Gemeenteblad van Enschede
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Enschede | Gemeenteblad 2025, 560755 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Enschede | Gemeenteblad 2025, 560755 | beleidsregel |
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026
Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede besluit,
gelet op artikel 2.3.1 uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026,
overwegende dat voor de maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo waarop inwoners aanspraak kunnen maken, er een juridisch kader is waarin helder verwoord is welke afwegingen worden gemaakt bij het beoordelen van het recht op een voorziening,
In deze beleidsregels staat een uitleg over hoe het College bepaalde bepalingen uit de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Enschede 2026 (hierna: de Verordening) toepast. De beleidsregels volgen zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening.
Het uitgangspunt van de wet is dat de inwoner eerst kijkt in hoeverre hij/zij zelf of met zijn/haar directe omgeving, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn/haar situatie. Als dit niet lukt dan moet er worden gekeken of er aanspraak gemaakt kan worden op een voorliggende of algemene voorziening. Pas als dit niet mogelijk is en het eigen probleemoplossend vermogen onvoldoende is, kan het College (aanvullend) een maatwerkvoorziening verstrekken ten aanzien van:
Hoofdstuk 2: Algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen
Hoofdstuk 3: Maatwerkvoorzieningen
Artikel 4. Vormen van maatwerkvoorzieningen
De inzet van een maatwerkvoorziening dient te leiden tot compensatie van de beperking van de zelfredzaamheid of participatie tot op het niveau ‘voldoende’. Dit gaat niet zover dat het College rekening moet houden met alle wensen en voorkeuren van de inwoner of dat inwoner moet kunnen participeren op een niveau als ieder ander zonder beperking.
Hoofdstuk 4: Gebruikelijke hulp
Onder gebruikelijke hulp zoals vermeld in artikel 1 lid g, artikel 7 lid 1 onder b en artikel 7 lid 2 onder b van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Enschede 2026 wordt verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Dit is de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden, omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden.
Bij het oordeel of gebruikelijke hulp kan worden verwacht houdt het College in ieder geval rekening met:
Indien de huisgenoot van de aanvrager vanwege zijn/haar werk fysiek niet aanwezig is wordt hiermee bij de indicatiestelling uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van ten minste zeven aansluitende dagen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk.
In geval de leefeenheid van de inwoner mede bestaat uit kinderen, dan gaat het College ervanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren en rekening houdend met hun ontwikkelingsfase een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke ondersteuning. Deze ondersteuning mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties:
Kinderen tussen 18-23 jaar worden verondersteld de taken van een eenpersoons huishouden te kunnen uitvoeren. De huishoudelijke taken voor een éénpersoons huishouden zijn: schoonhouden van wc en badkamer, keuken, leefruimte en één slaapkamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen.
Hoofdstuk 5: Ondersteuning bij het huishouden (OH)
Artikel 8. Doel ondersteuning bij het huishouden (OH)
De maatwerkvoorziening ondersteuning huishouden, hierna genoemd OH, wordt ingezet als de inwoner niet meer op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen of met hulp van het sociale netwerk het huis schoon en leefbaar kan houden. Huishoudelijke taken worden dan overgenomen door een hulp. In Enschede kennen we de volgende modules: basis schoon en leefbaar huis, wasverzorging, strijken, maaltijden, boodschappen, regie/organisatie en kindzorg.
Artikel 9. Normenkader HHM 2025
De gemeente Enschede neemt het HHM-normenkader 2025 (hierna te noemen normenkader) als maatstaf voor alle modules. Dit is goed toepasbaar op verschillende situaties en geeft handvatten voor de toepassing van beïnvloedingsfactoren zoals bijvoorbeeld de grootte van de woning (extra kamers) en zwaardere beperkingen van de inwoner. Dit normenkader is door de CRvB als objectief, onafhankelijk en deugdelijk bestempeld.
De werkzaamheden, frequentie en tijdseenheid van de ondersteuning zijn afhankelijk van de persoonlijke situatie en leefwijze (gezinssamenstelling en gezondheid) van de inwoner. Factoren zoals opgenomen in het HHM-normenkader kunnen voor meer of minder inzet dan de basisnormtijd per module opleveren. De inzet moet in ieder geval in voldoende mate aansluiten bij de persoonlijke situatie (mogelijkheden, beperkingen en leerbaarheid).
