende locaties moet worden geleverd;

het is noodzakelijk om 24 uur jeugdhulp op afroep te organiseren.

 

5.2 Kwaliteitscriteria Pgb

De keuze voor een Pgb brengt ook verantwoordelijkheden met zich mee. Het gaat dan onder meer om het aansturen van de hulp (regievoering) en het beheer van het budget. De Pgb-beheerder moet voldoen aan een aantal kwaliteitscriteria om in aanmerking te komen voor een Pgb.

 

5.2.1 Bekwaamheid Pgb-beheerder

De jeugdige en/of ouders moeten in staat zijn het Pgb te beheren. Het beheer kenmerkt zich door het voeren van regie. Dit houdt in dat de beheerder beschikt over de volgende vaardigheden:

Een goed overzicht van de eigen situatie houden. De Pgb-beheerder weet welke zorg nodig is en kan deze beschrijven.

Weten welke regels er horen bij een Pgb of weten waar deze te vinden zijn. Het helpt als de Pgb-beheerder digitaal vaardig is.

Een overzichtelijke Pgb-administratie bijhouden. Onderdeel hiervan is dat de Pgb-beheerder weet welk deel van het Pgb uitgegeven is. Een overzichtelijke Pgb-administratie is niet alleen belangrijk voor de beheerder, maar de administratie kan ook nodig zijn als de gemeente daarom vraagt.

Communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners. De beheerder moet zelfstandig en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Als er iets verandert, moet de beheerder dat zelf aangeven. Uit de verantwoordelijkheid vloeit ook voort dat de Pgb-beheerder verantwoordelijk is voor het tijdig aanvragen van verlengingen, wijzigingen of de overgang naar andere wetgeving. De Pgb-beheerder is bijvoorbeeld verantwoordelijk om tijdig actie te ondernemen op het moment dat de hulp nog nodig is na het 18e levensjaar.

Zelfstandig handelen en zelf voor zorgverleners kiezen. De Pgb-beheerder moet zelf zorgverleners uitzoeken en afspraken maken over de zorg die ze gaan geven. Onderdeel hiervan zijn het uurtarief en de ureninzet.

Zelf afspraken maken en deze afspraken bijhouden. De Pgb-beheerder moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Ook moet de beheerder kunnen laten zien dat de zorg wordt ingekocht waarvoor het budget is ontvangen.

Beoordelen of de zorg uit het Pgb passend is en of de kwaliteit van de zorg in orde is. Als de zorg niet goed is, kan de Pgb-beheerder uitleggen waarom. Als de zorg niet volgens afspraak verloopt, moet de beheerder zelf kunnen ingrijpen.

Zelf de zorg regelen met 1 of meer zorgverleners en zorg dragen voor de kwaliteit en continuïteit (bijvoorbeeld bij ziekte van de zorgverlener).

Zorgverleners aansturen en aanspreken. De beheerder is de werkgever/opdrachtgever van de zorgverlener.

De beheerder weet wat te doen als werkgever/opdrachtgever van een zorgverlener. Het is niet erg als de beheerder sommige regels over hoe een werkgever/opdrachtgever moet handelen niet kent, maar de beheerder moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden.

Als de jeugdige en/of ouders zelf niet beschikken over de benodigde vaardigheden om het Pgb te beheren, kan in een aantal situaties toch een Pgb worden verstrekt. Zo kan bijvoorbeeld iemand uit het netwerk of een wettelijk vertegenwoordiger deze rol op zich nemen. Ook kan het zo zijn dat ouders worden gecompenseerd of ondersteund om te beschikken over de vaardigheden. In deze gevallen beoordeelt het team op basis van de individuele situatie of een Pgb toegekend kan worden. Daarbij zijn naast de hierboven genoemde vereisten ook de volgende criteria van belang:

Er mag geen sprake zijn van een onwenselijke vermenging van rollen, daarmee wordt bedoeld dat het beheer en de uitvoering van het Pgb door dezelfde persoon worden gedaan. Slechts in uitzonderingssituaties is het toegestaan dat het beheer van het Pgb en het uitvoeren van de ondersteuning door één en dezelfde persoon wordt gedaan. De uitzondering is alleen van toepassing bij een informeel Pgb, voor professionele organisaties is deze uitzondering niet mogelijk. Er moet worden gemotiveerd waarom het niet mogelijk is om deze rollen te scheiden.

