Gemeenteblad van Stede Broec
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Stede Broec | Gemeenteblad 2025, 562507 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Stede Broec | Gemeenteblad 2025, 562507 | beleidsregel |
Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Stede Broec 2026
Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Stede Broec tot vaststelling van de Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Stede Broec 2026.
gelezen het advies van de Burgemeester en wethouders van de gemeente Stede Broec van d.d. 9 december 2025;
gelet op artikel 35 en 36 Participatiewet;
bijzondere bijstand verstrekt aan inwoners met een inkomen en vermogen rond bijstandsniveau;
inwoners ondersteunt om in de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien;
het nodig is om vast te stellen in welke gevallen bijzondere bijstand kan worden verleend;
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
Eerstegraads familielid: Een eerstegraads familielid is een directe bloedverwant of partner. Dit omvat ouders, kinderen, en partners (echtgenoot/echtgenote, geregistreerd partner of samenwonende partner). Ook schoonouders, schoonzonen en schoondochters vallen onder de eerstegraads familieleden, evenals adoptie- en stiefouders en –kinderen;
Student: de persoon die onderwijs volgt waarvoor hij op enig moment tijdens dat onderwijs in aanmerking kan komen voor studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of de persoon die een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg volgt;
Artikel 3 Voorliggende voorziening
Er bestaat geen recht op bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, zoals omschreven in artikel 15 van de Participatiewet. Het gaat dan om een voorziening die, gezien haar aard en doel wordt geacht toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
Artikel 6 Duur bijstandsverlening
Periodieke bijzondere bijstand wordt in principe toegekend voor de periode van maximaal 12 maanden.
Artikel 8 Bijstand met terugwerkende kracht
Voor de kosten van bewindvoering, mentorschap, curatele, griffiekosten, advocaatkosten en reiskosten naar taalles voor het inburgeringsdiploma zoals in deze beleidsregel staat beschreven is bijzondere bijstand met terugwerkende kracht tot maximaal drie maanden standaard mogelijk. Het is daarbij niet van belang of deze kosten al zijn voldaan.
Het college maakt geen gebruik van een drempelbedrag zoals genoemd in artikel 35 lid 2 Participatiewet.
Artikel 10 Bestedingsverplichting
Bijzondere bijstand dient te worden besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt. Het college kan dit controleren aan de hand van betaalbewijzen. Belanghebbende dient de bewijsstukken te bewaren tot drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de bijdrage is verstrekt. Indien blijkt dat de bijdrage niet doelmatig of overeenkomstig de voorwaarden is besteed, kan het college overgaan tot gehele of gedeeltelijke terugvordering.
Voor een aantal kostensoorten is het noodzakelijk om een medisch advies op te vragen bij de door de gemeente gecontracteerde partij om de noodzaak of de frequentie dan wel hoogte van de kosten vast te kunnen stellen. Een medisch advies wordt enkel opgevraagd wanneer de noodzaak, hoogte of frequentie van de kosten niet op een andere manier vast te stellen is.
Indien de bijstand onterecht of onrechtmatig is verstrekt wordt in beginsel teruggevorderd, overeenkomstig paragraaf 6.4 van de Participatiewet.
Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand is het van belang dat onderstaande volgorde wordt aangehouden nadat is vastgesteld dat er geen voorliggende voorziening aanwezig is.
Komen de kosten voort uit bijzondere omstandigheden?
Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Het ontbreken van (voldoende) reserveringsruimte, in verband met de verplichte aflossing van schulden, is geen bijzondere omstandigheid op zich.
Kunnen de kosten worden betaald uit het inkomen en/of het vermogen van de aanvrager?
Kunnen de kosten (deels) worden voldaan uit het inkomen en vermogen. In beginsel geldt dat de algemene bijstandsnorm toereikend is. Deze norm is immers bedoeld voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan inclusief een component reservering.
Draagkracht is dat deel van het inkomen en vermogen boven de inkomens- en vermogensgrens. Met de draagkracht dient belanghebbende (deels) zelf in de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd te voorzien.
3.1 In aanmerking te nemen middelen
De voor de draagkracht in aanmerking te nemen middelen bestaan uit:
Het in aanmerking te nemen inkomen
Het college hanteert, voor de beoordeling van bijzondere bijstand, dezelfde inkomensbronnen als de algemene bijstand. Dat betekent dat het inkomen gelijk is aan het totaal van alle netto inkomsten waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is vastgelegd in artikelen 31 t/m 33 Participatiewet. Uitzondering hierop zijn artikel 31 lid 2 onder M en artikel 31 lid 2 onder O. Giften worden voor de bijzondere bijstand wel aangemerkt als inkomen. Daarnaast wordt de eenmalige energietoeslag niet vrijgelaten. Verondersteld wordt dat deze inmiddels is besteed aan de energiekosten.
De Inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt niet aangemerkt als inkomen. Dit omdat de hoogte pas achteraf kan worden vastgesteld en vooraf niet kan worden vastgesteld of het drempelbedrag wordt gehaald.
Het college rekent met het netto inkomen inclusief vakantietoeslag per maand. Bij een wisselend inkomen wordt er gerekend met het gemiddelde inkomen over de afgelopen drie maanden, tenzij een langere periode gerechtvaardigd is.
