Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede besluit,

 

gelet op artikel 2.3.1 uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026,

 

overwegende dat voor de maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo waarop inwoners aanspraak kunnen maken, er een juridisch kader is waarin helder verwoord is welke afwegingen worden gemaakt bij het beoordelen van het recht op een voorziening,

 

vast te stellen de volgende:

 

Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026.

 

Hoofdstuk 1: Inleiding

Artikel 1. Inleiding

In deze beleidsregels staat een uitleg over hoe het College bepaalde bepalingen uit de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Enschede 2026 (hierna: de Verordening) toepast. De beleidsregels volgen zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening.

Het uitgangspunt van de wet is dat de inwoner eerst kijkt in hoeverre hij/zij zelf of met zijn/haar directe omgeving, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn/haar situatie. Als dit niet lukt dan moet er worden gekeken of er aanspraak gemaakt kan worden op een voorliggende of algemene voorziening. Pas als dit niet mogelijk is en het eigen probleemoplossend vermogen onvoldoende is, kan het College (aanvullend) een maatwerkvoorziening verstrekken ten aanzien van:

  • Zelfredzaamheid en participatie of;

  • Beschermd wonen.

Artikel 2. Begrippen

  • 1.

    De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben de dezelfde betekenis als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de verordening Maatschappelijke Ondersteuning Enschede 2026 en de daar op gebaseerde lagere regelgeving.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • b.

      Verordening: Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Enschede 2026;

    • c.

      Financieel besluit: Financieel besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026;

    • d.

      Nadere regels: n.t.b.

 

Hoofdstuk 2: Algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen

Artikel 3. Algemeen gebruikelijke voorzieningen

  • 1.

    Het College verstrekt geen maatwerkvoorziening als het gevraagde voldoet aan de vier criteria zoals beschreven in het tweede lid en daarmee als algemeen gebruikelijk is aan te merken. Hierbij wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de inwoner.

  • 2.

    Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze:

    • a.

      Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking en;

    • b.

      Daadwerkelijk beschikbaar is en;

    • c.

      Een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en;

    • d.

      Financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.

  • 3.

    Een voorziening is financieel draagbaar bij een minimuminkomen als een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten.

  • 4.

    Het College kijkt waar mogelijk ook naar beschikbare tweedehands voorzieningen.

 

Hoofdstuk 3: Maatwerkvoorzieningen

Artikel 4. Vormen van maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Het College kan een inwoner in aanmerking laten komen voor één of meerdere van de volgende maatwerkvoorzieningen:

    • a.

      Huishoudelijke ondersteuning;

    • b.

      Begeleiding individueel;

    • c.

      Dagbesteding;

    • d.

      Beschermd wonen;

    • e.

      Woonvoorziening;

    • f.

      Rolstoelvoorziening;

    • g.

      Vervoersvoorziening;

    • h.

      Voorzieningen die niet binnen bovengenoemde kaders vallen.

  • 2.

    De inzet van een maatwerkvoorziening dient te leiden tot compensatie van de beperking van de zelfredzaamheid of participatie tot op het niveau ‘voldoende’. Dit gaat niet zover dat het College rekening moet houden met alle wensen en voorkeuren van de inwoner of dat inwoner moet kunnen participeren op een niveau als ieder ander zonder beperking.

Artikel 5. Onderzoek maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Het College onderzoekt aan de hand van de vijf onderstaande punten, conform het stappenplan van de CRvB, de situatie van de inwoner:

    • a.

      Wat de hulpvraag is.

    • b.

      Welke problemen inwoner ondervindt bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, of het zich kunnen handhaven in de samenleving.

    • c.

      Welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving.

    • d.

      In hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke en algemene voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden.

    • e.

      Als er op basis van de voorgaande stappen geen andere mogelijkheden zijn om de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie van de inwoner te compenseren, is een maatwerkvoorziening aan de orde.

  • 2.

    Dit stappenplan is onderdeel van het format ondersteuningsplan wat door wijkteams Enschede wordt gebruikt.

  • 3.

    Op grond van het onderzoek bepaalt het College of een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening.

Artikel 6. Langdurig noodzakelijk

  • 1.

    Het College verstrekt een maatwerkvoorziening als deze langdurig noodzakelijk is. Uitgezonderd als het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding (artikel 9 lid 4 van de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026)

  • 2.

    Onder ‘langdurig’ wordt verstaan langer dan 26 weken (6 maanden).

  • 3.

    Bij de keuze omtrent de inzet van de voorzieningen heeft het College de mogelijkheid om over te gaan tot de inzet van een voorziening waarbij de situatie weer in de oude staat teruggebracht kan worden.

 

Hoofdstuk 4: Gebruikelijke hulp

Artikel 7. Gebruikelijke hulp

  • 1.

    Onder gebruikelijke hulp zoals vermeld in artikel 1 lid g, artikel 7 lid 1 onder b en artikel 7 lid 2 onder b van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Enschede 2026 wordt verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Dit is de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden, omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden.

  • 2.

    Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar wat aan tijdsbesteding bij die activiteit bij een gezond persoon gebruikelijk is, maar ook naar de tijdsbesteding die deze activiteiten in verband met gezondheidsproblemen vervangt.

  • 3.

    Bij het oordeel of gebruikelijke hulp kan worden verwacht houdt het College in ieder geval rekening met:

    • a.

      Geobjectiveerde beperkingen/ontbreken kennis en vaardigheden;

    • b.

      (Dreigende) overbelasting;

    • c.

      Korte, bekende levensverwachting;

    • d.

      Indien de huisgenoot van de aanvrager vanwege zijn/haar werk fysiek niet aanwezig is wordt hiermee bij de indicatiestelling uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van ten minste zeven aansluitende dagen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk.

  • 4.

