Gemeenschappelijke regeling Openbaar Lichaam Afvalstoffenverwerking Zeeland (OLAZ)

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen, ieder voor zover zij bevoegd zijn;

 

Overwegende dat op het gebied van afvalstoffenverwerking samenwerking tussen gemeenten in de regio geboden is;

 

Gelet op de Omgevingswet, Wet Milieubeheer, de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet en het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten;

 

Besluiten:

 

de oude gemeenschappelijke regeling Openbaar Lichaam Afvalstoffenverwijdering Zeeland 2019 (afgekort als O.L.A.Z.) te wijzigen in de navolgende nieuwe gemeenschappelijke regeling Openbaar Lichaam Afvalstoffenverwerking Zeeland (afgekort als OLAZ);

 

HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1: Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Deze regeling verstaat onder:

    • a)

      het openbaar lichaam: het openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 2;

    • b)

      gemeenten: de bij de regeling deelnemende gemeenten i.c. Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen;

    • c)

      deelnemers: de aan deze regeling deelnemende gemeenten;

    • d)

      Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland;

    • e)

      de regeling: de gemeenschappelijke regeling afvalstoffenverwerking Zeeland;

    • f)

      Wgr: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • g)

      Afvalstoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet Milieubeheer;

    • h)

      brenglocatie: een plaats waar ingevolge het daartoe genomen besluit door of namens het algemeen bestuur de deelnemers de door of namens hen ingezamelde afvalstoffen ter verwerking moeten aanbieden;

    • i)

      BBV: Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 2.

    Wanneer in deze regeling artikelen en bepalingen uit andere regelingen van overeen-komstige toepassing worden verklaard, komen in die artikelen in de plaats van de gemeente’, ‘de raad’, ‘het college’, en ‘de burgemeester’ onderscheidenlijk: ‘het openbaar lichaam’, ‘het algemeen bestuur’, ‘het dagelijks bestuur’ en ‘de voorzitter’.

Artikel 2: Openbaar lichaam

  • 1.

    Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, Openbaar Lichaam Afvalstoffenverwerking Zeeland (OLAZ) gevestigd in de gemeente Kapelle.

  • 2.

    Het rechtsgebied van het Openbaar Lichaam Afvalstoffenverwerking Zeeland omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 3: Doel/Missie

Het openbaar lichaam is ingesteld om de gezamenlijke belangen van de deelnemers te behartigen op het gebied van verwerking van afval.

Artikel 4: Bestuursorganen

Het openbaar lichaam kent de volgende bestuursorganen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

HOOFDSTUK 2: BELANG, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

Artikel 5: Belang

Het openbaar lichaam voert, de in artikel 6 genoemde taken en bevoegdheden uit.

Artikel 6: Taken en bevoegdheden

  • 1.

    De te verrichten taken worden collectief uitgevoerd, tenzij het algemeen bestuur anders besluit.

  • 2.

    Ter uitvoering van het in artikel 3 omschreven doel heeft het openbaar lichaam de volgende taken:

    • a.

      de zorg voor de verwerking van afvalstoffen, zoals het beheer en de exploitatie van milieustraten en de op- en overslag van afstoffen;

    • b.

      het desgevraagd adviseren van de deelnemers over het uitvoeren van relevante bepalingen van de Wet milieubeheer en de daaruit voortvloeiende voorschriften;

    • c.

      het vaststellen van de tarieven, anders dan de door de gemeenteraad vast te stellen belastingtarieven, voor de verwerking van afvalstoffen;

    • d.

      het uitvoeren of doen uitvoeren van andere taken op het gebied van de afvalstoffenverwerking van het afvalstoffen, zo het algemeen bestuur daartoe besluit, met dien verstande dat aldus aan deelnemers zonder hun instemming geen andere verplichtingen kunnen worden opgelegd dan die voortvloeien uit deze regeling;

    • e.

      het geven van voorlichting op het gebied van afvalpreventie en -verwerking en verzameling van afvalstoffen;

    • f.

      het op verzoek van een of meerdere deelnemers uitvoeren of doen uitvoeren van een andere taak op het gebied van verwerking en verzameling van afvalstoffen.

  • 3.