Het inkomen boven 110% van de bijstandsnorm wordt volledig in aanmerking genomen als draagkracht.
De verlaging van de hoogte van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 27 Participatiewet bedraagt;
20% van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonlasten zijn verbonden.
20% van de gehuwdennorm wanneer geen woning wordt bewoond, ook wanneer hierbij gebruik wordt gemaakt van kortdurende opvang van een zorgaanbieder (bijvoorbeeld het Leger des Heils).
10% van de gehuwdennorm wanneer er geen huur of hypotheek wordt betaald maar er wel andere woonlasten zijn zoals gas, energie, licht, water en gemeentebelastingen.
Voor de verlagingen wordt eveneens gerekend met de van gehuwdennorm bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.
Bovenstaande verlagingen worden niet toegepast wanneer er sprake is van een kostendelersnorm als gesteld in artikel 19a en 22a Participatiewet.
Bij de berekening van de draagkracht in het kader van bijzondere bijstand kan het college alleen rekening houden met de middelen waarover een belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken. Dat betekent dat de middelen waarover een belanghebbende vanwege een uitgesproken schuldsaneringsregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) niet feitelijk kan beschikken, niet kunnen worden meegenomen in een draagkrachtberekening bij een aanvraag om bijzondere bijstand.
Als de WSNP van toepassing is, dan kan een belanghebbende alleen daadwerkelijk beschikken over de middelen die buiten de boedel vallen. Met betrekking tot betalingen aan belanghebbende hanteert de CRvB het uitgangspunt dat deze alleen buiten de boedel vallen voor zover die op grond van artikel 295 lid 2 Fw buiten de boedel worden gelaten. Het gaat dan om het vtlb. Het vrij te laten bedrag bestaat uit de beslagvrije voet en verhogingen daarvan op grond van het vtlb-rapport. Voor de berekening van de hoogte van de draagkracht wordt het vtlb-rapport opgevraagd. Bij het bepalen van de draagkracht van een belanghebbende die deelneemt aan een minnelijke schuldregeling wordt aansluiting gezocht bij de bepaling van de draagkracht van een belanghebbende in de WSNP.
3.1 Het in aanmerking te nemen vermogen
Vermogen is de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken verminderd met de aanwezige schulden. Bij het vaststellen van het vermogen en de beoordeling welke vermogensbestandsdelen worden meegenomen wordt de Participatiewet gevolgd. Het vermogen mag niet meer zijn dan de hoogte zoals die geldt voor de algemene bijstand zoals vastgelegd in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet. Vermogen boven deze grens wordt als draagkracht aangemerkt.
Een bijstandsgerechtigde mag van zijn uitkering sparen zonder dat dit consequenties heeft voor zijn uitkering voor levensonderhoud. Middels artikel 34 lid 2 onder c van de Participatiewet wordt spaargeld dat opgebouwd is tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen vrijgesteld. De vrijstelling geldt enkel voor de algemene bijstand en niet voor de bijzondere bijstand.
De draagkrachtperiode wordt vastgesteld voor de duur van 12 maanden. Gedurende de draagkrachtperiode wordt de vastgestelde draagkracht in mindering gebracht op de voor bijzondere bijstand in aanmerking komende kosten. De periode waarover de draagkracht geldt begint op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere bijstandsaanvraag wordt ingediend. Dit geldt ook indien de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht is toegekend. Indien er sprake is van een lopende draagkrachtperiode wordt de nieuwe draagkrachtperiode aansluitend vastgesteld. Indien de situatie hiertoe aanleiding geeft kan bij uitzondering ervoor gekozen worden om de draagkrachtperiode korter vast te stellen.
3.4 Wijziging draagkrachtperiode
In het belang van de rechtszekerheid en de uitvoeringspraktijk geldt als uitgangspunt dat de draagkracht in beginsel voor de vastgestelde draagkrachtperiode definitief is. Een eenmaal vastgestelde draagkracht wordt in beginsel niet meer aangepast.
Slechts bij gewijzigde omstandigheden waardoor de draagkracht uit inkomen met meer dan € 100,- per maand is gewijzigd, zowel naar boven als naar beneden, wordt de draagkracht opnieuw vastgesteld. De draagkrachtberekening wordt opnieuw uitgevoerd, waarbij men rekent vanaf de datum van inkomenswijziging tot en met het einde van de draagkrachtperiode zoals bij originele beschikking is vastgesteld. Wanneer blijkt dat men geen recht meer zou hebben op bijzondere bijstand, wordt deze ingetrokken dan wel beëindigd vanaf datum wijziging inkomen.
Bij het aanvaarden van regulier werk vanuit een uitkeringssituatie wordt de draagkrachtberekening niet gewijzigd gedurende de resterende draagkrachtperiode. Dit draagt bij aan het tegengaan van de armoedeval en bevordert de uitstroom naar regulier werk.
Bij een verandering in het vermogen wordt de draagkracht enkel gewijzigd wanneer deze verandering voortkomt uit bijzondere omstandigheden, zoals het ontvangen van een erfenis of geldprijs.
Hoofdstuk 4 Kosten voor kinderen (tot 18 jaar)
In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan een aantal kostensoorten van ten laste komende kinderen van belanghebbenden en de mogelijkheden om hiervoor bijzondere bijstand te verlenen. Enkele veelvoorkomende kostensoorten worden hieronder omschreven.
