Verordening jeugdhulp Land van Cuijk 2026

De raad van de gemeente Land van Cuijk;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 28 oktober 2025;

 

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1. derde lid van de Jeugdwet;

 

besluit:

 

  • 1.

    in te trekken de Verordening Jeugdhulp Land van Cuijk 2023;

  • 2.

    vast te stellen de navolgende verordening overeenkomstig de volgende bepalingen:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      Algemene voorziening: een aanbod van diensten of activiteiten dat toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers en dat is gericht op de jeugdige en/of zijn ouders;

    • b.

      Andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Wet;

    • c.

      Basishulp: een algemene voorziening in de vorm van (preventieve) hulp voor jeugd en volwassenen verleend door bijvoorbeeld het Centrum Jeugd en Gezin (CJG);

    • d.

      Beschikking: een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht afgegeven door een gemeente aan een jeugdige en/of zijn ouders, waarmee de jeugdige in aanmerking komt voor jeugdhulp;

    • e.

      Budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget (PGB) ontvangt op grond van de Wet;

    • f.

      Centrum Jeugd en Gezin: team van jeugdhulpprofessionals die gemandateerd zijn door het college om (preventieve) jeugd- en gezinshulp te bieden en/of een individuele voorziening in te zetten;

    • g.

      Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning voor informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

    • h.

      Eigen kracht: De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) zelf of met behulp van het sociale netwerk om te voorzien in of bij te dragen aan het oplossen van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Wanneer de draagkracht en de draaglast in balans is, is er sprake van eigen kracht.

    • i.

      Hulpverleningsplan: plan opgesteld door de jeugdhulpaanbieder en akkoord bevonden door de jeugdige en/of zijn ouders, waarin is beschreven op welke wijze de jeugdhulpaanbieder de voorziening(en) gaat uitvoeren en afgesproken resultaten wil bereiken;

    • j.

      Hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen;

    • k.

      Individuele voorziening: een op de jeugdige en/of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, door middel van een verwijzing van een wettelijke verwijzer of een beschikking van de consulent jeugd;

    • l.

      Onderzoeksverslag: het document waar het plan van aanpak een onderdeel van is, waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren;

    • m.

      Ouders: ouder(s)/verzorger(s) met gezag, adoptief ouder, stiefouder en anderen die het kind verzorgen en opvoeden als behorend tot het gezin;

    • n.

      Plan van aanpak: document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren;

    • o.

      PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1. van de Wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige en/of zijn ouders, dat het in staat stelt jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

    • p.

      Sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt;

    • q.

      Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1. van de Wet;

    • r.

      Verwijzing: een verwijzing van de huisarts, medisch specialist, jeugdarts, gecertificeerde instelling of een andere door gemeenten aangewezen verwijzer voor de toegang tot jeugdhulp;

    • s.

      Voorliggende voorziening: al hetgeen tegemoetkomt aan de hulpvraag, al dan niet wettelijk, en voorgaat op een verstrekking van de Wet;

    • t.

      Wet: Jeugdwet.

    • u.

      Zorg in natura: de ondersteuning of jeugdhulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente gecontracteerd zijn in het kader van de wet.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het besluit jeugdwet, regeling jeugdwet en algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3. Beschikbare algemene voorzieningen

  • 1.

    De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      lichte opvoedondersteuning;

    • b.

      informatie en advies;

    • c.

      jongerencentra;

    • d.

      cursussen en trainingen voor ouders en jeugdigen;

    • e.

      jeugdgezondheidszorg;

    • f.

      generalistische basishulp van het Centrum Jeugd en Gezin;

    • g.

      voorzieningen voor spoedeisende situaties;

    • h.

      kinderopvang en buitenschoolse opvang;

    • i.

      voorzieningen voor ontspanning, sport en bewegen.

  • 2.

    Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen

Paragraaf 1. Voorzieningen

Artikel 4. Beschikbare individuele voorzieningen

De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

  • a.

    consultatie en advies:

  • b.

    respijtzorg;

  • c.

    begeleiding;

  • d.

    daghulp;

  • e.

    orthopedagogische behandeling;

  • f.

    GGZ-behandeling;

  • g.

    dyslexiezorg;

  • h.

    specialistische intensieve netwerkondersteuning;

  • i.

    pleegzorg;

  • j.

    gezinsvervangende/gezinsgerichte zorg;

  • k.

    verblijf;

  • l.

    crisishulp;

  • m.

    vaktherapie;

  • n.

    gezinsopname;

  • o.

    medicatie consultatie.

Paragraaf 2. Toegang procedureel

Artikel 5. Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; Onderzoek en besluitvorming via gemeente

De Gemeente Land van Cuijk volgt het beoordelingskader van een stappenplan voor zorgvuldig onderzoek in de jeugdwet, volgens uitspraak van de Centrale Raad van Beroep bij beoordeling van een jeugdhulponderzoek.

 

5.1 Melding

5.1.1 Jeugdige en/of ouder(s) die op grond van artikel 1.1 van de jeugdwet onder de verantwoordelijkheid van het college vallen kunnen zich met een hulpvraag melden bij het college. Het college legt een mondelinge melding vast. Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) of diens wettelijke vertegenwoordiger daarbij tevens ondubbelzinnig verzoeken om een individuele voorziening, wordt dit aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

5.1.2 Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken, een onderzoek uit overeenkomstig 5.2 en 5.3 van dit artikel en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag lopende het onderzoek aanvullen of wijzigen.

5.1.3. Het college beslist op een aanvraag om een individuele voorziening binnen de in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn. Het college kan de beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

 

5.2 Vooronderzoek

5.2.1 Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie;

5.2.2 Voor het gesprek verschaffen de jeugdige en/of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken.

 

5.3 Onderzoek

5.3.1 Het college onderzoekt in een gesprek -waarbij de jeugdige en/of zijn ouders in staat zijn om een geldig legitimatiebewijs te tonen zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de verificatieplicht- tussen de consulent jeugd en de jeugdige en/of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

  • a.

    De behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;

  • b.

    Het college stelt vast of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen, zoals staat vermeld in artikel 2.3. van de Wet;

  • c.

    Het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

  • d.

    Het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouders om zelf met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

  • e.

    De mogelijkheden om gebruik te maken van een algemene of voorliggende voorziening;

  • f.

    De mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een individuele voorziening;

  • g.

    De wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

  • h.

    Hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezondheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouders;

  • i.

    De mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een PGB, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.

5.3.2 Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure, int indien nodig extern advies en vraagt hen toestemming om hun (bijzondere) persoonsgegevens te verwerken.

