Gemeenteblad van Doetinchem
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Doetinchem | Gemeenteblad 2025, 563155 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Doetinchem | Gemeenteblad 2025, 563155 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels Jeugdhulp gemeente Doetinchem 2026
De Nadere regels Jeugdhulp zijn verbonden aan de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp Doetinchem. In deze Nadere regels maatschappelijke Jeugdhulp worden specifieke thema’s uit de verordening toegelicht en verder uitgewerkt.
In de Jeugdwet is het uitgangspunt dat ouders en/of verzorgers zelf verantwoordelijk zijn voor het veilig laten opgroeien en opvoeden van hun kinderen. Ouders verzorgen hun kinderen, voeden hen op en houden toezicht op hen, ook als sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. Op grond van de Jeugdwet kan jeugdhulp worden geboden als ouders en/of verzorgers niet langer zelfstandig in staat zijn de juiste ondersteuning te bieden aan hun kind(eren) en dit noodzakelijk is voor het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of het omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of verstandelijke beperkingen die zij hebben. Ook kan het gaan om opvoedingsproblemen of het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van persoonlijke verzorging in situaties waarin jeugdigen niet zelfredzaam genoeg zijn.
De gemeente Doetinchem hanteert bij de uitvoering van de Jeugdwet het uitgangspunt dat zoveel mogelijk wordt ingezet op preventie. En als er jeugdhulp noodzakelijk is, wordt dit afgestemd op de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige/het gezin.
Beoordelingskader - stappenplan
Per situatie is het noodzakelijk om de hulpvraag en de behoeften van de jeugdige en of het gezin, maar ook de gewenste resultaten helder te krijgen. Hiervoor wordt een zorgvuldige beoordeling doorlopen die plaatsvindt aan de hand van een stappenplan. Op deze manier wordt vastgesteld óf en welke ondersteuning vanuit de Jeugdwet noodzakelijk is. Deze Nadere regels beschrijven op welke manier de gemeente met hulpvragen omgaat en specifieke thema’s uit de verordening worden in deze Nadere regels – ter verduidelijking - toegelicht.
Deze Nadere regels worden (ook) in acht genomen door Buurtplein B.V. (verder te noemen: Buurtplein). Het college heeft Buurtplein namelijk gemandateerd (aangewezen) om bevoegdheden namens het college uit te oefenen. Dit betekent dat Buurtplein alle meldingen van inwoners beoordeelt en namens het college kan bepalen of jeugdhulp wordt ingezet. Waar dat nodig is, wordt in deze Nadere regels onderscheid gemaakt tussen het college en Buurtplein.
In deze Nadere Regels worden dezelfde begrippen als in de wet en de verordening gebruikt. Eventuele aanvullende begrippen zijn toegelicht in bijlage 1.
Binnen de gemeente Doetinchem wordt gewerkt met een Preventieagenda. In deze preventieagenda is het preventieve jeugdbeleid opgenomen dat bestaat uit verschillende initiatieven ten aanzien van de jeugdigen in de gemeente. Het uitgangspunt is dat we binnen Doetinchem zoveel mogelijk een ‘positief jeugdbeleid’ voeren en hierop ook ons beleid baseren. Zowel de VNG als het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) stimuleert en ondersteunt gemeenten bij de ontwikkeling en het voeren van een positief jeugdbeleid.
Positief jeugdbeleid en positieve gezondheid als uitgangspunt
Positief jeugdbeleid biedt kansen om problemen in opvoedsituaties en het opgroeien van kinderen te voorkomen. Sinds de drie decentralisaties binnen het sociaal domein naar de gemeenten zijn overgegaan werd “positieve gezondheid” -zoals omschreven door Machteld Huber- gemeengoed. Positieve gezondheid is het vermogen om je aan te passen en je eigen regie te voeren, in het licht van de sociale, fysieke en emotionele uitdagingen van het leven. Het past bij de nieuwe wetgeving voor jeugd, zorg, en participatie waar de nadruk ligt op eigen kracht en regie, en bij het bijbehorende streven naar een verschuiving van de 2e naar 1e en/of de 0e lijn, dus past het bij de doelstellingen van het beleidskader. Positief jeugdbeleid en positieve gezondheid zijn een goede basis voor een breed op preventie gericht jeugdbeleid.
Preventie als onderdeel van positief jeugdbeleid
Preventie als onderdeel van het jeugdbeleid is het voorkomen van problemen en het handelen als de eerste signalen van problemen zich voordoen. De verbinding tussen de verschillende verantwoordelijkheden en taken van de gemeente (preventief jeugdbeleid, jeugdgezondheidszorg en jeugdhulp) voor jeugd en jongeren kan gevonden worden in preventie. Zeker als we de verschillende niveaus van preventie gebruiken zoals Machteld Huber dat doet binnen het kader van positieve gezondheid. We onderscheiden dan vier niveaus van preventie: universele preventie, selectieve, geïndiceerde en zorggerelateerde preventie.
Figuur 1: Preventie op vier niveaus
Het preventiebeleid gaat over de nulde -en eerstelijns zorg ingedeeld in vier niveaus van preventie en gaat niet over de specialistische jeugdhulp die we op regionaal, bovenregionaal en landelijk niveau hebben ingekocht en gecontracteerd. In de verordening en in deze nadere regels is de toegang naar specialistische jeugdhulp verder uitgewerkt.
Als de jeugdige of zijn of haar ouders zich meldt met een hulpvraag, wordt deze zorgvuldig door een medewerker van Buurtplein onderzocht. Aan de hand van het stappenplan – zie artikel 3.4 - wordt beoordeeld of een jeugdige in aanmerking komt voor jeugdhulp. Ouders zijn in eerste instantie altijd zelf verantwoordelijk voor de opvoeding/het opgroeien van de jeugdige. Het uitgangspunt is dat ondersteuning vanuit de Jeugdwet alleen wordt ingezet als er geen sprake is van eigen kracht, hulp vanuit het sociale netwerk, of als de jeugdige geen gebruik kan maken van andere (voorliggende of algemeen gebruikelijke) voorzieningen.
