Beleidsregel beoordeling levensgedrag Stichtse Vecht 2025

De burgemeester van de gemeente Stichtse Vecht

 

Gelet op:

  • -

    Artikel 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

  • -

    Artikel 2.25, zevende lid, artikel 2:28, derde lid, onder b, artikel 2:80, vierde lid, onder d en zevende lid, onder d, en artikel 3.7, eerde lid, onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening Stichtse Vecht 2024 (APV);

  • -

    artikel 8, eerste lid, onder b en artikel 35, eerste lid, onder b van de Alcoholwet;

  • -

    artikel 30d, vierde lid onder a van de Wet op de kansspelen (Wok) juncto artikel 4 lid 1 van het Speelautomatenbesluit 2000;

Overwegende:

  • -

    dat de burgemeester bevoegd is te beslissen op aanvragen om een Alcoholwetvergunning, een exploitatievergunning voor een openbare inrichting, prostitutiebedrijf of een op grond van artikel 2:80 van de APV aangewezen gebouw, gebied of bedrijfsmatige activiteit, een vergunning voor speelautomaten en/of een evenementenvergunning voor een vechtsport-evenement;

  • -

    dat de bovenstaande wet- en regelgeving aan vergunninghouders, exploitanten, leidinggevenden, organisatoren en beheerders het vereiste stelt dat zij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn om een vergunning te verkrijgen en te behouden;

  • -

    dat het wenselijk is transparant te zijn in de wijze van beoordeling van het levensgedrag van vergunninghouders, exploitanten, leidinggevenden, organisatoren en beheerders;

besluit vast te stellen de volgende:

 

BELEIDSREGEL BEOORDELING LEVENSGEDRAG STICHTSE VECHT 2025

 

Inleiding

 

Deze beleidsregels beschrijven welke invulling de burgemeester geeft aan de norm ‘levensgedrag’ zoals opgenomen in de Alcoholwet, de APV en de Wok en het Speelautomatenbesluit 2000.

 

Exploitanten, leidinggevenden en beheerders van openbare inrichtingen, seksbedrijven en speelautomatenhallen, alsook organisatoren van vechtsportevenementen hebben een belangrijke verantwoordelijkheid in het kader van de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat in de omgeving van een onderneming of bij een evenement. Zij dienen verstoring van de openbare orde, zoals overlast, criminaliteit, geweld en alcoholmisbruik (en andersoortige verdovende middelen) te voorkomen en te beperken. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor (de veiligheid van) hun personeel, bezoekers en de directe omgeving van de onderneming. Ook dienen zij toezicht te houden en dienen zij misstanden, waaronder mensenhandel en uitbuiting te signaleren en te melden bij politie en gemeente. Voor meerdere vergunningen die de burgemeester op grond van de APV, de Alcoholwet en de Wok kan verlenen, geldt daarom dat exploitanten, leidinggevenden, beheerders en organisatoren moeten voldoen aan de norm dat zij ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn’.

 

Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip ‘levensgedrag’ niet in strijd met (artikel 10 van) de Dienstenrichtlijn. Ondanks dat de APV-bepalingen betreffende levensgedrag de toets aan de Dienstenrichtlijn kunnen doorstaan, beoogt deze beleidsregel meer duidelijkheid te geven over de norm van slecht levensgedrag uit de Alcoholwet, de Wok en de APV.

