Verordening op de heffing en de invordering van toeristenbelasting Wageningen 2026

De raad van de gemeente Wageningen,

 

Gelezen:

het voorstel aan de raad, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 18 november 2025;

 

gelet op:

artikel 224 van de Gemeentewet

 

BESLUIT

 

De Verordening op de heffing en de invordering van toeristenbelasting Wageningen 2026 vast te stellen

 

De Verordening op de heffing en de invordering van toeristenbelasting Wageningen 2026

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    recreatieterrein: een terrein dat geheel of nagenoeg geheel bestaat uit vakantieonderkomens en mobiele kampeeronderkomens;

  • b.

    vaste standplaats: een terrein of terreingedeelte dat bestemd is voor het gedurende een jaar plaatsen van een zelfde mobiel kampeeronderkomen of stacaravan, gebruikt door dezelfde personen;

  • c.

    seizoensplaats: een terrein of terreingedeelte dat bestemd is voor het gedurende een seizoen plaatsen van een zelfde mobiel kampeeronderkomen of stacaravan, gebruikt door dezelfde personen;

  • d.

    winterkamperen: een terrein of terreingedeelte dat bestemd is voor het plaatsen van een zelfde mobiel kampeeronderkomen of stacaravan, gebruikt door dezelfde personen in de periode aanvangende 31 oktober van het lopende belastingtijdvak tot en met 31 maart van het navolgende belastingtijdvak;

  • e.

    seizoen: de periode van 1 april tot en met 31 oktober;

  • f.

    jaar: kalenderjaar.

Artikel 2. Belastbaar feit

Onder naam ‘toeristenbelasting’ wordt een directe belasting geheven voor:

  • a.

    het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven;

  • b.

    het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, indien deze personen gedurende hun verblijf beroeps- of bedrijfsmatige werkzaamheden verrichten voor of in opdracht van anderen.

Artikel 3. Belastingplicht

  • 1.

    Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 in hem ter beschikking staande ruimten dan wel op hem ter beschikking staande terreinen.

  • 2.

    De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene, ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.

  • 3.

    Indien met toepassing van het eerste lid geen belastingplichtige is aan te wijzen, is belastingplichtig degene die overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 verblijf houdt.

  • 4.

    De belastingplichtige die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf als bedoeld in artikel 2, in hem daartoe ter beschikking staande ruimten, dan wel ter beschikking staande terreinen kan ter zake van elk terrein afzonderlijk in de heffing worden betrokken.

Artikel 4. Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven ter zake van het verblijf:

  • a.

    door degene, die:

    • 1.

      van degene die verblijft in een instelling als bedoeld in artikel 4 van de Wet toetreding zorgaanbieders;

    • 2.

      tijdelijk in de gemeente verblijft voor het volgen van cursussen gedurende een aaneengesloten periode van langer dan 30 dagen;

    • 3.

      als deelnemer aan een conferentie, gedurende een aaneengesloten periode van meer dan 30 dagen, verblijft in een conferentieoord.

  • b.

    waarvoor de gemeente belasting heft ingevolge de vigerende Verordening watertoeristenbelasting;

  • c.

    van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h, van voornoemde wet, en voor zover deze persoon verblijf houdt als bedoeld in artikel 1 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers.

Artikel 5. Maatstaf van heffing

  • 1.

    De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten, dat zij verblijf houden.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van eerste lid kan, op een bij de aangifte gedaan verzoek van de belastingplichtige, de belasting voor het houden van verblijf op vaste standplaatsen, seizoensplaatsen en in het geval van winterkamperen op een recreatieterrein door dezelfde persoon of personen naar vaste bedragen per standplaats worden geheven zoals weergegeven in artikel 6, lid 2.

Artikel 6. Belastingtarief

  • 1.

    Het tarief bedraagt, per persoon, per overnachting € 2,16

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief indien verblijf wordt gehouden conform artikel 5, lid 2 op een:

    • Seizoen plaats € 282,42

    • Jaarplaats € 334,31

    • Winterkamperen € 178,68

Artikel 7. Belastingtijdvak

Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderkwartaal.

Artikel 8. Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9. Aanslaggrens

Geen belastingaanslag wordt opgelegd, indien het aantal malen dat gelegenheid tot verblijf is geboden of waarover wordt geheven gedurende het belastingtijdvak minder dan tien zal of heeft belopen.

Artikel 10. Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen in één termijn worden betaald, welke termijn vervalt 6 weken na de dagtekening welke op het aanslagbiljet is vermeld.

  • 2.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn.

Artikel 11. Kwijtschelding

Bij de invordering van de toeristenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12. Aanmeldingsplicht

De belastingplichtige, bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot overnachten verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaren, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdelen b en d, van de Gemeentewet.

Artikel 13. Aangifteplicht

De belastingplichtige, bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, indien hij niet binnen vier weken na afloop van het belastingjaar een uitnodiging heeft ontvangen tot het doen van aangifte, binnen twee na afloop van deze termijn schriftelijk aan de aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, te verzoeken tot een uitnodiging tot het doen van aangifte. De gemeente behoudt zich te allen tijde het recht voor alsnog een uitnodiging tot het doen van aangifte te verzenden, dan wel, bij gebrek aan een aangifte door belastingplichtige, de grondslag voor de berekening van de toeristenbelasting te schatten en middels ambtshalve aanslag op te leggen.

Artikel 14. Registratieplicht

  • 1.

    De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, verblijfhoudende personen te registreren in een daarvoor bestemd een door de gemeente verstrekt nachtverblijfregister.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders stelt genoemd nachtverblijfregister kosteloos beschikbaar.

  • 3.

    De gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen kan ontheffing verlenen van het bijhouden van een gemeentelijk nachtverblijfregister indien de belastingplichtige voornemens is om een eigen nachtverblijfregister bij te houden indien dit eigen nachtverblijfregister gekoppeld is aan een bedrijfsmatig gevoerde, geautomatiseerde boekhouding.

  • 4.

    Het verzoek tot de in lid 3 bedoelde ontheffing dient voor aanvang van het betreffende belastingjaar te worden ingediend bij de in lid 3 genoemde gemeenteambtenaar.

  • 5.

    Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot inrichting en gebruik van het nachtverblijfregister.

Artikel 15. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De Verordening toeristenbelasting 2025 van 12 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

  • 4.

    Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening toeristenbelasting Wageningen 2026.

Aldus besloten in de openbare vergadering van 8 december 2025,

de griffier,

de voorzitter,

Naar boven