    In geval de leefeenheid van de inwoner mede bestaat uit kinderen, dan gaat het College ervanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren en rekening houdend met hun ontwikkelingsfase een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke ondersteuning. Deze ondersteuning mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties:

    • a.

      kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding;

    • b.

      kinderen tussen 5-12 jaar worden geacht om een bijdrage te leveren. De taken zijn: betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien;

    • c.

      kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

    • d.

      Kinderen tussen 18-23 jaar worden verondersteld de taken van een eenpersoons huishouden te kunnen uitvoeren. De huishoudelijke taken voor een éénpersoons huishouden zijn: schoonhouden van wc en badkamer, keuken, leefruimte en één slaapkamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen.

  • 5.

    Indien de echtgenoot, huisgenoot of inwonende zoon of dochter wel in staat is om gebruikelijke hulp te verlenen maar weigert om huishoudelijke taken te verrichten, hoeft het College geen hulp bij het huishouden te verstrekken.

 

Hoofdstuk 5: Ondersteuning bij het huishouden (OH)

Artikel 8. Doel ondersteuning bij het huishouden (OH)

De maatwerkvoorziening ondersteuning huishouden, hierna genoemd OH, wordt ingezet als de inwoner niet meer op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen of met hulp van het sociale netwerk het huis schoon en leefbaar kan houden. Huishoudelijke taken worden dan overgenomen door een hulp. In Enschede kennen we de volgende modules: basis schoon en leefbaar huis, wasverzorging, strijken, maaltijden, boodschappen, regie/organisatie en kindzorg.

Artikel 9. Normenkader HHM 2025

  • 1.

    De gemeente Enschede neemt het HHM-normenkader 2025 (hierna te noemen normenkader) als maatstaf voor alle modules. Dit is goed toepasbaar op verschillende situaties en geeft handvatten voor de toepassing van beïnvloedingsfactoren zoals bijvoorbeeld de grootte van de woning (extra kamers) en zwaardere beperkingen van de inwoner. Dit normenkader is door de CRvB als objectief, onafhankelijk en deugdelijk bestempeld.

  • 2.

    Het College heeft de mogelijkheid om voor bijzondere situaties af te wijken van het normenkader.

  • 3.

    De totale tijd van OH, met alle resultaten en/of modules wordt op 5 minuten en naar boven afgerond. Dit is de voor de hulp beschikbare totale tijd, inclusief de indirecte tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de inwoner en het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen.

  • 4.

    De werkzaamheden, frequentie en tijdseenheid van de ondersteuning zijn afhankelijk van de persoonlijke situatie en leefwijze (gezinssamenstelling en gezondheid) van de inwoner. Factoren zoals opgenomen in het HHM-normenkader kunnen voor meer of minder inzet dan de basisnormtijd per module opleveren. De inzet moet in ieder geval in voldoende mate aansluiten bij de persoonlijke situatie (mogelijkheden, beperkingen en leerbaarheid).

Artikel 10. Basismodule schoon en leefbaar huis

  • 1.

    De basismodule zorgt voor een Schoon en leefbaar huis. Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. ‘Schoon’ staat voor het borgen van een basishygiëne, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. ‘Leefbaar’ staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

  • 2.

    De inwoner moet gebruik kunnen maken van de elementaire leefruimten. Hieronder verstaan we de woonkamer, keuken, eetkamer, slaapkamer(s), badkamer, toilet en overige ruimten die gebruikt worden om de woning normaal te kunnen gebruiken. Het schoonmaken van de buitenruimte van het huis (ramen, tuin, balkon etc.) maakt geen deel uit van ondersteuning bij het huishouden.

Artikel 11. Module wasverzorging

  • 1.

    Als een inwoner een beperking heeft bij het op orde en schoonhouden van linnen/beddengoed en kleding kan er een aanvraag worden gedaan voor extra ondersteuning voor de module wasverzorging. Voorwaarde is wel dat de inwoner geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen. Het doel van de inzet van deze module is het beschikken over schoon linnen/beddengoed en kleding. Het gaat hierbij om het wassen, drogen, vouwen, opruimen.

  • 2.

    Het is de verantwoordelijkheid van de inwoner om te zorgen dat er een wasmachine aanwezig is.

  • 3.

    Van de inwoner wordt verwacht dat hij de omvang van de benodigde ondersteuning zo beperkt mogelijk houdt en dat de inwoner zich redelijkerwijs inspant om te voorkomen dat er extra zware was ontstaat.

Artikel 12. Module strijken

  • 1.

    Het strijken van kleding wordt niet overgenomen. Van een inwoner wordt verwacht dat hij beschikt over kreuk- en strijkvrije kleding of het strijkwerk zelf regelt.

  • 2.

    De module strijken kan alleen worden ingezet bij de volgende situaties:

    • a.

      wanneer de inwoner in geval van betaald werk gestreken kleding moet dragen en kreukvrije kleding geen optie is.

    • b.

      Er sprake is van een aantoonbare medische reden, waardoor kreukvrije kleding geen optie is.

  • 3.

    Indien de module strijken wordt ingezet, wordt er gerekend met een tijd van 22 minuten.

Artikel 13. Module regie/organisatie en advies/-instructie/-voorlichting

  • 1.

    Wanneer een inwoner geen regie en/of organisatie meer kan voeren over het huishouden en ook (waarschijnlijk) nooit meer zal kunnen voeren, kan de regie worden overgenomen. Dit betekent dat de hulp, naast het overnemen van de huishoudelijke taken, aansturende en regie taken heeft.

  • 2.

    Indien er sprake is van een situatie waarin de inwoner vaardigheden moet aanleren in het huishouden en daarbij de inwoner door de hulp moet worden geadviseerd, geïnstrueerd of voorgelicht, dan kan daarvoor AdviesInstructieVoorlichting (AIV) worden ingezet. Daarbij geldt ook voor de hulp een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij inwoner.