 

De burgemeester beschikt op grond van jurisprudentie van de Afdeling over beoordelingsruimte bij de invulling van het ‘slecht levensgedrag-criterium’, mits voldaan wordt aan een aantal randvoorwaarden die de Afdeling in de uitspraak van 25 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1493) onder elkaar heeft gezet. Deze zijn:

  • -

    alleen feiten en omstandigheden mogen worden betrokken die relevant zijn voor de exploitatie;

  • -

    voor de betrokkene moet vooraf kenbaar zijn dat hij, gezien de relevante feiten en omstandigheden die bij het levensgedrag worden betrokken, niet aan die voorwaarde voldoet;

  • -

    de toepassing van de voorwaarde dat een betrokkene niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, mag op grond van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel niet verder gaan dan nodig is om te waarborgen dat bedrijven worden geëxploiteerd op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Dit betekent dat geringe feiten en omstandigheden die te maken hebben met het levensgedrag op zichzelf bezien niet mogen meewegen en dat feiten en omstandigheden die wel kunnen leiden tot het oordeel ‘slecht levens- gedrag’ niet gedurende een onredelijke lange periode in de weg mogen blijven staan.

Bij de beoordeling van het levensgedrag wordt gekeken naar uiteenlopende feiten en omstandigheden die iets zeggen over het gedrag van de betrokkene. Er moet voldoende vertrouwen kunnen worden gesteld in exploitanten, leidinggevenden, beheerders en organisatoren. Bij de beoordeling wordt vooral gekeken naar strafbare feiten, maar bijvoorbeeld ook het verstrekken van onjuiste of misleidende informatie met betrekking tot relevante feiten.

 

Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het kunnen beschikken over een recente Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) in het kader van de beoordeling van het levensgedrag niet relevant is. Hiervoor geldt namelijk een ander, beperkter, toetsingskader op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

 

Door middel van deze beleidsregel wordt gelet op het bovenstaande op transparante wijze invulling

gegeven aan de beoordelingsruimte van de burgemeester betreffende het slecht levensgedrag-criterium. Dit draagt in sterke mate bij aan de transparantie en voorzienbaarheid van de beoordeling van de levensgedrag-toets en de uitkomst daarvan.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Reikwijdte beleidsregel

Met deze beleidsregel vult de burgemeester in hoe hij uitvoering geeft aan de beoordeling van het levensgedrag, zoals bedoeld in de APV, de Alcoholwet en de Wok.

Artikel 1.2 Toepassing beleidsregel

  • 1.

    Deze beleidsregel is van toepassing op alle bedrijven en activiteiten, waarvoor ingevolge de Alcoholwet dan wel de APV of de Wok een vergunningplicht geldt en waarbij de burgemeester de bevoegdheid heeft de vergunning te weigeren of in te trekken, of een leidinggevende bij te schrijven of te verwijderen van de vergunning indien de vergunninghouder, exploitant, de leidinggevende, de organisator of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  • 2.

    Met betrekking tot de levensgedrag-toets wordt voor de APV onder leidinggevende verstaan: degene die feitelijk verantwoordelijk is voor de gang van zaken in en bij het horecabedrijf. In een horecabedrijf kunnen meerdere leidinggevenden aanwezig zijn. Voor de begripsbepaling ‘leidinggevende’ wordt aangesloten bij de begripsbepaling in de Alcoholwet.

  • 3.

    Indien er een vergunningplicht komt voor bepaalde andere branches, waarvoor de slecht levensgedrag toets gaat gelden, is deze beleidsregel ook op die betreffende branche van toepassing.

Artikel 1.3 Toets levensgedrag en bronnen

  • 1.

    De burgemeester toetst het levensgedrag bij de aanvraag van een vergunning, bij een verzoek tot wijziging van een vergunning, of een bijschrijving van een leidinggevende of beheerder, dan wel op ieder moment dat de burgemeester dit nodig acht.

  • 2.

    De burgemeester kan het levensgedrag opnieuw beoordelen indien er gedurende de looptijd van een vergunning sprake is van nieuwe feiten en / of omstandigheden of naar aanleiding van signalen.

  • 3.

    De burgemeester onderbouwt bij de weigering dan wel intrekking van de vergunning welke feiten of omstandigheden reden zijn om het levensgedrag tegen te werpen.

  • 4.

    De burgemeester weegt bij de toets van het levensgedrag diverse gegevens afzonderlijk en in onderlinge samenhang met elkaar en in relatie tot de (aanvraag van de) vergunning.