4.1 Babyuitzet en kosten na de geboorte van een kind
Er kunnen bijzondere omstandigheden zich voordoen waardoor belanghebbende niet (voldoende) heeft kunnen reserveren voor de babyuitzet. Bij bijzondere omstandigheden kan onder andere gedacht worden aan:
4.3 Reiskosten kind naar nieuwkomersklas voortgezet onderwijs
Als kinderen vanuit het buitenland nog niet zolang in Nederland wonen, kan het noodzakelijk zijn dat deze kinderen naar school in Hoorn gaan voor een speciaal taalaanbod. Dit is vaak het geval bij kinderen van vergunninghouders. Zij dienen eerst de taal te leren voordat zij reguliere lessen kunnen volgen aan een middelbare school. Het college acht het noodzakelijk om bijzondere bijstand voor deze reiskosten te verstrekken. Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor deze reiskosten tot het moment dat het taaltraject is afgerond en zij reguliere lessen kunnen volgen bij een school in de buurt, bijvoorbeeld de RSG, het Martinuscollege, Vonk of de Praktijkschool WF.
Afstanden tot 10 km worden geacht per fiets overbrugd te kunnen worden.
4.4 Eigen bijdrage kosten kinderopvang
Voor de kosten van kinderopvang wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de voorliggende voorzieningen, zoals de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko). De kinderopvangtoeslag is één toeslag die centraal wordt uitgekeerd door de Belastingdienst. Deze toeslag is afhankelijk van het inkomen van de ouder en diens eventuele partner.
Het college is bevoegd om een tegemoetkoming als aanvulling op de kinderopvangtoeslag te verstrekken voor de drie zogenaamde KOA-doelgroepen:
De ouders in een re-integratietraject die een uitkering ontvangen op grond van de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ komen bij WerkSaam in aanmerking voor de aanvulling (eigen bijdrage) in de kosten van kinderopvang.
De bijzondere bijstand is een aanvulling op de Kinderopvangtoeslag die de ouder van de Belastingdienst ontvangt. De bijzondere bijstand en de Kinderopvangtoeslag samen bedragen niet meer dan de maximale kosten van de kinderopvang als bedoeld in de Wet Kinderopvang. Dit betekent dat de kosten die boven de maximale uur prijs zoals genoemd in artikel 4 Besluit Kinderopvangtoeslag uitkomen niet voor vergoeding in aanmerking komen. De ouder dient er zelf zorg voor te dragen dat de meest goedkope en adequate voorziening wordt gekozen. Ook wordt er niet meer verstrekt dan het maximaal aantal uren zoals genoemd in artikel 8a Besluit Kinderopvangtoeslag.
Voor medische kosten kan iedereen zich verzekeren met een zorgverzekering. De Zorgverzekeringswet stelt vast of kosten noodzakelijk zijn, of er een vergoeding wordt verstrekt voor deze kosten en hoeveel deze vergoeding bedraagt. De Zorgverzekeringswet is voorliggend aan de Participatiewet conform artikel 15 Participatiewet.
De volgende kosten komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand:
Bovenstaande kosten zijn algemene kosten van het bestaan en komen daarom niet in aanmerking voor verlening van bijzondere bijstand.
De gemeente gaat ervan uit dat inwoners zich adequaat verzekeren. Dit houdt in dat naast de basisverzekering in ieder geval een aanvullende verzekering wordt afgesloten als inwoners incidentele medische kosten niet kunnen betalen.
Wanneer bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor kosten die met een aanvullende zorgverzekering (gedeeltelijk) vergoed zouden worden, dan wordt conform artikel 15 Participatiewet in principe geen bijzondere bijstand verleend voor deze kosten.
5.1 Eigen bijdrage Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
Voor Wmo voorzieningen moet een eigen bijdrage worden betaald aan het CAK. De wetgever heeft een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak tot vergoeding van de kosten voor de eigen bijdrage, waardoor deze is aan te merken als een- in beginsel - aan de Participatiewet voorliggende, toereikende en passende voorziening. Omdat nu een vaste maximale eigen bijdrage geldt blijft de zorg financieel toegankelijk; ook voor mensen die zorg uit meerdere domeinen ontvangen en geconfronteerd worden met meerdere eigen bijdragen. Vanaf 2020 wordt vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning geen eigen bijdrage geïnd bij inwoners met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm.
5.3 Eigen bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw)
Voor sommige zorgkosten uit het basispakket van de zorgverzekering moet de verzekerde een eigen bijdrage betalen (artikelen 2.30 t/m 2.37 Regeling Zorgverzekeringswet). Dit kan een vast bedrag zijn, een percentage van de kosten of een bijbetaling. De eigen bijdrage geldt bijvoorbeeld voor kraamzorg en hoortoestellen.
Zowel eigen bijdragen als het eigen risico op grond van de Zvw komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. De Zorgverzekeringswet en de Wlz zijn voor de kosten van (para) medische zorg een passende en toereikende voorliggende voorziening, artikel 15 Participatiewet.