Artikel 14. Module maaltijden

  • 1.

    Het verzorgen van maaltijden wordt niet overgenomen met de inzet van een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Tenzij er sprake is van uitzonderlijke situaties, waarbij andere oplossingen aantoonbaar niet mogelijk zijn. Alleen dan kan de module maaltijden worden ingezet.

  • 3.

    Voor afwassen geldt dat dit als activiteit onderdeel is van de normtijden in de module maaltijden. Indien deze module niet wordt ingezet, maar het is wel noodzakelijk dat de afwas gedaan wordt, dan wordt dit als extra tijd ingezet onder de module Schoon en Leefbaar huis. Hiervoor wordt per situatie bepaald welke tijd nodig is voor de uitvoering.

Artikel 15. Module boodschappen

Het doen van boodschappen wordt niet overgenomen met de inzet van een maatwerkvoorziening.

Artikel 16. Module kindzorg

  • 1.

    De bepalingen in dit artikel laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor de verzorging en opvang van zijn of haar kinderen.

  • 2.

    Uitgangspunt is dat de andere ouder bij uitval de zorg of het aandeel in de zorg (waar mogelijk) overneemt, dit valt onder gebruikelijke hulp.

  • 3.

    Indien er sprake is van een acuut probleem en het kind/kinderen zijn niet ouder dan vijf jaar, dan kan de module kindzorg ingezet worden in afwachting van een structurele oplossing. De ondersteuning is per definitie altijd tijdelijk (maximaal 3 maanden).

  • 4.

    Vanuit de Wmo is het niet mogelijk om structurele opvang voor kinderen te realiseren.

 

Hoofdstuk 6: Begeleiding en dagbesteding

Artikel 17. (groeps)begeleiding en dagbesteding

  • 1.

    De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor begeleiding voor inwoners met een ondersteuningsbehoefte. Het doel van begeleiding is het bevorderen, behouden en/of compenseren van zelfredzaamheid en participatie, zodat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. Begeleiding kan in de vorm van begeleiding individueel en /of dagbesteding plaatsvinden.

  • 2.

    Algemene uitgangpunten bij de toekenning van de ondersteuning

    • a.

      De ondersteuningsvraag/behoefte van de inwoner staat centraal. Deze wordt integraal bekeken waarbij de verschillende leefgebieden worden meegenomen.

    • b.

      Ondersteuning is laagdrempelig en dichtbij en is ontwikkelingsgericht, gericht op stabilisering en waar mogelijk, herstelgericht. Er wordt ingezet op o.a. reablement (herstelgerichte zorg en ondersteuning), met als doel dat mensen vaardigheden (weer) aanleren zodat ze zich langer zelfstandig kunnen redden.

Artikel 18. Wijze van toekenning van de ondersteuning

  • 1.

    Bij de toekenning van ondersteuning bij participeren in de vorm van een maatwerkvoorziening legt het College het door de inwoner gewenste resultaat vast. Het College bepaalt de maatwerkvoorziening aan de hand van vastgestelde resultaten, de behoefte aan ondersteuning en een niveau (basis of plus) van de ondersteuning.

  • 2.

    Het College bepaalt daarnaast of er vervoer wordt ingezet van het huisadres naar de locatie waar de ondersteuning wordt geboden, indien dit niet algemeen gebruikelijk is. Zie daarvoor ook artikel 8.3 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026.

Artikel 19. Maatwerkvoorziening begeleiding individueel

  • 1.

    Voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel zijn er twee niveaus van ondersteuning: begeleiding individueel basis en begeleiding individueel plus.

  • 2.

    De volgende uitgangspunten zijn voor begeleiding individueel van toepassing:

    • a.

      Inzet van de individuele begeleiding is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. De aanbieder leidt (indien mogelijk) de inwoner toe naar zelfredzaamheid of passende ondersteuning in de sociale basis en/of het sociale netwerk;

    • b.

      De begeleiding vindt in principe plaats in de omgeving waar de inwoner woont. Afhankelijk van de individuele casus kan er ook gebruik worden gemaakt van begeleiding op afstand, bijvoorbeeld door middel van (beeld)bellen;

Artikel 20. Begeleiding individueel basis

Begeleiding individueel basis is bedoeld voor inwoner en met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden.

De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:

  • De inwoner heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig;

  • De inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken;

  • De inwoner is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken;

  • De inwoner heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden;

  • Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de inwoner;

  • De leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie;

  • De inwoner is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag.

Artikel 21. Begeleiding individueel plus

Begeleiding individueel plus is bedoeld voor inwoner en met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere levensgebieden.

De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:

  • De inwoner heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig;

  • De inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken;

  • De inwoner is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken;

  • De inwoner heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden;

  • De inwoner vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek;

  • De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en of escalatie;

  • De inwoner is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag.

Artikel 22. Maatwerkvoorziening dagbesteding

Voor de maatwerkvoorziening dagbesteding zijn er twee niveaus: dagbesteding basis en dagbesteding plus.

De volgende uitgangspunten zijn voor dagbesteding van toepassing:

  • Inzet van dagbesteding is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig.

  • De aanbieder leidt (indien mogelijk) de inwoner toe naar zelfredzaamheid of passende ondersteuning in de sociale basis en/of het sociale netwerk;

  • Dagbesteding vindt fysiek plaats in groepsverband, op een specifiek daarvoor ingerichte locatie, buiten de woonsituatie/woning van de inwoner;

Artikel 23. Dagbesteding basis

Dagbesteding basis is bedoeld voor inwoners met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere levensgebieden.

De inwoner voldoet aan meerdere van de volgende kenmerken:

  • De inwoner heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig;

  • De inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken;

  • De inwoner kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen;

  • De inwoner vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek.

Artikel 24. Dagbesteding plus

Dagbesteding plus is bedoeld voor inwoners met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere levensgebieden.

