Gemeenteblad van Doetinchem
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Doetinchem | Gemeenteblad 2025, 563152 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Doetinchem | Gemeenteblad 2025, 563152 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem 2026
De Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning zijn verbonden aan de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp Doetinchem 2026. In deze Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning worden specifieke thema’s uit de verordening toegelicht en verder uitgewerkt.
De Wet maatschappelijke ondersteuning
In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is het uitgangspunt dat inwoners in principe zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en de keuzes die zij maken. Binnen een gezin draagt men daarnaast ook zoveel mogelijk zorg voor elkaar op momenten dat dit extra nodig is. De wet bepaalt vervolgens dat de gemeente zorgdraagt voor maatschappelijke ondersteuning als een inwoner niet meer zelfredzaam is of kan participeren en dit niet op eigen kracht, met behulp van de inzet van het sociale netwerk en het gebruik van algemene, algemeen gebruikelijke of andere voorliggende voorzieningen kan oplossen. Dit kan betekenen dat een voorziening op grond van de Wmo wordt ingezet als een inwoner onvoldoende zelfredzaam is of onvoldoende kan participeren. De gemeente zorgt ervoor dat deze ondersteuning van goede kwaliteit is en maakt duidelijke afspraken met (zorg)aanbieders over de te leveren kwaliteit.
Beoordelingskader - stappenplan
Per situatie is het noodzakelijk om de hulpvraag en de behoeften van de cliënt, maar ook de gewenste resultaten helder te krijgen. Hiervoor wordt een zorgvuldige beoordeling doorlopen die plaatsvindt aan de hand van een stappenplan. Op deze manier wordt vastgesteld óf en welke ondersteuning vanuit de Wmo noodzakelijk is. Uitgangspunt binnen de uitvoering van de Wmo is dat een cliënt zoveel mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven wonen, maar als dat niet kan wordt gekeken naar andere oplossingen. Deze Nadere regels beschrijven op welke manier de gemeente met hulpvragen omgaat en specifieke thema’s uit de verordening worden in deze Nadere regels – ter verduidelijking - toegelicht.
Deze Nadere regels worden (ook) in acht genomen door Buurtplein B.V. (verder te noemen: Buurtplein). Het college heeft Buurtplein namelijk gemandateerd (aangewezen) om bevoegdheden namens het college uit te oefenen. Dit betekent dat Buurtplein alle meldingen van inwoners beoordeelt en namens het college kan bepalen of maatschappelijke ondersteuning wordt ingezet. Waar dat nodig is, wordt in deze Nadere regels onderscheid gemaakt tussen het college en Buurtplein.
In deze Nadere regels worden dezelfde begrippen als in de wet en de verordening gebruikt. -Eventuele aanvullende begrippen zijn toegelicht in bijlage 1.
In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe een inwoner zich kan melden met zijn hulpvraag. Elke melding wordt aan de hand van het stappenplan onderzocht, zodat daarna kan worden beoordeeld of iemand in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning. Het uitgangspunt is dat ondersteuning vanuit de Wmo alleen wordt ingezet als er geen sprake is van eigen kracht, hulp vanuit het sociale netwerk, of als de inwoner geen gebruik kan maken van andere (voorliggende of algemeen gebruikelijke) voorzieningen. De eigen verantwoordelijkheid om een situatie te verbeteren is in principe dus altijd leidend.
Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (artikel 1.1.1. van de Wmo).
De inwoner bepaalt zelf wie hij of zij als cliëntondersteuner wil. Dat kan iemand zijn uit zijn eigen netwerk, maar het kan ook een ondersteuner zijn die de gemeente gratis biedt. Dit is de buurtcoach van Buurtplein of de medewerker van een tweede organisatie waar de gemeente een contract mee heeft. De inzet van een tweede organisatie is vanaf het begin van de hulpvraag mogelijk.
2.3 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Het uitgangspunt bij het gesprek is de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. De medewerker van Buurtplein onderzoekt altijd eerst of de cliënt het probleem zelf of met steun van zijn omgeving (sociale netwerk), met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of door gebruikmaking van andere (algemene) voorzieningen, kan oplossen. Als dat niet het geval is, kan een maatwerkvoorziening worden toegekend.
Als een maatwerkvoorziening nodig is, wordt in het besluit concreet aangegeven wat het beoogde resultaat daarvan is en voor welke duur de maatwerkvoorziening wordt ingezet. De medewerker van Buurtplein maakt inzichtelijk hoe de maatschappelijke ondersteuning tot stand is gekomen en onderbouwt dit zorgvuldig.
Soms kan het nodig zijn om bij de beoordeling van de melding een externe deskundige in te schakelen. De medewerker van Buurtplein kan dan bijvoorbeeld een medisch adviseur, GZ-psycholoog of bouwkundig adviseur vragen om te adviseren over de situatie van de cliënt. De kosten van het advies komen voor rekening van Buurtplein. Als een adviestraject niet binnen de onderzoekstermijn van zes weken kan worden afgerond, kan de termijn na overleg met de cliënt worden verlengd. Dit kan zowel tijdens de meldings- als de aanvraagfase.
Als de medewerker van Buurtplein van mening is dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zal hij de cliënt uitleggen dat deze zowel in natura als in de vorm van een pgb kan worden verstrekt. De medewerker van Buurtplein informeert de cliënt duidelijk over de criteria die gelden in geval van een pgb. De cliënt moet vooraf goed weten wat het pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden (zoals het budgetbeheer) daarbij komen kijken.
Elk onderzoek vindt plaats aan de hand van het zogeheten stappenplan, zie ook artikel 2.4 van de Verordening. Het hanteren van dit stappenplan, zorgt ervoor dat elke melding zorgvuldig wordt onderzocht en de situatie van de cliënt op juiste wijze wordt beoordeeld. Het stappenplan is gebaseerd op het onderzoekskader van de wet en binnen de rechtspraak aangemerkt als een zorgvuldige manier van onderzoek doen.1
Er wordt altijd onderzocht welke eigen mogelijkheden de cliënt heeft. Dit betekent dat beoordeeld wordt of de cliënt de problemen op eigen kracht, met hulp vanuit het sociale netwerk, met mantelzorg, met gebruikelijke hulp, of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke, algemene en andere voorliggende in staat is om tot een oplossing voor zijn beperkingen te komen.
|
STAP 5: BEPALEN AANVULLENDE HULP OM HET GEWENSTE RESULTAAT TE BEREIKEN Welke oplossingen (en in welke vorm) zijn noodzakelijk vanuit de Wmo of de Jeugdwet? |
Eigen kracht verwijst naar het vermogen van de cliënt om zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie en/of zijn aanspraak op grond van een andere wet (zoals Zorgverzekeringswet, Participatiewet, Wet langdurige zorg) tot gelding te brengen. Het college verwacht van de cliënt dat diegene zich inspant om dat aan te wenden wat binnen zijn bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. De medewerker van Buurtplein beoordeelt hierbij ook of de cliënt met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke of andere voorliggende voorzieningen zijn beperkingen kan oplossen of verminderen. De medewerker van Buurtplein neemt niet de beperking als uitgangspunt, maar kijkt juist naar wat de cliënt zelf en/of met hulp van zijn sociaal netwerk wél kan. Dit hangt onder andere af van het type ondersteuning dat wordt gevraagd, van de draagkracht van het sociaal netwerk en van de bereidheid van zowel de cliënt als het sociaal netwerk om hulp te ontvangen respectievelijk te bieden.
De medewerker van Buurtplein beoordeelt of, en zo ja, in hoeverre de cliënt met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Het voeren van een gemeenschappelijk huishouden brengt immers een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich mee. Bijlage 4 bevat een protocol gebruikelijke hulp dat door de medewerker van Buurtplein kan worden toegepast.
Met het sociaal netwerk worden personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt bedoeld. Hierbij kan gedacht worden aan uitwonende kinderen, buren, vrienden, vrijwilligers e.d. Er wordt van de cliënt verwacht dat hij of zij de medewerker van Buurtplein actief informeert over personen uit zijn sociaal netwerk en wat deze personen voor hem kunnen betekenen op het gebied van zorg en ondersteuning. De medewerker van Buurtplein probeert de cliënt ook te ondersteunen in het betrekken van personen uit de sociale omgeving.
Mantelzorg betreft ondersteuning voor een naaste ten behoeve van diens zelfredzaamheid en participatie, die qua omvang en intensiteit de gebruikelijke hulp overstijgt en die rechtstreeks voortkomt uit de sociale relatie tussen personen. Mantelzorg wordt niet verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. De ondersteuning is vrijwillig, maar voelt voor de betrokkenen niet altijd als vrijwillig, maar vaak als vanzelfsprekend. Gezien de intensiteit van de ondersteuning en de vaak hoge mate waarin de cliënt afhankelijk is van de ondersteuning, is het met name bij mantelzorg van belang om inzicht te krijgen in de belastbaarheid van de mantelzorger. Dit is eveneens de taak van de medewerker van Buurtplein.
Gezien de hoge mate waarin de cliënt afhankelijk is van de ondersteuning, is het bij zowel mantelzorg als wanneer de ondersteuning wordt betaald vanuit pgb, van belang te onderzoeken of er sprake is van (dreigende) overbelasting. De belastbaarheidsvragenlijst Wmo kan helpen inzichtelijk te maken of hiervan sprake is. Voorbeelden van symptomen die kunnen wijzen op dreigende overbelasting: angst/gespannenheid, lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen. Ook kan medisch of ander deskundig advies worden ingewonnen door de medewerker van Buurtplein om te beoordelen of er sprake is van overbelasting.
Overbelasting (of dreigende overbelasting) kan een reden zijn om de ondersteuning uit het sociale netwerk niet of minder in te zetten dan beoogd. In geval van mantelzorg is het ook mogelijk om een (tijdelijke) maatwerkvoorziening in te zetten ter ontlasting van de mantelzorger. Hiertoe is het wel noodzakelijk dat er een verband bestaat tussen de (dreigende) overbelasting en de ondersteuning die iemand biedt. Er moet duidelijk beschreven worden hoe de (dreigende) overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. Bij het aflopen van de indicatieduur van de (tijdelijke) maatwerkvoorziening ter ontlasting van de mantelzorger zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de (dreigende) overbelasting terug te dringen.