 

5.4 Onderzoeksverslag

5.4.1 Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek;

5.4.2 Zo spoedig mogelijk na het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige en/of zijn ouders een verslag van de samenvatting van het onderzoek en de conclusie daarvan, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen;

5.4.3 Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd.

5.4.4 Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en wordt deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.

 

5.5 Indienen aanvraag

5.5.1 Jeugdige en/of ouders kunnen een aanvraag voor een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld formulier.

5.5.2 Het college kan een ondertekend onderzoeksverslag aanmerken als aanvraag indien de jeugdige en/of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven.

5.5.3 Het ondertekende verslag, bedoeld in artikel 5.4 lid 4 maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.

5.5.4 Het college kan nadere regels stellen over de procedure voor de aanvraag.

Artikel 6. Criteria individuele voorzieningen (eigen kracht)

Jeugdigen en/of ouder komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen kracht, het sociale netwerk, aanspraak op aanvullende zorgverzekering en probleemoplossend vermogen of voorliggende / algemene voorzieningen. Voor de vraag of dat zo is, worden de volgende vragen getoetst voor de beantwoording hiervan:

  • a.

    Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden?

  • b.

    Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?

  • c.

    Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op?

  • d.

    Blijft de ouder de noodzakelijke hulp zonder vergoeding bieden? En zo ja, komt de opvoeder daardoor niet in de problemen?

6.1 (dreigende) Overbelasting:

De zorg voor een jeugdige kan dermate intensief en complex zijn dat sprake is van een situatie waarin de draaglast en/of de draagkracht van de ouder of verzorger structureel overstijgt. In een dergelijke situatie wordt gesproken van overbelasting. Dit betekent dat de belasting, voortvloeiend uit de zorg voor de jeugdige, niet meer in verhouding staat tot de fysieke, psychische, sociale en/of materiële mogelijkheden van de ouder of verzorger om deze zorg op een verantwoorde wijze te dragen.

 

Een disbalans tussen draagkracht en draaglast kan tevens ontstaan door andere relevante factoren, zoals een ziekte, aandoening of beperking van de ouder of verzorger. In alle gevallen dient zorgvuldig onderzocht te worden welke omstandigheden en factoren hebben geleid tot de overbelasting. Daarbij moeten zowel de aard en ernst van de klachten van overbelasting, als de gevolgen voor de ouder of verzorger én de impact op de kwaliteit en continuïteit van de zorg voor de jeugdige duidelijk worden vastgelegd.

 

Voor dit onderzoek en de beschrijving van de balans tussen draagkracht en draaglast maakt het college gebruik van het Balansmodel van Bakker, zoals ontwikkeld door het Nederlands Jeugdinstituut. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:

  • a.

    geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

  • b.

    een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of

  • c.

    overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • d.

    bij de beoordeling van 6.1.c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

  • e.

    de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

  • f.

    de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt;

  • g.

    de planbaarheid van de hulp;

  • h.

    de benodigde ondersteuningsintensiteit;

  • i.

    de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

  • j.

    de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.

6.2 Een indicatie bij (dreigende) overbelasting:

Voor zover een ouder of opvoedsituatie overbelast is of dreigt te raken, kan van hem of haar een verminderde bijdrage worden verwacht (eigen kracht), totdat de draagkracht en draaglast in balans is. De gemeente kan - in principe kortdurende - jeugdhulp inzetten wanneer hier sprake van is. Daarbij geldt het volgende:

 

  • a.

    De gemeente kan een medisch advies opvragen om te kunnen beoordelen of er sprake is van overbelasting.

  • b.

    Er moet een verband zijn tussen de overbelasting van de ouder en de zorg die de ouder aan de jeugdige biedt. Bijvoorbeeld: Bij overbelasting door een baan van te veel uren of als gevolg van ernstige spanningen op het werk, zal de oplossing gezocht moeten worden in de oorzaak van de spanning.

  • c.

    Wanneer er voor de ouder eigen mogelijkheden en/of algemene/collectieve/andere (voorliggende) voorzieningen zijn om de draaglast en draagkracht in balans te brengen, moeten deze eigen mogelijkheden en/of voorzieningen eerst worden ingezet.

  • d.

    Wanneer de overbelasting door bijvoorbeeld het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden verminderd, dan wordt dit ook van een ouder verwacht. Het kan dan gaan om zowel een tijdelijke herinrichting als een structurele herinrichting.

  • e.

    Er kan voor gekozen worden een indicatie toe te kennen, zodat ouder(s) de ruimte krijgen deze herinrichting te verwezenlijken. Dit gebeurd enkel wanneer dit noodzakelijk is om goede zorg voor het kind te garanderen.

  • f.

    Wanneer de indicatie verlopen is en een nieuwe aanvraag wordt gedaan, zal worden gekeken of en welke inzet door de ouder is gedaan om de overbelasting te verminderen. Wanneer hier geen inzet op gepleegd is door de ouder, wordt de voorziening vanuit de gemeente stop gezet. Tenzij het stopzetten van de indicatie grote nadelige gevolgen heeft voor het kind en er geen passend alternatief zorgaanbod op dat moment beschikbaar is.

  • g.

    Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door sociale maatschappelijke activiteiten, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het geven van hulp voor op die maatschappelijke activiteit.

Artikel 7. Toegang en besluit

  • 1.

    Het college legt de beslissing omtrent het al dan niet verlenen van een individuele voorziening vast in een beschikking;

  • 2.

    Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid van artikel 7 op grond van de aanvraag, evenals het onderzoek als bedoeld in artikel 5 van deze verordening;

  • 3.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende voorziening.

  • 4.

    Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 5.

    Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een PGB verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel al een contract- of subsidierelatie mee heeft.

  • 6.

    Van het tweede lid van artikel 7 kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden.

  • 7.

    Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot welke stappen de aanbieder dient te doorlopen bij deze beoordeling;

  • 8.

    De jeugdige en/of zijn ouders moeten zich binnen zes maanden na begindatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder. In het geval van een PGB dient de zorg te starten binnen zes maanden na de begindatum.

Artikel 8. Second opinion

De jeugdige en/of zijn ouders kunnen een second opinion aanvragen bij een andere medewerker van het Centrum voor Jeugd en Gezin, dan degene die direct betrokken is bij de behandeling van de betreffende hulpvraag. Het aanvragen van een second opinion kan ingediend worden voordat er een besluit is genomen en onverminderd de mogelijkheden van bezwaar en beroep.

Artikel 9. Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als PGB wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt;

  • 2.

    Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      de te verstrekken voorziening en het beoogde resultaat daarvan, de begin- en einddatum, de frequentie en het volume van de voorziening;

    • b.

      andere of algemene voorzieningen die relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een PGB wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      de te verstrekken voorziening en het beoogde resultaat daarvan;

    • b.

      andere of algemene voorzieningen die relevant zijn of kunnen zijn;

    • c.

      geldende kwaliteitseisen voor de besteding van het PGB;

    • d.

      hoogte van het PGB en hoe hiertoe is gekomen;

    • e.

      de begindatum, einddatum, de frequentie en het volume van de verstrekking waarvoor het PGB bedoeld is;

    • f.

      de wijze van verantwoording van het PGB;

    • g.

      indien van toepassing: de te betalen ouderbijdrage.

  • 4.

    Het ondertekende verslag, bedoeld in artikel 5, lid 4, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.

Artikel 10. Onderscheid formele en informele hulp

  • 1.

    Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e, 2e, 3e of 4e graad van de budgethouder:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een organisatie die ten aanzien van de voor het PGB uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (zoals bedoeld in artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het PGB uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (zoals bedoeld in artikel 5 Handelsregister 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

  • 2.

    Formele hulp uitgevoerd door personen zoals benoemd in artikel 9.1.a en 9.1.b, dienen altijd ingeschreven te staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1. van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (Stichting Kwaliteitsregister Jeugd).

  • 3.

    Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e, 2e, 3e of 4e graad van de budgethouder, is er altijd sprake van informele hulp.

  • 4.

    Indien de jeugdhulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a of b en lid 2 is er sprake van informele hulp.

Artikel 11. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

  • 1.

    Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:

    • a.

      beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie[. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis];

    • b.

      beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;

    • c.

      houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;

    • d.

      is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;

    • e.

      werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

    • f.

      voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;

    • g.

      stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);

    • h.

      stemt de hulp af op andere voorzieningen, algemene voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;

    • i.

      respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;

    • j.

      neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;

    • k.

      meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;

    • l.

      werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid;

    • m.

      is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.

  • 2.

    Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:

    • a.

      hetgeen is bepaald in artikel 8, eerste en tweede lid;

    • b.

      handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

    • c.

      werkt op basis van een hulpverleningsplan;

    • d.

      werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

    • e.

      hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

    • f.

      stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

  • 3.

    Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.

  • 4.

    Het college kan nadere regels stellen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een PGB wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;

  • 5.

    Bij het aanvragen van een PGB is aanvullend op de reguliere aanvraagprocedure ook een persoonlijk plan vereist.

Artikel 12. Hoogte PGB

  • 1.

    De hoogte van het PGB voor formele hulp bedraagt maximaal 100% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura. Het tarief is lager indien de passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht;

  • 2.

    De hoogte van het PGB voor informele hulp bedraagt:

    • a.

      voor persoonlijke verzorging: maximaal 25% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura;

    • b.

      voor begeleiding: maximaal 30% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura;

    • c.

      voor respijtzorg: maximaal 30% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura;

  • 3.

    Bij het bepalen van het volume voor het PGB voor informele hulp, kan er gebruik worden gemaakt van CIZ indicatiewijzer (toelichting op de beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014, zoals vastgesteld door het ministerie van VSW’).

  • 4.

    Hierbij mag het etmaal gecombineerd worden met het dagdeel respijtzorg.

  • 5.

    Het college kan nadere regels vast stellen ter uitvoering van bepalingen omtrent het PGB, zoals bedoeld in artikel 12.

Artikel 13. Kwaliteitseisen inzet informele hulp

Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:

  • a.

    beschikt over de juiste vaardigheden om verantwoorde hulp te bieden;

  • b.

    werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

  • c.

    voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;

  • d.

    stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);

  • e.

    stemt de hulp af op andere voorzieningen, algemene voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;

  • f.

    respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;

  • g.

    neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;

  • h.

    meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;

  • i.

    werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid;

  • j.

    is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.

Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik

Artikel 14. Herziening, intrekking en terugvordering

  • 1.

    Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot wijziging van een beslissing aangaande een individuele voorziening;

  • 2.

    Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige en/of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige en/of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende PGB zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening of het daarmee samenhangende PGB niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige en/of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het PGB;

    • e.

      de jeugdige en/of zijn ouders de individuele voorziening of het daarmee samenhangende PGB niet of voor en ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.

  • 3.

    Als het college een besluit op grond van het tweede lid onderdeel a. heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldwaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten PGB, tenzij dit de jeugdige en/of zijn ouders niet is aan te rekenen;

  • 4.

    Een besluit tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouders zich niet binnen zes maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder;

  • 5.

    Het college onderzoekt vanuit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de besteding van PGB’s.

Artikel 15. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s

  • 1.

    Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 2.

    Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.

  • 3.

    Het college kan het gebruik van pgb’s onderzoeken met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

Artikel 16. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik

  • 1.

    Het college informeert jeugdigen en ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.

  • 3.

    Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.

  • 4.

    Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet.

Hoofdstuk 5. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit

Artikel 17. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

  • c.

    een redelijke toeslag voor overheadkosten;

  • d.

    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

  • e.

    kosten voor bijscholing van het personeel;

  • f.

    de inspanningen gericht op innovatie van het aanbod.

Hoofdstuk 6. Gegevensverwerking en privacy

Artikel 18. Gegevensverwerking en privacy

  • 1.

    Bij het bieden van jeugdhulp worden persoonsgegevens verwerkt van de jeugdige zelf, maar ook evt. andere betrokkenen, zoals ouder(s) of voogd(en). De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) geeft hiervoor algemene regels. Daarnaast zijn in de Jeugdwet specifieke regels opgenomen over de verwerking van persoonsgegevens. Deze regels hebben voorrang op de regels van de AVG. Geeft de Jeugdwet geen regels, dan geldt de AVG.

  • 2.

    Het college is verwerkingsverantwoordelijke en is verplicht betrokkenen actief te informeren over de verwerking zijn persoonsgegevens en de rechten en plichten die daaruit voortvloeien.

Hoofdstuk 7. Vertrouwenspersoon, klachten en medezeggenschap

Artikel 19. Vertrouwenspersoon

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en/of zijn ouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

  • 2.

    Het college wijst jeugdigen en/of zijn ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Artikel 20. Klachtenregeling

Het college behandelt klachten van de jeugdige en/of zijn ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de bepalingen van de Klachtenverordening gemeente Land van Cuijk 2022. Dit betreft niet de klachten die betrekking hebben op de inhoud van het besluit.

Artikel 21. Inspraak en medezeggenschap

  • 1.

    Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 2.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 3.

    Het college kan nadere regels vast stellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 22. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 23. Overgangsrecht

  • 1.

    Een jeugdige of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp Land van Cuijk 2023, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening.

  • 2.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp Land van Cuijk 2023 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 3.

    Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van Verordening jeugdhulp Land van Cuijk 2023 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening jeugdhulp gemeente Land van Cuijk leidt tot een gunstiger uitkomst.

  • 4.

    Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van Verordening jeugdhulp Land van Cuijk 2023 te herzien:

    • a.

      op de gronden, vermeld in Verordening jeugdhulp Land van Cuijk 2023;

    • b.

      indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;

    • c.

      indien de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm.

  • 5.

    Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder de Verordening jeugdhulp Land van Cuijk 2023, terug te vorderen op de in deze verordening genoemde gronden.

Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening jeugdhulp Land van Cuijk 2026’.

Aldus besloten door de raad van de gemeente Land van Cuijk

in zijn openbare vergadering van 11 december 2025

De griffier,

De voorzitter,

Algemene toelichting

Verordening Jeugdhulp Land van Cuijk 2026

Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze Wet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Deze houdt kort gezegd in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet treffen als de jeugdige en/of zijn ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en omvang van deze voorzieningenplicht wordt in beginsel door de gemeente bepaald (maatwerk).

De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:

  • Over de door het college te verlenen algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen en individuele (niet-vrij toegankelijke) voorzieningen;

  • Met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

  • Over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;

  • Over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

  • Voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wet;

  • Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan.

Artikel 2.9. van de Wet is niet uitputtend geformuleerd en biedt derhalve ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet nog andere regels te stellen.

Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1. lid 3 van de Wet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2. van de Wet vaststelt. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.

 

Algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet-vrij toegankelijke) voorziening (eigen kracht)

Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten.

In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en/of zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige en/of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in artikel 3 en artikel 4.

Bij de beoordeling van een hulpvraag staat de inzet van eigen kracht en het gebruik van het sociaal netwerk voorop. Dit betekent dat eerst wordt gekeken of de jeugdige en/of zijn ouders de problemen zelf, of met hulp van hun omgeving, kunnen oplossen. Ook wordt beoordeeld of een algemene voorziening voldoende passend is. Pas wanneer dat niet toereikend blijkt, kan een individuele voorziening worden toegekend. Deze afwegingsstap volgt rechtstreeks uit de Jeugdwet en is in de verordening verankerd.

 

Toeleiding naar de niet-vrij toegankelijke jeugdhulp

De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten:

  • Via de gemeente;

  • Via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI);

  • Na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts;

  • Via Veilig Thuis (het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling: AMHK).

 

 

Toegang jeugdhulp via de gemeente

Een hulpvraag van een jeugdige en/of zijn ouder kan binnenkomen bij de consulent jeugd van de gemeente. De consulent jeugd zal onderzoeken of en zo ja, welke jeugdhulp er nodig is. Is een individuele voorziening nodig, dan geeft het college (dan wel een deskundige namens het college) daartoe een besluit af.

 

Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist

De Wet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist of jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening. Indien er sprake is van complexe en/of langdurige problematiek waarbij regie nodig is, wordt er gestreefd naar een overdracht naar het Centrum voor Jeugd en Gezin. Een huisarts, jeugdarts en/of medisch specialist kan enkel verwijzen naar een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder.

 

Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting

In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5. lid 1 van de Wet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI.

De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (artikel 2.4. lid 2 onderdeel b van de Wet). Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht.

In geval van een gecertificeerde instelling wordt ernaar gestreefd naar het afgeven van een bepaling jeugdhulp voor een gecontracteerde aanbieder.

 

Toegang via Veilig Thuis (het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: AMHK)

Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.

In crisissituaties is Spoedeisende Zorg (SEZ) gemachtigd om, buiten kantooruren van de gemeente om, passende jeugdhulp in te zetten. Er worden hierna zo snel mogelijk alsnog afspraken met het college gemaakt.

In geval van Veilig Thuis wordt ernaar gestreefd naar het afgeven van een bepaling jeugdhulp voor een gecontracteerde aanbieder.

 

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Lid 1 onderdeel b: andere voorziening

Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz).

Lid 1 onderdeel c: basishulp

Basishulp is een algemene voorziening en is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek. Een voorbeeld van basishulp is de ondersteuning die CJG biedt op een breed terrein aan jeugdigen en gezinnen die dat nodig hebben. Hoewel geen toegangsbeoordeling plaatsvindt, wordt binnen de voorziening beoordeeld of de geboden basishulp passend is.

Lid 1 onderdeel d: beschikking

Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting.

Lid 1 onderdeel e: budgethouder

De budgethouder is degene die op grond van de Wet een persoonsgebonden budget (PGB) ontvangt om daarmee jeugdhulp te kunnen inkopen. Aangezien zowel jeugdigen als ouders jeugdhulp kunnen krijgen, gaat het om de jeugdige en/of om zijn ouders.

Lid 1 onderdeel f: Centrum Jeugd en Gezin (CJG)

Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting.

Lid 1 onderdeel g: cliëntondersteuning

Cliëntondersteuning wordt omschreven als onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van: maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen en werk en inkomen.

Het gaat om informatie en advies geven aan mensen die voor een keuze, vraag of situatie staan die zodanig complex is dat de persoon het niet zelf of met zijn omgeving kan oplossen.

De cliëntondersteuning die door de gemeente wordt aangeboden is gratis. De jeugdige en/of zijn ouders kan er ook voor kiezen de ondersteuning zelf te organiseren. Als de jeugdige en/of zijn ouders zelf een professionele cliëntondersteuner inschakelt, hoeft de gemeente de kosten daarvan niet te vergoeden.

Lid 1 onderdeel h: Eigen kracht

Eigen kracht verwijst naar de mogelijkheden van jeugdigen, ouders en hun sociale netwerk om zelf problemen rondom opgroeien, opvoeden en psychische klachten te herkennen en aan te pakken. Het uitgangspunt is dat zij in eerste instantie zelf bijdragen aan het oplossen van problemen, voordat professionele hulp wordt ingeschakeld.

Een goede balans tussen draagkracht (de hulpbronnen en veerkracht) en draaglast (de zwaarte van de problemen) bepaalt of er sprake is van eigen kracht. Is deze balans aanwezig, dan kan het gezin zelf voldoende ondersteuning bieden; is dat niet het geval, dan is aanvullende hulp nodig.

Lid 1 onderdeel i: hulpverleningsplan

De jeugdhulpaanbieder maakt, voor zover dit nog niet is gebeurd, met en voor elke jeugdige duidelijke werkafspraken over de levering van de jeugdhulp, neergelegd in een hulpverleningsplan in het kader van 1 gezin 1 plan en zoals beschreven in de Wet. In de Overeenkomst jeugd NOB 2021 is nader beschreven welke bepalingen er gelden voor het hulpverleningsplan.

Lid 1 onderdeel j: hulpvraag

Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting.

Lid 1 onderdeel k: individuele voorziening

Een individuele voorziening is een op de jeugdige en/of zijn ouders van toegesneden vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk, er is een individuele beoordeling en ook een beschikking nodig.

Lid 1 onderdeel l: onderzoeksverslag

Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting.

Lid 1 onderdeel m: ouders

In deze verordening wordt gesproken over “de jeugdige en/of zijn ouders”. Onder “ouders” verstaan we in lijn met de Wet, artikel 1.1., de gezagdragende ouder(s) of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt.

Lid 1 onderdeel n: plan van aanpak

Het plan van aanpak is het resultaat van het onderzoek dat het college uitvoert naar de hulpvraag van jeugdigen en/of zijn ouders. Het plan beschrijft welke bijdragen het college, de hulpvrager en het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag.

Lid 1 onderdeel o: PGB

Een jeugdige en/of zijn ouders kan een individuele voorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met dit budget kan de jeugdige en/of zijn ouders zelf de benodigde hulp inkopen. Deze begripsomschrijving benadrukt dat het in deze verordening gaat om een persoonsgebonden budget dat verleend kan worden op grond van artikel 8.1.1. van de Wet.

 

 

Lid 1 onderdeel p: sociaal netwerk

Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging, etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Wet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving.

De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag, komt aan de orde bij onderzoek dat de gemeente of de door de gemeente gemandateerde instantie verricht als een jeugdige en/of ouder zich meldt met een ondersteuningsvraag.

Lid 1 onderdeel q: Veilig Thuis

In de Wet wordt het begrip ‘advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling’ gebruikt. Inmiddels is hiervoor de naam Veilig Thuis in gebruik. In deze verordening wordt daarom laatstgenoemde term gebruikt.

Lid 1 onderdeel r: verwijzing

Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting.

Lid 1 onderdeel s: voorliggende voorziening

Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting.

Lid 1 onderdeel t: Wet

In deze verordening wordt gesproken over “Wet”. Hiermee wordt de Jeugdwet bedoeld.

Lid 1 onderdeel u: zorg in natura

De zorg en ondersteuning die een jeugdige en/of zijn ouders ontvangt van een door de gemeente gecontracteerde zorgverlener.

 

 

 

Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen

Artikel 2. Toegang algemene voorzieningen

Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of zijn ouders. Het college geeft hiervoor dan ook geen beschikking af.

Het is wel mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat er een algemene voorziening aanwezig is die passend is. Dan kan het college daar naar verwijzen en de aanvraag voor de individuele voorziening dus afwijzen.

Het Centrum voor Jeugd en Gezin is een voorziening waarvan gebruik gemaakt kan worden zonder beschikking maar na onderzoek.

 

Artikel 3. Beschikbare algemene voorzieningen

Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9. onderdeel a van de Wet, waarin is bepaald dat het college regels stelt over de te verlenen algemene en individuele jeugdhulpvoorzieningen.

 

Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen

Paragraaf 1. Voorzieningen

Artikel 4. Beschikbare individuele voorzieningen

Zie de toelichting bij artikel 4 van deze verordening. Het college kan de in lid 1 genoemde voorzieningen nader uitwerken of specificeren.

 

Paragraaf 2. Toegang procedureel

Artikel 5. Aanvraag

Lid 1. Melding

Voor het verkrijgen van een individuele voorziening, geldt de in artikel 5 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde hulpvraag wordt , zoals beschreven staat in lid 3 van dit artikel, in een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders de gehele situatie bekeken en kan er bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een andere jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening.

Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de Wet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de Wet waar staat ‘het college’ kan het college deze bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb.

Jeugdigen en/of zijn ouders hebben onder de Wet geen wettelijk recht op jeugdhulp en geen individuele aanspraken op jeugdhulp. Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en/of zijn ouders op een zorgvuldige procedure. Deze verordening bevat een aantal bepalingen die dit moeten waarborgen. Hiermee kan ten onrechte de schijn worden gewekt dat het telkens om een uitvoerig, onnodig bureaucratisch proces gaat. Dit is echter geenszins de bedoeling. Zo kan het vooronderzoek (lid 2 van dit artikel), afhankelijk van de inhoud van de melding, meer of minder uitgebreid zijn. Er kan bovendien hiervan – en in bepaalde gevallen ook van het gesprek (lid 3 van dit artikel) – in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afgezien worden. Daartegenover staat dat, als dat nodig is, er ook sprake kan zijn van meerdere gesprekken. Als de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden. Komen een jeugdige en/of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente met een hulpvraag, dan zal een gesprek nodig zijn om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. Een vooronderzoek en gesprek zullen uiteindelijk vaak wel in enige vorm nodig zijn, omdat voor een zorgvuldig te nemen besluit het van belang is dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Ook andere bepalingen (schriftelijke verslaglegging (lid 4 van dit artikel) en schriftelijke indiening van de aanvraag (lid 5 van dit artikel) zijn opgenomen met het oog op een zorgvuldige en wettelijk bepaalde procedure.

In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet.

Lid 2. Vooronderzoek

Eerste lid: het eerste lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat jeugdigen en/of zijn ouders niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige en/of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen en/of in te zien. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek.

Tweede lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige en/of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige en/of zijn ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de verificatieplicht. Tevens kan worden beoordeeld of er sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van artikel 1.2. van de Wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze Wet te treffen.

Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid indien hiertoe zeer dringende of gegronde redenen zijn.

Lid 3. Onderzoek

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en/of zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders het een en ander wordt besproken. De locatie waar het gesprek plaatsvindt zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig kan er ook sprake zijn van meerdere gesprekken.

Doel van het gesprek of er recht is op een algemene en/of individuele voorziening en zo ja, het verhelderen hoe de algemene en/of individuele voorzieningen kunnen worden getroffen. Het gesprek moet zo spoedig mogelijk plaatsvinden.

Het gesprek betreft altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente bekend is, is het mogelijk dat een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Indien de jeugdige nog niet bekend is bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en/of zijn ouders en zijn situatie te krijgen.

Het onderzoek zal geschieden middels het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) 2017.

  • 1.

    Vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige en/ of ouders is;

  • 2.

    Vaststellen of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblematiek en/of psychische problemen en stoornissen. Deze zullen in kaart moeten worden gebracht;

  • 3.

    Vaststellen welke hulp naar aard en omvang nodig is om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

  • 4.

    Onderzoeken welke hulp er vanuit ouders en/ of sociale netwerk geboden kan worden;

  • 5.

    Indien nodig, het treffen van voorzieningen.