Voor de kosten van de maaltijdvoorziening kan bijzondere bijstand worden verstrekt indien belanghebbende niet of niet volledig in staat is de (warme) maaltijden zelf te bereiden. De bijzondere bijstand bedraagt dat gedeelte van de kosten die uitkomen boven de kosten die belanghebbende zou hebben indien zelf de maaltijden worden bereid. De kosten van de maaltijden zijn opgenomen in de Nibud prijzengids.
Hier gaat hierbij niet om dieetkosten. Hiervoor is er een voorliggende voorziening, namelijk de Belastingdienst.
5.5 Bewassing en slijtagekosten
Ten aanzien van de kosten van bewassing en kleding- of beddengoedslijtage, geldt dat deze in beginsel geacht worden uit een inkomen ter hoogte van de norm te kunnen worden voldaan. Het is mogelijk dat ouderen, zieken of gehandicapten hieraan beduidend hogere kosten hebben door een noodzakelijk hoger gebruik dan gemiddeld. In dat geval kan bijzondere bijstand verleend worden voor de meerkosten. De bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de bedragen uit de NIBUD-Prijzengids.
Met een personenalarm voor thuis (personenalarmering) kan belanghebbende in een noodgeval verbinding maken met directe hulp of een meldkamer.
De kosten van personenalarmering, zoals de aansluitkosten en het abonnement, komen voor bijzondere bijstand in aanmerking wanneer de noodzaak is aangetoond. Er kan geen bijzondere bijstand worden verstrekt voor kosten die via de zorgverzekering zouden kunnen worden vergoed.
Hoofdstuk 6 Collectieve zorgverzekering
De gemeente Stede Broec heeft een collectieve zorgverzekering bij Univé afgesloten voor haar inwoners met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm. Er geldt geen vermogensgrens voor deelname aan de verzekering. Het aanbod bestaat uit het pakket Compleet en het pakket Compact. De collectieve zorgverzekering wordt aangevraagd via www.gezondverzekerd.nl.
Het college verleent op basis van artikel 35 lid 3 Participatiewet categoriale bijzondere bijstand
in de vorm van een premiebijdrage voor de gemeentelijke collectieve zorgverzekering. Inwoners met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm krijgen maandelijks € 10,00 categoriale bijzondere bijstand voor het pakket ‘compleet’.
De gemeente betaalt de bijzondere bijstand rechtstreeks aan Univé. De inkomensgrens van de Participatiewet geldt voor de collectieve zorgverzekering. Wanneer bij (her-)controle blijkt dat het inkomen boven de 120% bijstandsnorm is gestegen, wordt de deelname aan de collectieve zorgverzekering per 31 december van het betreffende jaar beëindigd.
Als gebruik wordt gemaakt van de diensten van een advocaat, moet daarvoor worden betaald. Soms komen daar ook nog andere kosten bij zoals griffierecht. Uit vaste jurisprudentie van de CRvB blijkt dat de noodzaak voor het verlenen van rechtsbijstand en het maken van kosten van griffierecht in beginsel kan worden aangenomen indien op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend. Indien een toevoeging is afgegeven door de raad voor rechtsbijstand neemt het college de noodzaak van de kosten in beginsel aan.
Hoofdstuk 8 Structurele kosten financiële ondersteuning
8.1 Bewindvoering, curatele en mentorschap
Voor bewindvoering, curatele en mentorschap geldt dat de noodzaak van de kosten daarvan als vaststaand moet worden beschouwd, als de rechter belanghebbende onder bewind c.q. curatele geplaatst heeft dan wel een mentor heeft benoemd. Het college kan in deze geen eigen afweging meer maken. Voor zover belanghebbende de kosten niet uit eigen middelen kan betalen, kan bijzondere bijstand worden verleend. Het college kan bij twijfel een onderzoek instellen om te verifiëren of de werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd daadwerkelijk zijn gemaakt.
Kosten voor bewindvoering, mentorschap en curatorschap kunnen tot maximaal drie maanden na datum beschikking van de rechtbank voor bijzondere bijstand worden ingediend. Een verlengingsaanvraag kan met terugwerkende kracht worden toegekend aansluitend op de vorige toekenningsperiode, mits deze binnen drie maanden na het aflopen van de vorige toekenningsperiode is ingediend;
Tevens komen de griffiekosten in aanmerking voor bijzondere bijstand. Deze kunnen met terugwerkende kracht worden toegekend met de eerste nota voor bewindvoering, mentorschap of curatorschap, mits deze binnen 3 maanden na datum beschikking van de rechtbank bij de aanvraag voor bijzondere bijstand is ingediend. Het is hierbij niet van belang of de kosten al zijn voldaan.
Kosten die direct door de bank bij de belanghebbende in rekening worden gebracht door een extra noodzakelijke betaalrekening die nodig is voor het noodzakelijke beschermingsbewind, kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Deze kosten zijn noodzakelijke kosten voortvloeiend uit bijzondere omstandigheden en moeten apart vergoed te worden, zelfs als er een vast bedrag voor bankkosten door de bewindvoerder wordt gerekend.
Op grond van de vaste rechtspraak staat bij beschermingsbewind en mentorschap de noodzakelijkheid van de kosten vast zodra de kantonrechter de onderbewindstelling en het mentorschap uitspreekt en de tarieven vaststelt. Het college kan daarom in beginsel niet besluiten om slechts de kosten te vergoeden die gelijk zijn aan een zogenoemd ‘gecombineerd tarief’ als de belanghebbende twee verschillende instanties heeft voor bewindvoering en mentorschap.