Artikel 10. Basismodule schoon en leefbaar huis
De basismodule zorgt voor een Schoon en leefbaar huis. Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. ‘Schoon’ staat voor het borgen van een basishygiëne, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. ‘Leefbaar’ staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
De inwoner moet gebruik kunnen maken van de elementaire leefruimten. Hieronder verstaan we de woonkamer, keuken, eetkamer, slaapkamer(s), badkamer, toilet en overige ruimten die gebruikt worden om de woning normaal te kunnen gebruiken. Het schoonmaken van de buitenruimte van het huis (ramen, tuin, balkon etc.) maakt geen deel uit van ondersteuning bij het huishouden.
Artikel 11. Module wasverzorging
Als een inwoner een beperking heeft bij het op orde en schoonhouden van linnen/beddengoed en kleding kan er een aanvraag worden gedaan voor extra ondersteuning voor de module wasverzorging. Voorwaarde is wel dat de inwoner geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen. Het doel van de inzet van deze module is het beschikken over schoon linnen/beddengoed en kleding. Het gaat hierbij om het wassen, drogen, vouwen, opruimen.
Artikel 13. Module regie/organisatie en advies/-instructie/-voorlichting
Indien er sprake is van een situatie waarin de inwoner vaardigheden moet aanleren in het huishouden en daarbij de inwoner door de hulp moet worden geadviseerd, geïnstrueerd of voorgelicht, dan kan daarvoor AdviesInstructieVoorlichting (AIV) worden ingezet. Daarbij geldt ook voor de hulp een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij inwoner.
Voor afwassen geldt dat dit als activiteit onderdeel is van de normtijden in de module maaltijden. Indien deze module niet wordt ingezet, maar het is wel noodzakelijk dat de afwas gedaan wordt, dan wordt dit als extra tijd ingezet onder de module Schoon en Leefbaar huis. Hiervoor wordt per situatie bepaald welke tijd nodig is voor de uitvoering.
Artikel 15. Module boodschappen
Het doen van boodschappen wordt niet overgenomen met de inzet van een maatwerkvoorziening.
Hoofdstuk 6: Begeleiding en dagbesteding
Artikel 17. (groeps)begeleiding en dagbesteding
De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor begeleiding voor inwoners met een ondersteuningsbehoefte. Het doel van begeleiding is het bevorderen, behouden en/of compenseren van zelfredzaamheid en participatie, zodat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. Begeleiding kan in de vorm van begeleiding individueel en /of dagbesteding plaatsvinden.
Algemene uitgangpunten bij de toekenning van de ondersteuning
Ondersteuning is laagdrempelig en dichtbij en is ontwikkelingsgericht, gericht op stabilisering en waar mogelijk, herstelgericht. Er wordt ingezet op o.a. reablement (herstelgerichte zorg en ondersteuning), met als doel dat mensen vaardigheden (weer) aanleren zodat ze zich langer zelfstandig kunnen redden.
Artikel 18. Wijze van toekenning van de ondersteuning
Bij de toekenning van ondersteuning bij participeren in de vorm van een maatwerkvoorziening legt het College het door de inwoner gewenste resultaat vast. Het College bepaalt de maatwerkvoorziening aan de hand van vastgestelde resultaten, de behoefte aan ondersteuning en een niveau (basis of plus) van de ondersteuning.
Artikel 20. Begeleiding individueel basis
Begeleiding individueel basis is bedoeld voor inwoner en met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden.
De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:
Artikel 21. Begeleiding individueel plus
Begeleiding individueel plus is bedoeld voor inwoner en met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere levensgebieden.
De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:
Artikel 22. Maatwerkvoorziening dagbesteding
Voor de maatwerkvoorziening dagbesteding zijn er twee niveaus: dagbesteding basis en dagbesteding plus.
De volgende uitgangspunten zijn voor dagbesteding van toepassing:
Artikel 23. Dagbesteding basis
Dagbesteding basis is bedoeld voor inwoners met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere levensgebieden.
De inwoner voldoet aan meerdere van de volgende kenmerken:
Dagbesteding plus is bedoeld voor inwoners met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere levensgebieden.
De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:
Artikel 26. Vormen van beschermd wonen
Het gaat om beschermd wonen bij een zorgaanbieder. Er is 24 uur per dag begeleiding en toezicht aanwezig in hetzelfde pand. Er is sprake van planbare, onplanbare en oproepbare zorg. De inwoner betaalt een eigen bijdrage, welke wordt geïnd door het CAK (Centraal Administratie Kantoor) voor de zorg, huur en vaste lasten.