Als de woonplaats van de jeugdige niet kan worden vastgesteld, dan is de gemeente waar de moeder tijdens de geboorte van de jeugdige stond ingeschreven verantwoordelijk. En als die niet kan worden vastgesteld, is de gemeente waar de jeugdige op het moment van de melding verblijft verantwoordelijk. Gemeente Doetinchem zoekt altijd regionale afstemming over de jeugdhulp voor jeugdigen zonder vaste woon- en verblijfplaats.
3.2 Melding behoefte aan jeugdhulp
In de praktijk kan ook een pleegouder of een ander die de minderjarige verzorgt en opvoedt, zich melden met een hulpvraag. In dat geval wordt afhankelijk van de leeftijd van de minderjarige, zoveel mogelijk afstemming gezocht met de wettelijk vertegenwoordiger en worden het toestemmingsvereiste voor inzetten van jeugdhulp en het woonplaatsbeginsel gerespecteerd.
De jeugdige en/of ouder wordt over de mogelijkheid van cliëntondersteuning geïnformeerd. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. De jeugdige en/of ouder bepaalt of en wie hij als cliëntondersteuner wil. Dat kan iemand zijn uit zijn eigen netwerk, het kan ook een ondersteuner zijn die de gemeente gratis biedt. Dit een medewerker van Buurtplein of de medewerker van een tweede organisatie waar de gemeente een contract mee heeft. De inzet van een tweede organisatie is vanaf het begin van de hulpvraag mogelijk. De wens van de jeugdige en/of ouder staat hierbij centraal.
Voor spoedeisende gevallen kan een medewerker van Buurtplein beslissen dat zo snel als mogelijk jeugdhulp kan worden ingezet. Ook een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet kan met spoed worden aangevraagd. Als sprake is van een spoedeisende situatie, betekent dit dat wordt afgeweken van de normale procedure, zoals het hanteren van de onderzoeks- en beslistermijn, en dat zo spoedig mogelijk jeugdhulp wordt geboden. Deze jeugdhulp wordt geboden in afwachting van het onderzoek. Het daadwerkelijke onderzoek, op basis van het stappenplan, wordt vervolgens alsnog uitgevoerd.
Elk onderzoek vindt plaats aan de hand van het zogeheten stappenplan, zie ook artikel 2.4 van de verordening. Het hanteren van dit stappenplan, zorgt ervoor dat elke melding zorgvuldig wordt onderzocht en de situatie van de jeugdige en/of ouders op juiste wijze wordt beoordeeld. Het stappenplan is gebaseerd op het onderzoekskader van de wet en binnen de rechtspraak aangemerkt als een zorgvuldige manier van onderzoek doen.1
De gemeente Doetinchem heeft bij het doen van onderzoek als doelstelling om ook zorgmijdende gezinnen te bereiken. De houding en de werkwijze van de medewerkers van Buurtplein kenmerkt zich door een respectvolle maar vasthoudende benadering als de veiligheid of ontwikkeling van het kind in gevaar is. Als dat nodig is, wordt extra expertise ingezet.
De jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Als hieraan niet wordt voldaan, kan dit betekenen dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen.
Als dit van belang is voor het onderzoek, kan een andere professional of een externe onafhankelijke adviesinstantie om advies worden gevraagd. In uitzonderlijke gevallen kan dit op basis van anonieme cliëntgegevens. Een advies kan ook worden aangevraagd op het moment dat al een aanvraag is ingediend.
De jeugd- en gezinswerker kan, met instemming en op verzoek van de jeugdige en/of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts of het onderwijs, en met hen in gesprek gaan over de meest aangewezen hulp, waaronder ook inzetten/versterken eigen kracht en/of sociale omgeving en het inzetten van algemene, andere of overige voorzieningen.
HET STAPPENPLAN BINNEN DE JEUGDWET
Het doel van de Jeugdwet is het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en van het zorgen en probleemoplossend vermogen van diens gezin en anderen in de sociale omgeving. Voorkomen moet worden dat de bemoeienis van de overheid leidt tot zorgafhankelijkheid. Bemoeienis van de overheid moet actief en maximaal bijdragen aan de eigen kracht van de jeugdige en het gezin.
Ouders en/of verzorgers zijn zelf verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Het moet voor ouders en professionals vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen (tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert). Ouders en kinderen zijn hierop ook aanspreekbaar.
Tijdens elk onderzoek wordt met de jeugdige en/of ouder gezamenlijk gezocht naar de mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder om (deels) zelf bij te dragen aan zelfredzaamheid en participatie. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat gebruik maken van de eigen mogelijkheden veronderstelt dat de jeugdige en/of ouder zelf voorziet in de kosten of voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn.
dat ouder zelf de begeleiding en stimulans bieden die nodig is bij ontplooiing en ontwikkeling van het kind - passend bij de leeftijd -bijvoorbeeld huiswerkbegeleiding of begeleiding bij zelfstandig gaan wonen, begeleiding in het verkeer van en naar school, naar activiteiten ter vervanging van school of aansluitend op school of vrijetijdsbesteding.
Gebruik maken van eigen mogelijkheden veronderstelt daarnaast dat de jeugdige en/of ouder zich voldoende verzekert, bijvoorbeeld door een passende aanvullende zorgverzekering af te sluiten die aansluit bij de situatie van de jeugdige en/of ouder.