De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:

  • De inwoner heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig;

  • De inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken;

  • De inwoner heeft beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning;

  • De inwoner vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek;

  • De inwoner is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen.

 

Hoofdstuk 7: Beschermd wonen

Artikel 25. Beschermd wonen

  • 1.

    De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk om een beschermde woonomgeving te bieden aan inwoners van 18 jaar of ouder met psychiatrische problemen en/of verslavingsproblemen en/of een lichte verstandelijke beperking (LVB), die een ontwikkelperspectief hebben.

  • 2.

    Een gekwalificeerde zorgprofessional moet de diagnose hebben gesteld.

  • 3.

    Beschermd wonen is voor inwoners die (tijdelijk) niet zelfstandig kunnen wonen. Ook niet met hulp in eigen huis van bijvoorbeeld familie, vrienden of een (ambulante) hulpverlener.

Artikel 26. Vormen van beschermd wonen

  • 1.

    Er zijn verschillende vormen van beschermd wonen:

    • a.

      Beschermd Wonen All-inclusive

  • Het gaat om beschermd wonen bij een zorgaanbieder. Er is 24 uur per dag begeleiding en toezicht aanwezig in hetzelfde pand. Er is sprake van planbare, onplanbare en oproepbare zorg. De inwoner betaalt een eigen bijdrage, welke wordt geïnd door het CAK (Centraal Administratie Kantoor) voor de zorg, huur en vaste lasten.

    • b.

      Beschermd Wonen Modulair met Nabijheid

  • De inwoner huurt zelfstandig een woning die beschikbaar is gesteld door een zorgaanbieder. Deze zorgaanbieder biedt naast onderdak ook zorg en hulp. Er is 24 uur per dag begeleiding en toezicht aanwezig in hetzelfde pand. Er is sprake van planbare, onplanbare en oproepbare zorg. De inwoner betaalt zelf de huur, vaste lasten en boodschappen.

    • c.

      Beschermd Wonen Modulair

  • De inwoner huurt zelfstandig een woning die beschikbaar is gesteld door een zorgaanbieder. De zorgaanbieder biedt naast onderdak ook zorg en hulp. De begeleiding is 24 uur per dag bereikbaar en kan binnen een half uur worden ingezet indien nodig. Er is sprake van planbare, onplanbare en oproepbare zorg. De inwoner betaalt zelf de huur, vaste lasten en boodschappen.

 

Hoofdstuk 8: Mantelzorgondersteuning

Artikel 27. Logeerzorg

  • 1.

    Als het college vaststelt dat de ondersteuning gericht is op het ontlasten van de mantelzorger, waarbij de draagkracht en draaglast is verstoord of verstoord dreigt te raken, dan kan respijtzorg in de vorm van logeerzorg worden ingezet met een terugkerend patroon en tijdens een afgebakende periode.

  • 2.

    Logeerzorg omvat de volgende kenmerken:

    • a.

      Het doel van respijtzorg is het vervangen van de thuissituatie zonder bijzonderheden.

    • b.

      Respijtzorg vervangt de thuissituatie in een professionele 24-uurs setting. Het betreft uitsluitend verblijf in een instelling, niet zijnde een ziekenhuis.

    • c.

      De inwoner functioneert redelijk zelfstandig. Voor sociale redzaamheid is beperkte begeleiding nodig. Dit betreft met name toezicht en stimulatie bij het aangaan van sociale relaties en contacten en deelname aan het maatschappelijk verkeer. De inwoner heeft ten aanzien van de psychosociale, cognitieve functies af en toe hulp, toezicht of aansturing nodig. Op het gebied van de algemene dagelijkse levensverrichtingen functioneert de inwoner leeftijdsadequaat. Er is meestal geen of in bepaalde mate sprake van gedragsproblematiek of psychiatrische problematiek, of deze problematiek is beheersbaar.

  • 3.

    Logeerzorg bestaat uit de volgende elementen:

    • a.

      Accommodatie;

    • b.

      Eten en drinken;

    • c.

      Hotelmatige aspecten zoals schoonmaak, keuken, portier, gastvrouw, slaapdienst, bewaking en nachtwacht.

  • 4.

    Het College stelt de maatwerkvoorziening vast aan de hand van doelen, resultaten en kenmerken van de inwoner. Dit gebeurt aan de hand van het stappenplan.

Hoofdstuk 9: Woonvoorzieningen

Artikel 28. Resultaat woonvoorziening

  • 1.

    Een woonvoorziening is erop gericht dat een inwoner normaal gebruik kan maken van de woning. Dit betekent dat inwoner de mogelijkheid heeft om de elementaire woonfuncties uit te voeren met onder andere de volgende resultaten:

    • a.

      het kunnen slapen, eten en verrichten van lichaamsreiniging;

    • b.

      het verrichten van belangrijke huishoudelijke werkzaamheden;

    • c.

      het gebruiken van de keuken;

    • d.

      het kunnen maken van horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning;

    • e.

      het hebben van toegang tot de woning;

    • f.

      kinderen kunnen zonder gevaar voor eigen gezondheid in de woonruimte spelen.

    • g.

      Het veilig gebruik kunnen maken van de woning.

    • h.

      Het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een baby, die voor de verzorging helemaal afhankelijk is van inwoner.

Artikel 29. Criterium woonvoorziening

  • 1.

    Een woonvoorziening heeft uitsluitend betrekking op woonruimten die:

    • a.

      Nodig zijn voor het normale gebruik van de woning zoals bedoeld in artikel 10, lid 2 van deze beleidsregels, en

    • b.

      Daadwerkelijk in gebruik zijn.

    • c.

      Indien de client in een WLZ-instelling in Enschede woont en het voor de aanvaardbare participatie van client noodzakelijk is dat hij de woning kan bezoeken, dan kan het College een voorziening inzetten op één woning, tot een maximum van €5000,-.

