Eerste wijziging Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid Voorschoten 2020-2

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorschoten;

 

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet Bestuursrecht en artikelen 13, derde lid, 20, derde en vierde lid, 35, eerste lid, 78ff, eerste lid van de Participatiewet,

 

besluit:

 

de eerste wijziging van de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid Voorschoten 2020-2 vast te stellen.

Artikel I  

 

A

 

Artikel 11 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

  • 1.

    De alleenstaande persoon, die jonger dan 21 jaar en uitwonend is, heeft geen recht op bijzondere bijstand. De norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, aangevuld met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder(s) wordt in alle gevallen beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening.

  • 2.

    In uitzondering op lid 1, blijft tot 1 januari 2029 het recht op bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van bestaan van toepassing op lopende toekenningen voor 1 januari 2026, of toekenningen van alleenstaande ouders die zich vóór 1 januari 2026 meldden bij de gemeente. De norm als bedoeld in artikel 20 lid 3 en lid 4 van de wet is van toepassing.

B

 

Artikel 12 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

  • 1.

    De alleenstaande ouder, jonger dan 21 jaar, heeft geen recht op bijzondere bijstand. De norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, aangevuld met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder(s) wordt in alle gevallen beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening.

  • 2.

    In uitzondering op lid 1, blijft tot 1 januari 2029 het recht op bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van bestaan van toepassing op lopende toekenningen voor 1 januari 2026, of toekenningen van alleenstaande ouders die zich vóór 1 januari 2026 meldden bij de gemeente. De norm als bedoeld in artikel 20 lid 3 en lid 4 van de wet is van toepassing.

  • 3.

    Indien het noodzakelijk is dat met toepassing van het gestelde in artikel 18, eerste lid en twaalfde lid van de wet algemene bijstand wordt verleend ten behoeve van het kind van een alleenstaande ouder die minderjarig is, wordt die bijstand vastgesteld op 20% van de norm voor gehuwden waarvan beide echtgenoten 21 jaar of ouder zijn doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Deze algemene bijstand wordt beëindigd uiterlijk op het moment dat de minderjarige alleenstaande ouder meerderjarig wordt. Deze regeling is specifiek bedoeld voor de baby’s van tienermoeders.

C

 

Artikel 13 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

  • 1.

    De gehuwden jonger dan 21 jaar hebben geen recht op bijzondere bijstand. De norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, aangevuld met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder(s) wordt in alle gevallen beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening.

  • 2.

    In uitzondering op lid 1, blijft tot 1 januari 2029 het recht op bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van bestaan van toepassing op lopende toekenningen voor 1 januari 2026, of toekenningen van alleenstaande ouders die zich vóór 1 januari 2026 meldden bij de gemeente. De norm als bedoeld in artikel 20 lid 3 en lid 4 van de wet is van toepassing.

D

 

Artikel 14 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

  • 1.

    De gehuwden, van wie een partner jonger is dan 21 jaar en de andere partner 21 jaar of ouder, hebben geen recht op bijzondere bijstand. De norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, aangevuld met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder(s) wordt in alle gevallen beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening.

  • 2.

    In uitzondering op lid 1, blijft tot 1 januari 2029 het recht op bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van bestaan van toepassing op lopende toekenningen voor 1 januari 2026, of toekenningen van alleenstaande ouders die zich vóór 1 januari 2026 meldden bij de gemeente. De norm als bedoeld in artikel 20 lid 3 en lid 4 van de wet is van toepassing.

E

 

Artikel 15 lid 1 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Verhaal van bijzondere bijstand aan personen jonger dan 21 jaar is alleen van toepassing op jongeren die bijzondere bijstand ontvangen op grond van artikel 12 lid 2, artikel 13 lid 2, artikel 14 lid 2 en artikel 15 lid 2 van deze beleidsregels.

 

F

 

Artikel 31 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

  • 1.

    De belanghebbende die een huurwoning of een eigen woning bewoont, waarvan de woonkosten hoger zijn dan het grensbedrag voor de berekening van de individuele huurtoeslag als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, heeft recht op bijzondere bijstand in de woonkosten indien er sprake is van een uit bijzondere omstandigheden voortkomende noodzaak om de dure woning te bewonen.

  • 2.

    De hoogte van de in lid 1 bedoelde toeslag wordt voor inwoners met een eigen woning of een huurwoning vastgesteld aan de hand van de Wet op de huurtoeslagsystematiek. Het meerdere boven de grens zoals genoemd in lid 1 wordt volledig in aanmerking genomen bij de bepaling van de hoogte van de bijstandsverlening. De grens zoals in lid 1 genoemd, wordt per kalenderjaar vastgesteld en wordt telkens op 1 juli van een kalenderjaar aangepast aan de ontwikkelingen betreffende de Wet op de huurtoeslag.

  • 3.

    De hoogte van de in lid 1 bedoelde toeslag is voor inwoners met een sociale huurwoning gelijk aan het deel van het huurbedrag dat boven de in lid 1 genoemde grens ligt.

  • 4.