Bij de vraag naar de eigen mogelijkheden moet ook goed in beeld worden gebracht wat de aard en omvang van de noodzakelijke hulp is, de noodzaak tot continuïteit van hulp bij ziekte en de belastbaarheid van de ondersteuner(s) uit het netwerk. Inzicht in de belasting en de belastbaarheid van de ondersteuner(s) is hierbij cruciaal. Indien deze belasting te hoog is, of de belastbaarheid te beperkt is, kan (tijdelijk) ondersteuning ingezet worden. De ondersteuning richt zich indien mogelijk op het vergroten van de draagkracht van de ondersteuner, waarbij eerst gekeken wordt naar mogelijkheden middels voorliggende voorzieningen, bijvoorbeeld de Mantelzorgcentrale van Buurtplein.
Zorg, hulp en ondersteuning worden zo ingericht en opgezet dat een ‘normale’ manier van opgroeien en opvoeden wordt gestimuleerd. Dat betekent dat wordt uitgegaan van de mogelijkheden en de behoeften van de individuele jeugdigen en hun ouders en dat hulp en ondersteuning aanvullend zijn op wat ouders en jeugdigen zelf kunnen. Om te beoordelen wat de eigen mogelijkheden zijn van ouders/het gezin, is het noodzakelijk dat eerst de hulpvraag van ouders/jeugdige volledig in beeld is.
Bij het wegen van de belastbaarheid wordt gebruik gemaakt van de richtlijn (dreigende) overbelasting en eventueel van een erkende vragenlijst, zie bijlage 4 bij deze nadere regels.
Als sprake is van gebruikelijke hulp, wordt geen jeugdhulp verleend. Ook als er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking, zijn ouders verantwoordelijk om hun kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Om te bepalen welke taken en ondersteuning van ouders kan worden verwacht, geldt het protocol gebruikelijke hulp. Dit protocol is opgenomen in bijlage 3 bij deze nadere regels.
Als sprake is van (dreigende) overbelasting, kan worden bepaald dat geen gebruikelijke hulp wordt verwacht. Dit is alleen het geval als er verband is tussen de (dreigende) overbelasting van de ouder(s) en de zorg die de ouder(s) aan de jeugdige bieden. Het eigen vermogen en het probleemoplossend vermogen zijn dan onvoldoende om de overbelasting op te heffen.
Het verslag van het onderzoek wordt zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 15 werkdagen na het laatste gesprek verzonden aan de ouder(s) met gezag en/of de jeugdige, afhankelijk van diens leeftijd. Opmerkingen of aanvullingen van ouder(s) en jeugdige worden toegevoegd aan het verslag.
3.6 De beschikking en aanvang hulp
De jeugd- en gezinswerker neemt het besluit tot toekenning van een individuele voorziening op grond van het onderzoek naar de behoefte aan jeugdhulp van de jeugdige en zijn ouders. Het besluit zal middels een beschikking zo spoedig mogelijk na het laatste gesprek aan de ouder en/of jeugdige, maar uiterlijk acht weken na de aanvraag voor een individuele voorziening, worden uitgereikt of toegestuurd.
Op het moment dat de beschikking aan de aanvrager en minderjarige, van twaalf jaar en ouder, wordt verzonden, wordt tegelijk een opdrachtbevestiging verzonden aan de aanbieder indien de hulp in natura wordt ingezet. De hulp kan starten nadat het besluit tot toekenning van een individuele voorziening is genomen en nadat een opdrachtbevestiging is verstuurd aan de aanbieder.
3.7 Verwijzing door medisch specialisten
Op grond van artikel 2.10 van de verordening kunnen de huisarts, jeugdarts of een medisch specialist rechtstreeks verwijzen naar door de gemeente gecontracteerde jeugdhulp. De jeugdige en/of ouder kan met de verwijzing rechtstreeks naar een aanbieder. Om zeker te weten welk aanbod bij welke aanbieder gecontracteerd is, of om nader advies in te winnen, kan de jeugdige en/of ouder of de verwijzer contact opnemen met de jeugd- en gezinswerker.
De aanbieder meldt zich bij de gemeente middels een ingevuld meldingsformulier. De aanbieder kan pas beginnen met het daadwerkelijk verlenen van hulp, zodra de gemeente een opdrachtbevestiging heeft verzonden aan de aanbieder. Op deze manier wordt voorkomen dat een niet gecontracteerde aanbieder of niet gecontracteerde hulp wordt ingezet na verwijzing en kunnen de budgetten bewaakt worden.
3.8 Geldigheidsduur beschikking en tussentijdse wijziging
Een besluit tot toekenning van een individuele voorziening jeugdhulp heeft een maximale geldigheidsduur van twee jaar. Dit geldt voor zowel een verstrekking in natura als een verstrekking van een pgb. Hieronder worden uitzonderingsituaties beschreven en ook hoe wordt omgegaan met het tussentijds wijzigen van een besluit en wanneer een besluit vervalt.
4. Individuele jeugdhulpvoorzieningen
In dit hoofdstuk worden de algemene criteria en de weigeringsgronden voor jeugdhulpvoorzieningen nader toegelicht. Ook de verschillende soorten jeugdhulp voorzieningen komen aan bod. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het vrijwillig kader, de gesloten jeugdhulp en het gedwongen kader.
Er bestaat geen recht op jeugdhulp als de problemen waarop de hulpvraag zich richt, kunnen worden opgelost door een beroep te doen op de eigen verantwoordelijkheid, hulp vanuit het sociaal netwerk, door gebruikelijke hulp, of door gebruik te maken van algemene, overige of andere (voorliggende) voorzieningen. Het uitgangspunt is immers dat ouders in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het veilig opvoeden en laten opgroeien van hun kind(eren).
Jeugdigen, hun ouders, gezin en/of sociaal netwerk kunnen in aanmerking komen voor ambulante jeugdhulp als dat vanwege opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, noodzakelijk is om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn of te participeren.