De inwoner huurt zelfstandig een woning die beschikbaar is gesteld door een zorgaanbieder. Deze zorgaanbieder biedt naast onderdak ook zorg en hulp. Er is 24 uur per dag begeleiding en toezicht aanwezig in hetzelfde pand. Er is sprake van planbare, onplanbare en oproepbare zorg. De inwoner betaalt zelf de huur, vaste lasten en boodschappen.
De inwoner huurt zelfstandig een woning die beschikbaar is gesteld door een zorgaanbieder. De zorgaanbieder biedt naast onderdak ook zorg en hulp. De begeleiding is 24 uur per dag bereikbaar en kan binnen een half uur worden ingezet indien nodig. Er is sprake van planbare, onplanbare en oproepbare zorg. De inwoner betaalt zelf de huur, vaste lasten en boodschappen.
Hoofdstuk 8: Mantelzorgondersteuning
Logeerzorg omvat de volgende kenmerken:
De inwoner functioneert redelijk zelfstandig. Voor sociale redzaamheid is beperkte begeleiding nodig. Dit betreft met name toezicht en stimulatie bij het aangaan van sociale relaties en contacten en deelname aan het maatschappelijk verkeer. De inwoner heeft ten aanzien van de psychosociale, cognitieve functies af en toe hulp, toezicht of aansturing nodig. Op het gebied van de algemene dagelijkse levensverrichtingen functioneert de inwoner leeftijdsadequaat. Er is meestal geen of in bepaalde mate sprake van gedragsproblematiek of psychiatrische problematiek, of deze problematiek is beheersbaar.
Hoofdstuk 9: Woonvoorzieningen
Artikel 31. Financiële tegemoetkoming verhuizing en herinrichting
De beschikking waarin de financiële tegemoetkoming verhuizing wordt toegekend is maximaal twee jaar geldig. Het College is van mening dat 2 jaar een redelijke termijn is om te kunnen verhuizen, maar acht dat na twee jaar een nieuwe beoordeling van de situatie nodig is omdat de situatie veranderd kan zijn of dat het de vraag is of een verhuiskostenvergoeding nog langer een passende voorziening is.
Artikel 32. Voorwaarden voor verstrekking financiële tegemoetkoming verhuizing en herinrichting aan inwoners met beperking
Er moet zijn vastgesteld dat wegens beperkingen in het normale gebruik van de woning een verhuizing medisch noodzakelijk is. Van noodzaak is slechts sprake indien de beperkingen niet te voorzien waren, doordat deze bijvoorbeeld plotseling ontstaan zijn en het normale gebruik van de woning daadwerkelijk belemmeren. Hiervan kan sprake zijn als er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de persoon met beperkingen bewoonde woning. De beperkingen moeten voorts in of bij de woning zelf (waaronder ook de toegankelijkheid en de bereikbaarheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden.
De tegemoetkoming wordt alleen uitbetaald indien de te betrekken woonruimte voldoet aan het vastgestelde woonprofielen zoals opgenomen in de beschikking en aan de overige voorwaarden uit de Verordening maatschappelijke ondersteuning Enschede2026. De eisen waaraan de nieuwe woonruimte moet voldoen worden in de beschikking opgenomen. In de beschikking wordt de toezegging gedaan dat een financiële tegemoetkoming van een verhuizing wordt toegekend, onder voorwaarde dat in de (nog te zoeken en te vinden) woning de beperkingen zullen worden weggenomen of aanzienlijk verminderd. Als een woonruimte beschikbaar is die voldoet aan de wooneis bestaat de mogelijkheid dat in die woonruimte aanpassing nog steeds noodzakelijk is, maar dat de kosten van de aanpassing aanzienlijk lager zullen zijn dan wanneer de persoon met beperkingen niet zou verhuizen.
Artikel 33. Uitsluitingen voor verstrekking financiële tegemoetkoming verhuizing en herinrichting aan inwoners met beperking
In dit geval wordt er geen verhuiskostenvergoeding meer toegekend, tenzij er sprake was van een acute noodsituatie. Dit is conform artikel 9 lid 3 sub b van de verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026.
De oude woning is verlaten nadat de melding is gedaan maar voordat de vergoeding per beschikking is toegekend en de noodzaak en passendheid van de voorziening is niet meer achteraf te beoordelen. Onderzocht wordt wat in deze situatie de goedkoopst adequate oplossing was geweest. De omstandigheden van de oude woonruimte worden bij de besluitvorming betrokken. Dit is conform artikel 9 lid 3 sub c van de verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026.