Zie bijlage 5 van deze Nadere regels voor de belastbaarheidsvragenlijst Wmo.
Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Het is niet de bedoeling dat Buurtplein voorzieningen verstrekt, die de cliënt ook zou aanschaffen als hij of zij geen beperkingen zou hebben. Dergelijke voorzieningen worden namelijk gezien als algemeen gebruikelijk. Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet altijd beoordeeld worden of de voorziening algemeen gebruikelijk is voor de cliënt in kwestie. De medewerker van Buurtplein beoordeelt dit per situatie.
Er is sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening als de voorziening2:
Zie bijlage 3 voor een niet-limitatieve lijst van algemeen gebruikelijke voorzieningen.
De uitleen van niet algemeen gebruikelijke hulpmiddelen valt onder de werking van de Zorgverzekeringswet. Om in aanmerking te komen voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen moet de verzekerde voor een beperkte of onzekere duur op een hulpmiddel zijn aangewezen (artikel 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel, dan wordt deze op grond van de Wmo verstrekt. In het algemeen geldt dat, indien en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen.
In principe zal een hulpmiddel voor verplaatsing in, om en nabij het huis verstrekt worden als de cliënt een dergelijke voorziening voor dagelijks gebruik nodig heeft. Een hulpmiddel voor incidenteel gebruik valt hier niet onder.
2.5 Melding beschermd wonen en maatschappelijke opvang
Binnen de Wmo wordt uitgegaan van landelijke toegankelijkheid voor de maatwerkvoorzieningen Beschermd Wonen en Maatschappelijke opvang. Dit betekent dat een cliënt – of zijn wettelijk vertegenwoordiger - in elke gemeente van Nederland een melding kan doen om voor Beschermd Wonen of Maatschappelijke opvang in aanmerking te komen.
De melding van behoefte aan Beschermd Wonen of Maatschappelijke opvang kan binnen elke Achterhoekse gemeente binnenkomen via: het sociale team, het wijkteam, het Wmo-loket, Buurtplein etc. Gegevensuitwisseling tussen gemeenten vindt plaats met inachtneming van de bepalingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de privacyreglementen van de betrokken gemeenten.
Een aanvraag voor Beschermd Wonen en Maatschappelijke opvang wordt gevolgd door een onderzoek. Als de cliënt zich in een andere gemeente meldt, dan wordt gesproken over een wensgemeente. Aan de hand van beoordelingscriteria wordt bepaald of verhuizen naar de wensgemeente het meest passend is bij de situatie van de cliënt. De beoordelingscriteria zijn:
voorwaarden voor een succesvol traject, zoals reeds ingezette schuldhulpverlening, een bestaande relatie met GGZ of andere hulpverlening, ingezette scholing, vrijwilligerswerk of passende dagbesteding, eventueel aanwezige veiligheidsrisico’s op de huidige woonplek en de behoefte aan een specifieke aanpak of een specifieke voorziening;
Als het gaat om de toekenningsduur van voorzieningen, wordt onderscheid gemaakt tussen algemene- en maatwerkvoorzieningen. Hieronder een overzicht van de soorten voorzieningen en de maximale toekenningsduur.
Een toekenning voor onbepaalde tijd is mogelijk als vanwege de beperkingen en persoonskenmerken van de cliënt, geen veranderingen in de eigen kracht of thuissituatie zullen worden verwacht en het ook niet de verwachting is dat de cliënt in de toekomst op de Wlz is aangewezen. In deze situaties wordt ervan uitgegaan dat de maatwerkvoorziening vooral is gericht op het stabiliseren en voorkomen van achteruitgang bij een client.
Voor spoedeisende gevallen is in de wet geregeld dat zo snel als mogelijk is ondersteuning vanuit de Wmo kan worden ingezet (zie ook artikel 2.11 van de verordening). Als er sprake is van een spoedeisende situatie, betekent dit dat wordt afgeweken van de normale procedure, zoals het hanteren van de onderzoeks- en de beslistermijn, en dat zo spoedig mogelijk hulp en/of ondersteuning wordt geboden. Deze hulp en/of ondersteuning wordt geboden in afwachting van het onderzoek. Het daadwerkelijke onderzoek, op basis van het stappenplan, wordt vervolgens alsnog uitgevoerd.
3. Zelfredzaamheid en Participatie
Dit hoofdstuk bevat een toelichting op maatwerkvoorzieningen in het kader van zelfredzaamheid en participatie. Hieronder wordt ingegaan op criteria en weigeringsgronden, welke soorten voorzieningen de gemeente Doetinchem aanbiedt en eventuele bijzonderheden bij het bepalen van het recht op ondersteuning.
3.1 Afwegingskader maatwerkvoorzieningen
Een inwoner die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Doetinchem, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn of haar zelfredzaamheid of participatie als dit langdurig noodzakelijk is en er geen andere oplossingen zijn of als deze niet toereikend zijn.
De maatwerkvoorziening is in overwegende mate op de cliënt gericht en past bij het gewenste resultaat en de persoonlijke situatie van de cliënt, zoals verwoord in het ondersteuningsplan.
Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij de medewerker van Buurtplein daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. Dit geldt ook als de cliënt grote problemen zou ondervinden door de eventuele afwijzing van zijn aanvraag. Dit wordt per situatie en aan de hand van de omstandigheden van de cliënt beoordeeld.
3.3 Geen recht op Wmo-ondersteuning
Er bestaat geen recht op ondersteuning vanuit de Wmo als de problemen waarop de melding zich richt, kunnen worden opgelost door een beroep te doen op de eigen kracht, hulp vanuit het sociaal netwerk, door gebruikelijke hulp, of door gebruik te maken van algemene, algemeen gebruikelijke of andere (voorliggende) voorzieningen. Het uitgangspunt is immers dat elke cliënt in eerste instantie zelf verantwoordelijk is om zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. De Wmo biedt een vangnet voor cliënten als er geen andere oplossingen mogelijk zijn.
Naast de Wmo zijn er ook andere financieringsvormen op het gebied van geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Het gaat dan om verblijf gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet forensische zorg die voorliggend aan beschermd wonen op grond van de Wmo is.
3.4 Maatwerkvoorzieningen Hulp bij het huishouden
Een cliënt kan aanspraak maken op een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden als hij of zij niet in staat is een zelfstandig huishouden te voeren en er geen andere oplossingen zijn of als deze niet toereikend zijn. Dit betekent dat gebruikelijke hulp, de inzet van het sociaal netwerk of gebruikmaking van algemene, algemeen gebruikelijke of overige voorliggende voorzieningen niet voldoende zijn en er geen sprake is van een Wlz-indicatie.
Bij de toekenning van een indicatie Maatwerkvoorziening HH1 – Huishoudelijke werkzaamheden levert de medewerker van Buurtplein maatwerk. Bij het bepalen van de benodigde omvang van de maatwerkvoorziening wordt bekeken welke activiteiten die onderdeel uitmaken van het huishouden moeten worden overgenomen door een huishoudelijke hulp.
3.5 Maatwerkvoorzieningen Wmo Begeleiding
Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening Begeleiding individueel als de cliënt onvoldoende zelfredzaam is of kan participeren en er geen andere oplossingen zijn of als deze niet toereikend zijn. Dit betekent dat de eigen kracht, gebruikelijke hulp, de inzet van het sociaal netwerk of gebruikmaking van algemene, algemeen gebruikelijke of overige voorliggende voorzieningen niet voldoende is er is geen sprake van een Wlz-indicatie.
Een cliënt kan in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening Persoonlijke verzorging als er behoefte is aan het vergroten van de zelfredzaamheid ten aanzien van Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) op het gebied van persoonlijke verzorging. Het aanleren, oefenen, verbeteren en bestendigen van vaardigheden en gedrag rondom persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg staat hierbij centraal en deze inzet is in principe eindig. Persoonlijke verzorging kan ook bestaan uit advies, instructie en voorlichting aan de cliënt.
De aard van de ondersteuningsbehoefte ligt bij persoonlijke verzorging nadrukkelijk niet op een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico hierop. De gemeenten zijn alleen verantwoordelijk voor het gedeelte van persoonlijke verzorging dat niet on¬der voorliggende wet- en regelgeving valt, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet Langdurige Zorg (Wlz).
Een cliënt komt in aanmerking voor de maatwerkvoorziening Logeren als er sprake is van tijdelijke overbelasting van de mantelzorger of een complexe thuissituatie waarin rust en stabiliteit nodig zijn. De cliënt ervaart beperkingen in zelfredzaamheid en het meedoen in de maatschappij als gevolg van (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke of lichamelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. Logeren biedt een veilige plek buiten de eigen woning, waar zorg en ondersteuning tijdelijk worden overgenomen. Het doel is herstel en terugkeer naar huis binnen afzienbare tijd.
3.7 Algemene vervoersvoorzieningen
De buurtmobiel is geschikt voor korte afstanden naar bijvoorbeeld de winkel, arts of familie. De buurtmobiel rijdt alle dagen tussen 09.00 en 19.00 uur. Er zijn geen vaste opstappunten. Gebruik maken van de buurtmobiel kan tegen een vrije bijdrage. Meer informatie via www.contactopwielen.nl
Naast de Buurtmobiel heeft de gemeente Doetinchem een algemene vervoersvoorziening die mensen met een gezondheidsbeperking en 65-plussers vervoert buiten de gemeentegrenzen. Dit doen zij door vrijwilligers in te zetten die gebruiken maken van hun eigen auto om anderen te vervoeren. Voor het gebruik van deze dienst wordt een eigen bijdrage gevraagd. De hoogte hiervan is vastgelegd in het meest actuele Besluit Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugd gemeente Doetinchem.
3.8 Collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) – ZOOV Op Maat
ZOOV Op Maat is tegen het openbaar vervoer tarief voor iedere inwoner toegankelijk ongeacht of er ook regulier openbaar vervoer beschikbaar is.