De aansluiting met onderwijs is een belangrijk onderdeel van integrale jeugdhulp. Met de invoering van Passend Onderwijs zijn scholen verplicht om een passende plek te bieden als de jeugdige extra onderwijsondersteuning nodig heeft. Het uitgangspunt is dat leerlingen zoveel mogelijk in de reguliere omgeving onderwijs kunnen volgen. Goede samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp is een belangrijke voorwaarde om dit te kunnen realiseren. Er is een grijs gebied tussen Passend Onderwijs en de Jeugdwet. Grofweg kan het volgende onderscheid worden gemaakt: extra ondersteuning die primair is gericht op het leerproces, is de verantwoordelijkheid van de school. Is extra ondersteuning ook op andere gebieden nodig, dan ligt de verantwoordelijkheid eerder bij de gemeente. Dit geldt met name als het gaat om doelen gericht op gedrag en opvoeding. Over dit ‘grijze gebied’ maakt de gemeente op regionaal niveau afspraken met de samenwerkingsverbanden van het onderwijs. Daarnaast stimuleert de gemeente de samenwerking tussen onderwijs en aanbieders van jeugdhulp.
De zorg wordt ingezet als de thuissituatie geen veilige of passende woonomgeving voor een jeugdige vormt. Er moet een alternatieve passende woonvorm worden gevonden, die zo lang als nodig als thuis fungeert. Binnen Jeugdhulp met Verblijf wordt samen met de jeugdige, het gezin en de zorgaanbieders gekeken naar de best passende woonplek. Met een duurzaam (langdurig) perspectief waar nodig. Daarbij werkt de zorgaanbieder gezins- en netwerkgericht, waardoor er een continue verbinding is tussen de jeugdigen, hun gezin, het netwerk, de naaste omgeving en de zorgaanbieder. Daarnaast wordt onderwijs, werk of arbeidsmatige dagbesteding gerealiseerd voor de jeugdige. De zorgaanbieder bepaalt dit samen met de jeugdige/ouders of wettelijk vertegenwoordiger.
Bij een crisissituatie wordt altijd eerst gekeken of een ambulante aanpak volstaat, met de mogelijkheid van een crisisplaatsing in het eigen netwerk. Alleen als dat niet mogelijk blijkt, kan een verblijf worden ingezet binnen een crisissituatie. Voor dit onderdeel geldt dat er bepaalde zorgvormen afhankelijk van de zorgvraag additioneel kunnen worden ingezet vanuit Ambulante Jeugdhulp.
Vervoer kan een onderdeel van de ondersteuningsbehoefte zijn. Uitgangspunt is dat ouders/jeugdige zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer naar de locatie jeugdhulp. De wijze van vervoer van een jeugdige naar een locatie waar jeugdhulp wordt geboden wordt onderzocht tijdens het gesprek. Een gezamenlijk oplossing kan daarbij tot de mogelijkheden behoren.
4.6 Vrijwillig gesloten jeugdhulp
Een verzoek om gesloten jeugdhulp kan op verschillende manieren binnenkomen bij de gemeente, maar altijd met instemming van de ouder met gezag. De jeugd- en gezinswerker bespreekt een verzoek om gesloten jeugdhulp altijd met de gedragswetenschapper. Zij analyseren en beoordelen de noodzaak en mogelijkheden tot gesloten jeugdhulp - met instemming van de ouder met gezag.
Voorafgaand aan dwang kan worden gewerkt middels een werkwijze die drang of preventieve jeugdbescherming kan worden genoemd: hulp die wordt gekenmerkt door een respectvolle en vasthoudende houding, om de veiligheid en ontwikkeling van het kind te borgen. Deze hulp wordt uitgevoerd door de jeugd- en gezinswerker. Voor toeleiding naar dwang (ondertoezichtstelling of gezagsbeëindigende maatregel) is een voorwaarde dat hulp in het vrijwillig kader niet of onvoldoende wordt geaccepteerd door de ouder(s) met gezag.
De jeugd- en gezinswerker is transparant naar ouders en/of jeugdige over de (voorgenomen) toeleiding naar het gedwongen kader. Toeleiding vindt plaats middels de Jeugdbeschermingstafel, waaraan tevens ouders en minderjarige (afhankelijk van diens leeftijd) deelnemen. Als het gaat om het delen van informatie staat altijd transparantie voorop, tenzij de veiligheid van de minderjarige in het geding is. De professional stelt zich voor het delen van informatie elke keer onder andere de volgende vragen: Wat is het doel en de noodzaak voor het delen van gegevens? Is het proportioneel? En zijn er andere opties die minder ingrijpend zijn (subsidiariteit)?
De gemeente maakt samenwerkingsafspraken met de gecertificeerde instellingen over het inzetten van hulp binnen het gedwongen kader. Het uitgangspunt is dat door de gecertificeerde instelling binnen het gedwongen kader van het gecontracteerde aanbod gebruik wordt gemaakt. In dat geval kan de jeugdige en/of ouder rechtstreeks met de uitvoerder van de kinderbeschermingsmaatregel/ jeugdreclasseringsmaatregel naar de aanbieder, en wordt op dezelfde wijze het meldingsformulier en de opdrachtbevestiging gebruikt als bij de toegang via medici.
4.8 Inzet SEZ en ambulante spoedhulp
Als naar het oordeel van het Buurtplein bij de melding sprake lijkt van urgentie of dreigende onveiligheid, zal het gesprek met de jeugdige en/of ouders met voorrang plaatsvinden. Indien sprake lijkt van een crisissituatie wordt de afdeling Spoedeisende Zorg van Jeugdbescherming Gelderland in gezet.