Criteria waarin aan de dubbelrol in ieder geval getoetst wordt zijn:

Er is geen andere Pgb-beheerder beschikbaar.

Een andere zorgverlener is geen optie.

De kwaliteit van de zorg is gewaarborgd.

Bewindvoerders zijn wettelijk vertegenwoordigers die kunnen ondersteunen bij met name de financiële en administratieve kant van het Pgb. Als de budgethouder wil dat zijn bewindvoerder het volledige budgetbeheer (dus naast de financiële ook de zorginhoudelijke kant) op zich neemt en de bewindvoerder daarmee akkoord gaat, dan zijn daartegen geen bezwaren. Het is echter geen eis dat een cliënt met een bewindvoerder het volledige budgetbeheer aan zijn bewindvoerder laat. Uit de Jeugdwet volgt dat gedeeltelijke vertegenwoordiging mogelijk moet kunnen zijn.

Mentoren zijn wettelijk vertegenwoordigers die taken en beslissingen met betrekking tot verzorging, behandeling, begeleiding en verpleging en dus niet-vermogensrechtelijke handelingen overnemen van betrokkenen. Ook wanneer er sprake is van een Pgb. De mentor vervult geen financiële en administratieve rol. Daarom is een mentor alleen toegestaan als Pgb beheerder als deze aangeeft betrokken te willen zijn bij de financiële en administratieve kanten van de zorg.

 

5.2.2 Omstandigheden die meespelen in de overweging

Er zijn omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het beheer van een Pgb. In het bepalen of ouders of een jeugdige een Pgb kunnen beheren wordt in ieder geval rekening gehouden met deze omstandigheden. Het beheer van een Pgb wordt in ieder geval geweigerd als blijkt dat op basis van de omstandigheden het Pgb daadwerkelijk niet beheerd kan worden. De hieronder genoemde omstandigheden vormen aanleiding om de Pgb-vaardigheid nader te onderzoeken:

schuldenproblematiek;

verslavingsproblematiek;

aangetoonde fraude, minder dan 4 jaar geleden;

er eerder misbruik is gemaakt van het Pgb;

sterke vergeetachtigheid/verstandelijke beperking/psychische stoornis;

analfabeet of digibeet zijn;

het leiden van een zwervend bestaan;

handelingsonbekwaamheid.

In het geval ouders op basis van bovenstaande criteria niet in staat zijn om het Pgb te beheren, kunnen zij eventueel iemand uit het netwerk of een formele Pgb-beheerder of bewindvoerder vragen dit voor hen te beheren. Ook deze persoon wordt getoetst op Pgb-vaardigheid en of deze de verantwoordelijkheid die hoort bij het beheren van het Pgb kan en wil nemen.

 

5.2.3 Kwaliteitscriteria aanbieder

De kwaliteit van de aanbieder wordt op basis van de volgende punten getoetst:

Raadplegen van Zorgaanbiedersportaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor controle op registratie en aanwezigheid van inspectierapporten;

Controle op aanwezigheid recente VOG (niet ouder dan 1 jaar) indien noodzakelijk;

SKJ of BIG-registratie, inclusief toetsing in het register zelf;

Aanwezigheid KvK-nummer;

Relevante diploma’s en/of werkervaring indien noodzakelijk;

De norm ‘verantwoorde werktoedeling’ is van toepassing bij de inzet van een informele zorgverlener.

5.3 Arbeidstijdenwet

Voor een informeel Pgb geldt, net als bij een formeel Pgb, dat de arbeidstijdenwet van toepassing is. Op het moment dat een persoon uit het informeel netwerk naast een reguliere baan ook uitvoerder is van een Pgb, kan dit conflicteren met de arbeidstijdenwet. Om overbelasting bij de uitvoerder van het Pgb te voorkomen en de kwaliteit van het Pgb te garanderen kan het team besluiten om een Pgb in deze gevallen (deels) niet te laten uitvoeren door de persoon uit het informeel netwerk. Wel geldt hiervoor dat er sprake moet zijn van een reëel risico voor de kwaliteit, doordat er bijvoorbeeld substantieel meer uren worden gewerkt of er signalen van overbelasting zijn. Meer werken dan de arbeidstijdenwet toestaat, is op zichzelf geen reden om een Pgb te weigeren.