8.2 Budgetcoaching en budgetbeheer
De door de gemeente gratis aangeboden budgetcoaching en budgetbeheer kunnen worden aangemerkt als een passende en toereikende voorliggende voorziening. Dit betekent dat aanvragen voor bijzondere bijstand voor dezelfde diensten bij particuliere instellingen kunnen worden afgewezen op grond van artikel 15 lid 1 Participatiewet.
Incidentele reiskosten in verband met bezoek van een ziek familielid dienen in beginsel te worden voldaan uit een inkomen op bijstandsniveau. Het gaat hierbij om een eerstegraads familielid. Bijstandsverlening voor reiskosten in verband met bezoek aan een ziek familielid is mogelijk indien de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Er wordt hierbij geen rekening gehouden met de eventuele teruggave voor deze kosten vanuit de Belastingdienst.
Reiskosten in het kader van een omgangsregeling (na echtscheiding) dienen te worden gedragen door de met zorg belaste ouder. Blijft deze in gebreke, dan nog is de verlening van bijzondere bijstand voor deze kosten niet aan de orde. Het is aan de ouders / verzorgers om hiervoor een oplossing te vinden.
Hoofdstuk 10 Vergunninghouders
Wanneer vergunninghouders vanuit het Asiel zoekers centrum (AZC) in onze gemeente komen wonen moeten zij verschillende kosten maken. Hieronder staan de mogelijkheden voor bijzondere bijstand voor vergunninghouders voor veel voorkomende kostensoorten.
Een fiets behoort tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan. Dit betekent dat deze kosten uit het inkomen dienen te worden voldaan. Met de aanschaf van een fiets is een vergunninghouder in onze gemeente in staat om sociale contacten te onderhouden, boodschappen te halen, met vriendjes te spelen, naar school te gaan en naar de het treinstation te fietsen om zo naar Hoorn te kunnen gaan voor de inburgeringscursus. Daarom wordt voor vergunninghouders een fiets bij de eerste vestiging vanuit het AZC verstrekt. Omdat de aflossingsruimte reeds is benut voor het aflossen van de lening voor inrichtingskosten, kan bijzondere bijstand om niet worden verstrekt.
Omdat fietsen vaak tweedehands kunnen worden verkregen bedraagt de hoogte van de bijzondere bijstand maximaal 50% van de prijzen zoals genoemd in de NIBUD. De fiets kan worden verstrekt aan personen vanaf 4 jaar oud.
10.3 Reiskosten inburgering les en examen
Iedereen die inburgeringsplichtig is, moet het inburgeringsexamen doen.
Het college vindt het noodzakelijk dat inburgeraars het inburgeringsdiploma halen. Derhalve kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor reiskosten naar taalschool. Het gaat hierbij om taallessen die noodzakelijk zijn om het inburgeringsdiploma te halen. WerkSaam stelt in het PIP vast welke scholing wenselijk is voor de vergunninghouder. Reiskosten naar deze scholing komen voor bijzondere bijstand in aanmerking.
De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de goedkoopst mogelijke manier van vervoer. Dit kan zijn met de auto of het openbaar vervoer.
Wanneer belanghebbende binnen een straal van 10 KM van de onderwijsinstelling woont kan worden aangenomen dat belanghebbende op de fiets naar school toe kan, tenzij belanghebbende aantoont hier niet toe in staat te zijn.
Reiskosten voor de noodzakelijke (her)examens komen ook voor bijzondere bijstand in aanmerking. Hieronder wordt verstaan de reguliere examens die nodig zijn om het inburgeringsdiploma te halen en eenmaal een herkansing voor elk afzonderlijk examen. Door lange wachttijden kan het zijn dat de inburgeraar niet terecht kan bij de dichtstbijzijnde examenlocatie maar naar een locatie verderop. Hiervoor is bijzondere bijstand mogelijk.
10.4 Reiskosten maatschappelijke begeleiding
Vergunninghouders die in de gemeente komen wonen krijgen gedurende het eerste jaar maatschappelijke begeleiding. De maatschappelijke begeleiding is gevestigd in Hoorn. Omdat de maatschappelijke begeleiding eerder start dan de taalschool kan er bijzondere bijstand worden verstrekt voor twee keer een retourreis naar Hoorn.
Voor het volgen van de inburgeringscursus is een computer noodzakelijk. Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor een computer. Per volwassene kan er een bijdrage voor een computer worden verstrekt. Een computer wordt eenmalig verstrekt aan volwassen vergunninghouders die een inburgeringscursus volgen indien noodzakelijk voor het volgen van de cursus. Voor het te verstrekken bedrag, declaratie e.d. wordt aangesloten bij de computerregeling voor kinderen. Deze vergoeding is aanvullend op de reeds bestaande computerregelingen voor kinderen. Daardoor kan er per gezin recht zijn op meerdere computers. Van volwassenen op één postadres wordt verwacht dat zij een computer kunnen delen.