Artikel 30. Kleine woningaanpassingen

  • 1.

    Als de ondersteuningsvraag met een algemeen gebruikelijke voorziening, zoals een losse douchestoel/drempelhulp, is op te lossen is een kleine woningaanpassing niet aan de orde.

  • 2.

    Kleine woningaanpassingen betreffen douchezitjes of het plaatsen/verwijderen van eenvoudige drempel(hulpen). Als er naast deze voorzieningen nog andere voorzieningen of ondersteuning nodig is, dan wordt de melding in zijn geheel via de reguliere procedure afgehandeld.

Artikel 31. Financiële tegemoetkoming verhuizing en herinrichting

  • 1.

    Het doel van de financiële tegemoetkoming verhuizing en herinrichting is dat inwoners van de gemeente Enschede worden gestimuleerd om te verhuizen naar een woning die passend is bij de behoeften. Met de vergoeding wordt de inwoner gecompenseerd voor kosten die horen bij een verhuizing.

  • 2.

    Een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing zoals bedoeld in artikel 23 lid 2 sub a van de verordening, inclusief de kosten van inrichting, is een vast bedrag dat wordt toegekend aan:

    • a.

      een persoon met beperkingen bij verhuizing naar een passende, eventueel nog te verbouwen woning;

    • b.

      een persoon die ten behoeve van een persoon met beperkingen verhuist uit een rolstoelwoning met als doel de rolstoelwoning leeg achter te laten.

  • 3.

    De hoogte van de financiële tegemoetkoming is een door het College vastgesteld bedrag zoals deze is opgenomen in het Besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2026.

  • 4.

    De beschikking waarin de financiële tegemoetkoming verhuizing wordt toegekend is maximaal twee jaar geldig. Het College is van mening dat 2 jaar een redelijke termijn is om te kunnen verhuizen, maar acht dat na twee jaar een nieuwe beoordeling van de situatie nodig is omdat de situatie veranderd kan zijn of dat het de vraag is of een verhuiskostenvergoeding nog langer een passende voorziening is.

  • 5.

    In beginsel geldt dat de aanvrager niet opnieuw in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing indien de eerder verstrekte indicatie onbenut is gebleven en de aanvrager niet regelmatig op een woning heeft gereageerd.

  • 6.

    Voor de hoogte van de tegemoetkoming is de datum van de beschikking bepalend. Dit bedrag wordt niet achteraf bijgesteld als tussen de datum van de toezegging van de tegemoetkoming en de daadwerkelijke verhuizing het door het College vastgestelde bedrag is aangepast.

Artikel 32. Voorwaarden voor verstrekking financiële tegemoetkoming verhuizing en herinrichting aan inwoners met beperking

  • 1.

    Wegens beperkingen in het normale gebruik is verhuizing medisch noodzakelijk.

  • Er moet zijn vastgesteld dat wegens beperkingen in het normale gebruik van de woning een verhuizing medisch noodzakelijk is. Van noodzaak is slechts sprake indien de beperkingen niet te voorzien waren, doordat deze bijvoorbeeld plotseling ontstaan zijn en het normale gebruik van de woning daadwerkelijk belemmeren. Hiervan kan sprake zijn als er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de persoon met beperkingen bewoonde woning. De beperkingen moeten voorts in of bij de woning zelf (waaronder ook de toegankelijkheid en de bereikbaarheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden.

  • 2.

    Verhuizen naar zelfstandige woning.

  • Uitgangspunt is dat men naar een zelfstandige woning gaat verhuizen. Van een niet-zelfstandige woonruimte is sprake, als de wezenlijke voorzieningen, zoals een keuken, badkamer of toilet zich buiten de eigenlijke woonruimte bevinden.

  • 3.

    Verhuizen naar geschikte woning.

  • De tegemoetkoming wordt alleen uitbetaald indien de te betrekken woonruimte voldoet aan het vastgestelde woonprofielen zoals opgenomen in de beschikking en aan de overige voorwaarden uit de Verordening maatschappelijke ondersteuning Enschede2026. De eisen waaraan de nieuwe woonruimte moet voldoen worden in de beschikking opgenomen. In de beschikking wordt de toezegging gedaan dat een financiële tegemoetkoming van een verhuizing wordt toegekend, onder voorwaarde dat in de (nog te zoeken en te vinden) woning de beperkingen zullen worden weggenomen of aanzienlijk verminderd. Als een woonruimte beschikbaar is die voldoet aan de wooneis bestaat de mogelijkheid dat in die woonruimte aanpassing nog steeds noodzakelijk is, maar dat de kosten van de aanpassing aanzienlijk lager zullen zijn dan wanneer de persoon met beperkingen niet zou verhuizen.

Artikel 33. Uitsluitingen voor verstrekking financiële tegemoetkoming verhuizing en herinrichting aan inwoners met beperking

  • 1.

    Geen vergoeding wordt toegekend indien:

    • a.

      De oude woning is verlaten voordat een melding wordt gedaan.

  • In dit geval wordt er geen verhuiskostenvergoeding meer toegekend, tenzij er sprake was van een acute noodsituatie. Dit is conform artikel 9 lid 3 sub b van de verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026.

    • b.

      De oude woning is verlaten nadat de melding is gedaan maar voordat de vergoeding per beschikking is toegekend en de noodzaak en passendheid van de voorziening is niet meer achteraf te beoordelen. Onderzocht wordt wat in deze situatie de goedkoopst adequate oplossing was geweest. De omstandigheden van de oude woonruimte worden bij de besluitvorming betrokken. Dit is conform artikel 9 lid 3 sub c van de verordening Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026.

    • c.