De verantwoordelijkheid voor de eigen kracht van de jeugdige en/of zijn ouders om te zorgen voor het gezond en veilig opgroeien van de jeugdige ligt allereerst bij de ouders en jeugdige zelf. Een te verstrekken voorziening kan nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/ of zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken.

Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel g valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de AWBZ of de Zvw en een voorziening op het gebied van passend onderwijs.

Het tweede lid dient ertoe ouders te informeren. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt via het door het college daartoe aangewezen bestuursorgaan, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen.

Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afzien van een gesprek als bedoeld in het eerste en tweede lid indien hiertoe zeer dringende of gegronde redenen zijn.

Lid 4. Onderzoeksverslag

De invulling van de verslagplicht is volgens de Wet vormvrij. De gemeente Land van Cuijk heeft ervoor gekozen te werken middels een onderzoeksverslag waarin de resultaten van het onderzoek en het plan van aanpak worden opgenomen. De cliënt wordt in de gelegenheid gesteld om op het onderzoeksverslag te reageren.

Lid 5. Indienen aanvraag

Een jeugdige en/of zijn gezaghebbende ouder(s)/verzorger(s) kunnen een aanvraag indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daar niet van af. Dat betekent in ieder geval dat – op grond van artikel 4:1 van de Awb – een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk moet worden ingediend bij het college.

Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het vierde lid de mogelijkheid opgenomen om een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend onderzoeksverslag als aanvraag aan te merken.

 

Artikel 6. Criteria individuele voorzieningen (eigen kracht)

Bij de beoordeling van een hulpvraag staat de inzet van eigen kracht en het gebruik van het sociaal netwerk voorop. Dit betekent dat eerst wordt gekeken of de jeugdige en/of zijn ouders de problemen zelf, of met hulp van hun omgeving, kunnen oplossen. Ook wordt beoordeeld of een algemene voorziening voldoende passend is. Pas wanneer dat niet toereikend blijkt, kan een individuele voorziening worden toegekend. Deze afwegingsstap volgt rechtstreeks uit de Jeugdwet en is in de verordening verankerd.

 

 

 

6.1 (dreigende) overbelasting

Soms is de zorg voor een kind of jongere zo zwaar en ingewikkeld dat het te veel wordt voor de ouder of verzorger. We spreken dan van (dreigende) overbelasting. Dat betekent dat wat er allemaal moet gebeuren, niet meer past bij wat de ouder of verzorger aankan – lichamelijk, mentaal, sociaal of financieel.

Die overbelasting kan komen doordat het kind veel zorg nodig heeft, maar ook door andere oorzaken. Bijvoorbeeld als een ouder zelf ziek is of een beperking heeft. Daarom is het belangrijk om goed te onderzoeken waarom de overbelasting ontstaat.

Voor dit onderzoek wordt gebruikgemaakt van het Balansmodel van Bakker, ontwikkeld door het Nederlands Jeugdinstituut. Dit model helpt om overzicht te krijgen van alles wat meeweegt in de situatie van het gezin. Het kan uit het onderzoek blijken dat de ouder of ouders niet in staat zijn om de nodige hulp te bieden. Als ouders (dreigen te) overbelasten, wordt ook gekeken of zij zelf iets kunnen doen om de situatie te verbeteren. Bijvoorbeeld door tijdelijk minder te gaan werken, hun werk anders in te delen, of andere maatschappelijke taken even te minderen.

 

6.2 Een indicatie bij (dreigende) overbelasting

Als een ouder overbelast is of dreigt overbelast te raken door de zorg voor zijn of haar kind, kan het zijn dat die ouder tijdelijk minder kan bijdragen aan de zorg (minder "eigen kracht" heeft). In dat geval kan de gemeente jeugdhulp inzetten, meestal voor een korte periode, om te zorgen dat de situatie weer in balans komt. Daarbij gelden een aantal regels zoals genoemd in artikel 6.2.

 

Artikel 7 Toegang en besluit

Lid 1 en 2

Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke individuele voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend of afgewezen middels een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders en de ingediende aanvraag.

Lid 3

In geval van een spoedeisende situatie wordt het besluit zo spoedig genomen door iemand die daartoe gemandateerd.

 

Lid 4

In artikel 2.6 lid 1 onderdeel van de Wet is geregeld dat, naast de gemeentelijke georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de mogelijkheid bestaat tot directe verwijzing door de huisarts, medische specialist of jeugdarts. Dit laatste geldt zowel voor de algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen als individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks wijzigen melden bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, gezinspsychiater of ortopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. De jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders daadwerkelijk de concrete vorm, volume, frequentie en duur van de benodigde hulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vorm.

Lid 5

Deze bepaling regelt wanneer de gemeente de kosten van jeugdhulp vergoedt bij een aanbieder zonder contract of subsidie. In principe vergoedt de gemeente alleen jeugdhulp van gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders, om kwaliteit, beschikbaarheid en doelmatigheid te waarborgen. Kiest een jeugdige en/of ouder toch voor een niet-gecontracteerde aanbieder, dan wordt vergoeding uitsluitend verleend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) en alleen als aan de pgb-voorwaarden is voldaan. Daarnaast geldt dat vergoeding alleen plaatsvindt wanneer vergelijkbare gecontracteerde zorg niet beschikbaar is. Het doel van deze bepaling is sturing te geven aan het gebruik van gecontracteerde zorg en grip te houden op kwaliteit en kosten.

Lid 6

De bedoeling van deze bepaling is om de reguliere, zorgvuldige werkwijze van onderzoek en besluitvorming te waarborgen. In principe wordt een besluit over jeugdhulp altijd genomen op basis van een aanvraag én het voorafgaande onderzoek (zoals geregeld in artikel 5). Dat zorgt ervoor dat de hulp doelgericht, rechtmatig en passend wordt ingezet.

 

In de praktijk kunnen zich echter situaties voordoen waarin van deze route moet worden afgeweken, bijvoorbeeld bij complexe gezinssituaties of acute hulpvragen die buiten de standaardprocedures vallen. In dat geval biedt dit lid het college de mogelijkheid om maatwerk te leveren, mits er vooraf schriftelijke toestemming is verleend voor de afwijking.

Deze schriftelijke toestemming fungeert als waarborg voor zorgvuldigheid en controle en voorkomt dat achteraf discussies ontstaan over de rechtmatigheid van verleende zorg.

Lid 7

Deze bepaling spreekt voor zich.

Lid 8

Dit lid stelt een duidelijke termijn waarbinnen jeugdhulp moet worden gestart, om te waarborgen dat de toegekende voorziening daadwerkelijk en tijdig tot uitvoering komt.