Hoofdstuk 11 Incidentele woonkosten
Woonkosten zijn incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De kosten worden geacht door belanghebbende uit een inkomen ter hoogte van de norm te kunnen worden voldaan, door middel van reserveringen of gespreide betaling achteraf. Verlening van bijzondere bijstand voor incidentele woonkosten is in beginsel alleen aan de orde wanneer de verhuizing niet voorzienbaar was en belanghebbende vanwege bijzondere omstandigheden niet heeft kunnen reserveren voor betreffende kosten. Bijzondere bijstand kan alleen worden verstrekt indien er sprake is van een noodzakelijke verhuizing.
Voorafgaand aan de verstrekking van bijzondere bijstand dient vastgesteld te worden dat belanghebbende niet (voldoende) heeft kunnen reserveren om zelf in de kosten te voorzien. Belanghebbende wordt geacht maandelijks 5% van de bijstandsnorm te kunnen reserveren. Al het inkomen boven de bijstandsnorm dient ook in aanmerking te worden genomen voor het reserveren. Indien er sprake is van verminderde woonlasten in de individuele situatie dient beoordeeld te worden of belanghebbende meer had kunnen sparen dan 5% van de bijstandsnorm.
Wanneer belanghebbende had kunnen reserveren maar dit feitelijk niet heeft gedaan, wordt het bedrag wat belanghebbende feitelijk had kunnen reserveren in mindering gebracht op de te verstrekken bijzondere bijstand.
Er is in ieder geval sprake van een noodzakelijke verhuizing als de belanghebbende:
In de artikelen onder dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de specifieke kostensoorten die onder deze voorwaarden vallen.
Onder verhuiskosten wordt in dit verband verstaan:
Er wordt in principe geen bijzondere bijstand verleend voor verhuiskosten. De kosten in verband met verhuizing behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Indien het gaat om een verhuizing op grond van een medische noodzaak is de verhuisvergoeding op grond van de Wmo een voorliggende voorziening. Deze verhuiskostenvergoeding wordt voldoende toereikend geacht. Voor een vergoeding op grond van de Wmo moet er sprake zijn van psychosociale of lichamelijke beperkingen waardoor belanghebbende niet in de huidige woning kan blijven.
Indien er sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor de belanghebbende niet heeft kunnen reserveren voor betreffende kosten dan kan bijzondere bijstand worden verleend ter hoogte van de werkelijke gemaakte kosten van:
Bij verhuizing naar een andere gemeente kan alleen bijzondere bijstand worden verstrekt voor de vervoerskosten. Wanneer er sprake is van een verhuizing naar de gemeente Stede Broec kan alleen bijzondere bijstand worden verstrekt voor de dubbele huur.
Kosten in verband met de inrichting van de woning behoren in principe tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Dit betekent dat deze kosten uit het inkomen dan wel vermogen dienen te worden voldaan door te reserveren. Wanneer belanghebbende feitelijk niet heeft kunnen reserveren en aan de overige voorwaarden voldoet kan er inrichtingskrediet in de vorm van leenbijstand worden verstrekt.
De hoogte van de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten bedraagt 50% van de inventarislijst van de Nibud prijzengids omdat veel artikelen tweedehands kunnen worden aangeschaft. Bij de toekenning van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt altijd rekening gehouden met reeds aanwezig meubilair.
50% van de bijzondere bijstand wordt uitbetaald bij de toekenning. Wanneer deze 50% volledig is gedeclareerd wordt het restant budget uitbetaald.
Hoofdstuk 12 Vervanging duurzame gebruiksgoederen
De wetgever acht de aanschaf van gebruiksgoederen met een duurzaam karakter tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan. Doet zich evenwel de bijzondere situatie voor, dat bijvoorbeeld een dergelijk goed aan vervanging toe is, terwijl belanghebbende nog niet voldoende heeft gereserveerd, dan ligt het voor de hand dat de alsdan te verstrekken bijzondere bijstand, mede gezien het een algemeen gebruiksgoed betreft en gezien duurzame karakter van het goed, de vorm heeft van een geldlening.
De volgende duurzame gebruiksgoederen komen voor een bijdrage in aanmerking:
De gemiddelde afschrijftermijn voor deze duurzame gebruiksgoederen wordt vastgesteld op 10 jaar. Bijzondere bijstand voor deze kosten kan enkel worden verstrekt wanneer belanghebbende de afgelopen 10 jaar geen bijzondere bijstand heeft ontvangen voor dezelfde kosten. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal 100% van de prijzen uit de NIBUD-prijzengids.
Wanneer belanghebbende drie jaar of langer onafgebroken een inkomen heeft op 110% bijstandsniveau kan de bijzondere bijstand om niet worden verstrekt in plaats van in de vorm van een geldlening.
Hoofdstuk 13 Periodieke woonkosten
Woonkosten zijn algemene kosten van het bestaan die uit het inkomen dan wel vermogen moeten kunnen worden voldaan. Indien bijzondere omstandigheden maken dat belanghebbende niet zelf in de woonkosten kan voorzien kan in (uitzonderings)situaties woonkostentoeslag worden verstrekt.
Normaliter kan de belanghebbende de woonkosten betalen uit het inkomen aangevuld met huurtoeslag. De Wet op de huurtoeslag is in relatie tot de woonkostentoeslag aan te merken als voorliggende voorziening voor zover het de kosten van een huurwoning betreft. In een aantal gevallen ontvangt belanghebbende geen huurtoeslag:
In bovenstaande gevallen kan er woonkostentoeslag worden verstrekt.