    De taken, genoemd in lid 2 onder sub f worden door het openbaar lichaam niet uitgevoerd ten behoeve van de deelnemers, die geen gebruik maken van de betreffende faciliteit. De kosten, verbonden aan de uitvoering van een faciliteit komen volledig ten laste van de deelnemers, die wel van de faciliteit gebruik maken.

  • 4.

    In geval het algemeen bestuur besluit tot uitvoering van een taak als genoemd onder lid 2 sub f ten behoeve van een of meerdere deelnemers zullen omtrent de uitvoering en de gevolgen daarvan nadere afspraken met deze deelnemer(s) gemaakt worden.

  • 5.

    De deelnemers dragen, met in achtneming van lid 2 aan het openbaar lichaam over al hun bevoegdheden tot regeling en bestuur en tot deelname aan het maatschappelijk verkeer ter behartiging van de in het eerste en tweede lid genoemde belangen en taken.

Artikel 7: Verwerking van huishoudelijk afval zoals opgenomen in begroting OLAZ

  • 1.

    Ter verwerking van de door of namens de deelnemers ingezameld huishoudelijk afval sluit het openbaar lichaam contracten af met één of meerdere verwerkers.

  • 2.

    De deelnemers verplichten zich de door of namens hen ingezamelde huishoudelijk afval aan te bieden aan de verwerker of verwerkers als bedoeld in lid 1. Het algemeen bestuur kan deelnemers van de verplichting ontheffing verlenen voor bepaalde soorten huishoudelijke afvalstromen.

  • 3.

    Het eigendom van de door of namens de deelnemers ingezameld huishoudelijk afval gaat over op de in lid 1 bedoelde verwerker of verwerkers na acceptatie van die huishoudelijke afvalstromen door de bedoelde verwerker of verwerkers.

Artikel 8: Bezwaar en beroep

Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een verordening als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 9: Klachtrecht

Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een verordening over de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de behandeling van deze klachten wordt aangesloten bij de Nationale Ombudsman.

HOOFDSTUK 3: HET ALGEMEEN BESTUUR

Artikel 10: Samenstelling

  • 1.

    Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit 13 leden.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders van iedere gemeente wijst een lid en een plaatsvervangend lid uit de leden van het college aan. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege zodra het lid zijn functie bij de gemeente verliest.

  • 3.

    De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten beslissen in beginsel binnen één maand na de benoeming van de wethouders van elke zittingsperiode over de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur.

  • 4.

    Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter en zijn plaatsvervanger aan.

  • 5.

    De leden van het algemeen bestuur die tussentijds ontslag nemen, stellen de voorzitter van het algemeen bestuur evenals het college van burgemeester en wethouders die hen heeft aangewezen hiervan op de hoogte. Het ontslag is onherroepelijk.

  • 6.

    Leden van het algemeen bestuur die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien.

  • 7.

    De aanwijzing voor de vervulling van plaatsen die zijn opengevallen, vindt binnen twee maanden plaats door het college van burgemeester en wethouders die het aangaat.

Artikel 11: Bevoegdheden

  • 1.

    Aan het algemeen bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen. Het algemeen bestuur kan alle bevoegdheden delegeren aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet.

  • 2.

    Het algemeen bestuur wijst de brenglocaties voor het grof huishoudelijk afval aan en brengt de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten binnen twee weken in kennis van dat besluit.

  • 3.

    De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar:

    • a.

      het aanwijzen van een voorzitter en diens plaatsvervanger en de overige leden van het dagelijks bestuur;

    • b.

      het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzigingen, meerjarenbeleidsplan en de jaarstukken;

    • c.

      het vaststellen van een reglement van orde;

    • e.

      het vaststellen van de Financiële verordening en de Controle verordening;

    • f.

      het doen van voorstellen tot wijziging, toetreding, uittreding en opheffing van deze gemeenschappelijke regeling;

  • 4.
    • a.

      Ter behartiging van de in artikel 6 aan het openbaar lichaam toebedeelde taken is het algemeen bestuur bevoegd te besluiten tot het oprichten van en deelneming in vennootschappen.

    • b.

      Een besluit als bedoeld in artikel 11, lid 4 sub a wordt niet genomen dan nadat de gemeenteraden en colleges van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

  • 5.