Er zijn wel verschillende tarieven. Voor inwoners zonder Wmo-indicatie zijn er twee OV-tarieven. Het lagere tarief geldt als er op het reistraject geen openbaar vervoer beschikbaar is. Het hogere tarief geldt als de ingezetene naar de reisbestemming (in theorie) ook met het openbaar vervoer zou kunnen reizen. De inwoner beslist dan zelf of diegene met ZOOV Op Maat reist of met het openbaar vervoer. De hoogte van de verschillende OV-tarieven zijn te vinden op de website www.zoov.nl
Cliënten met een vervoersbeperking kunnen onder voorwaarden in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ZOOV Op Maat en kunnen tegen een gereduceerd tarief reizen met ZOOV. Dit tarief is lager dan de OV-tarieven voor ingezetenen zonder vervoersbeperking. Ook deze tarieven zijn te vinden op de website www.zoov.nl
Om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening ZOOV Op Maat dient in ieder geval sprake te zijn van:
Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoermogelijkheid aangeboden. Een persoon zonder beperkingen maakt immers ook kosten voor vervoer. Afhankelijk van de (regionale) vervoersbehoefte van de cliënt wordt een kilometeraantal vastgesteld tot maximaal 2.000 kilometer per jaar. Onder de regionale vervoersbehoefte wordt verstaan het reizen binnen een afstand van 20 kilometer van de woning van de cliënt.
Indien er andere mogelijkheden zijn voor vervoer op de kortere afstanden, zoals de mogelijkheid van fietsen of het gebruik van een scootmobiel, zal hier rekening mee gehouden worden en kan het maximale kilometeraantal naar beneden worden bijgesteld tot 1500 kilometer per jaar. Als sprake is van zwaarwegende redenen kan in uitzonderingsgevallen het maximale kilometeraantal (tijdelijk) naar boven worden bijgesteld.
Bovenregionale bestemmingen vallen buiten de reikwijdte van de wet en vallen onder verantwoordelijkheid van Valys. Als sprake is van zwaarwegende redenen, kan op individueel niveau maximaal twee puntbestemmingen worden vastgesteld - tussen de 20 en 40 kilometer -waarbinnen het Wmo-tarief naartoe kan worden gereisd. Dit heeft ook te maken met het feit dat er nog onbereikbare bestemmingen zijn tussen het Wmo-vervoersgebied en de bestemmingen van Valys. De puntbestemmingen tellen mee in het maximum van 2000 kilometer per jaar.
Er kan voor twee soorten begeleiding een indicatie worden toegekend voor ZOOV: medische begeleiding en sociale begeleiding. De gemeente betaalt daarvoor een opslag aan de vervoerder.
Verplichte/medische begeleiding
Van medische begeleiding is sprake als de cliënt vanwege medische of andere redenen (zoals vanwege psychiatrische, psychische of psychogeriatrische problematiek) niet in staat is zelfstandig te reizen. Hierbij moet gedacht worden aan situaties waarbij de begeleider moet kunnen ingrijpen tijdens de rit.
Als er medische redenen zijn, kan de gemeente een indicatie afgeven voor verplichte/medische begeleiding. De CVV-reiziger met verplichte/medische begeleiding mag niet alleen reizen. De medische begeleider is ten minste 12 jaar oud, is in staat om hulp te verlenen als dat nodig is.
Ze reizen gezamenlijk van A naar B. De medische begeleider betaalt geen reizigersbijdrage.
In gevallen waar de cliënt zowel thuis als op locatie ondersteuning nodig heeft van de begeleider en er geen vervoersmogelijkheden beschikbaar zijn voor de begeleider, kan er een indicatie voor sociale begeleiding worden toegekend. In dat geval betaalt de begeleider hetzelfde tarief als de cliënt. Een begeleider die voor sociale begeleiding meereist zonder indicatie van de gemeente, reist als ov-reiziger mee en betaalt het ov-tarief.
3.14 Participatievoorziening middels pgb
Om in aanmerking te komen voor een participatievoorziening dient een (recent) bewijs van inschrijving bij een vereniging aangeleverd te worden. De hoogte van het pgb wordt bepaald op basis van het programma van eisen en de maximale hoogte is opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem.
4. Wonen in een veilige en gezonde omgeving (Wmo)
In dit hoofdstuk worden de verschillende woonvoorzieningen en het beoordelingskader toegelicht. Het uitgangspunt is dat een cliënt zo lang mogelijk in zijn of haar eigen leefomgeving kan blijven wonen, maar als dat niet lukt of de aanpassingskosten te hoog zullen zijn, wordt gekeken naar een passende andere woning. In geval van woonvoorzieningen wordt altijd de goedkoopst adequate voorziening verstrekt.
4.1 Afwegingskader woonvoorzieningen
De maatwerkvoorziening is gericht op het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Er worden alleen woonvoorzieningen getroffen in ruimtes met een elementaire woonfunctie voor de cliënt in kwestie. Dit zijn doorgaans alleen de woonkamer, slaapkamer(s), keuken, wc en de badkamer.
Bij de aanvraag van een woonvoorziening hanteert het college het uitganspunt dat cliënten zelf verantwoordelijk zijn voor de keuze van een woning die aansluit op hun specifieke situatie. Het college verwacht van de cliënt dat hij of zij – voor zover mogelijk – bij de keuze van een woning rekening houdt met zijn of haar huidige en voorzienbare toekomstige beperkingen.
Binnen de gemeente Doetinchem wordt efficiënt omgegaan met de beschikbare middelen en de woningvoorraad. Bij het beoordelen of een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening gericht op wonen, kan de medewerker van Buurtplein daarom onderzoeken of een verhuizing naar een geschikte woning of gemakkelijker geschikt te maken woning een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt.
Per cliënt wordt een individuele afweging gemaakt, maar de medewerker van Buurtplein onderzoekt dit in ieder geval, maar niet uitsluitend, bij woningaanpassingen waarmee aanzienlijke kosten gemoeid zijn. Ook in situaties waarin vanwege de prognose van de beperkingen die de cliënt ondervindt, sprake is van een woningaanpassing die slechts beperkte tijd zal volstaan, wordt de mogelijkheid van een verhuizing onderzocht.
Bij de beoordeling van de vraag of er door middel van een verhuizing een passende bijdrage wordt geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, neemt de medewerker van Buurtplein in ieder geval het volgende in overweging:
De huidige beperkingen die de cliënt op dit moment ervaart en de toekomstprognose. Verhuizen ligt bijvoorbeeld meer voor de hand als de verwachting is dat de situatie van de cliënt snel verslechtert waardoor een aanpassing van de huidige woning slechts beperkte tijd zal volstaan. Aan de andere kant kan er bijvoorbeeld sprake zijn van een medische contra-indicatie voor verhuizen (dit wordt door de medewerker van Buurtplein onderzocht).
De snelheid waarmee in een oplossing kan worden voorzien. Verhuizen kan sneller een oplossing bieden dan het doorlopen van het proces van een woningaanpassing (inclusief uitwerking van plannen, aanvragen van offertes en uitvoeren van de werkzaamheden). Maar soms kan het een tijd duren voordat een geschikte woning is gevonden. Bij een advies voor een verhuizing wordt aangeven binnen welke aanvaardbare termijn een nieuwe woning gevonden moet zijn. Bij het vaststellen van de termijn wordt rekening gehouden met de omstandigheden van de situatie die voorligt. Als er binnen de gestelde termijn geen geschikte woning beschikbaar komt, kan een maatwerkvoorziening gericht op het wonen worden toegekend.
De gevolgen van een verhuizing voor de sociale omstandigheden van de cliënt. De binding van de cliënt met de omgeving wordt hierbij meegenomen evenals de nabijheid van voor de cliënt belangrijke voorzieningen en de nabijheid van vrienden en familie. Deze omstandigheden wegen zwaarder naarmate de afstand tussen de huidige woning en de mogelijke nieuwe woning toeneemt en naarmate de intensiteit van de mantelzorg toeneemt. Daarnaast weegt de nabijheid van vrienden en familie zwaarder als er sprake is van mantelzorg. Ook eventuele consequenties (zoals inkomstenderving) van een verhuizing voor een bedrijf aan huis worden meegewogen.
De consequenties van een verhuizing voor de woonlasten. Een stijging van de woonlasten hoeft niet in de weg te staan van het toekennen van een verhuisurgentie. Wel wordt beoordeeld of een huurlastenstijging aanvaardbaar is voor de belanghebbende, hierbij rekening houdend met het recht op huurtoeslag en verandering in wooncomfort. In geval van een koopwoning wordt meegewogen of de belanghebbende na verkoop blijft zitten met een aanzienlijke restschuld.
Als naar oordeel van de medewerker van Buurtplein een verhuizing voorrang heeft op het aanpassen van de huidige woning, adviseert hij de cliënt in de zoektocht naar een nieuwe woning. Indien nodig kan de cliënt in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding als bedoeld in artikel 4.1 lid 3 van de Verordening.
Een woonvoorziening wordt slechts verleend als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waar de voorziening wordt getroffen. Soms kan er sprake zijn van twee hoofdverblijven, bijvoorbeeld bij kinderen van gescheiden ouders die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed. Als kan worden aangetoond, bijvoorbeeld door een ouderschapsplan, dat de cliënt daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder woont en de andere helft van de tijd bij de andere ouder, kan indien niet anders mogelijk, worden bepaald dat twee woningen worden aangepast. De vertrekkende ouder zal altijd eerst, zo nodig in afstemming met de wmo consulent, moeten onderzoeken of een verhuizing naar een geschikte woning mogelijk is.
Als dat noodzakelijk is, kan één woning waar de cliënt regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van een ouder niet zijnde co-ouder) bezoekbaar worden gemaakt. Dit geldt uitsluitend voor cliënten die in co-ouderschap worden opgevoed en cliënten die verblijven in een Wlz-instelling. Bezoekbaar betekent dat de cliënt toegang heeft tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken.
Afhankelijk van de zorgvraag van de cliënt en de gestelde doelen kan logeren worden aangevuld met dagbesteding. Een andere organisatie kan deze dagbesteding bieden. Als daginvulling in die periode niet is geregeld en wel gewenst is, moet kortdurend verblijf worden aangevuld met een vorm van dagbesteding.