Ook kan het zijn dat de Wet op de huurtoeslag wel voorliggend is maar niet toereikend. Dit is het geval wanneer het een woning betreft in de particuliere huursector en de huur hoger is dan het rekenbedrag voor de huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag. In dit geval kan eveneens woonkostentoeslag worden verstrekt.
Een woonkostentoeslag kan niet worden verstrekt indien er op grond van de Wet op de huurtoeslag geen toeslag wordt verstrekt omdat er geen sprake is van een zelfstandige woonruimte. Ook als een woning wordt bewoond met een recreatieve bestemming, en om deze reden geen huurtoeslag wordt verstrekt, is woonkostentoeslag niet mogelijk.
Voor de berekening van de hoogte van de Woonkostentoeslag wordt gebruik gemaakt van de Rekentool Woonkostentoeslag van Schulinck.
Als het gaat om een sociale huurwoning wordt de Woonkostentoeslag berekend op grond van de bepalingen van de Wet op de huurtoeslag. De Woonkostentoeslag bedraagt dan niet meer dan de maximale huurtoeslag. Als het gaat om een particuliere huurwoning bedraagt de Woonkostentoeslag dat deel van de huur boven de rekengrens voor de huurtoeslag.
In de berekening dient bij de hypotheeklasten rekening gehouden te worden met het belastingvoordeel. Hiervoor kan het bedrag dat is genoemd in de voorlopige teruggaaf van de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van de Belastingdienst aangehouden worden. Indien de teruggaaf niet wordt overlegd wordt een percentage van 70% van de rente gehanteerd.
Onderhoudskosten voor de eigen woning worden niet meegenomen bij de berekening van de hoogte van de Woonkostentoeslag. Wanneer individuele omstandigheden hiertoe noodzaken kan hiervoor bijzondere bijstand worden aangevraagd.
Toekenningsperiode Woonkostentoeslag
Woonkostentoeslag kan worden toegekend voor de duur van maximaal één jaar.
Bij verstrekking van een woonkostentoeslag i.v.m. te hoge woonkosten wordt per toekenningsdatum een verhuisverplichting opgelegd die inhoudt dat belanghebbende zich maximaal inspant om te zoeken naar goedkopere woonruimte, zodat de woonlasten in overeenstemming komen met het inkomen.
De termijn van één jaar kan worden verlengd op grond van individuele omstandigheden, bijvoorbeeld als er nog geen vervangende woonruimte is en dit de belanghebbende niet te verwijten is.
13.2 Huur en vaste lasten tijdens opname inrichting (geen TBS)
Personen die zijn opgenomen in een inrichting/ ziekenhuis moeten hun woning “tijdelijk” verlaten. Verblijft belanghebbende in een inrichting/ zorginstelling dan kan het zo zijn dat het verstandig is dat de woning wordt aangehouden.
Indien een klant tijdelijk, als uitgangspunt geldt maximaal drie maanden, verblijft in een inrichting (bijvoorbeeld bij revalidatie of observatie) dan loopt de bijstandsuitkering door en vindt er geen normwijziging plaats. Deze termijn kan door WerkSaam verlengd worden. Er is in dat geval geen reden om voor woonlasten en reiskosten bijzondere bijstand te verstrekken.
Hoofdstuk 14 Overbruggingsuitkering
Wanneer er recht bestaat op algemene bijstand, dan wordt deze uitkering verstrekt via WerkSaam. Deze uitkering wordt achteraf betaalbaar gesteld. In sommige gevallen komt iemand in financiële nood als een onvoorzienbare gebeurtenis leidt tot het plotseling wegvallen van het inkomen en niet over reserves beschikt.
Indien nodig wordt er bijzondere bijstand in de vorm van een overbruggingsuitkering verstrekt. Een overbruggingsuitkering is bijzondere bijstand om niet welke verstrekt wordt om de periode tot de eerste betaling van de algemene uitkering voor levensonderhoud te overbruggen, omdat daarvoor geen middelen beschikbaar zijn. De overbruggingsuitkering heeft het karakter van algemene bijstand. De maximale hoogte van de overbruggingsuitkering is gelijk aan de bijstandsnorm voor een maand, exclusief vakantiegeld.
Een overbruggingsuitkering kan alleen worden toegekend bij aanvang van de uitkering en mag niet in de plaats komen van het verstrekken van een voorschot voor levensonderhoud.
Een overbruggingsuitkering is mogelijk voor statushouders wanneer een statushouder vanuit het AZC in de gemeente komt wonen. Indien de statushouder tijdens het (zijn) verblijf in het AZC inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, dan wordt hiermee rekening gehouden.
De begrafeniskosten komen voor rekening van degene die opdracht geeft voor de begrafenis. Het uitgangspunt is dat er in de kosten kan worden voorzien door middel van onderstaande middelen van overledene:
Wanneer de kosten niet (volledig) voldaan kunnen worden uit de middelen van overledene komen de kosten voor rekening van de opdrachtgever. De opdrachtgever kan iemand anders zijn dan een nabestaande. Volgens de Wet op de Lijkbezorging zijn de bloed- en aanverwanten verantwoordelijk tot onderhoud van de overledene. De opdrachtgever kan de nabestaanden aanspreken voor de kosten.