      Bij de beoordeling van sub a en b geldt: woont een persoon met beperkingen niet meer in de woonruimte op het moment dat een aanvraag wordt ingediend, dan dient de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing achteraf beoordeeld te worden. Onderzocht wordt wat in deze situatie de goedkoopst adequate oplossing was geweest. De omstandigheden van de oude woonruimte worden bij de besluitvorming betrokken. Voor huurders geldt dat de financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing in beginsel niet verleend wordt als een huuropzegging heeft plaatsgevonden voordat bij de gemeente een aanvraag is ingediend. Als huuropzegging wordt beschouwd de laatste dag waarop voor de te verlaten woning nog huur verschuldigd was en leeg opgeleverd moet worden. Voor woningeigenaren geldt hetzelfde: de aanvraag moet zijn ingediend voor de dag waarop de woning leeg opgeleverd moet zijn. Als de aanvraag voor huuropzegging, of in geval van verkoop voor het leeg opleveren van de woning, is ingediend dan is het College in de gelegenheid advies in te winnen over de aard en omvang van de door belanghebbende ondervonden beperkingen en aan de hand van de door de extern adviseur uitgebrachte rapportage uit te maken wat in de gegeven omstandigheden de meest adequate oplossing is. Het College zal op basis hiervan een beslissing nemen over de aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing.

  • 2.

    Verhuizing naar bijzonder type woonruimte

    • a.

      Een financiële tegemoetkoming is uitgesloten voor verhuizing naar een woonruimte die niet bestemd is om het gehele jaar te bewonen (bijvoorbeeld verhuizing naar vakantiehuizen).

    • b.

      Als verhuisd wordt naar een Wlz-instelling, verzorgingshuis, verpleeghuis of een andere mede door de Wlz gefinancierde woonzorgvorm dan komt de persoon met beperkingen niet voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing in aanmerking.

    • c.

      Bij verhuizing naar een woonruimte waarvoor geen huurovereenkomst maar een verzorgingsovereenkomst is afgesloten komt men niet voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking.

  • 3.

    Algemeen gebruikelijke verhuizingen.

    • a.

      De kosten van een algemeen gebruikelijke verhuizing geven de inwoner met beperkingen geen meerkosten ten opzichte van anderen. Daarom wordt bij een algemeen gebruikelijke verhuizing geen financiële tegemoetkoming toegekend. Voorbeelden zijn:

      • i.

        Voor het eerst in Nederland zelfstandig gaan wonen, zoals kinderen die zelfstandig gaan wonen, immigranten die eerst bij familie of vrienden gaan inwonen en vervolgens een eigen woonruimte betrekken. Dit geldt ook voor remigranten;

      • ii.

        Verhuizen om economische redenen: een verhuizing die noodzakelijk is omdat elders ander werk wordt aanvaard;

      • iii.

        Verhuizen uit een woning waarvan duidelijk is dat bewoning tijdelijk was, bijvoorbeeld omdat er een tijdelijke huurovereenkomst is die op redelijk korte termijn eindigt.

    • b.

      Hierbij geldt dat per aanvraag een afweging wordt gemaakt op basis van de persoonlijke omstandigheden, gezinssituatie en woonsituatie. De capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien wordt ook bij de afweging betrokken.

Artikel 34. Verstrekking financiële tegemoetkoming verhuizing en herinrichting aan inwoners zonder beperkingen

  • 1.

    De gemeente stelt voor een verhuizing, waardoor een rolstoelgeschikte woning vrijkomt voor een persoon met beperkingen, een financiële tegemoetkoming beschikbaar.

  • 2.

    De hoogte van deze financiële tegemoetkoming is een door het College vastgesteld bedrag zoals deze is opgenomen in het Besluit Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning.

  •  

Hoofdstuk 10: Verplaatsingsvoorzieningen

Artikel 35. Criterium woonvoorziening

  • 1.

    Een verplaatsingsvoorziening is erop gericht dat inwoner een of meerdere van de volgende resultaten kan behalen:

    • het kunnen bereiken van winkels;

    • het kunnen onderhouden van sociale contacten;

    • het deelnemen aan activiteiten, al dan niet in de vorm van een algemene voorziening, binnen de leefomgeving van de inwoner;

    • de dagelijkse noodzakelijke verplaatsingen in en rondom de woning.

  • 2.

    Bij de beoordeling of een vervoersvoorziening noodzakelijk is voor de participatie van de inwoner, kijkt het College in elk geval naar:

    • de mogelijkheden tot participatie die de inwoner al heeft;

    • Algemeen gebruikelijke-, algemene- en voorliggende voorzieningen;

    • de situatie van de inwoner voordat hij geconfronteerd werd met zijn beperkingen;

    • de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie, die geen beperkingen hebben.

Artikel 36. Beoordelen resultaat verplaatsingsvoorziening

  • 1.

    Wanneer een inwoner problemen ervaart op het gebied van vervoer wordt onderzocht of en zo ja, welke beperkingen de inwoner heeft en wat de vervoersbehoefte is. Er wordt bekeken in hoeverre men zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien (met bijvoorbeeld een eigen vervoersmiddel, hulp kan inschakelen van het eigen netwerk (bijvoorbeeld: meerijden met de buurvrouw of opgehaald worden door een familielid), gebruik kan maken van een algemeen gebruikelijke of andere voorziening (bijvoorbeeld het reguliere OV), of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is.

  • 2.

    Om beperkingen en vervoersbehoefte inzichtelijk te maken worden drie soorten afstanden onderscheiden:

    • a.

      korte afstanden; loop- en fietsafstand in de directe omgeving (bijvoorbeeld om een brief te posten, kinderen naar school te brengen of de dichtstbijzijnde winkels te bezoeken);

    • b.

      middellange afstanden; dat zijn de afstanden die een persoon zonder beperkingen per fiets, bromscooter, auto of openbaar vervoer aflegt binnen de regio (bijvoorbeeld naar een (groter) winkelcentrum, ziekenhuis of uitgaanscentra);

    • c.

      lange afstanden; naar bestemmingen buiten de regio.