 

5.4 Pgb buitenland

Het staat mensen die zorg willen inkopen met een Pgb vrij om zich te wenden tot een dienstverlener die in een andere EU-lidstaat is gevestigd of daar zijn diensten aanbiedt. Niet-EU-lidstaten zijn uitgesloten.

Voor een Pgb in het buitenland geldt, naast de voor het Pgb algemene en hierboven beschreven criteria, dat:

Het hoofdverblijf van de jeugdige in gemeente Alphen aan den Rijn ligt, of waarbij Alphen aan den Rijn de formele woonplaats is op basis van het woonplaatsbeginsel. Het verblijf in het buitenland is dus tijdelijk en van beperkte duur.

De geboden jeugdhulp noodzakelijk is om tijdens het buitenlands verblijf te functioneren.

Alleen de kosten van de jeugdhulp uit het Pgb gefinancierd mogen worden (dus bijvoorbeeld geen reis- en verblijfskosten).

Er wordt gewerkt conform het Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd van de VNG.

 

6. Verlengde jeugdhulp

De Jeugdwet is voor jeugdigen tot 18 jaar. Als een jeugdige 18 jaar wordt, stopt in principe de jeugdhulp. Vanaf die leeftijd kan de jeugdige zorg en ondersteuning krijgen vanuit andere wetten. Soms kan hiervan afgeweken worden en kan besloten worden tot verlengde jeugdhulp. Hier zijn voorwaarden aan verbonden.

 

6.1 Perspectiefplan

Als het gelet op de hulpvraag van de jeugdige te verwachten is dat ondersteuning na de 18e verjaardag moet doorlopen, wordt vanaf 16 jaar gewerkt aan het toekomstperspectief van de jongvolwassene in de overgang naar 18 jaar.

Dit gebeurt op basis van een toekomstplan, waarbij minimaal de volgende onderwerpen worden meegenomen:

Wonen;

School;

Werk;

Inkomen;

Sociaal netwerk.

De verantwoordelijkheid voor het opstellen van een toekomstplan met de jeugdige ligt in eerste instantie bij de jeugdhulpverlener die de daadwerkelijke jeugdhulp biedt.

Indien de jeugdhulp wordt geboden op basis van een besluit namens het college ligt er een verantwoordelijkheid bij de betrokken medewerker van het lokale team en/of casusregisseur, om te monitoren, en indien nodig aan te sturen, dat dit toekomstplan wordt opgesteld.

 

6.2 Jeugdhulp na de 18e verjaardag

Er zijn drie situaties waarin jeugdhulp na de 18e verjaardag mogelijk is:

1. Jeugdigen in een pleeggezin of gezinsvervangende tehuizen tot maximaal 21 jaar, als de jeugdige hiermee instemt (ja, tenzij principe).

2. Bij jeugdhulp in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering, tot het einde van de maatregel.

3. Als voortzetting van de hulp die een jeugdige voor de 18e verjaardag ontving noodzakelijk is en er geen vergelijkbare hulp op basis van een andere wet kan worden verkregen.

De Jeugdwet biedt de mogelijkheid de jeugdhulp te verlengen tot maximaal 23 jaar. De eerste 2 mogelijkheden spreken voor zich. De derde mogelijkheid vraagt om een afwegingskader wat betreft de noodzakelijkheid.

 

6.2.1 Afwegingskader noodzakelijke verlengde jeugdhulp

Voor noodzakelijke verlengde jeugdhulp geldt dat:

Verlengde jeugdhulp kan alleen van toepassing zijn als deze niet valt onder een andere wet (Wlz, Zvw, Wmo 2015 etc.).

De hulp ingezet moet zijn voor de 18e verjaardag of het moet voor de 18e verjaardag zijn bepaald dat de hulp ingezet moet worden. Daarbij geldt ook dat er sprake kan zijn van verlengde jeugdhulp indien er binnen een half jaar wordt geconstateerd dat hulp die voor de 18e verjaardag is beëindigd, toch nodig blijkt te zijn.

(Individuele) begeleiding na het 18e levensjaar behoort tot de Wmo 2015, behalve:

o Als het gaat om hulp die voor 2015 onder de Wet op de jeugdzorg viel, bijvoorbeeld pedagogische gezinsbegeleiding, opvoedondersteuning of vaardigheidstrainingen.

o Bij (individuele) begeleiding die samenvalt met verblijf vanuit de Jeugdwet.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naar boven