 

Artikel 8. Second opinion

In dit artikel is het recht van de burger op een second opinion bij weigering van een individuele voorziening neergelegd. Het betreft hier een second opinion voorafgaand aan de bezwaarprocedure.

 

Artikel 9 inhoud beschikking

Indien de jeugdige en/of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indienen (artikel 9), eerste lid, een beschikking afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen de jeugdige en/ of zijn ouders bezwaar en beroep op grand van de Awb kunnen indienen. Uitgangspunt van de Wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige en of zijn ouders bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een PGB.

Het eerste lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de Wet en de Awb en is hier opgenomen in het belang van burgers om hen in de verordening een zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Indien een jeugdige en/of zijn ouders in bezwaar en beroep willen gaan, hebben zij op grond van de Awb het recht op het indienen van een aanvraag, waarbij een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering geeft de burger op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep. Indien een beschikking te lang uitblijft, kan de gemeente hiervoor in gebreke worden gesteld en vervolgens, indien nodig, kan er in bezwaar en beroep worden gegaan.

Indien nodig kan er een nieuwe aanvraag worden ingediend voor een voorziening uiterlijk 8 weken voor het aflopen van de indicatie.

In de beschikking wordt alleen ter informatie opgenomen dat een ouderbijdrage is verschuldigd (derde lid, onderdeel g), indien dit van toepassing is. De vaststelling en inning geschiedt door het bestuursorgaan dat namens de gemeente met de inning is belast.

 

Artikel 10. Onderscheid formele en informele hulp

Voor de bepaling van het PGB-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere PGB-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van maximaal 30% van het hogere PGB-tarief.

Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staan van de in de Wet aangewezen inspecties. Tevens is een vereiste dat de hulpverlenereen BIG of SKJ-registratie heeft of onder supervisie werkt van een BIG of SKJ-geregistreerde mits taken aangepast worden naar dienstbevoegdheid. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e, 2e, 3e of 4e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen, ooms, tantes,(achter)neven, (achter)nichten, oudooms of oudtantes ). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e, 3e, of 4e graad, is er altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende PGB-tarief.

Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e, 3e of 4e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen.

 

Bloedverwanten

Bloedverwantschap ontstaat door:

  • Geboorte;

  • Afstamming van dezelfde voorvader;

  • Erkenning;

  • Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap

  • Adoptie

Bloedverwanten zijn in de:

1e graad:

  • (adoptie) ouders;

  • (adoptie) kinderen.

2e graad

  • Grootouders;

  • Kleinkinderen;

  • Broers en zussen.

3e graad

  • Ooms en tantes;

  • Overgrootouders;

  • Achterkleinkinderen;

  • Neven en nichten.

4e graad

  • Oudooms en oudtantes;

  • Achterneven en achternichten.

Artikel 11 Regels voor PGB

In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale PGB-artikel (8.1.1.) van de Wet. Dit lid is opgenomen teneinde in de verordening een compleet beeld van rechten en plichten van de cliënt te geven. In het eerste lid is verankerd dat het college op grond van artikel 8.1.1. van de Wet een PGB kan verstrekken. Als aan wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken (zie ook de tekst van artikel 8.1.1. eerste lid van de Wet “Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen …”). Voor gemeenten is onder meer van belang dat een PGB slechts wordt verstrekt indien de jeugdige en/of zijn ouders gemotiveerd kunnen aantonen dat de individuele voorziening die door een gecontracteerde aanbieder wordt geleverd, niet passend is (zie artikel 8.1.1. van de Wet, derde lid onder b).

Het tweede tot en met vierde lid berusten op artikel 2.9. onderdeel c van de Wet. In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een PGB wordt vastgesteld.

In het vierde lid staat vermeld dat een persoon aan wie een PGB wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Dit is enkel mogelijk indien:

  • a.

    vast staat dat deze hulpverlener in staat is tot het verrichten van de zorg op kwalitatieve, doelmatige en veilige wijze;

  • b.

    de ondersteuning aan de jeugdige en/of zijn ouders niet leidt tot overbelasting bij de persoon die deze jeugdhulp verleent;

  • c.

    er op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het PGB is uitgeoefend bij diens besluitvorming;

  • d.

    de geboden jeugdhulp niet leidt tot voor de jeugdige onveilige situaties;

  • e.

    dit is enkel mogelijk indien het gaat om:

    • -

      persoonlijke verzorging;

    • -

      Begeleiding basis;

    • -

      Respijtzorg.

  • f.

    het college de professionele hulp niet noodzakelijk acht.

 

Artikel 12. Hoogte PGB

In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een PGB wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de Wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. In deze verordening wordt het PGB-tarief voor informele hulp daarom vastgesteld op 30% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura (zie de toelichting bij lid 2).

Lid 1

In deze bepaling is het tarief vastgesteld oor formele jeugdhulp, die dus voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de Wet. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief.

 

Lid 2

Bij het inzetten van een PGB binnen het sociale netwerk, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In tegenstelling tot deze bepaling, hanteert de gemeente Land van Cuijk 30% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulpaanbieders als informeel PGB-tarief. De jeugdige en/of zijn ouders kunnen daarmee te allen tijde aan hun arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief op basis van het wettelijk minimumloon niet passend en kiezen daarvoor voor 30% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulpaanbieders.

Lid 3

De PGB-tarieven worden gelijk met de zorg in natura-tarieven geïndexeerd. Het indexpercentage is hetzelfde als voor de tarieven in natura.

Lid 4

De PGB-tarieven zijn opgenomen in de tarievenlijst jeugdhulp van het RIOZ. Op basis van deze bepaling kan het college nadere regels vaststellen over de hoogte van het PGB.

 

Artikel 13. Kwaliteitseisen inzet informele hulp

Hoewel informele hulp minder formeel georganiseerd is dan professionele zorg, stelt de gemeente met dit artikel duidelijke minimale eisen aan de kwaliteit van deze hulp. Dat is nodig om te waarborgen dat de jeugdige of zijn ouder(s) verantwoorde, veilige en passende ondersteuning ontvangen. De belangrijkste punten van deze bepaling zijn:

  • Vaardigheden en kwaliteit: De hulpverlener moet beschikken over de benodigde kennis en vaardigheden om goede jeugdhulp te bieden.

  • Doelgericht werken: Er moet gewerkt worden op basis van een plan met concrete doelen en activiteiten (zoals gebruikelijk in professionele zorg).

  • Afstemming en samenwerking: De hulp moet worden afgestemd op de persoonlijke situatie van de jeugdige en moet aansluiten bij andere vormen van hulp of ondersteuning die al worden ontvangen.

  • Veiligheid en privacy: De hulpverlener moet vertrouwelijk omgaan met persoonsgegevens en bij vermoedens van mishandeling of geweld contact opnemen met Veilig Thuis.