    Aan de verlening van de toeslag als bedoeld in lid 2 kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:

    • a.

      belanghebbende dient zich onverwijld als woningzoekende te laten inschrijven voor woonruimte, waarvoor hij op grond van zijn inkomen in aanmerking kan komen voor een huurtoeslag;

    • b.

      belanghebbende dient elke woning als bedoeld in onderdeel a te accepteren, voor zover dat in redelijkheid van hem verlangd kan worden;

    • c.

      belanghebbende dient zelf ook pogingen te ondernemen om woonruimte te verwerven, waarvan de woonkosten in zodanige overeenstemming met zijn inkomen zijn, dat hij voor die kosten aanspraak kan maken op een huurtoeslag. Hieronder wordt ten minste verstaan het aanvragen van een urgentieverklaring voor bij de woningbouwvereniging om in aanmerking te komen voor een andere woning.

  • 5.

    Aan de verlening van de toeslag voor een sociale huurwoning worden de volgende voorwaarden verbonden:

    • a.

      Belanghebbende dient binnen een maand na het toekenningsbesluit bij de woningbouwvereniging een verzoek in te dienen om de huur te verlagen en hiervan een bewijsstuk in te leveren.

    • b.

      belanghebbende dient bij een verlaging van de huur binnen 5 werkdagen een bewijsstuk van de nieuwe huur in te leveren.

  • 6.

    Indien de belanghebbende niet aan één of meer van de in lid 4 en lid 5 genoemde voorwaarden voldoet, kan de toeslag in de woonkosten verlaagd dan wel beëindigd worden.

G

 

Artikel 34 lid 1 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

  • 1.

    De belanghebbende vanaf 18 jaar die:

    • -

      Een inkomen ontvangt dat niet hoger is dan maximaal 110% van de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm

    • -

      Niet in een inrichting verblijft;

    • -

      Geen deelnemer is van de collectieve aanvullende zorgverzekering;

    • -

      Aantoonbare meerkosten heeft vanwege het feit dat belanghebbende chronisch ziek of gehandicapt is of de zorg heeft voor een tot zijn last komend chronisch ziek of gehandicapt kind,

  • komt in aanmerking voor bijzondere bijstand voor deze kosten.

H

 

Artikel 49 komt te vervallen.

 

De toelichting op beleidsregel 11 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Vanaf 1 januari 2026 is de jongerennorm binnen de algemene bijstand verhoogd. Dat betekent dat jongeren geen recht meer hebben op een aanvulling vanuit de bijzondere bijstand, om te voorzien in de kosten voor levensonderhoud.

 

Jongeren die voor 1 januari 2026 een lopende voorziening hebben of zich voor deze datum meldden bij de gemeente, vallen onder het overgangsrecht. Dat betekent dat deze groep tot 1 januari 2029 recht houdt op de aanvulling vanuit de bijzondere bijstand.

 

Voor de jongeren die onder de overgangsnorm vallen wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gerelateerd aan de normen uit de Participatiewet.

 

J

 

De toelichting op beleidsregel 12 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Vanaf 1 januari 2026 is de jongerennorm binnen de algemene bijstand verhoogd. Dat betekent dat jongeren geen recht meer hebben op een aanvulling vanuit de bijzondere bijstand, om te voorzien in de kosten voor levensonderhoud.

 

Jongeren die voor 1 januari 2026 een lopende voorziening hebben of zich voor deze datum meldden bij de gemeente, vallen onder het overgangsrecht. Dat betekent dat deze groep tot 1 januari 2029 recht houdt op de aanvulling vanuit de bijzondere bijstand.

 

Voor de jongeren die onder de overgangsnorm vallen wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gerelateerd aan de normen uit de Participatiewet.

 

Indien het noodzakelijk is dat algemene bijstand wordt verleend ten behoeve van het kind van een alleenstaande ouder die minderjarig is (tienermoeder) wordt die bijstand bepaald op 20% van de gehuwdennorm zoals vermeld in deze beleidsregel.

 

K

 

De toelichting op beleidsregel 13 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Vanaf 1 januari 2026 is de jongerennorm binnen de algemene bijstand verhoogd. Dat betekent dat jongeren geen recht meer hebben op een aanvulling vanuit de bijzondere bijstand, om te voorzien in de kosten voor levensonderhoud.

 

Jongeren die voor 1 januari 2026 een lopende voorziening hebben of zich voor deze datum meldden bij de gemeente, vallen onder het overgangsrecht. Dat betekent dat deze groep tot 1 januari 2029 recht houdt op de aanvulling vanuit de bijzondere bijstand.

 

Voor de jongeren die onder de overgangsnorm vallen wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gerelateerd aan de normen uit de Participatiewet.

 

L

 

De toelichting op beleidsregel 14 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Vanaf 1 januari 2026 is de jongerennorm binnen de algemene bijstand verhoogd. Dat betekent dat jongeren geen recht meer hebben op een aanvulling vanuit de bijzondere bijstand, om te voorzien in de kosten voor levensonderhoud.

 

Jongeren die voor 1 januari 2026 een lopende voorziening hebben of zich voor deze datum meldden bij de gemeente, vallen onder het overgangsrecht. Dat betekent dat deze groep tot 1 januari 2029 recht houdt op de aanvulling vanuit de bijzondere bijstand.

 

Voor de jongeren die onder de overgangsnorm vallen wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gerelateerd aan de normen uit de Participatiewet.

Artikel II  

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 9 december 2025

het college van burgemeester en wethouders

E.A. van Wattingen

gemeentesecretaris

mw. drs. N. Stemerdink

burgemeester

Naar boven