SEZ is indien nodig binnen drie uur na de melding ter plaatse en beoordeelt en stabiliseert de crisissituatie. Ambulante spoedhulp van een aanbieder kan vervolgens ingezet worden na een interventie en advies van SEZ. De aanbieder die de ambulante spoedhulp uitvoert op advies van SEZ meldt de inzet van hulp direct en uiterlijk binnen vijf dagen bij de gemeente.
Een voorafgaande beschikking van de gemeente is niet nodig voor inzet van ambulante spoedhulp van de aanbieder. De jeugd- en gezinswerker en aanbieder van ambulante spoedhulp maken met elkaar afspraken over de samenwerking tijdens het ambulante spoedhulptraject, met het oog op eventueel in te zetten vervolghulp. De bevestiging van de gemeente tot toekenning van de ambulante spoedhulp zal binnen twee weken na de start van de hulp in een beschikking worden toegestuurd.
5. De vormen van hulp (natura of pgb)
Wanneer een individuele voorziening wordt verstrekt, informeert de jeugd- en gezinswerker de jeugdige en zijn ouders over het door het college gecontracteerde aanbod (hulp in natura). Ook worden jeugdige en ouders geïnformeerd over de mogelijkheid om te kiezen voor een verstrekking van een persoonsgebonden budget (pgb), onder de voorwaarden zoals genoemd in de Jeugdwet en in artikel 6.2 lid 1 van de verordening. In dit hoofdstuk worden de regels over het pgb toegelicht.
Het pgb is een geldbedrag waarmee een jeugdige en/of ouder(s) die in aanmerking komt voor jeugdhulp zelf ondersteuning kan inkopen. Het is bedoeld als alternatief voor een (individuele) jeugdhulpvoorziening in natura. Met een pgb heeft de cliënt zelf de regie om de voor hem of haar best passende ondersteuning te regelen. Een medewerker van Buurtplein informeert de cliënt die in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening over de mogelijkheid voor een pgb.
De cliënt moet voldoende pgb-bekwaam zijn en wordt door de medewerker gewezen op de mogelijkheid van het testen van zijn bekwaamheid op www.pgb-test.nl. Het testen is bedoeld om de cliënt bewust te maken van de taken en verantwoordelijkheden die horen bij het beheren van een pgb. Zo kan hij of zij een weloverwegen keuze voor een pgb of ondersteuning in natura maken.
Voordat een pgb wordt ingezet, wordt beoordeeld of de jeugdige en/of ouder(s) aan de wettelijke voorwaarden voldoet (zie ook hoofdstuk 6 van de verordening). Ook wordt beoordeeld of de in te kopen ondersteuning van de juiste kwaliteit is en of de zorgverlener wel in staat is de juiste ondersteuning te bieden.
Hieronder staan de onderdelen die door de medewerker van Buurtplein worden beoordeeld:
De jeugdige en/of ouder(s) dienen op eigen kracht of met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat te zijn om de taken die aan een pgb zijn verbonden op verantwoorde wijze uit te voeren. Daarbij zijn de tien punten voor pgb-vaardigheid het uitgangspunt voor de jeugd- en gezinswerker.
Beheer pgb door vertegenwoordiger
Er gelden een aantal aanvullende voorwaarden ten aanzien van de vertegenwoordiger (zie artikel 6.2 van de verordening):
Het is in beginsel toegestaan dat de cliënt zich voor het pgb-beheer laat vertegenwoordigen door een familielid in de eerste of tweede graad, die tevens een (deel van) de ondersteuning levert, tenzij er naar het oordeel van de medewerker van Buurtplein sprake is van ongewenste belangenverstrengeling. Het belang van de cliënt moet centraal staan. Een factor die kan wijzen op ongewenste belangenverstrengeling is als de cliënt vanwege zijn of haar beperkingen weinig of geen invloed heeft op het besluit om voor een pgb te kiezen;
Kwaliteit/ ondersteunings- en budgetplan
De jeugdhulpvoorziening die met een pgb wordt ingekocht, moet van de juiste kwaliteit zijn. De wettelijke eis is dat een pgb wordt besteed aan een voorziening die veilig, doeltreffend en cliëntgericht is en de voorziening moet geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb is toegekend. Het doel is namelijk dat met de besteding van het pgb de afgesproken resultaten kunnen worden behaald. De beoordeling hiervan ligt bij de medewerker van Buurtplein.
In hoofdstuk 7 zijn de kwaliteitseisen per hulpverlener nader omschreven.
Om aan te tonen welke ondersteuning wordt ingekocht en van welke kwaliteit die is, leveren de jeugdige en/of ouder(s) een ondersteunings- en budgetplan aan. Hierin legt de cliënt vast welke afspraken zij maken over de gewenste jeugdhulp. Ook kunnen de jeugdige en/of ouder(s) hierin aangeven/motiveren waarom zij de ondersteuning in de vorm van een pgb wil ontvangen.
In het ondersteunings- en budgetplan wordt in elk geval inzichtelijk gemaakt:
Pgb voor uitvoering door het sociaal netwerk
De jeugdige en/of ouder(s) kunnen het pgb ook inzetten om ondersteuning van een informele hulp te ontvangen (zie ook artikel 8.1.1, derde lid, Jeugdwet). Hiervoor gelden enkele voorwaarden:
Het uitgangspunt is dat altijd eerst wordt gekeken of er sprake is van gebruikelijke hulp en dat het pgb niet mag worden ingezet voor vergoeding van jeugdhulp die anders onbetaald zou worden geleverd. Bij de beoordeling of er sprake is van gebruikelijke hulp, kan voor de uitgangspunten gebruikelijke hulp van ouder(s) voor kinderen het zorgmomentenoverzicht worden gebruikt, Slimme lijst: Zorgmomentenoverzicht - Per Saldo (pgb.nl);
Hulp uit de eigen omgeving (gebruikelijke hulp) moet altijd eerst maximaal worden ingezet voordat een beroep wordt gedaan op ondersteuning vanuit de Jeugdwet. Voor ondersteuning die in redelijkheid mag worden verwacht van het eigen netwerk (taken die een ander onbetaald zou verrichten bij familie), wordt het eigen netwerk aangesproken. Een beoordeling van de eigen kracht van de client en de informele hulp is hierbij van belang.