5. Beschermd Wonen en maatschappelijke opvang
Dit hoofdstuk beschrijft de criteria voor beschermd wonen, beschut wonen, beschermd thuis en maatschappelijke opvang. Deze vormen van hulp kunnen op grond van de Wmo worden geboden als een cliënt niet zelfstandig in staat is om zich te handhaven in de samenleving en/of een gevaar voor zichzelf en/of anderen vormt. Het gaat hierbij om cliënten met complexe psychische en/of psychosociale problematiek. Maatschappelijke opvang is beschikbaar voor cliënten die dak- of thuisloos zijn.
Beschermd wonen gaat om wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding. Beschermd wonen is gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen.
Een cliënt van 18 jaar of ouder, bij wie sprake is van complexe psychische en/of psychosociale problematiek, die problemen ervaart op meerdere leefgebieden en die zijn zorgvraag niet kan uitstellen en daarom 24-uurs toezicht of bereikbaarheid van een professionele organisatie nodig heeft (al dan niet op afstand of afroep), kan in aanmerking komen voor beschermd wonen.
Doetinchem kent verschillende vormen van beschermd wonen. Deze zijn opgenomen in bijlage 2 van deze Nadere regels.
5.2 Beschikbaarheid beschermd wonen
Wanneer een passende plek nog niet beschikbaar is, wordt de cliënt op de wachtlijst van de instelling geplaatst. De cliënt is hier medeverantwoordelijk voor in samenspraak met de betrokken consulent en indien nodig in overleg met de aanbieder die reeds betrokken is. Met hem wordt besproken hoe de periode tot plaatsing kan worden overbrugd.
5.3 Tijdelijke afwezigheid van de cliënt
Als een cliënt tijdelijk wordt opgenomen voor een behandeling in een ziekenhuis of behandelcentrum of detentie elders, moet dit binnen een week na vertrek bij de aanbieder bij Buurtplein worden gerapporteerd door de aanbieder die beschermd wonen biedt. Dit geldt ook wanneer de cliënt op eigen initiatief de beschermde woonplek heeft verlaten.
Wanneer duidelijk wordt dat de cliënt langer dan twaalf weken elders zal verblijven, zal in principe zijn plek bij de aanbieder van beschermd wonen komen te vervallen. Wanneer de cliënt na deze periode weer beschermd wil gaan wonen, kan de cliënt hiervoor een melding doen bij Buurtplein. De cliënt kan in overleg met de consulent ervoor kiezen zijn ondersteuning bij een andere aanbieder van beschermd wonen te verzilveren. De cliënt kan pas weer instromen bij de aanbieder als er plaats is.
5.4 Tijdelijk verblijf in andere regio
Het kan voorkomen dat een cliënt uit de gemeente Doetinchem tijdelijk in een instelling in een andere gemeente/regio moet verblijven wanneer er geen passend aanbod in de eigen gemeente is. ‘Tijdelijk verblijf’ is verblijf van maximaal één jaar, waarbij vanaf het begin de intentie aanwezig is om de cliënt terug te laten keren naar de gemeente Doetinchem. In dergelijke gevallen zal er door de gemeente met de (centrum) gemeente van plaatsing onderling worden afgestemd en afspraken worden gemaakt.
Een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, die niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen in zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving, kan in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang.
Voor maatschappelijke opvang geldt landelijke toegankelijkheid. Bij toekennen van maatschappelijke opvang worden beoordelingscriteria toegepast. De gemeente Doetinchem zal de eventuele gemeente van herkomst betrekken bij het onderzoek. De beoordelingscriteria zijn:
de aanwezigheid van factoren in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk dat een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, en/of bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de cliënt en/of lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten;
of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en/of actuele criminele activiteiten van de cliënt en/of maatregelen die opgelegd zijn aan de cliënt
6. De vormen van hulp en de te betalen bijdrage
Hulp en/of ondersteuning op grond van de Wmo, wordt in natura of in de vorm van een pgb geboden. Voor het merendeel van de hulp en/of ondersteuning wordt een bijdrage van de cliënt gevraagd. In dit hoofdstuk worden de regels over het pgb en de bijdragesystematiek toegelicht.
Het pgb is een geldbedrag waarmee een cliënt die in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning zelf ondersteuning kan inkopen. Het is bedoeld als alternatief voor een (individuele) maatwerkvoorziening in natura. Met een pgb heeft de cliënt zelf de regie om de voor hem of haar best passende ondersteuning te regelen. Een medewerker van Buurtplein informeert de cliënt die in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening over de mogelijkheid voor een pgb.
De cliënt moet voldoende pgb-bekwaam zijn en wordt door de medewerker gewezen op de mogelijkheid van het testen van zijn bekwaamheid op www.pgb-test.nl. Het testen is bedoeld om de cliënt bewust te maken van de taken en verantwoordelijkheden die horen bij het beheren van een pgb. Zo kan hij of zij een weloverwegen keuze voor een pgb of ondersteuning in natura maken.
Hieronder staan de onderdelen die door de medewerker van Buurtplein worden beoordeeld:
Beheer pgb door vertegenwoordiger
Er gelden een aantal aanvullende voorwaarden ten aanzien van de vertegenwoordiger (zie artikel 6.2 van de verordening en de artikelsgewijze toelichting hierbij):
Bij de pgb-vertegenwoordiging staat het belang van de cliënt centraal. Dit betekent dat het niet de voorkeur heeft dat de cliënt zich voor het pgb-beheer laat vertegenwoordigen door een familielid in de eerste of tweede graad, die tevens een (deel van) de ondersteuning levert. De medewerker van Buurtplein onderzoekt altijd of sprake is van ongewenste belangenverstrengeling. Een factor die kan wijzen op ongewenste belangenverstrengeling is als de cliënt vanwege zijn of haar beperkingen weinig of geen invloed heeft op het besluit om voor een pgb te kiezen;
Kwaliteit / ondersteunings- en budgetplan
De maatwerkvoorziening die met een pgb wordt ingekocht, moet van de juiste kwaliteit zijn. De wettelijke eis is dat een pgb wordt besteed aan een voorziening die veilig, doeltreffend en cliëntgericht is en de voorziening moet geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb is toegekend. Het doel is namelijk dat met de besteding van het pgb de afgesproken resultaten kunnen worden behaald. De beoordeling hiervan ligt bij de medewerker van Buurtplein.
Om aan te tonen welke ondersteuning wordt ingekocht en van welke kwaliteit die is, levert de cliënt een ondersteunings- en budgetplan aan. Hierin legt de cliënt vast welke afspraken zij maken over de gewenste ondersteuning. Ook kan de cliënt hierin aangeven/motiveren waarom hij of zij de ondersteuning in de vorm van een pgb wil ontvangen.
In het ondersteunings- en budgetplan maakt de cliënt in ieder geval inzichtelijk:
Pgb voor uitvoering door het sociaal netwerk
De cliënt kan het pgb ook inzetten om ondersteuning van een informele hulp te ontvangen (zie ook artikel 2.3.6, vierde lid, van de wet). Hiervoor gelden enkele voorwaarden:
Ondersteuning uit de eigen omgeving (gebruikelijke hulp) moet altijd eerst maximaal worden ingezet voordat een beroep wordt gedaan op ondersteuning vanuit de Wmo. Voor ondersteuning die in redelijkheid mag worden verwacht van het eigen netwerk (taken die een ander onbetaald zou verrichten bij familie), ligt het niet voor de hand om een maatwerkvoorziening te verstrekken. Een beoordeling van de eigen kracht van de client en de informele hulp is hierbij van belang.
Sociale Verzekeringsbank/uurtarief en facturatie
Naast het ondersteunings- en budgetplan moet de cliënt een zorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) invullen. Hierin worden afspraken over het aantal te leveren uren en uurtarieven vastgelegd. De gemeente keurt de zorgovereenkomst goed en zet hier hierna het pgb klaar bij de Sociale Verzekeringsbank.
De budgetbeheerder is verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van de bestedingen uit het budget. De gemeente vindt het belangrijk dat de budgetbeheerder hier voldoende inzicht in heeft. Daarom vindt betaling via facturatie plaats en is betaling via een vast maandloon niet mogelijk. Eventuele wijzigingen qua inhoud van de geleverde ondersteuning, moeten worden doorgegeven aan de SVB.
Bij een eventuele herbeoordeling van de indicatie wordt het ondersteunings- en budgetplan geëvalueerd. De gemeente kan ook steekproefsgewijs controles uitvoeren. Als de budgetbeheerder de besteding van het pgb niet adequaat kan verantwoorden, kan de gemeente besluiten het pgb te beëindigen of (een deel van) het pgb terug te vorderen.
Kosten die niet vanuit het pgb mogen worden betaald
Het pgb kent geen vrij besteedbaar bedrag en geen eenmalige uitkering.
Het is niet toegestaan dat het pgb wordt besteed aan tussenpersonen en belangenbehartigers. Ook administratiekosten mogen niet uit het pgb worden betaald. Kosten die de zorgverlener bij een budgethouder in rekening brengt in verband met een opzegtermijn, zijn niet te verhalen op de gemeente. Dit geldt ook voor kosten die de ondersteuner bij de budgethouder in rekening brengt voor het niet nakomen van een afspraak kunnen niet worden verhaald op de gemeente.
Kosten zoals reiskosten, de opgelegde eigen bijdrage, feestdagen of eenmalige uitkering voor de zorgverlener en kosten die worden beschouwd als algemeen gebruikelijk mogen ook niet vanuit het pgb worden betaald.
Verder geldt dat alle kosten voor zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Wmo vallen, niet vanuit het pgb mogen worden bekostigd.
Er wordt rekening gehouden met ongewenste cumulatie van kosten. Het BvFO kan ondersteuning bieden wanneer kosten niet betaalt kunnen worden. Indien cliënten de eigen bijdrage niet kunnen voldoen kan het BvFO meekijken in de financiële situatie en eventueel de maatwerkvoorziening zorgkosten inzetten.
De gemeente kan een tegemoetkoming meerkosten verstrekken als de cliënt door zijn of haar beperking of chronisch psychische of psychosociale problemen aanmerkelijke meerkosten heeft. Het gaat om extra kosten die zonder deze beperking, chronisch psychische of psychosociale problemen niet zouden zijn gemaakt.