Bij de beoordeling van sub a en b geldt: woont een persoon met beperkingen niet meer in de woonruimte op het moment dat een aanvraag wordt ingediend, dan dient de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing achteraf beoordeeld te worden. Onderzocht wordt wat in deze situatie de goedkoopst adequate oplossing was geweest. De omstandigheden van de oude woonruimte worden bij de besluitvorming betrokken. Voor huurders geldt dat de financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing in beginsel niet verleend wordt als een huuropzegging heeft plaatsgevonden voordat bij de gemeente een aanvraag is ingediend. Als huuropzegging wordt beschouwd de laatste dag waarop voor de te verlaten woning nog huur verschuldigd was en leeg opgeleverd moet worden. Voor woningeigenaren geldt hetzelfde: de aanvraag moet zijn ingediend voor de dag waarop de woning leeg opgeleverd moet zijn. Als de aanvraag voor huuropzegging, of in geval van verkoop voor het leeg opleveren van de woning, is ingediend dan is het College in de gelegenheid advies in te winnen over de aard en omvang van de door belanghebbende ondervonden beperkingen en aan de hand van de door de extern adviseur uitgebrachte rapportage uit te maken wat in de gegeven omstandigheden de meest adequate oplossing is. Het College zal op basis hiervan een beslissing nemen over de aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing.
Hoofdstuk 10: Verplaatsingsvoorzieningen
Artikel 36. Beoordelen resultaat verplaatsingsvoorziening
Wanneer een inwoner problemen ervaart op het gebied van vervoer wordt onderzocht of en zo ja, welke beperkingen de inwoner heeft en wat de vervoersbehoefte is. Er wordt bekeken in hoeverre men zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien (met bijvoorbeeld een eigen vervoersmiddel, hulp kan inschakelen van het eigen netwerk (bijvoorbeeld: meerijden met de buurvrouw of opgehaald worden door een familielid), gebruik kan maken van een algemeen gebruikelijke of andere voorziening (bijvoorbeeld het reguliere OV), of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is.
Wat de ene persoon bijvoorbeeld een normale fietsafstand vindt is voor de ander een afstand om met de auto of het openbaar vervoer te gaan. Daarom zal individueel onderzocht worden op welke afstanden men beperkingen ondervindt en hoe deze het beste op te lossen zijn. Daarbij geldt dat College alleen rekening hoeft te houden met de verplaatsingen binnen de regio. Daarbij gaat het om het vervoer binnen het gebied van ± 15 tot 20 kilometer rondom het adres waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft. Alle buiten regionale vervoersdoelen (vanaf 25 km) vallen buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Hiervoor is Valys door de wetgever aangewezen.
Artikel 37. Aanvullende criteria voor vervoer
Als een inwoner op de korte afstanden een probleem ervaart en er een substantiële behoefte is om zich op die afstanden te verplaatsen, wordt eerst beoordeeld of dit verholpen kan worden met een algemeen gebruikelijk voorziening zoals een stok, rollator, een scooter, bromfiets of een (elektrische) fiets. Alleen als andere oplossingen niet toereikend zijn, komt iemand in aanmerking voor een voorziening voor de korte afstanden, zoals een scootmobiel of een aangepaste fiets. Soms kan het vervoersprobleem van een inwoner zowel met een scootmobiel als met een aangepaste fiets zoals een driewielfiets worden opgelost. Een scootmobiel kan goedkoper zijn, maar de gemeente moet in die situaties ook rekening houden met de persoonskenmerken van de inwoner. Als iemand nog in staat is om te fietsen en dit ook graag wil, kan een scootmobiel de beperkingen mogelijk ‘overcompenseren’ en daardoor niet passend zijn. Maar als een aangepaste fiets alleen wordt aangevraagd met als doel om meer te bewegen is dit therapeutisch en heeft de gemeente geen compensatieplicht. De voorziening moet dus wel altijd noodzakelijk zijn om te voorzien in een participatiebehoefte van inwoner. Dan wordt onderzocht wat de goedkoopst adequate voorziening is voor inwoner.
Wanneer een inwoner beperkt wordt in zijn aanvaardbare mate van participatie en geen gebruik kan maken van een eigen auto of het reguliere openbaar vervoer, een algemene voorziening of het netwerk, kan de inwoner voor vervoer over de middellange afstanden in de regio in aanmerking komen voor collectief vervoer.
