Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2026

De raad van de gemeente Zuidplas;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 november 2025;

gelet op artikel 255 van de Gemeentewet, artikel 26 van de Invorderingswet 1990, Hoofdstuk II van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 en de Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden.

 

besluit vast te stellen de:

 

Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2026

Artikel 1 Voor kwijtschelding in aanmerking komende belastingsoort

De gemeente verleent uitsluitend kwijtschelding voor het vaste tarief van de Afvalstoffenheffing.

Artikel 2 Kosten van bestaan

  • 1.

    Bij de kwijtschelding van de in lid 1 van deze regeling genoemde belastingen wordt in afwijking van artikel 16, tweede lid, onderdelen a en b, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 het percentage voor de berekening van de kosten van bestaan gesteld op 100 procent.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid worden de kosten van bestaan van de in artikel 3 Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden bedoelde pensioengerechtigden gesteld op 100 procent van de toepasselijke, in genoemd artikel 3 bedoelde netto AOW-bedragen.

Artikel 3 Netto kosten kinderopvang

Als uitgaven als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 worden mede in aanmerking genomen de in artikel 28, derde lid, van genoemde regeling bedoelde netto kosten van kinderopvang.

Artikel 4 Kwijtschelding aan ondernemers

Met inachtneming van het overige in dit besluit bepaalde, wordt een verzoek om kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en heffingen die geen verband houden met de uitoefening van het bedrijf of beroep, van een natuurlijk persoon die een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent, behandeld volgens de bepalingen van hoofdstuk II, afdelingen 1, 2 en 5 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.

Artikel 5 Extra toegestane financiële middelen

In afwijking van artikel 12, tweede lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt het totale bedrag aan financiële middelen, bedoeld in dat onderdeel, verhoogd met het maximumbedrag genoemd in artikel 4, onder a van de Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden.

Artikel 6 Inwerkingtreding

  • 1.

    De Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2014 vastgesteld bij besluit van 22 april 2014, wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2026, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op kwijtscheldingsverzoeken die voor die datum zijn ingediend.

  • 2.

    De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 7 Citeerartikel

Dit besluit wordt aangehaald als: Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 9 december 2025.

De raad voornoemd,

De griffier,

L.J. Ligtenberg

De voorzitter,

J.F. Weber

B. Toelichting op de regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2026

1. Algemeen

Bij de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen zijn de volgende wettelijke bepalingen en regelingen van toepassing:

  • artikel 26 van de Invorderingswet 1990;

  • hoofdstuk I en II van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990;

  • artikel 255 van de Gemeentewet;

  • Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden

 

Een nadere toelichting op de uitvoering van de kwijtschelding heeft de staatssecretaris van Financiën opgenomen in de Leidraad Invordering 2008 (Rijksleidraad). De Rijksleidraad vormt het uitgangspunt voor de Leidraad Invordering RBG. Waar relevant is deze aangevuld of toegespitst op de specifieke werkwijze en beleidskaders

 

2. Artikelgewijze toelichting

 

Artikel 1 Voor kwijtschelding in aanmerking komende belastingsoort

Het verlenen van kwijtschelding is geen verplichting maar een bevoegdheid. De wet zegt namelijk dat gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend aan een belastingplichtige die zijn belastingaanslag of een deel daarvan niet anders dan met buitengewoon bezwaar kan betalen. De raad bepaalt of en zo ja, van welke belasting kwijtschelding wordt verleend.

Het raadsbesluit dat het kwijtscheldingsbeleid regelt, is vormvrij. Naast een afzonderlijk besluit kan het afwijkende kwijtscheldingsbeleid ook in de betreffende belastingverordening worden geregeld. Het beleid heeft alleen betrekking op de in die verordening geregelde gemeentelijke belasting.

 

Artikel 2 Kosten van bestaan

Eerste lid

De Uitvoeringsregeling stelt de kosten van bestaan op 90% van de bijstandsnorm. Op grond van artikel 255, vierde lid, van de Gemeentewet hebben gemeenten echter de mogelijkheid om dit percentage hoger vast te stellen. Aan een hoger percentage zijn echter wel grenzen gesteld. Gemeenten mogen het percentage voor de kosten van bestaan vaststellen op maximaal 100% van de bijstandsnorm. Dit percentage is niet verplicht en kan per belastingsoort verschillen.

Tweede lid

Voor personen van die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt heeft de raad besloten om de

reguliere kwijtscheldingsnormen voor pensioengerechtigden, te verhogen tot 100% van de toepasselijke netto AOW-bedragen. Deze maatregel voorkomt dat AOW’ers minder aanspraak op kwijtschelding gemeentelijke belastingen kunnen maken. Door het wetsvoorstel ‘Geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon tot een keer de algemene heffingskorting met uitzondering van het referentieminimumloon voor de Algemene Ouderdomswet’ komen pensioengerechtigden zonder aanvullende maatregelen in mindere mate in aanmerking voor kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen.

 

Artikel 3 Netto kosten kinderopvang

Eigen bijdrage kinderopvang

Bij het verlenen van kwijtschelding wordt rekening gehouden met de kosten van kinderopvang. Op grond van artikel 28, derde lid, van de Uitvoeringsregeling kan de gemeente bij het bepalen van het netto-besteedbare inkomen voor de kwijtschelding rekening houden met de netto-kosten van kinderopvang. De netto-kosten worden aangemerkt als uitgaven als bedoeld in artikel 15 van de Uitvoeringsregeling.