In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke manier de gemeente handelt als de afspraken niet worden nagekomen. Het college houdt in de gaten of regels en met cliënten gemaakte afspraken worden nageleefd. Dit doet zij onder andere door in de beschikking duidelijk aan te geven wat van de cliënt mag worden verwacht. De Wmo-toezichthouder is verantwoordelijk voor het toezien hierop. Ook let deze nadrukkelijk op de kwaliteit van de geleverde voorzieningen, door bijvoorbeeld in gesprek te gaan met aanbieders van ondersteuning.
7.1 Voorkoming en bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik
Hoofdstuk 7 de verordening beschrijft de mogelijkheden die de gemeente heeft ter voorkoming en bestrijding van fraude. Bij het voorkomen van fraude staat de voorlichting aan de cliënt centraal. Deze moet vooraf weten wat zijn of haar rechten en plichten zijn en wat de consequenties zijn bij het overtreden van de regels. In de aanpak van fraudepreventie maakt gemeente Doetinchem gebruik van de principes van het hoogwaardig handhaven:
Daadwerkelijk sanctioneren: de Gemeente Doetinchem gaat er van uit dat de voorzieningen op rechtmatige wijze worden ingezet en verantwoord worden. Zodra er signalen zijn over onrechtmatig gebruik, wordt de nodige expertise ingezet binnen de gemeente om nader onderzoek te doen. De gemeente hanteert een krachtig, consequent sanctiebeleid en een effectief opsporingsbeleid.
Van de cliënt wordt verwacht dat deze mededeling doet van wijzigingen in zijn of haar omstandigheden waarvan redelijkerwijs is in te schatten dat deze consequenties heeft voor de verstrekte voorziening. Ook wordt verwacht dat de cliënt meewerkt aan onderzoek in geval van (vermoedens van) onrechtmatigheden.
7.2 Herziening/intrekking/terugvorderen
In de wet is bepaald dat het college de geldswaarde van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb kan terugvorderen als sprake is van opzet (opzettelijke fraude) aan de kant van de cliënt. Het college heeft deze bevoegdheid ook ten aanzien van degene die opzettelijk zijn medewerking heeft verleend aan deze situatie (zoals een zorgaanbieder). Zie artikel 2.4.1 van de Wmo.
Maatwerkvoorziening: Een maatwerkvoorziening wordt verstrekt met de bedoeling dat de cliënt gebruik gaat maken van de ondersteuning. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van een voorziening nog geen voorziening is aangewend, kan het college de beslissing geheel of gedeeltelijk intrekken.
Er zijn situaties denkbaar, zoals wachtlijsten of opname van de cliënt in het ziekenhuis waardoor de indicatie niet kan worden ingezet binnen de gehanteerde periode van zes maanden. De cliënt dient in een dergelijk geval uiterlijk vier weken voor het verlopen van de zes maanden contact op te nemen met Buurtplein. De medewerker van Buurtplein beoordeelt in overleg met de cliënt en eventueel zijn ondersteuner of een opschorting of aanpassing van de indicatie noodzakelijk is.
8. Kwaliteit, klachten, medezeggenschap en inwonersparticipatie
De verordening stelt eisen aan de kwaliteit van Wmo-voorzieningen. Daarnaast is aangegeven op welke manier cliënten hun klachten over de ondersteuning kunnen indienen. Voor cliënten geldt ook dat zij recht op medezeggenschap hebben en het zogeheten recht op inwonersparticipatie. Hieronder worden deze onderwerpen toegelicht.
Cliënten die zijn aangewezen op maatschappelijke ondersteuning, moeten ervan uit kunnen gaan dat de ondersteuning van goede kwaliteit is. Dit betekent dat de ondersteuning aansluit bij hun behoeften en mogelijkheden, dat de ondersteuning veilig is en voldoet aan de professionele standaard. De gemeente draagt hier zorg voor. Een kwaliteitskader helpt de gemeente tevens bij het toezicht op de geleverde ondersteuning. Binnen de gemeente Doetinchem geldt het ‘Kwaliteitskader Sociaal Domein – Achterhoek kwaliteitseisen en toetsing’. Dit kwaliteitskader is te downloaden via: https://www.sociaaldomeinachterhoek.nl/zorgaanbieders/downloads/
De Wmo hulp of ondersteuning die wordt ingekocht is kwalitatief verantwoord en voldoet zowel voor ZIN als pgb ten minste aan de volgende eisen:
Een Zelfstandige Zonder Personeel, ingekocht via een pgb:
Personen uit het sociaal netwerk, die voor hun inzet worden betaald vanuit een pgb:
Het college biedt cliënten de mogelijkheid om klachten in te dienen over de manier waarop een medewerker van de gemeente zich heeft gedragen ten opzichte van een inwoner. Dit regelt hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Als het gaat om ondersteuning op grond van de Wmo, heeft de wet bepaalt dat ook aanbieders een regeling voor de afhandeling van klachten heeft. De gemeente ziet erop toe dat aanbieders een dergelijke regeling hebben en hier op juiste wijze gehoor aan geven.
Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning, hebben een medezeggenschapsregeling voor cliënten die gebruik maken van deze ondersteuning. Het college ziet erop toe dat aanbieders een dergelijke regeling hebben en hier op juiste wijze gebruik van maken. Het gaat erom dat inwoners medezeggenschap hebben ten aanzien van besluiten van de aanbieder. Het kan dan gaan om interne wijzigingen ten aanzien van het aanbod van ondersteuning, of het wijzigen van bijvoorbeeld een huishoudelijk reglement.
Het college is daarnaast verantwoordelijk voor het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek. Dit onderzoek biedt informatie over de tevredenheid van inwoners ten aanzien van de geleverde ondersteuning en kan input leveren voor te maken beleidskeuzes.
Inwonersparticipatie betekent dat het college inwoners/cliëntorganisaties in de gelegenheid stelt om beleidsvoorstellen te doen en gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen over onder andere de verordening en de Nadere regels, maar ook over gewijzigde uitvoeringskwesties. Het college ondersteunt inwoners en cliëntorganisaties om hun rol effectief uit te voeren. Zo voorziet de gemeente inwoners en cliëntorganisaties actief van informatie, zodat zij een adequate bijdrage kunnen leveren aan het overleg.
Hieronder zijn een aantal slotbepalingen opgenomen over de evaluatie van het beleid, de hardheidsclausule en de inwerkingtreding van deze Nadere regels.
Het Wmo-beleid wordt elke vier jaar geëvalueerd. Het college onderzoekt de doeltreffendheid en de gewenste of ongewenste effecten van het beleid en stelt hierover een verslag op. Dit verslag wordt aangeboden aan de gemeenteraad. Als dit noodzakelijk blijkt, wordt het Wmo-beleid vervolgens aangepast.
Buurtplein/het college kan gebruikmaken van de hardheidsclausule als de situatie van de cliënt hierom vraagt. De hardheidsclausule biedt de mogelijkheid om van het beleid af te wijken als toepassing van het beleid tot een (zeer) ongewenste situatie voor de cliënt zou leiden. Buurtplein/het college doet een weloverwogen beroep op de hardheidsclausule en motiveert dit per situatie.
Alle begrippen die in deze Nadere regels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de wet) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem.
Hieronder worden nog een drietal aanvullende begrippen toegelicht.
Bijlage 2 – Toelichting individuele voorzieningen
De volgende vormen van hulp bij het huishouden worden onderscheiden:
1. Maatwerkvoorziening HH1 – Huishoudelijke werkzaamheden
Inwoners die beperkingen ondervinden bij het zelfstandig voeren van een huishouden kunnen ondersteuning krijgen via HH1. Buurtplein is verantwoordelijk voor de indicatiestelling en bepaalt op klantniveau welke maximale hulp ingezet mag worden.
HH1 omvat de volgende resultaten:
Deze vormen van hulp zijn erop gericht om inwoners zo zelfstandig mogelijk te laten functioneren binnen hun thuissituatie.
2. Maatwerkvoorziening HH2 – Organisatie van het huishouden
Inwoners die beperkingen ondervinden bij het zelfstandig voeren van een huishouden kunnen ondersteuning krijgen via HH2. Buurtplein is verantwoordelijk voor de indicatiestelling en bepaalt op klantniveau welke maximale hulp ingezet mag worden.
HH2 omvat de volgende resultaten:
Deze vormen van hulp zijn erop gericht om inwoners zo zelfstandig mogelijk te laten functioneren binnen hun thuissituatie, ook wanneer er sprake is van complexere ondersteuningsvragen.
3. Maatwerkvoorziening Combinatie-ondersteuning
De ondersteuning richt zich op het helpen bij, aanleren en (gedeeltelijk) overnemen van lichte en zware huishoudelijke taken, zoals schoonmaken, opruimen, wassen en andere dagelijkse huishoudelijke werkzaamheden. Daarnaast kan de ondersteuning bestaan uit het aanleren en versterken van huishoudelijke vaardigheden, zoals het plannen en structureren van taken, het verbeteren van schoonmaakroutines, en het checken van producten op houdbaarheid.
Deze vorm van hulp is bedoeld voor mensen die niet alleen praktische ondersteuning nodig hebben, maar ook begeleiding bij het zelfstandig uitvoeren van huishoudelijke taken. De hulp richt zich primair op het op orde brengen én houden van het huishouden, en is aanvullend gericht op het aanbrengen van structuur in het dagelijks leven.
Wanneer iemand moeite heeft met het organiseren van dagelijkse huishoudelijke taken, kan deze ondersteuning worden uitgebreid naar andere leefgebieden, zoals:
Het doel is om vervuiling en ontregeling in huis te voorkomen, de zelfredzaamheid van de cliënt te versterken en – waar mogelijk – het sociaal netwerk te betrekken bij het ondersteunen van het huishouden.
De ondersteuning kan tijdelijk van aard zijn, bijvoorbeeld bij een ernstig ontregeld huishouden. Zodra de situatie verbetert, kan de hulp worden afgebouwd of overgaan in lichtere ondersteuning, eventueel samen met het sociaal netwerk of andere vormen van hulp.
De volgende andere vormen van begeleiding worden onderscheiden:
De cliënt ervaart op één of enkele leefgebieden beperkingen in de zelfredzaamheid en het meedoen in de maatschappij. Dit als gevolg van (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke of lichamelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. De onderliggende problematiek van de cliënt is stabiel (evenals evt. medicijngebruik), maar er kunnen wel schommelingen optreden. Deze schommelingen leiden niet tot een instabiele situatie die (acuut) ingrijpen vergt. Er kan ook sprake zijn van een ziektebeeld waarbij op den duur verslechtering wordt verwacht (psycho-geriatrie). Dit kan leiden tot een sociaal isolement, afnemende vaardigheden en het langzaam verliezen van de regie over het leven.
2. Begeleiding individueel extra
De cliënt ervaart beperkingen in de zelfredzaamheid en/of deelname aan de maatschappij. Dit als gevolg van (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke of lichamelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. De onderliggende problematiek van cliënt is niet stabiel en er kunnen schommelingen optreden. Die leiden tot een instabiele situatie wat incidenteel acuut ingrijpen vergt. De situatie is niet zodanig instabiel dat 24/7 bereikbaarheid noodzakelijk is. Er is sprake van multi-problematiek waarbij de cliënt (en zijn systeem) tegelijkertijd problemen ervaart(/ervaren) op meerdere leefgebieden. Dit maakt dat de kans op ernstige gevolgen op deze leefgebieden op korte of lange termijn aanwezig zijn of het risico daarop groot is.
3. Begeleiding individueel beschermd thuis
De cliënt ervaart beperkingen in de zelfredzaamheid en/of deelname aan de maatschappij. Dit als gevolg van (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. De problematiek van de cliënt is in principe stabiel, maar er kunnen schommelingen optreden die maken dat acuut ingrijpen noodzakelijk is. Cliënt is daarom aangewezen op 24/7 bereikbaarheid naast de geplande contactmomenten. Soms is overname van regie nodig. Er kan sprake zijn van multi problematiek waarbij de cliënt problemen ervaart op meerdere leefgebieden. Beschermd thuis kan ook van toepassing zijn bij een stabiele situatie, waarbij de stap van een beschermde woonsetting naar zelfstandig wonen (nog) te groot is. Beschermd thuis kan ook nodig zijn om juist het zelfstandig wonen te kunnen behouden. Bijvoorbeeld bij een terugval op het gebied van psychiatrie of verslaving of het doorkomen van een moeilijke periode. Soms is er extra inspanning nodig op het gebied van communicatie. Afstemmen met het (informele) netwerk, begeleiders/behandelaren en andere relevante ketenpartners is dan noodzakelijk.
4. Begeleiding groep belevingsgericht
De cliënt heeft meer ondersteuning nodig dan in het voorliggend veld/sociale basis geboden kan worden en ontwikkelingsgerichte (geïndiceerde) dag invulling is voor deze groep een stap te ver of niet meer mogelijk. Bij de cliënt kan sprake zijn van een onomkeerbaar verlies van regie en afhankelijkheid van ondersteuning. Het kan gaan om cliënten die beperkt zijn in hun zelfredzaamheid (denk aan cognitieve en/of fysieke beperkingen ten gevolge van ziekte of ouderdom) en die (nagenoeg) niet meer in staat zijn om hun eigen dag structuur vorm te geven. Wanneer een cliënt beperkt is in de zelfredzaamheid kan dit leiden tot sociaal isolement, afnemende vaardigheden en het langzaam verliezen van de regie over het leven. Cognitieve beperkingen kunnen ook al op jonge leeftijd optreden. De cliënt heeft behoefte aan dagactiviteiten die structuur en een zinvolle invulling van de dag geven, ter voorkoming van een sociaal isolement. De begeleiding draagt bij aan het behouden van vaardigheden en ontlasten van de mantelzorger of thuissituatie.
5. Begeleiding groep ontwikkelgericht
De cliënt heeft ontwikkelpotentieel, maar kan nog niet zelfstandig werken of naar school gaan, maar kan dit met ondersteuning (deels) wel leren en in de toekomst wel (deels) in een reguliere baan werken of onderwijs. De cliënt heeft ondersteuning en groepsbegeleiding nodig om tot maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid te komen, de schoolgang te herstellen/starten en te profiteren van effecten op hun welbevinden en welzijn. Cliënt kan naar verwachting beter in een groep de gestelde doelen halen. De cliënt profiteert van de sociale interactie in een groep; het leren van elkaar en ook steun ervaren en tips krijgen van lotgenoten wordt ingezet als instrument. De cliënt heeft ondersteuning nodig om vaardigheden aan te leren die noodzakelijk zijn om uitstroom vanuit de maatwerkvoorziening naar een vervolgplek mogelijk te maken.
Stapeling verschillende vormen van Wmo Begeleiding
Het volgende schema geeft aan welke vormen van begeleiding gecombineerd ingezet kunnen worden. Let wel: Er kan maximaal 1 product begeleiding individueel en 1 product begeleiding groep naast elkaar geïndiceerd worden. Tijdens de begeleiding groep kan gelijktijdig geen individuele begeleiding worden ingezet.
Stapelingsmatrix Wmo Begeleiding
Persoonlijke verzorging is bedoeld om de zelfredzaamheid van cliënten te behouden of te vergroten op het gebied van de Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (hierna: ADL) zoals wassen, aankleden, eten en uiterlijke verzorging. Het gaat om mensen die door (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke of lichamelijke beperking en/of verslavingsproblematiek tijdelijk niet zelfstandig zijn, maar wel fysiek in staat zijn om de handelingen zelf uit te voeren en medisch stabiel zijn.
Er wordt gelet op signalen van veranderende of onveilige situaties en beoordeelt of de hulpvraag nog binnen de Wmo past. De begeleiding is praktisch, gericht op zelfredzaamheid in ADL en sluit aan bij de mogelijkheden van de cliënt. Daarbij wordt het cliëntsysteem zoveel mogelijk betrokken en wordt de cliënt losgelaten zodra hij of zij zelfstandig verder kan.
De begeleiding gebeurt thuis bij de cliënt. Beeldbellen kan worden ingezet als aanvullende vorm van begeleiding. Dit vervangt het persoonlijke contact nooit en gebeurt alleen als het aansluit bij de hulpvraag en mogelijkheden van de cliënt.
Logeren is bedoeld voor cliënten die door (chronische) psychische of psychosociale problemen, een verstandelijke of lichamelijke beperking en/of verslavingsproblematiek beperkingen in de zelfredzaamheid en het meedoen in de maatschappij ervaren. Het betreft het tijdelijk overnemen van zorg- en begeleidingsverantwoordelijkheden in een accommodatie die voldoet aan de wettelijke vereisten en veiligheidsnormen. De zorgaanbieder biedt hierbij ondersteuning bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (hierna: ADL), begeleiding en toezicht. Het doel is het creëren van stabiliteit in de thuissituatie en het ontlasten van de mantelzorger.
De zorg vindt plaats in een accommodatie van de aanbieder. Deze locatie is huiselijk ingericht en biedt comfort en veiligheid. De cliënt heeft hier een eigen slaapkamer en er is altijd toezicht, ook in de avond en nacht. De begeleiding is persoonlijk en gebeurt op de locatie zelf. Beeldbellen wordt meestal niet ingezet, omdat het belangrijk is dat er iemand fysiek aanwezig is bij de cliënt.
De volgende vormen van Wmo wonen worden onderscheiden:
De cliënt is bekend met psychische- en/of psychosociale problematiek en/of een licht verstandelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. Vanwege deze problematiek is de cliënt (tijdelijk) aangewezen op wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding. Beschermd wonen kan passend zijn bij verschillende cliënten. De cliënt met het lerende vermogen en de cliënt die een beperkte ontwikkelmogelijkheid heeft. Dit betekent dat een cliënt kan doorstromen naar een lichtere vorm van ondersteuning of mogelijk doorstroomt naar een langdurige vorm van zorg en ondersteuning. Er is meestal sprake van meervoudige problematiek waarbij er tegelijkertijd problemen spelen op verschillende leefgebieden. Het betreft cliënten met een wisselend ziektebeeld. Er is sprake van actieve psychiatrie en/of psychosociale problematiek en problemen met het regievoeren. Er kan ook sprake zijn van verslavingsproblematiek; de ondersteuningsvraag van de cliënt kan gericht zijn op het stabiel houden hiervan na- of in combinatie met behandeling. Het ziektebeeld van de cliënt vraagt om een continue vorm van directe nabijheid waarbij de cliënt op ieder moment van de dag een beroep op de begeleiding kan doen.
Beschermd wonen is er in 3 vormen. Zonder begeleiding, met begeleiding individueel basis en met begeleiding individueel plus. Begeleiding is flexibel inzetbaar. Afstemmen met het informele netwerk, begeleiders/behandelaren en andere relevante partners is noodzakelijk en onderdeel van de integrale begeleiding. De begeleiding heeft ook een signalerende rol.
Dagbesteding maakt geen onderdeel uit van dit product en kan indien nodig apart geïndiceerd worden. De toegang indiceert of de dagbesteding ontwikkelings- of belevingsgericht is. Dit kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan bij de woonaanbieder.
De cliënt is bekend met psychische- en/of psychosociale problematiek en/of een licht verstandelijke beperkingen en/of verslavingsproblematiek De cliënt ervaart beperkingen in de zelfredzaamheid en/of deelname aan de maatschappij. Er is meestal sprake van meervoudige problematiek waarbij er tegelijkertijd problemen spelen op verschillende leefgebieden. De cliënt is tijdelijk niet in staat om zelfstandig te wonen en gebaat bij een beschutte woonomgeving.
Beschut wonen is er in 3 vormen. Zonder begeleiding, met begeleiding individueel basis en met begeleiding individueel plus.
Dagbesteding maakt geen onderdeel uit van dit product en kan indien nodig apart geïndiceerd worden. De toegang indiceert of de dagbesteding ontwikkelings- of belevingsgericht is. Dit kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan bij de woonaanbieder.
|
Beschut wonen basis inclusief en exclusief huisvestingscomponent |
||
|
Beschut wonen plus inclusief en exclusief huisvestingscomponent |
De cliënt heeft een behandeling gevolgd voor verslavingsproblematiek en zoekt een veilige, abstinente woonomgeving om verder te werken aan herstel. Daarbij ervaart de cliënt beperkingen in de zelfregie en het zelfstandig functioneren. Vaak is er sprake van meervoudige problematiek, zoals psychische klachten, schulden, justitiële problemen en relationele spanningen. Veel cliënten hebben eerder pogingen gedaan tot detox of behandeling, maar zijn teruggevallen.
Een safehouse biedt deze cliënten een veilige, beschermde woonvorm, weg van oude verleidingen en risicovolle netwerken. Hier leren zij methodisch en gestructureerd de vaardigheden aan die nodig zijn om langdurig abstinent te blijven en zelfstandig verder te leven. De ondersteuning is herstelgericht, tijdelijk van aard en intensief. Het richt zich op het aanleren van praktische vaardigheden, gedragsverandering en het herstellen van regie over het eigen leven. Het programma is gebaseerd op erkende methodieken, zoals het 12-stappen Minnesota model. Het verblijf is maximaal één jaar.
De ondersteuning is gericht op het ontwikkelen van vaardigheden die bijdragen aan het behouden van abstinentie, het vergroten van de eigen kracht en het nemen van verantwoordelijkheid. Daarnaast ligt de focus op het opbouwen en vasthouden van een dagstructuur en dagelijkse routines en het verkrijgen van inzicht in de eigen verslavings- en psychosociale problematiek. Er wordt gewerkt aan het herstellen en ontwikkelen van gezonde sociale relaties en het bieden van handvatten voor het omgaan met terugval of escalatie. Tot slot wordt er aandacht besteed aan het aanleren van vaardigheden op het gebied van zelfzorg, wonen en financiën, met als doel het opbouwen van een toekomstperspectief na het verblijf.
De ondersteuning wordt geboden op een door de aanbieder beheerde locatie in Nederland. De locatie is ingericht op herstelgericht wonen en biedt zowel individuele begeleiding als groepsmomenten. Er is een gemeenschappelijke ruimte beschikbaar voor gezamenlijke activiteiten en er is een kantoor op of nabij de locatie aanwezig. Er is daarnaast 24-uurs bereikbaarheid via telefoon en fysieke aanwezigheid van begeleiding kan binnen 45 minuten worden gerealiseerd. De cliënt ontvangt gemiddeld 14 uur per week groepsbegeleiding en 2 uur individuele begeleiding. Voor deze voorziening betaalt de cliënt een bijdrage in de huur- en vaste lasten en is een eigen bijdrage aan het CAK verschuldigd.
Vanaf de start wordt samen met de cliënt een begeleidingsplan opgesteld, waarin ook de uitstroom wordt voorbereid. Indien het verblijf voortijdig moet worden beëindigd, blijft de aanbieder verantwoordelijk voor een passend alternatief, inclusief begeleiding en warme overdracht. Over de voortgang en uitstroom voert de aanbieder periodiek overleg met de gemeente van herkomst.
Ondersteuning wordt uitgevoerd door een team van zorgprofessionals, waarvan ten minste 30% beschikt over een hbo-diploma. Alle begeleiders hebben minimaal mbo-niveau 4. De eindverantwoordelijkheid voor het begeleidingsplan ligt bij een hbo-geschoolde professional. Daarnaast is binnen het team ten minste één ervaringsdeskundige werkzaam die beschikt over een afgeronde mbo 4-opleiding tot ervaringsdeskundige. De professionals zijn bekwaam en beschikken aantoonbaar over de noodzakelijke vaardigheden.
4. Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+
Dit product richt zich op cliënten die veelal in de leeftijdscategorie tussen de 17 en 27 jaar zitten. Uitzondering op deze hoofdregel is in bepaalde gevallen toegestaan. Het doel van dit product is onder andere om een soepele overgang van Jeugdwet naar Wmo te bewerkstelligen. Instroom vanuit Wmo is mogelijk. De cliënt dient vaardigheden te ontwikkelen passend bij de hersenontwikkeling die doorgaans plaatsvindt op de leeftijd van 17 tot 27 jaar. De cliënt heeft ondersteuning nodig op het gebied van het verkrijgen van meer regie en zelfstandigheid. Bij deze cliënt kan sprake zijn van psychiatrische problematiek en/of psychosociale problematiek die van invloed is op het zelfstandig functioneren in het dagelijks leven. Ook kan er sprake zijn van een verslaving of een licht verstandelijke beperking.
De cliënt werkt toe naar het zo zelfstandig mogelijk deel kunnen nemen aan de maatschappij en het vergroten van vaardigheden die daarbij nodig zijn. Het gaat hierbij om:
De cliënt leert in welke situaties hij/zij om hulp kan vragen. En weet bij wie hij hiervoor terecht kan. Cliënt die over voldoende basisvaardigheden beschikken wonen in een pand van de zorgaanbieder waar de begeleiding dagelijks aanwezig is. We gaan hierbij uit van een gemiddelde collectieve (fysieke) inzet van 24 uur per week bij een gemiddelde groepsgrootte van 6 cliënten. Minimaal één van de bezoeken wordt door de persoonlijk begeleider gedaan. Samen met de cliënt wordt door de persoonlijk begeleider gevolgd hoe het werken aan de doelen uit het perspectiefplan/begeleidingsplan verloopt. Tijdens de dagelijkse begeleidingsmomenten werken de cliënt en begeleiding aan het aanleren van vaardigheden, zoals hierboven genoemd. Naast de dagelijkse begeleiding die geboden wordt vanuit het agogische klimaat kan de cliënt een individuele begeleidingsbehoefte hebben. Hierbij valt te denken aan:
Deze individuele begeleiding is onderdeel van dit product. We gaan hierbij uit van een gemiddelde begeleidingsintensiteit van 1,5 uur per week per cliënt.
Dagbesteding maakt geen onderdeel uit van dit product en kan indien nodig apart geïndiceerd worden. De toegang indiceert de dagbesteding. Dit kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan bij de woonaanbieder.
Voor de cliënt van 18+ geldt dat zij een eigen bijdrage aan het CAK verschuldigd zijn.
Bijlage 3 - Voorbeelden algemeen gebruikelijke voorzieningen
Hieronder volgen enkele voorbeelden van voorzieningen die als algemeen gebruikelijk beschouwd kunnen worden (dit is geen uitputtende opsomming). Let op: het betreft een aantal veelvoorkomende voorbeelden en aanspraak op deze voorzieningen is enkel mogelijk in het kader van een zorgvraag.
Bijlage 4 – Protocol gebruikelijke hulp
In dit protocol staan de richtlijnen uitgewerkt voor het beoordelen van de vraag of sprake is van gebruikelijke hulp. De medewerker van Buurtplein heeft altijd de mogelijkheid om – in bijzondere situatie – van dit protocol af te wijken.
1. Definities en algemene uitgangspunten
Gebruikelijke hulp is de zorg die op het gebied van het voeren van het huishouden voor alle meerderjarige leden van een leefeenheid als algemeen aanvaardbaar wordt beschouwd. Van gebruikelijke hulp is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen.
Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders.
Of sprake is van inwoning wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur e.d. door elkaar lopen.
Bij gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enz.
Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke hulp wel voor geïndiceerd worden. Het is van belang de term gebruikelijke hulp goed te onderscheiden van het begrip mantelzorg. Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen.
Gebruikelijke hulp is per definitie hulp waarop geen aanspraak bestaat vanuit de Wmo. Het is de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die een gezamenlijk huishouden voert. Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten.
Hierbij gaat het om hulp waarbij wel aanspraak op de Wmo- kan bestaan. Mantelzorg is hulp die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving waarbij de hulpverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de mantelzorger bereid en in staat geacht mag worden deze hulp te leveren.
Onder een leefeenheid wordt verstaan: een eenheid, bestaande uit gehuwden, die al dan niet tezamen met één of meer ongehuwde minderjarigen duurzaam een huishouden voeren, dan wel uit een meerderjarige ongehuwde, die met één of meer ongehuwde minderjarigen duurzaam een huishouden voert. Onder gehuwden worden ook begrepen de ongehuwd samenwonenden en andere volwassenen, die met elkaar en/of met kinderen samenwonen.
Met deze definitie worden alle bewoners van één adres die samen een duurzaam huishouden voeren inbegrepen in het begrip leefeenheid. Indien er sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden c.q. de leefeenheid gerekend. Een soortgelijke positie wordt ingenomen door mensen die omwille van hun hulpbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen. Denk hierbij aan woongemeenschappen van kloosterlingen, ouderen of gehandicapten. Ook hier is dus geen sprake van een leefeenheid.
De volwassene met wie de hulpvrager een intieme, emotionele relatie heeft en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert.
Iedere volwassene met wie de hulpvrager duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert.
Eén- en meerpersoonshuishouden
Indien de hulpvrager deel uitmaakt van een leefeenheid bestaande uit meerdere personen (meerpersoonshuishouden) moet de medewerker van Buurtplein vaststellen wat, gezien de samenstelling van die leefeenheid, in dat geval verstaan wordt onder gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar. Pas dan kan worden besloten op welke hulp de hulpvrager redelijkerwijs is aangewezen. In geval hulpvrager een eenpersoonshuishouden voert is er geen sprake van gebruikelijke hulp.
Iedere volwassen burger wordt verondersteld naast een volledige baan of opleiding een huishouden te kunnen voeren. In geval van een meerpersoonshuishouden staat het hebben van een normale baan of het volgen van een opleiding per definitie het leveren van gebruikelijke hulp niet in de weg. Gebruikelijke hulp gaat voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie
Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Er is sprake van een pluriforme samenleving waarin eenieder gelijke aanspraken heeft. Pgb en mantelzorg Bij het vaststellen van de hulpbehoefte wordt rekening gehouden met wat van een huisgenoot kan worden verwacht in het kader van gebruikelijke hulp. Voor dat deel is er geen aanspraak op Wmomaatwerkvoorzieningen. Wanneer een huisgenoot of partner mantelzorg verleent en de hulpvrager voor dat deel van de hulp een aanvraag indient, kan er een aanspraak zijn. De huisgenoot kan de hulp vervolgens niet zelf uitvoeren met behulp van een pgb.
De fysieke en sociale omgeving zijn van invloed op de hulpbehoefte van de hulpvrager. Huisgenoten, andere naasten en verwanten van de hulpvrager kunnen zowel in positieve als in negatieve zin de hulpbehoefte beïnvloeden. Zij kunnen zelf hulp behoeven (kleine kinderen, een gehandicapte huisgenoot/familielid), zij kunnen ook verlichting geven en bijdragen aan te verrichten taken (gezonde volwassenen).
In het onderzoek naar beperkingen en participatieproblemen van hulpvragers zal altijd de fysieke en sociale omgeving van de vrager in de afweging meegenomen worden. In geval er voor de hulpvrager mantelzorg beschikbaar is, kan dat deel van de hulpaanspraak buiten de maatwerkvoorziening blijven omdat daar geen professionele hulp vanuit de Wmo voor ingezet hoeft te worden. De mantelzorger voorziet al in die hulp en de medewerker van Buurtplein weegt dat mee in het opstellen van het ondersteuningsplan.
Welke hulp de mantelzorger op zich neemt en in welke omvang is, in overleg met de hulpvrager, uitsluitend en alleen aan de mantelzorger zelf om te bepalen. Het meewegen van de mantelzorg betekent ook dat de medewerker van Buurtplein nagaat of voor een deel van de mantelzorg alsnog een Wmomaatwerkvoorziening verstrekt kan worden ter ondersteuning van de mantelzorger, zodat die regelmatig tijdelijk ontlast wordt. In geval er voor een hulpvrager geen mantelzorg beschikbaar is of mantelzorg wegvalt, is dus een Wmo-maatwerkvoorziening mogelijk.
Indien er sprake is van een hulpvraag waarvan de medewerker van Buurtplein objectief heeft vastgesteld dat het gaat om hulp die valt onder de eigen verantwoordelijkheid van het huishouden dan wel om hulp die vrijwillig door mantelzorgers wordt geleverd, kan conform dit protocol worden vastgesteld dat er geen grond voor een Wmo-maatwerkvoorziening is. Wanneer een dergelijke vaststelling voor de medewerker van Buurtplein tot kennelijke onredelijkheid en/of onbillijkheid leidt gezien de situatie van de hulpvrager, kan gemotiveerd van dit protocol worden afgeweken.
2. Richtlijnen voor het bepalen van gebruikelijke hulp
Gezondheidsproblemen of (dreigende) overbelasting
De medewerker van Buurtplein kan besluiten dat een huisgenoot of partner geen gebruikelijke zorg kan leveren als deze zodanige gezondheidsproblemen heeft dat moet worden geconcludeerd dat de betreffende taken niet door hem uitgevoerd kunnen worden. De medewerker van Buurtplein moet altijd onderzoeken of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke hulp, door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt.
Wanneer de partner of huisgenoot gezondheidsproblemen en beperkingen heeft of door de combinatie van een (volledige) werkkring of opleiding en het voeren van het huishouden overbelast dreigt te raken, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd. De medewerker van Buurtplein moet zich daar dan een geobjectiveerd oordeel over vormen. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden voor gebruikelijke hulp zijn.
In geval de leden van een leefeenheid dreigen overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, kan een indicatie worden gesteld op de onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke hulp worden gerekend. In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.
Indien de huisgenoot van een hulpvrager vanwege zijn/haar werk fysiek niet aanwezig is wordt hiermee bij de hulpvaststelling uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan off-shore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een eenpersoons huishouden en kan er geen gebruikelijke hulp worden geleverd.
In geval de hulpvrager een zeer korte, bekende levensverwachting heeft kan ter ontlasting van de leefeenheid van de hulpvrager afgeweken worden van de normering van gebruikelijke hulp.
Onder gebruikelijke begeleiding vallen de volgende categorieën
Alle Begeleiding van de verzekerde door de ouder, door partners onderling, door inwonende kinderen en/of andere huisgenoten is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende hulpsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de verzekerde, dat Wmo-ondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.
Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken wordt van hem of haar geen gebruikelijke begeleiding verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt het volgende:
Wanneer voor de partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen dienen deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe te worden aangewend. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van Wmo-ondersteuning, dient men die overbelasting op te heffen door deze hulp door (andere) hulpverleners uit te laten voeren/in te kopen.
4. Gebruikelijke hulp en het sociaal netwerk
De fysieke en sociale omgeving zijn van invloed op de hulpbehoefte van de hulpvrager. Huisgenoten, andere naasten maar ook vrienden, kennissen, buren van de hulpvrager kunnen de hulpbehoefte beïnvloeden. In het onderzoek naar de ondersteuningsvraag worden beperkingen en participatieproblemen van hulpvragers zal altijd de fysieke en sociale omgeving van de vrager meegenomen worden in de afweging. Na het op eigen kracht kunnen voorzien in de hulpbehoefte kan het sociaal netwerk een rol spelen in de steunverlening aan de hulpvrager. Het gaat dan om ondersteuning door vrijwilligers, ook wel informele zorg genoemd.
Een bewonersnetwerk voor onderlinge hulp- en dienstverlening in buurt en dorp. Deze hulp kan gaan om ‘even iemand uit de brand helpen’, bijvoorbeeld met de tuin of een boodschap, maar ook hulp die complexer is of langer duurt komt voor. Buurthulp is een vorm van informele zorg die het midden houdt tussen mantelzorg en vrijwillige hulp en past in de trend dat wij, als burgers, meer voor elkaar zullen moeten gaan doen. Daarvoor is het van belang vraag en aanbod goed op elkaar aan te laten sluiten.
Het op elkaar laten aansluiten van de hulpbehoefte en het aanbod van informele zorg uit het sociaal netwerk is ook een belangrijke voorwaarde bij andere categorieën vrijwilligers. Er mag van vrijwilligers verwacht worden dat de afspraken die zij met de hulpvrager maken nakomen. Informele zorg mag niet als een voorliggende voorziening opgevat worden, het kan wel als vervanging van mantelzorg gezien worden. Wanneer er vrijwilligers uit het sociaal netwerk van de hulpvrager aanwezig, beschikbaar en bereid zijn om op vrijwillige basis hulp te leveren kan die hulp als gebruikelijk aangemerkt worden en bestaat er voor dat deel van de hulp geen aanspraak op Wmo-hulp.
5. Gebruikelijke hulp bij het huishouden
Hulp bij het huishouden is aangewezen wanneer disfunctioneren van de leefeenheid als gevolg van gezondheidsproblemen van (één van) de verzorgende (leden) dreigt. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing (gezondheidsrisico’s, persoonlijke verzorging, voeding en vocht) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. Het doel van hulp bij het huishouden kan dan zijn het schoonhouden van het huis en/of het verrichten van de dagelijks voorkomende huishoudelijke activiteiten, maar ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden.
Leefeenheid primair verantwoordelijk
De leefeenheid van een hulpvrager die een beroep doet op de Wmo blijft altijd primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Dat betekent dat van een leefeenheid wordt verwacht dat, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die leefeenheid.
Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet uitstelbaar
Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken.
Het verzorgen van kinderen valt ook onder de hulp bij het huishouden.
Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een eenpersoonshuishouden zijn:
Te normeren naar 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. Wmo-ondersteuning voor het aanleren van huishoudelijke activiteiten. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een Wmo-ondersteuning voor het overnemen van huishoudelijke taken. Indien hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een indicatie worden gesteld voor zes weken zorg voor het aanleren van huishoudelijke taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden.
Opvang en verzorging van kinderen bij uitval van een van de ouders
Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles). Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over.
Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Opvang is niet structureel Wmo-ondersteuning. Verzorging van kinderen kan, zo nodig, wel een aanspraak zijn.
Eigen kracht, eigen oplossingen gaan voor
Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de voor hem/haar geldende regeling voor zorgverlof. De medewerker van Buurtplein onderzoekt, in geval er mantelzorg aanwezig is, wat in redelijkheid met mantelzorg kan worden opgevangen. Is dit niet mogelijk dan dient de ouder gebruik te maken van (een combinatie van) crèche, opvang op school, buitenschoolse opvang, gastouder ed. (de zogenaamde algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen). Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden voor kinderen is redelijk, onafhankelijk van de financiële omstandigheden.
Voorkomen van crisis en ontwrichting
Zijn de mogelijkheden voor kinderopvang reeds maximaal gebruikt of afwezig, of is er slechts kortdurend overbrugging nodig in noodgevallen, dan kan hulp bij het huishouden worden ingezet. Structurele opvang van kinderen valt niet onder de ondersteuningsplicht van de Wmo. Niet-structurele opvang van kinderen kan alleen bij ontwrichting of calamiteiten tijdelijk tot een Wmo aanspraak leiden.
Uitval van ouder in eenoudergezin
Indien er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, of beide ouders ondervinden beperkingen in de opvang en verzorging van de kinderen, wordt er eerst nagegaan wat mantelzorg opvangt, en wat vrijwilligers als vervangende mantelzorg, voorliggende voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen opvangen. Oppas en opvang van gezonde kinderen zijn geen Wmo-voorzieningen, daarvoor zijn andere, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen voorhanden. Gebruik van kinderopvang/crèche als voorliggende voorziening voor oppas en opvang van gezonde kinderen tot 5 dagen per week is redelijk. Indien de medewerker van Buurtplein zich ervan heeft vergewist dat de voorliggende algemeen gebruikelijke voorzieningen niet aanwezig of niet toepasbaar zijn of zijn uitgeput, is bij uitval van de ouder in een éénoudergezin afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind een indicatie voor hulp bij het huishouden mogelijk tot 40 uur per week voor oppas en opvang van gezonde kinderen. Een dergelijke indicatie is in principe van korte duur (maximaal 3 maanden), de periode waarin een eigen oplossing moet worden gevonden.
Bijdrage van kinderen aan het huishouden
In geval de leefeenheid van de hulpvrager mede bestaat uit kinderen, gaat de medewerker van Buurtplein ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.
Hoge leeftijd en trainbaarheid
Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals bij ouderen op hoge leeftijd (> 75 jaar) kan, indien nodig, hulp voor die zwaar huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke hulp zouden worden gerekend.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-563152.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.