Verordening op de heffing en invordering van Afvalstoffen 2026

 

Zaaknummer: 2295435

 

gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders d.d.

 

 

betreft: Verordening op de heffing en invordering van Afvalstoffen 2026

 

 

De Raad van de gemeente Hoorn besluit:

 

gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

 

vast te stellen de

 

Verordening op de heffing en invordering van Afvalstoffen 2026

 

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder “gebruik maken”: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer.

 

Artikel 2 Aard van heffing en belastbaar feit

  • 1.

    Onder de naam “afvalstoffenheffing” wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

  • 2.

    De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven voor het gebruik maken van een perceel waarvoor volgens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

 

Artikel 3 Voorwerp van de belasting

  • 1.

    Voorwerp van de belasting is een perceel.

  • 2.

    Als perceel wordt aangemerkt:

  • a.

    de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;

  • b.

    de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;

  • c.

    een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

  • d.

    een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.

  • e.

    het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

 

Artikel 4 Belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt:

  • a.

    degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet volgens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het perceel;

  • b.

    als het gaat om een situatie waarbij een gedeelte van een perceel ten gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte ten gebruik heeft afgestaan;

  • c.

    degene die het eigendom voor volgtijdig gebruik ter beschikking heeft gesteld; deze is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld;

  • d.

    een lid van een huishouden aangewezen door de gemeenteambtenaar, zoals bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet.

 

Artikel 5 Maatstaf van heffing en tarief

  • 1.

    De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar als het perceel wordt gebruikt door een huishouden van;

  • a.

    één persoon: € 303,80.

  • b.

    meerdere personen: € 413,35.

  • 2.

    Voor belastingen tot € 5,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen afvalstoffenheffing en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

 

Artikel 6 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

 

Artikel 7 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

 

Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Als de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Als de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Als in de loop van het belastingjaar de samenstelling van het aantal personen in het huishouden wijzigt en invloed heeft op het te hanteren tarief zoals gesteld in artikel 4 heeft de belastingplichtige recht op ontheffing of teruggaaf voor de te veel geheven belasting voor zoveel volle kalendermaanden er in het belastingjaar resten.

  • 5.

    Het tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt.

 

Artikel 9 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die is vermeld in de dagtekening van het aanslagbiljet. De tweede termijn vervalt twee maanden later.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt het volgende: als het totaal te betalen bedrag op één aanslagbiljet, meer is dan € 25,00, maar minder dan € 10.000,00, en de verschuldigde bedragen door automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dan moet het bedrag in tien gelijke termijnen worden betaald. De eerste termijn vervalt één maand na de maand die is vermeld in de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen vervalt vervolgens telkens een maand later.

  • 3.

    De in het tweede lid bedoelde machtiging tot automatische incasso wordt ingetrokken als twee van de tien termijnen niet worden betaald, doordat automatische incasso niet mogelijk is van de betaalrekening van de belastingschuldige. In dat geval gelden de betaaltermijnen zoals bedoeld in het eerste lid

  • 4.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid en tweede lid gestelde termijnen.

 

Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De “Verordening op de heffing en invordering van Afvalstoffen 2025” wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2026, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

  • 4.

    Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening Afvalstoffenheffing 2026".

 

Artikel 10 Bekendmaking

Deze verordening wordt bekendgemaakt door plaatsing in het Gemeenteblad en op de website van via www.officielebekendmakingen.nl

 

Hoorn, 9 december 2025

 

de griffier,                              de voorzitter,

 

 

Bekendmaking:

  • door opname in het Gemeenteblad

  • via www.officielebekendmakingen.nl

 

Naar boven