Gemeenteblad van Nijmegen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nijmegen | Gemeenteblad 2025, 560618 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nijmegen | Gemeenteblad 2025, 560618 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen
De raad van de gemeente Nijmegen;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 oktober 2025;
gelet op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;
gelet op het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind;
gelet op de artikelen 2.1.2, 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet;
gezien het advies van de Adviescommissie Jeugd, Maatschappelijke opvang en Gehandicaptenbeleid, de RegenboogRaad Nijmegen, de Adviescommissie Kleurrijk Samenleven Nijmegen en de Seniorenraad;
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen
Hoofdstuk 1 Inleiding en algemene bepalingen
Dit hoofdstuk vormt de inleiding van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Nijmegen (hierna: verordening). Deze verordening bestaat uit drie delen: de inhoudelijke artikelen, een algemene toelichting en een artikelsgewijze toelichting. