Verordening op de heffing en de invordering van lig-, kade- en terreingeld 2026

De raad van de gemeente Doetinchem;

 

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025;

 

gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en de onderdelen a en b, van de Gemeentewet;

 

b e s l u i t :

 

vast te stellen de volgende verordening:

 

Verordening op de heffing en de invordering van lig-, kade- en terreingeld 2026

Artikel 1 Belastbaar feit liggeld

Onder de naam ‘liggeld’ wordt een recht geheven voor het gebruik met vaartuigen van gemeentelijk vaarwater of van gemeentelijke kaden, oevers, aanlegsteigers of meerpalen.

Artikel 2 Belastingplicht liggeld

Belastingplichtig is degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruikmaakt of degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht. Daaronder te verstaan de schipper, de reder, de eigenaar van het schip, degene aan wie het schip in gebruik is gegeven, of degene die als vertegenwoordiger van één van dezen optreedt.

Artikel 3 Maatstaf liggeld

  • 1.

    Als grondslag voor de heffing gelden, met uitzondering van het liggeld voor de ligplaats aan de kade van Het Eiland zoals omschreven in artikel 4, de gegevens, vermeld in de bij het vaartuig behorende meetbrief, waarbij onder maximumverplaatsing wordt aangenomen het aantal kubieke meters water dat wordt verplaatst bij de ingevolge genoemde meetbrief grootst toegelaten diepgang.

  • 2.

    Bij gemis van een meetbrief of bij weigering om de meetbrief te tonen, wordt de waterver-plaatsing door de met de inning belaste ambtenaar geschat en is de belasting naar die schatting verschuldigd, tenzij de belastingplichtige verkiest dat het vaartuig op zijn kosten door een deskundige, door burgemeester en wethouders aan te wijzen, wordt gemeten volgens de regels, daarvoor van rijkswege vastgesteld of nader vast te stellen.

  • 3.

    Wanneer de belasting naar schatting is geheven en binnen twee maanden na de betaling daarvan een meetbrief wordt aangeboden, wordt, tenzij de schatting het gevolg was van weigering om het stuk te vertonen, het te veel berekende teruggegeven.

Artikel 4 Maatstaf liggeld kade Het Eiland

  • 1.

    Aan de kade van Het Eiland aan de rechteroever van de Oude IJssel tussen hectometerpaal 12.9 en 13.0 is één ligplaats beschikbaar.

  • 2.

    Voor het innemen van de ligplaats aan de kade van Het Eiland is een schriftelijke ontheffing van het Waterschap Rijn en IJssel vereist.

  • 3.

    Als grondslag voor de heffing van liggeld aan de kade van Het Eiland wordt een vast tarief per aangebroken week geheven.

  • 4.

    Er geldt een termijn van dertien aaneengesloten weken dat een ligplaats ingenomen mag worden.

  • 5.

    Verlenging van de onder 4. bepaalde termijn is ter beoordeling aan gemeente.

Artikel 5 Belastingtarief liggeld

  • 1.

    Het liggeld wordt, met uitzondering van het liggeld voor een ligplaats aan de kade van Het Eiland zoals omschreven in artikel 6, telkenmale geheven voor het aanleggen van een vaartuig overeenkomstig artikel 1. Zolang een vaartuig aangelegd blijft, wordt het geacht bij de aanvang van elk nieuw tijdvak van veertien dagen sinds het tijdstip van aanleggen, opnieuw te hebben aangelegd, tenzij gesloten water of ijsgang vertrek belet.

  • 2.

    Het liggeld bedraagt per kubieke meter waterverplaatsing, per veertien dagen € 0,13

  • 3.

    Het liggeld kan ook bij wijze van abonnement worden voldaan.

    De abonnementen zijn geldig voor het ten tijde van de afgifte nog niet verlopen gedeelte van een kalenderjaar. Het deswege verschuldigde recht bedraagt per kubieke meter waterverplaatsing voor een abonnement, geldig:

    • a.

      voor gebruik eenmaal per week € 0,94

    • b.

      voor gebruik tweemaal per week € 1,35

    • c.

      voor gebruik meer dan tweemaal per week € 1,35

    vermeerderd met zoveel maal € 0,25

    als het aantal malen per week boven het getal twee bedraagt, dat het abonnement kan worden gebruikt.

  • 4.

    Voor de berekening van het bij wijze van abonnement verschuldigde liggeld wordt als waterverplaatsing aangenomen de gemiddelde waterverplaatsing van de bij de geabonneerde in gebruik zijnde vaartuigen.

Artikel 6 Belastingtarief liggeld kade Het Eiland

  • 1.