  • 3.

    Wat de ene persoon bijvoorbeeld een normale fietsafstand vindt is voor de ander een afstand om met de auto of het openbaar vervoer te gaan. Daarom zal individueel onderzocht worden op welke afstanden men beperkingen ondervindt en hoe deze het beste op te lossen zijn. Daarbij geldt dat College alleen rekening hoeft te houden met de verplaatsingen binnen de regio. Daarbij gaat het om het vervoer binnen het gebied van ± 15 tot 20 kilometer rondom het adres waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft. Alle buiten regionale vervoersdoelen (vanaf 25 km) vallen buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Hiervoor is Valys door de wetgever aangewezen.

Artikel 37. Aanvullende criteria voor vervoer

  • 1.

    Als een inwoner op de korte afstanden een probleem ervaart en er een substantiële behoefte is om zich op die afstanden te verplaatsen, wordt eerst beoordeeld of dit verholpen kan worden met een algemeen gebruikelijk voorziening zoals een stok, rollator, een scooter, bromfiets of een (elektrische) fiets. Alleen als andere oplossingen niet toereikend zijn, komt iemand in aanmerking voor een voorziening voor de korte afstanden, zoals een scootmobiel of een aangepaste fiets. Soms kan het vervoersprobleem van een inwoner zowel met een scootmobiel als met een aangepaste fiets zoals een driewielfiets worden opgelost. Een scootmobiel kan goedkoper zijn, maar de gemeente moet in die situaties ook rekening houden met de persoonskenmerken van de inwoner. Als iemand nog in staat is om te fietsen en dit ook graag wil, kan een scootmobiel de beperkingen mogelijk ‘overcompenseren’ en daardoor niet passend zijn. Maar als een aangepaste fiets alleen wordt aangevraagd met als doel om meer te bewegen is dit therapeutisch en heeft de gemeente geen compensatieplicht. De voorziening moet dus wel altijd noodzakelijk zijn om te voorzien in een participatiebehoefte van inwoner. Dan wordt onderzocht wat de goedkoopst adequate voorziening is voor inwoner.

  • 2.

    Wanneer een inwoner beschikt over bijvoorbeeld een scootmobiel of een aangepaste fiets, wordt er in principe geen andere maatwerkvoorziening voor vervoer ingezet tot en met 5 kilometer. Dit is immers de afstand die een inwoner kan afleggen met het hulpmiddel.

  • 3.

    Wanneer een inwoner beperkt wordt in zijn aanvaardbare mate van participatie en geen gebruik kan maken van een eigen auto of het reguliere openbaar vervoer, een algemene voorziening of het netwerk, kan de inwoner voor vervoer over de middellange afstanden in de regio in aanmerking komen voor collectief vervoer.

  • 4.

    Individueel vervoer wordt alleen in uitzonderingssituaties ingezet. Alleen wanneer (op basis van medisch advies) is vastgesteld dat collectief vervoer voor de betreffende inwoner niet voldoet (bijvoorbeeld in geval van onbeheersbare incontinentie of ernstige gedragsproblemen) kan de vervoerder gevraagd worden individuele ritten te verzorgen of een vergoeding voor gebruik eigen auto of vervoer door derden worden verstrekt.

  • 5.

    Een vergoeding voor het gebruik van de eigen auto wordt verder alleen verstrekt als dat in het concrete geval niet algemeen gebruikelijk is. Het uitgangspunt is dat het gebruik van de eigen auto algemeen gebruikelijk is. Ook iemand met een inkomen op minimumniveau wordt geacht de vervoerskosten te kunnen voldoen om in aanvaardbare mate deel te kunnen nemen aan het leven van alledag en sociale contacten te onderhouden. Alleen in bijzondere omstandigheden is daarom een vergoeding mogelijk. Bijvoorbeeld als de kosten veel hoger dan gemiddeld zijn, doordat iemand door zijn beperkingen ook voor alle verplaatsingen op de korte afstand de auto moet gebruiken of afhankelijk is van een auto met veel hogere gebruikskosten.

  • 6.

    Een vervoersvoorziening wordt niet ingezet om het inkomen te compenseren.

  • 7.

    In plaats van een maatwerkvoorziening kan er ook een algemene voorziening, zoals bijvoorbeeld een scootmobielpoule, worden ingezet ter compensatie. Hierbij wordt rekening gehouden met de belangen van de inwoner.

Artikel 38. Sportvoorziening

  • 1.

    De verstrekking van de financiële tegemoetkoming is bedoeld voor structurele sportbeoefening in verenigingsverband.

  • 2.

    De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor aanschaf van een noodzakelijke sportvoorziening wordt vastgelegd in het besluit Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning.

  • 3.

    De goedkoopst passende voorziening blijkt uit een door het College goedgekeurde kostenbegroting of uit een door de gemeente met de gecontracteerde leverancier(s) afgesloten overeenkomst.

  • 4.

    Als een financiële tegemoetkoming voor aanschaf van een sportvoorziening wordt verstrekt, kan zo nodig ook een financiële tegemoetkoming voor onderhoud, reparatie en WA-verzekering worden toegekend.

  • 5.

    Voor een niet-elektrisch aangedreven sportvoorziening wordt de financiële tegemoetkoming in beginsel verstrekt voor een periode van drie jaar, voor een elektrische aangedreven sportvoorziening wordt de financiële tegemoetkoming in beginsel verstrekt voor een periode van zes jaar.

Artikel 39. Stalling voor elektrische verplaatsingsvoorziening

  • 1.

    Een aanpassing van de woning die dient als stallingsmogelijkheid voor een verplaatsingsvoorziening is geen woningaanpassing, maar moet worden gezien als een voorwaarde verbonden aan de toekenning van de verplaatsingsvoorziening. De aanpassing is niet bedoeld om het de inwoner mogelijk te maken zich in en om de woning te verplaatsen.