Netto-kosten

Het gaat om de kosten die huishoudens voor kinderopvang moeten maken, na aftrek van ontvangen kinderopvangtoeslag. Als het huishouden een tegemoetkoming in de te betalen kosten van kinderopvang van de gemeente dan wel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ontvangt, gaat het om de kosten van kinderopvang na aftrek van deze tegemoetkomingen.

Voor de berekening van de kosten van kinderopvang mag maximaal worden gerekend met de maximum-uurprijs zoals vermeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang. De maximale uurprijzen worden jaarlijks geïndexeerd.

 

Artikel 4 Kwijtschelding aan ondernemers (natuurlijke personen)

Privé belastingschulden

De voorwaarden waaronder kwijtschelding aan een ondernemer wordt verleend, zijn gelijk aan de voorwaarden die voor natuurlijke personen/niet-ondernemers gelden. Dat wil zeggen dat van dezelfde betalingscapaciteit en hetzelfde vermogen wordt uitgegaan.

Op het moment dat een ondernemer om kwijtschelding verzoekt, is het netto besteedbare inkomen doorgaans nog niet in te schatten. De gemeente kan de belanghebbende van wie zij vermoedt dat hij voor kwijtschelding in aanmerking komt, vragen te zijner tijd een inkomensverklaring van de Belastingdienst over de betrokken periode te over leggen aan de hand waarvan dan definitief op het kwijtscheldingsverzoek kan worden beslist. In de tijd die ligt tussen indiening en beslissing kan uitstel van betaling worden verleend. In de praktijk kan er ruime tijd zijn gelegen tussen het moment waarop een ondernemer om kwijtschelding verzoekt en het moment waarop het netto besteedbare is in te schatten.

Belastingschuldigen die hun onderneming in een rechtspersoon (B.V. of N.V.) hebben ondergebracht, zijn in loondienst van hun onderneming. Zij oefenen dus geen bedrijf of zelfstandig beroep uit. Mits de vermogens- en inkomenstoets dat toelaten, kunnen ook deze belastingschuldigen in aanmerking komen voor kwijtschelding.

 

Zakelijke belastingschulden

Voor zakelijke belastingschulden komen ondernemers uitsluitend voor kwijtschelding in aanmerking als de kwijtschelding wordt verleend in het kader van een akkoord met alle schuldeisers en er geen redelijke mogelijkheid aanwezig is om een derde aansprakelijk te stellen. Deze omstandigheid zal zich over het algemeen alleen voordoen bij een schuldsanering in het kader van uitstel van betaling bij een (naderend) faillissement. Daarom kan als hoofdregel gelden dat ondernemers voor zakelijke belastingschulden niet in aanmerking komen voor kwijtschelding. Als reden hiervoor wordt wel aangedragen dat kwijtschelding voor ondernemers als een verkapte overheidssubsidie kan worden gezien die de concurrentiepositie verstoort.

 

Artikel 5 Extra toegestane financi ë le middelen

In artikel 5 is geregeld dat bij verordening het bedrag aan financiële middelen dat niet wordt meegeteld bij de berekening van het vermogen (artikel 12, tweede lid, onderdeel d, Uitvoeringsregeling), wordt verhoogd. Bij de verhoging wordt onderscheid gemaakt naar de leefsituatie van de belastingschuldige:

  • Voor een belastingschuldige en zijn echtgenoot bedraagt de verhoging € 2.000 (artikel 2, onderdeel a);

  • Voor een belastingschuldige alleenstaande bedraagt de verhoging 75 procent van de verhoging die voor echtgenoten is gekozen (artikel 2, onderdeel b). Dit betekent dus dat de vermogensnorm voor een alleenstaande met € 1.500 verhoogd wordt. Reden hiervoor is dat de vermogensnorm die op dit moment bij de geautomatiseerde kwijtschelding wordt gehanteerd voor alleenstaanden € 2.174 bedraagt en voor echtgenoten € 2.8691. Daarmee bedraagt de hoogte van de vermogensnorm, bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling voor alleenstaanden ongeveer 75 procent van de vermogensnorm voor echtgenoten. Het ligt daarom in de rede om ook de verhoging van de vermogensnorm voor alleenstaanden op 75 procent te stellen van de verhoging die voor echtgenoten is gekozen.

  • Voor een belastingschuldige alleenstaande ouder bedraagt de verhoging 90 procent van de gekozen verhoging voor echtgenoten (artikel 2, onderdeel c). Reden hiervoor is dat de vermogensnorm die op dit moment voor de geautomatiseerde kwijtschelding wordt gehanteerd voor een alleenstaande ouder € 2.668 bedraagt en voor echtgenoten € 2.869. Daarmee bedraagt de hoogte van de vermogensnorm voor een alleenstaande ouder ongeveer 90 procent van de vermogensnorm die geldt voor echtgenoten. Het ligt daarom in de rede om ook de verhoging van de vermogensnorm voor een alleenstaande ouder op 90 procent te stellen van de verhoging die voor echtgenoten is gekozen.

Naar boven