    Het liggeld wordt geheven voor het aanmeren van een vaartuig overeenkomstig artikel 1.

  • 2.

    Het liggeld bedraagt per week € 50,00

    en is exclusief de kosten voor het gebruik van elektra/water.

  • 3.

    Het tarief voor elektra bedraagt per kW/h € 1,20

    Het tarief voor drinkwater bedraagt per m3 € 1,25

    Meterstanden worden aan het begin en einde van het innemen van de ligplaats opgenomen.

  • 4.

    Het liggeld wordt per ligperiode achteraf in rekening gebracht.

Artikel 7 Vrijstelling liggeld

  • 1.

    Voor de berekening van het liggeld blijft buiten aanmerking het tijdvak vanaf 12 uur 's middags op de dag, onmiddellijk voorafgaande aan een zondag, tot 8 uur 's ochtends op de dag onmiddellijk volgende op die zondag. Met de zondag worden te dezen gelijkgesteld de nieuwjaarsdag, de christelijke tweede paas- en pinksterdag, de beide kerstdagen en de Hemelvaartsdag.

  • 2.

    Geen liggeld wordt geheven voor bootjes die bij het vaartuig behoren en niet zelf geladen zijn alsmede voor politievaartuigen en de daarbij behorende roeiboten.

Artikel 8 Belastbaar feit kadegeld

Onder de naam ‘kadegeld’ wordt een recht geheven voor het gebruik van de openbare loswal als tijdelijke opslagplaats. Onder 'openbare loswal' wordt verstaan alle gemeentegrond langs de Oude IJssel, voor zover die niet aan derden in gebruik is gegeven.

Artikel 9 Belastingplicht kadegeld

Belastingplichtig is degene aan wie de voor het gebruik van de grond vereiste toestemming is verleend.

Artikel 10 Belastingtarief kadegeld

  • 1.

    Het kadegeld bedraagt voor elke aangevraagde en toegestane m2:

    • a.

      voor het eerst ingegane tijdvak van twee etmalen, gerekend vanaf het uur

      van ingang van de voor het gebruik van de grond vereiste toestemming € 0,13

    • b.

      voor elk volgend ingegaan tijdvak van drie etmalen € 0,13

      met dien verstande dat de onder a en b bedoelde rechten tezamen ten

      minste bedragen € 1,98

  • 2.

    Het kadegeld kan ook bij wijze van abonnement worden voldaan.

    De abonnementen zijn geldig voor het ten tijde van de afgifte nog niet verlopen gedeelte van een kalenderjaar.

    Het deswege verschuldigde recht bedraagt, per 50 m2 grondoppervlakte of een gedeelte daarvan, waarvoor een abonnement geldig is € 105,61

Artikel 11 Vrijstelling kadegeld

Het bij artikel 5, eerste lid, omtrent de heffing van liggeld bepaalde, is mede op de heffing van kadegeld van toepassing.

Artikel 12 Belastbaar feit terreingeld

Onder de naam ‘terreingeld’ wordt een recht geheven voor het al dan niet tijdelijk uitsluitend gebruik van openbare gemeentegrond, voor zover zodanig gebruik niet aan een andere gemeentelijke heffing is onderworpen.

Artikel 13 Belastingplicht terreingeld

Belastingplichtig is degene aan wie de voor het gebruik van de grond vereiste toestemming is verleend.

Artikel 14 Belastingtarief terreingeld (tijdelijk gebruik)

Het terreingeld bedraagt voor elke aangevraagde en toegestane m2 voor uitsluitend tijdelijk gebruik van gemeentegrond:

  • a.

    voor het eerste ingegane tijdvak van twee etmalen, gerekend vanaf het uur van ingang van de voor het gebruik van de grond vereiste toestemming € 0,18

  • b.

    voor elk volgend ingegaan tijdvak van drie etmalen € 0,18

    met dien verstande dat de onder a en b bedoelde rechten tezamen minstens € 1,98

    bedragen.

Artikel 15 Belastingtarief terreingeld (blijvend gebruik)

Het terreingeld bedraagt voor elke aangevraagde en toegestane m2 voor uitsluitend blijvend gebruik van gemeentegrond voor het plaatsen van definitieve voorwerpen, voor zover deze voorwerpen zich bevinden op of op minder dan 1.50 meter boven uitsluitend voor voetgangers bestemde openbare gemeentegrond, per m2 per jaar, € 60,51

Bij de berekening van het aantal m2 worden gedeelten van m2 naar boven afgerond.

Artikel 16 Vrijstelling terreingeld

  • 1.

    Het bij artikel 5, eerst lid, omtrent de heffing van liggeld bepaalde is mede op de heffing van terreingeld van toepassing.

  • 2.

    Geen terreingeld wordt geheven voor het gebruik van openbare gemeentegrond wanneer sprake is van godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke activiteiten, dan wel van activiteiten ter behartiging van een liefdadig doel of van sociaal-culturele activiteiten.

  • 3.

    Geen terreingeld wordt geheven voor het uitsluitend blijvend gebruik van openbare gemeentegrond voor het plaatsen van definitieve voorwerpen, voor zover deze voorwerpen zich bevinden op of op minder dan 1.50 meter boven uitsluitend voor voetgangers bestemde openbare gemeentegrond en voor zover het gaat om voorwerpen die worden aangebracht om gebouwen toegankelijk te laten zijn voor invaliden en invalide rolstoelgebruikers. Dit voor zover het gaat om per 1 januari 1997 bestaande gebouwen.

Artikel 17 Overige bepalingen lig- of kadegeld

Degene die het lig- of kadegeld bij wijze van abonnement wenst te voldoen, wendt zich tot de betrokken ambtenaar ter verkrijging van een abonnementskaart. Zodanige kaart wordt niet afgegeven dan na betaling van het deswege verschuldigde lig- of kadegeld.

Artikel 18 Overige bepalingen kade- of terreingeld

  • 1.

    Degene die enig aan de heffing van kade- of terreingeld als bedoeld in artikel 12 onderworpen gebruik wenst te maken van gemeentegrond, wendt zich tot de betrokken gemeenteambtenaar, ter verkrijging van de vereiste schriftelijke toestemming.

  • 2.

    Degene die enig aan de heffing van terreingeld als bedoeld in artikel 13 onderworpen gebruik wenst te maken van gemeentegrond, wendt zich tot burgemeester en wethouders ter verkrijging van de vereiste schriftelijke toestemming.

Artikel 19 Verbodsbepaling

  • 1.

    Het is verboden gebruik te maken van enig kunstwerk of van gemeentegrond voordat de daarvoor ingevolge deze verordening verschuldigde rechten over het betrokken tijdvak aan de met de ontvangst van die rechten belaste ambtenaar zijn voldaan.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op het aan de heffing van liggeld onderworpen gebruik van enig kunstwerk over het eerste tijdvak van drie etmalen vanaf het tijdstip van aankomst van het vaartuig.

    Het te dier zake verschuldigde recht wordt door de belastingschuldige aan de met de ontvangst van het liggeld belaste ambtenaar betaald voor het einde van gemeld tijdvak en voor het vertrek van het vaartuig.

  • 3.

    De bedoelde ambtenaar is bevoegd vroegere betaling te vorderen door aanbieding van een kwitantie.

  • 4.

    De belastingschuldige is bevoegd de rechten over meer dan een aan de heffing onderworpen tijdvak gelijktijdig bij vooruitbetaling te voldoen. In dat geval worden de te veel betaalde rechten na het eindigen van het aan de heffing onderworpen gebruik tegen kwitantie terugbetaald.

Artikel 20 Wijze van heffing

Voor elke ontvangst van lig-, kade- of terreingeld wordt een kwitantie afgegeven.

Artikel 21 Kwijtschelding

Bij de invordering van lig-, kade- of terreingeld wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 22 Tonen toestemming

  • 1.

    De ontheffing van het Waterschap Rijn en IJssel, bedoeld in artikel 4, de abonnementskaart, bedoeld in artikel 17, de toestemming, bedoeld in artikel 18, en de kwitantie, bedoeld in artikel 20, moeten op eerste vordering worden getoond aan elke met het houden van toezicht op de betrokken kunstwerken of gronden of met de ontvangst van de in deze verordening bedoelde rechten belaste ambtenaar.

  • 2.

    Bij niet-voldoening aan een vordering overeenkomstig het eerste lid tot het tonen van een schriftelijke toestemming, van een ontheffing van het Waterschap Rijn en IJssel, van een abonnementskaart of van een kwitantie, wordt geacht onderscheidenlijk geen toestemming verleend, geen abonnement verstrekt of geen recht betaald te zijn.

Artikel 23 Overgangsrecht

  • 1.

    De verordening lig-, kade- en terreingeld 2025 van 19 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 24, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in artikel 24, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, blijft de in het eerste lid genoemde verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover de heffing van de rechten hiervoor in de periode plaatsvindt.

Artikel 24 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 25 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening lig-, kade- en terreingeld 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering

van 18 december 2025,

griffier

voorzitter

Naar boven