  • 2.

    De stalling moet wind- en watervrij zijn en afsluitbaar met een slot (tuinpoort of deur). Dit houdt in dat het middel droog staat en (redelijk) afgeschermd is voor de wind en beschermd staan tegen diefstal en vernieling. Verder moet de stalling voldoen aan de geldende brandveiligheidseisen.

  • 3.

    Vormen van een stalling zijn: een inpandige berging/garage, een overkapping, een berging/tuinhuis of een scootmobielberging (Habox/Scootsafe).

  • 4.

    Indien er geen geschikte stalling aanwezig is of te realiseren is, dan kan er geen elektrische verplaatsingsvoorziening worden toegekend

 

Hoofdstuk 11: Persoonsgebonden budget (PGB)

Artikel 40. Motivatie/keuzevrijheid

  • 1.

    De keuze voor pgb kan blijken uit de manier waarop de inwoner zijn verzoek om een pgb motiveert. Het gaat om de keuze van de inwoner en niet van de in te huren ondersteuner of aanbieder. Wel kan iemand uit het eigen sociale netwerk, een vertegenwoordiger of een onafhankelijke inwonerondersteuner ondersteunen bij het motiveren van de aanvraag. Zij mogen zich niet laten betalen als belangenbehartiger vanuit het pgb.

  • 2.

    Niet het oordeel van het College is hierbij leidend, maar het oordeel van de inwoner. Dit geldt ook wanneer de gemeente in haar ogen een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod in natura heeft gedaan aan de inwoner. In deze gevallen kan de gemeente het pgb omwille van alleen de motivering niet weigeren, mits ook wordt voldaan aan de eerste en derde voorwaarde, zoals bedoeld in art. 13 van de verordening. Het afgeven van een pgb blijft uiteindelijk wel het besluit van het College.

Artikel 41. Meerkosten weigeren

Als de inwoner het pgb wenst te besteden aan een duurdere maatwerkvoorziening dan waar het College de hoogte van het pgb op heeft gebaseerd, geldt dat de inwoner de meerkosten zelf moet betalen. De meerkosten die door de inwoner aan de maatwerkvoorziening worden besteed wordt dan door het College geweigerd. Het College biedt wel de inwoner de mogelijkheid het verschil in budget zelf te financieren, als de voorziening die inwoner wil inkopen wel voldoet aan de doelstellingen uit het ondersteuningsplan en geldende kwaliteitseisen. Als de inwoner niet bereid is de meerkosten zelf te betalen en/of niet duidelijk is welke maatwerkvoorziening met het pgb zal worden ingekocht, weigert het College het totale pgb. Er kan dan wel een voorziening in natura worden toegekend.

Artikel 42. Besteding PGB

  • 1.

    Uitruil tussen voorzieningen is in principe niet mogelijk. Er kunnen in uitzonderlijke situaties op voorzieningenniveau specificaties zijn aangegeven wanneer er wel uitruil mogelijk is.

  • 2.

    De volgende uitgaven mogen vanuit het pgb gedaan worden:

    • a.

      Alle bijkomende kosten voor de zorgverleners, zoals de werkgeverslasten voor zorgverleners met een arbeidsovereenkomst en wettelijk toegestane vergoedingen, zoals reiskostenvergoedingen voor woon-werkverkeer, verlofregelingen en pensioenvoorziening.

    • b.

      Vervoerskosten van en naar de plek waar begeleiding geboden wordt (OMD), maar alleen als er een beschikking is voor begeleiding in dagdelen (dagbesteding), samen met een indicatie voor dit specifieke vervoer.

    • c.

      Kosten van ondersteuning die tijdens een tijdelijk verblijf in het buitenland van inwoner wordt voortgezet. Wanneer inwoner per kalenderjaar langer dan 6 weken of een aaneengesloten periode van 6 weken naar het buitenland gaat, dan moet hij vooraf toestemming vragen aan de gemeente om het pgb in het buitenland te besteden of dit opnemen in het ondersteuningsplan en budgetplan.

    • d.

      Als een pgb wordt beëindigd omdat de budgethouder is overleden, wordt het pgb door de SVB stopgezet. Het College beoordeelt bij de maatwerkvoorziening Ondersteuning Huishoudelijke hulp, om dit door de SVB te verlengen met 4 weken.

    • e.

      Als er sprake is van onverwacht opname in een zorginstelling van de budgethouder, kan in overleg met de budgethouder of diens gemachtigde, het toegekende budget voor 4 weken worden verlengd.

Artikel 43. Verantwoording PGB

  • 1.

    De budgethouder heeft een trekkingsrecht.

  • 2.

    Alle bestedingen worden door de SVB bijgehouden en zijn inzichtelijk voor de budgethouder en gemeente.

  • 3.

    De verantwoording is voor de budgethouder eenvoudiger doordat de gemeente vooraf toetst en het geld alleen besteed kan worden aan wat is afgesproken.

  • 4.

    De budgethouder dient verantwoording aan het College af te leggen over het bestede PGB bedrag. Ook moet de budgethouder bij de herwaardering/ (tussen)evaluatie van het ondersteuningsplan aan geven wat de behaalde resultaten zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet.

 

Hoofdstuk 12: Slotbepalingen

Artikel 44. Inwerkingtreding en citeertitel

Deze beleidsregels treden in werking per 1 januari 2026 en worden aangehaald als: Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2026.

Artikel 45. Intrekking oude beleidsregels

Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels, worden de Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning Enschede 2025 ingetrokken.

 

Vastgesteld in de vergadering van 9 december 2025

Burgemeester en Wethouders van Enschede,

de Secretaris, M.W. de Graaf

de Burgemeester, R.W. Bleker

Naar boven