  • 5.

    De belangrijkste informatiebronnen, die hierbij kunnen worden gebruikt zijn:

    • a.

      Informatie van de politie;

    • b.

      Het Justitieel Documentatie Systeem;

    • c.

      Handhavingsgegevens en overige gegevens waarover de gemeente beschikt;

    • d.

      Informatie uit een Bibob-toets;

    • e.

      Informatie uit openbare bronnen.

  • 6.

    Indien noodzakelijk kan de burgemeester via het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) informatie uitwisselen met de Nederlandse Arbeidsinspectie, Belastingdienst, de Douane en de Immigratie en Naturalisatie Dienst.

Hoofdstuk 2 Beoordeling levensgedrag

Artikel 2.1 Algemene uitgangspunten bij beoordeling van het levensgedrag

Algemene uitgangspunten bij de beoordeling van iemands levensgedrag zijn:

  • 1.

    De aard van de (aangevraagde) vergunning is relevant voor het wegen van de (strafbare) feiten en omstandigheden.

  • 2.

    Of er sprake is van slecht levensgedrag dat moet leiden tot weigering of intrekking van de vergunning wordt per individueel geval bepaald. In het algemeen zal één gedraging niet leiden tot het oordeel ‘slecht levensgedrag’. Alleen als het gaat om een feit dat niet-gering en/of ernstig is, kan één gedraging al voldoende zijn om slecht levensgedrag aan te nemen. In andere gevallen moet sprake zijn van meerdere gedragingen die op zichzelf staand onvoldoende zijn, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot de conclusie dat sprake is van slecht levensgedrag.

  • 3.

    In beginsel worden bij de beoordeling enkel gedragingen meegewogen die in een periode van vijf jaar voorafgaand aan het beoordelingsmoment. Indien binnen deze periode van vijf jaar sprake is van relevante gedragingen, dan kunnen ook gedragingen die zich hebben voorgedaan buiten de vijfjaarperiode worden betrokken bij de beoordeling van het levensgedrag. Deze oudere gedragingen kunnen dan een duiding geven dan wel blijk geven van een patroon van gedragingen gedurende een langere periode.

  • 4.

    Voor het aannemen van slecht levensgedrag is niet vereist dat zich daadwerkelijk concrete problemen met betrekking tot het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde of veiligheid hebben voorgedaan;

  • 5.

    Bij het beoordelen van iemands levensgedrag worden feiten en omstandigheden meegewogen die niet in of in de directe omgeving van de openbare inrichting, het evenement of het seksbedrijf plaatsvinden. Deze informatie kan inzicht geven in het gedrag en de houding van de persoon en kan relevant zijn voor de beoordeling van het levensgedrag;

  • 6.

    De gedragingen die worden meegewogen bij de beoordeling omtrent het levensgedrag moeten aannemelijk zijn. Daarvoor is niet vereist dat iemand (onherroepelijk) is veroordeeld wegens een strafbaar feit door de strafrechter. Ook de hoogte van een eventueel opgelegde straf is niet relevant. Ook indien een persoon niet is vervolgd door het Openbaar Ministerie of sprake is van een sepot, kunnen de gedragingen meegewogen worden. De beoordeling vindt immers plaats in een bestuursrechtelijk kader en daar gelden de strafrechtelijke bewijsregels niet. Indien een bepaalde gedraging niet tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid, betekent dat dus niet dat deze gedraging niet heeft plaatsgevonden. Het is namelijk heel goed mogelijk dat er strafrechtelijk onvoldoende bewijs is of dat de uitkomst van een strafrechtelijk onderzoek nog onbekend is, maar dat er wel sprake is van feiten en omstandigheden die redelijkerwijs doen vermoeden of aannemelijk maken dat de betrokkene bepaalde gedragingen heeft begaan. De mee te wegen gedragingen zullen veelal strafbare of beboetbare feiten betreffen, maar kunnen ook andere gedragingen zijn die louter bestuursrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd. Orde verstorend gedrag levert bijvoorbeeld soms als zodanig geen strafbaar feit op.

  • 7.

    Naast strafrechtelijke veroordelingen wegen ook transacties en strafbeschikkingen mee;

  • 8.

    Zaken waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard kunnen worden meegewogen;

  • 9.

    Zaken waarop vrijspraak is gevolgd, worden niet meegewogen in de beoordeling van het levensgedrag.

  • 10.

    De beoordeling van de vraag of iemand van slecht levensgedrag is, beperkt zich niet tot dezelfde feiten en gedragingen die bij de toetsing van Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) in ogenschouw worden genomen. Een VOG vormt een aanknopingspunt voor de veronderstelling dat een aanvrager over de vereiste eigenschappen en kwaliteiten beschikt. Dit neemt echter niet weg dat het bestuursorgaan op grond van de Alcoholwet, APV en Wok een zelfstandige bevoegdheid heeft in de beoordeling van het levensgedrag.

  • 11.

    Het milieu waarin iemand zich begeeft, kan in samenhang bezien met de overige feiten en omstandigheden, ook een rol spelen bij de beoordeling van het levensgedrag. Denk bijvoorbeeld aan een persoon die in een omgeving verkeert waar criminele contacten aanwezig zijn.

Artikel 2.2 Beoordelingsaspecten

Bij de beoordeling van het levensgedrag worden de volgende aspecten betrokken:

  • a.

    Welke gedragingen

Bij de beoordeling van het levensgedrag worden in de eerste plaats die gedragingen meegewogen die relevant zijn voor de aangevraagde of verleende vergunning. Voor een vergunning voor een inrichting of bedrijf betekent dit dat de publieke locatie geëxploiteerd moet kunnen worden op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, openbare orde of het woon- en leefklimaat. Voor een alcoholwetvergunning komt daar tevens bij dat er geen gevaar en/of gezondheidsrisico’s moeten ontstaan door de alcoholverstrekking.

 

Voor het levensgedrag van een aanvrager/leiding- gevende/beheerder/organisator in verband met een alcoholwetvergunning, een exploitatievergunning, een aanwezigheidsvergunning of een evenementenvergunning zijn in ieder geval de volgende categorieën gedragingen relevant.

  • -

    Misdrijven tegen het leven;

  • -

    Gijzeling en ontvoering;

  • -

    Deelname aan een criminele organisatie;

  • -

    Geweldpleging tegen goederen en/of personen;

  • -

    Vernieling en vandalisme;

  • -

    Plegen van een overval, diefstal of huisvredebreuk;

  • -

    Brandstichting;

  • -

    Drugsfeiten (zowel gerelateerd aan de Opiumwet als gerelateerd aan regels omtrent onrecht- matig gebruik van of handel in geneesmiddelen of genotmiddelen);

  • -

    Wapenbezit en/of -gebruik;

  • -

    Overtredingen van helingverboden;

  • -

    Overtredingen van de Wok;

  • -

    Verduistering, oplichting, afpersing en afdreiging;

  • -

    Witwassen en fraude;

  • -

    Valsheid in geschrifte;

  • -

    Omkopen van een ambtenaar in functie;

  • -

    Arbeidsuitbuiting, mensenhandel en mensensmokkel;

  • -

    (Faciliteren van) illegale prostitutie;

  • -

    Niet meewerken met de politie en toezichthouders, negeren van een bevel van ambtenaar in functie, belediging van ambtenaren in functie en het niet opvolgen van rechtelijke uitspraken;

  • -

    Discriminatie;

  • -

    Zedendelicten;

  • -

    Bedreiging en stalking;

  • -

    Niet nakomen van fiscale verplichtingen op grond van Invorderingswet 1990 of de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  • -

    Verkeersmisdrijven;

  • -

    Gedragingen die hebben geleid tot opgelegde bestuurlijke of handhavingsmaatregelen met betrekking tot een openbare inrichting tenzij deze maatregelen op geen enkele wijze aan de te beoordelen persoon (in bestuursrechtelijke zin) zijn te verwijten;

  • -

    Ordeverstoringen waarbij de te beoordelen persoon betrokken was.