Sociale Verzekeringsbank/uurtarief en facturatie
Naast het ondersteunings- en budgetplan moet de cliënt een zorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) invullen. Hierin worden afspraken over het aantal te leveren uren en uurtarieven vastgelegd. Het ondersteunings- en budgetplan worden door de medewerker van Buurtplein goedgekeurd. De gemeente keurt de zorgovereenkomst goed en zet hier hierna het pgb klaar bij de Sociale Verzekeringsbank.
De budgetbeheerder is verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van de bestedingen uit het budget. De gemeente vindt het belangrijk dat de budgetbeheerder hier voldoende inzicht in heeft. Daarom vindt betaling via facturatie plaats en is betaling via een vast maandloon niet mogelijk. Eventuele wijzigingen qua inhoud van de geleverde ondersteuning, moeten worden doorgegeven aan de SVB.
Bij een eventuele herbeoordeling van de indicatie wordt het ondersteunings- en budgetplan geëvalueerd. De gemeente kan ook steekproefsgewijs controles uitvoeren. Als de budgetbeheerder de besteding van het pgb niet adequaat kan verantwoorden, kan de gemeente besluiten het pgb te beëindigen of (een deel van) het pgb terug te vorderen.
Kosten die niet vanuit het pgb mogen worden betaald
Het pgb kent geen vrij besteedbaar bedrag en geen eenmalige uitkering.
Het is niet toegestaan dat het pgb wordt besteed aan tussenpersonen en belangenbehartigers. Ook administratiekosten mogen niet uit het pgb worden betaald. Kosten die de zorgverlener bij een budgethouder in rekening brengt in verband met een opzegtermijn, zijn niet te verhalen op de gemeente. Dit geldt ook voor kosten die de ondersteuner bij de budgethouder in rekening brengt voor het niet nakomen van een afspraak kunnen niet worden verhaald op de gemeente.
Kosten zoals reiskosten en reistijd, de opgeleide eigen bijdrage, feestdagen of een eenmalige uitkering voor de zorgverlener en algemeen gebruikelijke kosten, mogen ook niet vanuit het pgb worden betaald.
Verder geldt dat alle kosten voor zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Jeugdwet vallen, niet vanuit het pgb mogen worden bekostigd.
Het college ziet erop toe dat regels en gemaakte afspraken worden nageleefd. Dit doet zij onder andere door in de beschikking duidelijk aan te geven wat van de inwoner mag worden verwacht. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op de kwaliteit van de jeugdhulp door aanbieders en jeugdinstellingen. De toezichthouder rechtmatigheid is verantwoordelijk voor het toezien op de rechtmatige uitvoering van de jeugdhulp. In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke manier de gemeente handelt als afspraken niet worden nagekomen.
6.1 Beëindiging of verlenging jeugdhulp
De jeugdige en/of ouder dan wel wettelijk vertegenwoordiger neemt acht weken voor de beoogde beëindiging van de hulp (telefonisch) contact op met de jeugd- en gezinswerker en met de aanbieder om te bespreken of verlenging van de ingezette hulp nodig is. Dit geldt ook als verlenging van jeugdhulp na meerderjarigheid noodzakelijk is. Als de cliënt zich minder dan acht weken voor afloop van de indicatieduur meldt, kan het zijn dat de nieuwe indicatie niet direct aansluit op de oude.
De jeugd- en gezinswerker zal in overleg met de jeugdige en/of ouder dan wel wettelijk vertegenwoordiger, aanbieder en eventuele andere betrokkenen een besluit nemen met betrekking tot de noodzaak tot verlenging van de hulp. Als de hulp voortgezet moet worden, zal een nieuwe beschikking aan de ouder dan wel wettelijk vertegenwoordiger en/of jeugdige en een nieuwe opdrachtbevestiging aan de aanbieder verzonden worden. Het niet bereiken van de samen met de cliënt opgestelde resultaten en termijnen kan een reden zijn om het besluit tot toekenning van jeugdhulp te beëindigen dan wel niet te verlengen.
Bij beëindiging of vermindering van de indicatie wordt indien nodig een redelijke overgangstermijn in acht genomen. Ditzelfde geldt als de indicatie wordt aangepast van pgb naar zorg in natura. Een overgangstermijn bedraagt maximaal zes maanden. Voor het bepalen van een overgangstermijn en de eventuele duur van die overgangstermijn wordt per individueel geval meegewogen of de wijziging op verzoek van de cliënt plaatsvindt, of de voorziening nog gebruikt wordt en in welke mate de cliënt afhankelijk is van de voorziening.
6.2 Bestrijding en voorkoming oneigenlijk gebruik en misbruik
Hoofdstuk 7 van de verordening beschrijft de mogelijkheden die de gemeente heeft ter voorkoming en bestrijding van fraude. Bij het voorkomen van fraude staat de voorlichting aan de inwoner centraal. Deze moet vooraf weten wat zijn of haar rechten en plichten zijn en wat de consequenties zijn bij het overtreden van de regels.
In de aanpak van fraudepreventie maakt de gemeente Doetinchem gebruik van de principes van het hoogwaardig handhaven:
Vroegtijdig detecteren en afhandelen:
De jeugd -en gezinswerkers zijn alert op fraudesignalen. Bij twijfels over de rechtmatigheid, organiseren zij een huisbezoek; dit doet een beroep op de professionaliteit van de jeugd- en gezinswerkers. Intercollegiaal overleg over het bepalen van de te nemen stappen vindt zo nodig plaats;
Gemeente Doetinchem gaat er van uit dat de voorzieningen op rechtmatige wijze worden ingezet en verantwoord worden. Zodra er signalen zijn over onrechtmatig gebruik, wordt de toezichthouder gevraagd om nader onderzoek te doen. De gemeente hanteert een krachtig consequent sanctiebeleid en een effectief opsporingsbeleid.
Deze principes worden in samenhang uitgevoerd, zo kunnen ze elkaar versterken.
Er is aandacht voor bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van individuele jeugdhulpvoorzieningen. Van de jeugdige en/of ouder(s) wordt verwacht dat zij mededeling doen van wijzigingen in hun omstandigheden waarvan redelijkerwijs is in te schatten dat deze consequenties heeft voor de ondersteuningsvraag en eventueel voor de verstrekte voorziening.
Ook wordt van de jeugdige en/of ouder(s) verwacht dat zij meewerken aan onderzoek in geval van (vermoedens van) onrechtmatigheden. Voor wat betreft de beheersing van de risico’s zijn onder andere goede voorlichting/communicatie, onderlinge samenwerking, eenduidige werkwijze en het pgb-trekkingsrecht belangrijke maatregelen.
In de Beleidsregel handhaving en naleving kwaliteit Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Jeugdwet zijn regels vastgelegd die zijn toepassing zijn bij overtreding van de voorschriften die gesteld zijn bij of krachten de Wmo 2015, de Jeugdwet en de inkoopvoorwaarden van de Achterhoekse gemeenten over de kwaliteit van de voorzieningen.
De jeugdhulp die wordt ingekocht is kwalitatief verantwoord en voldoet zowel voor ZIN als pgb ten minste aan de volgende eisen:
Een Zelfstandige Zonder Personeel, ingekocht via een pgb:
Personen uit het sociaal netwerk, die voor hun inzet worden betaald vanuit een pgb:
8. Klachten, medezeggenschap en inwonerparticipatie
De verordening bepaalt op welke manier jeugdigen en of zijn/haar ouders klachten over de jeugdhulp kunnen indienen. Voor inwoners geldt daarnaast dat zij recht op medezeggenschap hebben en het recht op inwonersparticipatie. Hieronder worden deze onderwerpen toegelicht.
Jongeren en/of hun ouders worden via de klankbordgroep Jeugdhulp en de Sociale Raad gemeente Doetinchem en op andere wijze betrokken bij de uitvoering van de jeugdhulp.
In de klankbordgroep Jeugdhulp zitten ouders en/of verzorgers van jeugdigen en jongeren. De klankbordgroep jeugdhulp bestaat concreet uit:
De gemeente vindt het belangrijk om jongeren actief te betrekken. De signalen van jongeren zelf worden opgepakt via:
Het college biedt inwoners de mogelijkheid om klachten in te dienen over de manier waarop een medewerker van de gemeente zich heeft gedragen ten opzichte van een inwoner. Dit regelt hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht en hoofdstuk 9 van de Verordening. Als het gaat om ondersteuning op grond van de jeugdhulp, heeft de wet bepaalt dat ook aanbieders een regeling voor de afhandeling van klachten heeft. De gemeente ziet erop toe dat aanbieders een dergelijke regeling hebben en hier op juiste wijze gehoor aan geven.
Aanbieders van jeugdhulp, hebben een medezeggenschapsregeling voor inwoners die gebruik maken van deze ondersteuning. De gemeente ziet erop toe dat aanbieders een dergelijke regeling hebben en hier op juiste wijze gebruik van maken. Het gaat erom dat inwoners medezeggenschap hebben ten aanzien van besluiten van de aanbieder. Het kan dan gaan om interne wijzigingen ten aanzien van het aanbod van ondersteuning, of het wijzigen van bijvoorbeeld een huishoudelijk reglement.
De gemeente is daarnaast verantwoordelijk voor het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek. Dit onderzoek biedt informatie over de tevredenheid van inwoners ten aanzien van de geleverde ondersteuning en kan input leveren voor te maken beleidskeuzes.
Vertrouwenswerk is onderdeel van de Jeugdwet. Alle jeugdigen en ouders die onder de Jeugdwet vallen hebben recht op ondersteuning door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Ook als jongeren uit de gemeente Doetinchem (tijdelijk) verblijven in een pleeggezin of instelling buiten de regio kunnen zij hierop een beroep doen.
Als jongeren en ouders hulp en ondersteuning krijgen bij opgroeien en opvoeden is er, zeker in situaties waarbij sprake is van drang en dwang, sprake van afhankelijkheid. In een afhankelijkheidssituatie wordt het lastiger om het te hebben over dingen die niet goed verlopen in de hulpverlening. In die situatie moeten jongeren en/of hun ouders, vanwege die afhankelijkheid, kunnen terugvallen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon die hen bijstaat. Met andere woorden: iedere jeugdige en/of ouder die vragen, klachten over en/of problemen heeft met zijn (rechts)positie en over de (toeleiding naar) jeugdhulp, mag ondersteuning krijgen van een bij wet ingestelde onafhankelijke vertrouwenspersoon. De dienstverlening is voor de jeugdige en/of een ouder gratis.
In de regio Achterhoek wordt het vertrouwenswerk uitgevoerd door op dit gebied gekwalificeerde medewerkers van Zorgbelang Gelderland.
Het jeugdhulp-beleid wordt elke vier jaar geëvalueerd. Het college onderzoekt de doeltreffendheid en de gewenste of ongewenste effecten van het beleid en stelt hierover een verslag op. Dit verslag wordt aangeboden aan de gemeenteraad. Als dit noodzakelijk blijkt, wordt het Jeugdhulp-beleid vervolgens aangepast.