Individueel vervoer wordt alleen in uitzonderingssituaties ingezet. Alleen wanneer (op basis van medisch advies) is vastgesteld dat collectief vervoer voor de betreffende inwoner niet voldoet (bijvoorbeeld in geval van onbeheersbare incontinentie of ernstige gedragsproblemen) kan de vervoerder gevraagd worden individuele ritten te verzorgen of een vergoeding voor gebruik eigen auto of vervoer door derden worden verstrekt.
Een vergoeding voor het gebruik van de eigen auto wordt verder alleen verstrekt als dat in het concrete geval niet algemeen gebruikelijk is. Het uitgangspunt is dat het gebruik van de eigen auto algemeen gebruikelijk is. Ook iemand met een inkomen op minimumniveau wordt geacht de vervoerskosten te kunnen voldoen om in aanvaardbare mate deel te kunnen nemen aan het leven van alledag en sociale contacten te onderhouden. Alleen in bijzondere omstandigheden is daarom een vergoeding mogelijk. Bijvoorbeeld als de kosten veel hoger dan gemiddeld zijn, doordat iemand door zijn beperkingen ook voor alle verplaatsingen op de korte afstand de auto moet gebruiken of afhankelijk is van een auto met veel hogere gebruikskosten.
Artikel 39. Stalling voor elektrische verplaatsingsvoorziening
Een aanpassing van de woning die dient als stallingsmogelijkheid voor een verplaatsingsvoorziening is geen woningaanpassing, maar moet worden gezien als een voorwaarde verbonden aan de toekenning van de verplaatsingsvoorziening. De aanpassing is niet bedoeld om het de inwoner mogelijk te maken zich in en om de woning te verplaatsen.
Hoofdstuk 11: Persoonsgebonden budget (PGB)
Artikel 40. Motivatie/keuzevrijheid
De keuze voor pgb kan blijken uit de manier waarop de inwoner zijn verzoek om een pgb motiveert. Het gaat om de keuze van de inwoner en niet van de in te huren ondersteuner of aanbieder. Wel kan iemand uit het eigen sociale netwerk, een vertegenwoordiger of een onafhankelijke inwonerondersteuner ondersteunen bij het motiveren van de aanvraag. Zij mogen zich niet laten betalen als belangenbehartiger vanuit het pgb.
Niet het oordeel van het College is hierbij leidend, maar het oordeel van de inwoner. Dit geldt ook wanneer de gemeente in haar ogen een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod in natura heeft gedaan aan de inwoner. In deze gevallen kan de gemeente het pgb omwille van alleen de motivering niet weigeren, mits ook wordt voldaan aan de eerste en derde voorwaarde, zoals bedoeld in art. 13 van de verordening. Het afgeven van een pgb blijft uiteindelijk wel het besluit van het College.
Artikel 41. Meerkosten weigeren
Als de inwoner het pgb wenst te besteden aan een duurdere maatwerkvoorziening dan waar het College de hoogte van het pgb op heeft gebaseerd, geldt dat de inwoner de meerkosten zelf moet betalen. De meerkosten die door de inwoner aan de maatwerkvoorziening worden besteed wordt dan door het College geweigerd. Het College biedt wel de inwoner de mogelijkheid het verschil in budget zelf te financieren, als de voorziening die inwoner wil inkopen wel voldoet aan de doelstellingen uit het ondersteuningsplan en geldende kwaliteitseisen. Als de inwoner niet bereid is de meerkosten zelf te betalen en/of niet duidelijk is welke maatwerkvoorziening met het pgb zal worden ingekocht, weigert het College het totale pgb. Er kan dan wel een voorziening in natura worden toegekend.
De volgende uitgaven mogen vanuit het pgb gedaan worden:
Kosten van ondersteuning die tijdens een tijdelijk verblijf in het buitenland van inwoner wordt voortgezet. Wanneer inwoner per kalenderjaar langer dan 6 weken of een aaneengesloten periode van 6 weken naar het buitenland gaat, dan moet hij vooraf toestemming vragen aan de gemeente om het pgb in het buitenland te besteden of dit opnemen in het ondersteuningsplan en budgetplan.
Artikel 43. Verantwoording PGB
De budgethouder dient verantwoording aan het College af te leggen over het bestede PGB bedrag. Ook moet de budgethouder bij de herwaardering/ (tussen)evaluatie van het ondersteuningsplan aan geven wat de behaalde resultaten zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-560755.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.