Voor al deze categorieën van gedragingen geldt dat ze relevant zijn voor de exploitatie van een bedrijf of inrichting, omdat ze de veiligheid van bezoekers en omwonenden, de openbare orde in en buiten het bedrijf/inrichting en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf/in- richting kunnen raken. Van personen die betrokken zijn geweest bij deze gedragingen moet worden gevreesd dat ze niet op verantwoorde wijze leiding kunnen geven aan een bedrijf/inrichting.

 

Voor een alcoholwetvergunning zijn daarnaast de volgende gedragingen relevant bij de beoordeling van het levensgedrag van leidinggevenden:

  • overtredingen van de Alcoholwet of de horecabepalingen van de APV;

  • rijden onder invloed of andere alcoholgerelateerde gedragingen;

  • alle gedragingen, voor zover hierboven nog niet genoemd, die vermeld worden in artikel 3:4, eerste lid van het Alcoholbesluit. Deze gedragingen wegen ook mee in de beoordeling indien er geen sprake is van een veroordeling of wanneer niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 3:4, tweede en derde lid.

Deze gedragingen zijn voor een Alcoholwetvergunning relevant, omdat van personen die verantwoordelijkheid dragen voor het verantwoord schenken van alcohol verwacht mag worden dat zij zelf geen alcohol gerelateerde overtredingen plegen. Indien dat toch het geval is, betekent dit dat het vertrouwen in een goede naleving van de bepalingen van de Alcoholwet ontbreekt. Zo verhoudt zich het rijden onder invloed, de openbare dronkenschap of het in kennelijke staat van dronkenschap dienst doen in een openbare inrichting niet met de taken en verantwoordelijkheden van een leidinggevende van een horecabedrijf. Van een leidinggevende van een horecabedrijf wordt immers verwacht dat hij of zij anderen aanspreekt op hun verantwoordelijkheden en de risico’s van alcoholmisbruik.

De gedragingen genoemd in het Alcoholbesluit zijn relevant aangezien de wetgever zelf aan deze bepalingen in het Alcoholbesluit belang heeft gehecht voor het levensgedrag van personen die op een Alcoholwetvergunning vermeld willen worden.

 

Voor een aanwezigheidsvergunning op grond van de Wok zijn daarnaast de volgende gedragingen relevant bij de beoordeling van het levensgedrag van leidinggevenden:

  • -

    alle gedragingen, voor zover hiervoor nog niet genoemd, die vermeld worden in artikel 4, leden 2, 3 en 4 van het Speelautomatenbesluit 2000. Deze gedragingen zijn ook relevant indien er geen sprake is van een veroordeling of wanneer niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 4, tweede, derde en vierde lid.

De gedragingen genoemd in het Speelautomatenbesluit 2000 zijn relevant aangezien de wetgever zelf aan deze bepalingen in het Speelautomatenbesluit 2000 belang heeft gehecht voor het levens- gedrag van personen die een aanwezigheidsvergunning aanvragen.

Hoofdstuk 3 Overige bepalingen

Artikel 3.1 Hardheidsclausule

De burgemeester kan in bijzondere en dringende gevallen een artikel of artikelen van deze beleidsregels buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing ervan, gelet op het belang van de belanghebbende, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 3.2 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na de datum van bekendmaking.

Artikel 3.3 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als Beleidsregel beoordeling levensgedrag Stichtse Vecht 2025.

Aldus vastgesteld op 29 september 2025 door de burgemeester van de gemeente Stichtse Vecht,

drs. A.J.H.T.H. Reinders

Naar boven