Als de middelen niet toereikend zijn en de nabestaanden de kosten van lijkbezorging niet of niet geheel voor hun rekening (kunnen) nemen bestaat de mogelijkheid om bijzondere bijstand te verstrekken aan één of meerdere nabestaanden.
De nabestaanden kunnen ieder afzonderlijk voor hun aandeel in de kosten bijzondere bijstand aanvragen in de gemeente waarin zij woonachtig zijn. Bijstand wordt alleen verstrekt indien de nabestaande niet over voldoende middelen beschikt om de kosten te betalen, en alleen voor hun aandeel van de kosten (ongeacht of de andere eerstegraads nabestaanden meebetalen of niet).
Bij de verlening van bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt uitgegaan van een begrafenis of crematie die zo goedkoop mogelijk, maar wel aanvaardbaar is.
Tot de noodzakelijke kosten behoren de kosten van:
Bij de bepaling van de hoogte van de bijzondere bijstand voor de uitvaartkosten zoals hierboven genoemd gelden de maximum bedragen zoals beschreven in de NIBUD prijzengids.
Voor zover de totale uitvaartkosten het bedrag van € 3.000,- niet te boven gaan, verleend het college bijzondere bijstand voor de totale kosten.
Bijstandsverlening voor begrafenis- of crematiekosten in het buitenland van een (in Nederland of in het buitenland) overleden persoon is niet mogelijk. Ook voor reiskosten om een begrafenis of crematie in Nederland of het buitenland bij te wonen wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. Dit betreffen incidentele reiskosten die uit het inkomen dan wel vermogen moeten kunnen worden voldaan. Daarnaast geldt er binnen de Participatiewet het territorialiteitsbeginsel: kosten gemaakt in het buitenland vallen niet onder de Participatiewet.
Hoofdstuk 16 Individuele inkomenstoeslag
Voor de beoordeling van de aanvraag voor een Individuele inkomenstoeslag en de definitie van de begrippen in dit hoofdstuk is artikel 36 Participatiewet en de verordening Individuele inkomenstoeslag gemeente Stede Broec 2015 van toepassing.
Voor de beoordeling van het vermogen kan worden volstaan met de vermogensgegevens over de afgelopen drie maanden. Enkel bij twijfel over de hoogte van het vermogen in de referteperiode kunnen de vermogensgegevens over een langere periode worden opgevraagd.
De gemeente dient altijd te beoordelen of aanvrager zicht heeft op inkomensverbetering. Daartoe worden de volgende twee zaken getoetst, zoals opgenomen in artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet:
De gemeente Stede Broec verstaat onder het begrip ‘geen zicht op inkomensverbetering': aanvrager heeft geen uitzicht, op midden lange termijn (in principe drie jaar), op betaalde arbeid. Enkele indicatoren hiervan zijn:
Een individuele afweging is altijd nodig. Het hebben van een baan, ook al levert dat langere tijd een laag inkomen op, kan ook arbeidsmarktperspectief geven. Een Wsw-dienstbetrekking kan bijvoorbeeld gericht zijn op het bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van de werknemer met het oog op het verrichten van arbeid onder normale omstandigheden. Die doelstelling is echter niet voor iedereen een haalbaar streven.
Inwoners die in principe wel uitzicht op inkomensverbetering hebben zijn:
Voor toekenning dient aanvrager aantoonbaar inspanningen te hebben geleverd om tot inkomensverbetering te komen. Het uitgangspunt van de regeling is dat inwoners ook een verantwoordelijkheid hebben om hun inkomenspositie te verbeteren. Voldoende inspanning leveren is afhankelijk van de krachten en bekwaamheden van de persoon, maar de volgende richtlijnen helpen bij de beoordeling.
Voor mensen met een algemene bijstandsuitkering is een indicator van inspanning onder meer solliciteren op werk en het meewerken aan een re-integratie traject. WerkSaam beoordeelt of iemand voldoende inspanning levert; bij onvoldoende inspanning kan WerkSaam een maatregel opleggen. Indien er een maatregel is opgelegd door WerkSaam is het aannemelijk dat er onvoldoende inspanning is geleverd.
Voor mensen met een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsverklaring van het UWV kan het oppakken van vrijwilligerswerk of deelname aan re-integratietrajecten worden gezien als inspanningen als hiermee iemand participeert in de samenleving.
Zorgklanten worden begeleid door participatiecoaches van de gemeente. Zij zien erop toe dat cliënten, naar kunnen, voldoende inspanningen leveren.
Aanvragen welke zijn ingediend voor 1 januari 2026 worden als zodanig getoetst. Dit houdt in dat deze getoetst worden aan de ten tijde van de aanvraag geldende beleidsregel, de Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Stede Broec 2022. De aanvraagdatum is leidend, niet de behandelings- of toekenningsdatum. Aanvragen ingediend vanaf 1 januari 2026 worden getoetst aan de Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Stede Broec 2026.
Indien toepassing van de beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Stede Broec 2022 leidt tot een voor de aanvrager kennelijk onredelijke of onbillijke uitkomst, kan het college besluiten de aanvraag te beoordelen aan de hand van de Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Stede Broec 2026, voor zover dit voor de aanvrager gunstiger is.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-562507.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.