    Het algemeen bestuur kan personen uitnodigen als adviseur aan de vergadering deel te nemen.

Artikel 12: Werkwijze

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast.

  • 2.

    Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee leden van het algemeen bestuur dit verzoeken (onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen).

  • 3.

    In het laatste geval vindt de vergadering binnen twee weken plaats (art. 17 Gemeentewet en art. 22 Wgr).

  • 4.

    De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.

  • 5.

    Tegelijkertijd met de oproep maakt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering openbaar. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in artikel 25, lid 2, Gemeentewet, genoemde stukken waarop geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep ter inzage gelegd. (Gemeentewet artikel 19 en artikel 24 Wgr).

  • 6.

    De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.

  • 7.

    De deuren worden gesloten wanneer een vijfde deel van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.

  • 8.

    Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd.

  • 9.

    Uit de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing het bepaalde in artikel 20 (quorum voor opening van vergadering), artikel 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), artikel 26 (handhaving orde vergadering), artikel 28 (niet-deelname aan de stemming), artikel 29 (quorum voor geldige stemming), artikel 31 (geheime stembriefjes), artikel 32 (overige stemmingen) en artikel 33 (ambtelijke bijstand leden van het Algemeen bestuur).

  • 10.

    Van de vergaderingen van het algemeen bestuur wordt een concept-verslag gemaakte dat ter vaststelling aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, zo mogelijk in de eerstvolgende vergadering.

  • 11.

    Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen, rekening houdend met artikel 13. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

Artikel 13: Stemrecht

  • 1.

    De leden van het algemeen bestuur brengen daarin een aantal stemmen uit dat als volgt afhankelijk is van het aantal inwoners van de gemeenten die zij vertegenwoordigen:

    tot en met 9.999 inwoners

    1 stem;

    van 10.000 tot en met 14.999 inwoners

    2 stemmen;

    van 15.000 tot en met 19.999 inwoners

    3 stemmen;

    van 20.000 tot en met 24.999 inwoners

    4 stemmen;

    van 25.000 tot en met 29.999 inwoners

    5 stemmen;

    van 30.000 tot en met 34.999 inwoners

    6 stemmen;

    van 35.000 tot en met 39.999 inwoners

    7 stemmen;

    van 40.000 tot en met 44.999 inwoners

    8 stemmen;

    45.000 en meer inwoners

    9 stemmen.

  • 2.

    Voor het bepalen van de peildatum voor het vaststellen van het inwonertal, als bedoeld in lid 1, is artikel 1, lid 2, van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14: Besloten vergadering

Op grond van de belangen genoemd in artikel 5 van de Wet open overheid over de geheimhouding van de inhoud van stukken is het bepaalde in artikel 23, leden 1 tot en met 4 van de Wgr van toepassing. In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over het meerjarenbeleidsplan, de begroting, begrotingswijzigingen, de jaarstukken en het liquidatieplan.

Artikel 15: Ambtelijke ondersteuning

  • 1.

    Het OLAZ heeft een ambtelijke begeleidingscommissie.

  • 2.

    De begeleidingscommissie adviseert de deelnemers, het dagelijks bestuur en fungeert als financiële commissie op het gebied van de financiële advisering over de jaarstukken.

  • 3.

    Iedere deelnemer is in de begeleidingscommissie vertegenwoordigd met een lid.

  • 4.

    De leden van de begeleidingscommissie kiezen uit hun midden een voorzitter en secretaris.

HOOFDSTUK 4: HET DAGELIJKS BESTUUR

Artikel 16: Samenstelling

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat ten minste uit een voorzitter en minimaal vier andere leden, waaronder de plaatsvervangend voorzitter.

  • 2.

    De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het algemeen bestuur zijn tevens voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van het dagelijks bestuur.

  • 3.

    De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur. Zij worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur nadat in overeenstemming met artikel 10 de leden van het algemeen bestuur zijn aangewezen.

  • 4.

    De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die openvallen, vindt plaats binnen twee maanden na de melding van de opengevallen plaats.

  • 5.

    De leden van het dagelijks bestuur mogen nimmer de meerderheid uitmaken van het algemeen bestuur, niet in persoon en niet in stemgewicht.

Artikel 17: Einde lidmaatschap

  • 1.

    Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt indien het lid ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.

  • 2.

    De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop de zittingsperiode van de gemeenteraad afloopt. Zij blijven hun functie waarnemen tot het moment dat het algemeen bestuur in de nieuwe samenstelling nieuwe leden voor het dagelijks bestuur heeft aangewezen.

  • 3.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet. In dit geval is het bepaalde in artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

  • 4.

    Hij die ontslag neemt als lid van het dagelijks bestuur blijft zijn functie waarnemen tot zijn opvolger deze functie heeft aanvaard.

Artikel 18: Werkwijze

  • 1.

    Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht met opgave van de te behandelen onderwerpen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ingekomen.

  • 2.

    Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten daarover mee aan het algemeen bestuur.

  • 3.

    Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen, dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd.

  • 5.

    Voor de besluitvorming in het dagelijks bestuur en de verplichting tot geheimhouding zijn de overeenkomstige bepalingen zoals die zijn opgenomen in de Gemeentewet voor het college van toepassing.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur kan personen uitnodigen als adviseur aan de vergadering deel te nemen.

Artikel 19: Taak

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is belast met:

    • a.

      het voorbereiden van al wat aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd, voor zover die voorbereiding niet aan anderen is opgedragen;

    • b.

      het uitvoeren van besluiten van het algemeen bestuur;

    • c.

      het beheer van de eigendommen en geldmiddelen van het openbaar lichaam;

    • d.

      het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en het verlies van recht of bezit;

    • e.

      het houden van een voortdurend toezicht op het beheer en de exploitatie van het openbaar lichaam, evenals op al wat het openbaar lichaam aangaat, waaronder de zorg voor de archiefbescheiden;

    • f.

      het behartigen van de belangen van het openbaar lichaam bij andere overheidslichamen en instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor het openbaar lichaam van belang is.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur heeft de verplichting om het algemeen bestuur actief inlichtingen te verstrekken.

HOOFDSTUK 5: DE VOORZITTER

Artikel 20: Functie, benoeming en taak

  • 1.

    De voorzitter en zijn plaatsvervanger worden door en uit het algemeen bestuur aangewezen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

  • 3.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 4.

    Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door de plaatsvervangend voorzitter.

  • 5.

    De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.

  • 6.

    De voorzitter is de woordvoerder over besluiten van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur.

  • 7.

    De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door deze aan te wijzen gemachtigde.

  • 8.

    Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente, die partij is in een geding waarbij het openbaar lichaam is betrokken, wordt het openbaar lichaam door een ander, door het dagelijks bestuur aan te wijzen, lid van het dagelijks bestuur vertegenwoordigd.

HOOFDSTUK 6: INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN ONTSLAG

Artikel 21: Intern

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 2.

    Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.

  • 3.

    Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen.

  • 4.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur bezit. In dit geval is het bepaalde in artikel 49 en verder van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    De leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.

Artikel 22: Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur

  • 1.

    Het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de raden van de gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is.

  • 2.

    Het algemeen en het dagelijks bestuur verstrekken op verzoek van de raden of één of meer leden daarvan alle inlichtingen die worden verlangd. Die informatie wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige raden.

  • 3.

    Belangrijke financiële, beleidsmatige en/of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke afwijkingen van de samenwerkingsafspraken zendt het algemeen en dagelijks bestuur met een tussentijdse rapportage tijdig ter informatie naar de raden van de deelnemende gemeenten.

Artikel 23: Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur

  • 1.

    Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan het college door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid.

  • 2.

    Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door het college van burgemeester en wethouders die het aangaat, worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van het college van burgemeester en wethouders bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 24: Bekendmaking

Besluiten van het bestuur van een openbaar lichaam, die algemeen verbindende voorschriften inhouden, zijn pas geldig als ze op de juiste wijze door het openbare lichaam bekend zijn gemaakt.

HOOFDSTUK 7: FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 25: Begrotingsprocedure

  • 1.

    Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting van het OLAZ voor het komende kalenderjaar, evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), aan de raden van de gemeenten. Het bepaalde in art. 190 lid 1 van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV).

  • 2.

    De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen twaalf weken, na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.

  • 4.

    Nadat de begroting is vastgesteld stuurt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 5.

    Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld.

  • 6.

    Een begrotingswijziging wordt alleen opgesteld indien de bijdragen van de deelnemers naar boven worden bijgesteld of indien de bijdragen van de deelnemers niet in het onderhavige jaar, maar in het volgende jaar en/of volgende jaren naar boven worden bijgesteld.

Artikel 26: Bijdrage van de gemeenten

  • 1.

    De kosten verbonden aan de uitvoering van de taken van het openbaar lichaam wordt per activiteit over de gemeenten omgeslagen:

    • a.

      in verhouding tot de werkelijke hoeveelheid (tonnen of stuks) van de door elke gemeente aangeboden afvalstroom, of

    • b.

      in verhouding tot het aantal inwoners van de gemeenten.

  • In de begroting staat welke bijdrage elke gemeente verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van het Openbaar Lichaam afvalstoffenverwerking Zeeland.

  • 2.

    Het algemeen bestuur bepaalt per activiteit welke omslag toegepast wordt.

  • 3.

    Maandelijks worden voorschotbedragen in rekening gebracht betreffende de verwerking van de door elke gemeenten aangeboden afvalstroom, waarbij, indien relevant, wordt uitgegaan van de werkelijk geleverde hoeveelheden afval. Van de overige activiteiten wordt jaarlijks een voorschotbedrag een rekening gebracht.

  • 4.

    Elke gemeente is verplicht het bedrag, dat uit de omslag voor haar resulteert, aan het openbaar lichaam te voldoen.

  • 5.

    De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de gemeenschappelijke regeling over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen.

  • 6.

    Indien aan het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Provinciewet.

Artikel 27: Scheiding risico's activiteiten dochtervennootschappen

  • 1.

    Het algemeen bestuur is bij uitsluitsel bevoegd te besluiten over de onverplichte aanvulling of financiering door het openbaar lichaam door middel van een lening, (agio)storting of anderszins van tekorten in dochtervennootschappen die bij de uitoefening van de aan het openbaar lichaam opgedragen taken zijn betrokken.

  • 2.

    Het algemeen bestuur beslist over de wijze waarop de met de in lid 1 bedoelde onverplichte aanvulling of financiering gepaard gaande kosten over de deelnemers zullen worden verdeeld. Het bepaalde in artikel 25, lid 1 tot en met 3 is hierop niet van toepassing. Als uitgangspunt geldt dat, voor zover de tekorten toerekenbaar zijn aan één of meer bepaalde activiteiten, enkel de deelnemers ten behoeve waarvan die activiteiten zijn verricht in de kosten zullen bijdragen.

  • 3.

    Het algemeen bestuur neemt het besluit als bedoeld in lid 1 gelijktijdig met het besluit als bedoeld in lid 2.

Artikel 28: Reserve

  • 1.

    Het openbaar lichaam kan een reserve vormen ten laste van de gemeentelijke bijdragen aan de uitvoeringskosten tot maximaal het percentage zoals vastgesteld door de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten.

  • 2.

    Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het algemeen bestuur. Bij beslissingen op gemeentelijke verzoeken hierover past het algemeen bestuur de afspraken tussen de gemeenten over het te vormen reserve toe.

Artikel 29: Jaarstukken

  • 1.

    Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast het rapport van de met de controles belaste accountant.

  • 2.

    De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden.

  • 3.

    Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming.

  • 4.

    Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt deze vast uiterlijk 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 5.

    De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli.

  • 6.

    Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.

HOOFDSTUK 8: HET ARCHIEF EN INFORMATIEVEILIGHEID

Artikel 30: Archief

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet vast te stellen regeling.

  • 2.

    Deze regeling wordt aan Gedeputeerde Staten toegestuurd.

  • 3.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het algemeen bestuur een archiefbewaarplaats aan.

Artikel 31: Informatieveiligheid

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming.

  • 2.

    De informatieveiligheid en gegevensbescherming dient te voldoen aan dezelfde eisen als die voor de deelnemende gemeenten gelden.

Artikel 32: Participatie

  • 1.

    Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid.

  • 2.

    Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken:

    • a.

      ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;

    • b.

      indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;

    • c.

      indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • d.

      inzake de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;

    • e.

      indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;

    • f.

      indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving.

  • 3.

    Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.

HOOFDSTUK 9 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFEN

Artikel 33: Toetreding, uittreding

  • 1.

    Het college van de gemeente die wenst toe te treden, richt het verzoek hiertoe aan het algemeen bestuur.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stuurt het verzoek als bedoeld in lid 1 na ontvangst door aan de colleges van de deelnemende gemeenten onder overlegging van zijn advies over de toetreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden.

  • 3.

    Toetreding vindt plaats indien de deelnemende gemeenten daarmee instemmen.

Artikel 34: Aanvang uittredingsprocedure

  • 1.

    De deelnemer zendt, na verkregen toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het bestuur het besluit heeft ontvangen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept-uittredingsplan.

  • 3.

    Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.

  • 4.

    De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van drie jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit en de uittredende deelnemer een andere opzegtermijn overeenkomen.

Artikel 35: Procedure voor vaststelling uittredingsplan

  • 1.

    Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding.

  • 2.

    Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.

  • 3.

    Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.

  • 4.

    Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende deelnemer.

  • 5.

    Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 36 gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.

  • 6.

    Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 36 en vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.

  • 7.

    Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.

  • 8.

    Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in een keer dient te betalen.

Artikel 36: Te vergoeden kosten bij uittreding

  • 1.

    De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen, bedoeld in artikel 11 lid 4.

  • 2.

    Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn.

  • 3.

    Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door OLAZ die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.

  • 4.

    Het algemeen bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom als bedoeld in artikel 35 heeft vastgesteld.

  • 5.

    Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.

  • 6.

    De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 35.

  • 7.

    Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 35 en relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft, kan het algemeen bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%.

  • 8.

    Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.

Artikel 37: Wijziging

  • 1.

    De regeling wordt gewijzigd, indien de colleges van twee derde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten.

  • 2.

    Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de deelnemers.

  • 3.

    Voorstellen uitgaande van het bestuur worden toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten, die acht weken na ontvangst van het ontwerp van de regeling, hun zienswijze over de ontwerpregeling naar voren brengen.

  • 4.

    Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel.

Artikel 38: Geschillen

  • 1.

    Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 Wgr de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.

  • 2.

    De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt.

  • 3.

    De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen.

  • 4.

    De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.

  • 5.

    Indien het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil wordt bij het verzoek om een beslissing van Gedeputeerde Staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd.

Artikel 39: Ontbinden en liquidatie

  • 1.

    De regeling kan worden ontbonden, op voorstel van het algemeen bestuur, gelezen artikel 9 Wgr, bij een daartoe strekkend besluit van de raden en de colleges van tenminste twee derde van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een twee derde meerderheid genomen, gehoord de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten en de financiële gevolgen van de ontbinding de regeling.

  • 4.

    Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de ontbinding heeft voor het personeel.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

  • 6.

    Het besluit tot ontbinding of tot wijziging van deze regeling wordt direct gezonden aan de gemeenten.

  • 7.

    De organen van de gemeenschappelijke regeling blijven ook na het tijdstip van ontbinding in functie, totdat de vereffening is voltooid.

  • 8.

    Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van ‘in liquidatie’, zodat het opschrift komt te luiden, OLAZ in liquidatie.

HOOFDSTUK 10: SLOTBEPALINGEN

Artikel 40: Overgangsbepaling

Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam blijven hun functies vervullen tot de zittingsperiode van de gemeenteraden is beëindigd en in hun opvolging is voorzien.

Artikel 41: Inwerkingtreding

Het college van de gemeente van vestiging zorgt namens alle deelnemende gemeenten voor bekendmaking. De kosten daarvan komen ten laste van de regeling.

Artikel 42: Slotbepaling

In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet beslist het algemeen bestuur.

Artikel 43: Evaluatie

De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft vooral betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd, is eveneens onderdeel van de evaluatie.

Artikel 44: Titel

De regeling kan worden aangehaald als “gemeenschappelijke regeling Openbaar Lichaam Afvalstoffenverwerking Zeeland”.

De colleges van burgemeester en wethouders van alle deelnemende gemeenten hebben ingestemd met de vaststelling van de gemeenschappelijke regeling Openbaar Lichaam Afvalstoffenverwerking Zeeland.

Naar boven