  • Toezicht en controle: Het college moet toezicht kunnen houden op zowel de kwaliteit van de geleverde hulp als de rechtmatigheid van de inzet van het PGB. Daarom moet de hulpverlener meewerken aan controles, ook onaangekondigd.

  • Overbelasting voorkomen: De hulpverlener mag, naar het oordeel van het college, niet overbelast zijn door het geven van de hulp. Dit is belangrijk voor de kwaliteit én veiligheid van de ondersteuning.

Met deze eisen voorkomt de gemeente misbruik van PGB’s en wordt de kwaliteit van informele hulp in lijn gebracht met de standaarden van professionele zorg. Tegelijkertijd blijft er ruimte voor maatwerk en eigen regie.

 

Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik

 

Artikel 14. Herziening, intrekking en terugvordering

Lid 1

Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2. lid 1 van de Wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige en/of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een PGB. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.

Lid 2

Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.

De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4. van de Wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte PGB’s. Hoewel de Wet enkel spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Dat is daarom expliciet benoemd in deze bepaling.

Verder breidt de verordeningsbepaling de herzienings/intrekkings-bevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een ‘kan’-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.

 

Lid 3

In de Wet is geregeld dat het college een PGB kan invorderen als dit herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige en/of zijn ouders (zie artikel 8.1.4. lid 3 van de Wet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.

Lid 4

Van een jeugdige en/of zijn ouders wordt verwacht dat ze binnen zes maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het PGB binnen zes manden gaan inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen jeugdigen en/of zijn ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de jeugdhulpvoorziening in te trekken. Er wordt dan niet voldaan aan de voorwaarden van de individuele voorziening (zie artikel 11 lid 2 onderdeel d van deze verordening).

Lid 5

Deze bepaling spreekt voor zich.

 

Artikel 15. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s

Het college moet overeenkomstig artikel 8.1.3 van de wet periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van de jeugdige, de ouders of een pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder.

 

Artikel 16. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik

 

Op grond van artikel 2.9. onderdeel d van de Wet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een PGB alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht.

Lid 1

Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht zie artikel 14 lid 1 van deze verordening). Of de regels rondom verantwoording van een PGB. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen.

Lid 2

De gemeente maakt duidelijke afspraken met organisaties die jeugdhulp leveren over: hoe er gefactureerd wordt, welke resultaten er verwacht worden en hoe er gecontroleerd wordt. Het doel is zorgen dat er alleen betaald wordt voor de juiste geleverde hulp, zoals afgesproken in het contract.

Lid 3

 

De gemeente spreekt met jeugdhulpaanbieders af dat ze bijhouden hoe lang hulptrajecten gemiddeld duren. Dit wordt gedaan tijdens de looptijd van het contract. Het doel hierbij is om beter inzicht krijgen in de duur van hulp, of deze in verhouding is tot het probleem, en of hulp niet onnodig doorgaat.

Lid 4

Spreekt voor zich.

 

 

 

Hoofdstuk 5. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit

 

Artikel 17. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen

Het college kan de uitvoering van de Wet door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11. lid 1 van de Wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Wet). Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.

Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering, worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is tenminste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

 

Hoofdstuk 6. Gegevensverwerking en privacy

 

Artikel 18. Gegevensverwerking en privacy

Om jeugdhulp te kunnen bieden zijn persoonsgegevens nodig. Van de jeugdige en eventueel ook van de ouders of voogd(en). De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) geeft algemene regels voor het verwerken van persoonsgegevens. De Wet geeft echter óók regels voor verwerking van persoonsgegevens. Dit zijn bijzondere regels die vóórgaan op de regels in de AVG. In situaties waarvoor de Wet géén regels geeft, gelden de regels uit de AVG.

Dit artikel verwijst naar de privacyregels van de Wet, de Awb en de AVG en stelt dat het college jeugdigen en/of ouders actief moet informeren over hoe er met de persoonsgegevens wordt omgegaan.

Hoofdstuk 7. Vertrouwenspersoon, klachten en medezeggenschap

Artikel 19. Vertrouwenspersoon

In artikel 2.6., eerste lid, onder f, van de Wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdhulp. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie.

De Wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de Wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit Jeugdwet) zal een nadere uitwerking worden gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon.

Voor een onafhankelijk vertrouwenspersoon kan een jeugdige en/of zijn ouders terecht bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ).

 

Artikel 20. Klachtenregeling

De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In Hoofdstuk 9 van de Awb is de klachtbehandeling uitvoering geregeld. Dit artikel is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven.

Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten jeugdige en/of zijn ouders zich richten tot de aanbieder/organisatie die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1. e.v. van de Wet.

 

Artikel 21. Inspraak en medezeggenschap

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Wet in samenhang met artikel 2.1.3. lid 3 van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid.

Lid 1

Deze bepaling verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als op andere terreinen.

Lid 2

Deze bepaling laat aan het college over om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

Lid 3

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 22. Hardheidsclausule

Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouders kan afwijken van de bepalingen in deze verordening. Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige en/of zijn ouders. Hierdoor is de hardheidsclausule een instrument voor het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden. Hierbij ligt de nadruk op bijzondere, onvoorziene gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Gaat het om het verlenen van individuele jeugdhulpvoorzieningen, dan verplicht artikel 2.3. van de Wet het college reeds maatwerk te verrichten. Gebruik van de hardheidsclausule zal daarom in dat opzicht niet snel aan de orde komen.

Bij toepassing van de hardheidsclausule moet het college uitgebreid motiveren waarom in de desbetreffende situatie van de verordening wordt afgeweken.

 

Artikel 23. Overgangsrecht

Het is noodzakelijk om duidelijke overgangsbepalingen vast te stellen voor met name de situatie dat er sprake is van:

  • -

    Een verstrekte voorziening op grond van een bepaling die niet meer geldend is;

  • -

    Een bezwaarschrift over een besluit dat betrekking heeft op een periode waar afwijkende regelgeving gold dan op het moment van indiening van het bezwaarschrift;

  • -

    Terugvordering.

Dat is met deze bepaling geregeld. Een besluit voor een verstrekte individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken. Bij aanvragen waarop nog geen besluit is genomen geldt deze verordening.

Bij de behandeling van een bezwaarschrift wordt de regelgeving toegepast die gold op het moment waarop het besluit is genomen c.q. de periode waarop de terugvordering betrekking heeft, tenzij heroverweging op basis van de nieuw vastgestelde verordening leidt tot een gunstiger resultaat voor de bezwaarmaker of geadresseerde van het terugvorderingsbesluit.

 

Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel spreekt voor zich.

 

 

Naar boven