Buurtplein/het college kan gebruikmaken van de hardheidsclausule als de situatie van de jeugdige en of het gezin hierom vraagt. De hardheidsclausule biedt de mogelijkheid om van het beleid af te wijken als toepassing van het beleid tot een (zeer) ongewenste situatie voor de jeugdige en of het gezin zou leiden. Buurtplein/het college doet een weloverwogen beroep op de hardheidsclausule en motiveert dit per situatie.
Alle definities die in deze regels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de hierop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, uitvoeringsbesluiten, de Verordening Jeugdhulp gemeente Doetinchem en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem 2020.
Bijlage 2 – Protocol gebruikelijke hulp
Ouders hebben een wettelijke zorgplicht voor hun kinderen. Ouders dienen te zorgen voor de opvoeding van hun kinderen, waarbij zij zorgen voor de geestelijke en het lichamelijke welzijn van hun kinderen en het bevorderen van de ontwikkeling van de persoonlijkheid van hun kinderen (en naar draagkracht voorzien in de kosten hiervan). Voor de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid van hun kind zijn ouder(s) verantwoordelijk voor:
Van ouders mag dan ook worden verwacht dat zij:
Het is gebruikelijk dat ouders hun kind de dagelijkse zorg, hulp en ondersteuning bieden die past bij de levensfase van het kind. Het kan ook gaan om activiteiten die niet standaard bij alle jeugdigen noodzakelijk zijn, maar wel als gangbare hulp en zorg van ouders aan kinderen kunnen worden gezien. Bij jeugdigen met een chronische aandoening, ziekte, stoornis of beperking is het gebruikelijk dat ouders zo veel mogelijk de dagelijkse zorg leveren, ook als dat meer is dan gemiddeld bij gezonde kinderen van deze leeftijd. Dit is een belangrijk uitgangspunt. Immers, ook bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd verschilt de inzet van dagelijkse zorg van kind tot kind. Het ene kind ontwikkelt zich nu eenmaal anders dan het andere kind en heeft meer of minder begeleiding en zorg nodig.
Bij het vaststellen van de zorgbehoefte wordt rekening gehouden met wat van de ouders kan worden verwacht in het kader van de gebruikelijke hulp. Het college hoeft geen voorziening voor jeugdhulp toe te kennen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend is (artikel 2.3 van de Jeugdwet). Dat wordt ook wel eigen kracht genoemd. Uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep kan worden afgeleid dat bovengebruikelijke hulp onder bepaalde omstandigheden ook van ouders kan worden verwacht, en dus onder ‘eigen kracht’ kan vallen. Om dat vast te stellen moet het college goed onderzoeken of er sprake is van voldoende eigen kracht van ouders. Als alle relevante factoren en belangen gewogen zijn en dit tot de conclusie leidt dat ouders de noodzakelijke hulp kunnen bieden, is sprake van voldoende eigen kracht en hoeft geen jeugdhulp toegewezen te worden.
Bijlage 3– Richtlijn bij dreigende overbelasting
Het kan zijn dat er sprake is van factoren waardoor ouders geen of niet voldoende gebruikelijke hulp kunnen leveren, zoals bij jeugdigen met ernstige verslavingsproblematiek en/of psychiatrische problematiek, of wanneer de ouders zelf een licht verstandelijke beperking hebben. In alle gevallen zal eerst naar de eigen mogelijkheden en een voorliggend aanbod gekeken worden. In bepaalde situaties kan sprake zijn van (dreigende) overbelasting.
Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de jeugdige over. Hiervoor moet de ouder, als dat mogelijk is, aanspraak maken op zorgverlof. Is dit niet mogelijk, dan wordt gekeken naar andere voorliggende voorzieningen. Hetzelfde geldt voor de uitval van de ouder in een éénoudergezin. Is er geen hulp vanuit het netwerk mogelijk, dan kan jeugdhulp worden ingezet, tenzij er alternatieven zijn in de vorm van algemene voorzieningen.
Het beoordelen of er sprake is van (dreigende) overbelasting is dus aan de orde bij:
Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Het kan gaan om klachten en symptomen zoals:
Er bestaat niet een simpel af te nemen test die direct uitsluitsel geeft of er sprake is van (dreigende) overbelasting. Wel kan met behulp van een vragenlijst de overbelasting (mede) onderbouwd worden. Ook kan de jeugd –en gezinswerker medisch of ander deskundig advies inwinnen.
Om respijtzorg of een andere (tijdelijke) maatwerkvoorziening ter ontlasting van de mantelzorger in te zetten moet er een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand (aan partner of kind) biedt waarbij de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen onvoldoende zijn om de overbelasting op te heffen. Bij overbelasting door een dienstverband van teveel uren of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk.
Naast de aard en ernst van de overbelasting onderzoekt de buurtcoach/jeugd- en gezinswerker of deze komt doordat er iets met de ondersteuner zelf aan de hand is (draagkracht vermindering) en/of dat deze gevolg is van de situatie, bijvoorbeeld van langdurige ziekte van kind of partner (draaglast verhoging). Er moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. Als wordt besloten tot de inzet van respijtzorg of een andere maatwerkvoorziening moeten de met de overbelasting gepaard gaande klachten duidelijk beschreven worden. Bij het aflopen van de indicatieduur zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen.
Ouderschap belastbaarheidsvragenlijst
Deze vragenlijst is bedoeld om inzicht te krijgen in de belasting die u als ouder ervaart bij de opvoeding van uw kind(eren). Het invullen kan helpen om eventuele ondersteuningsbehoeften te signaleren. Beantwoord de vragen zo eerlijk mogelijk.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-563155.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.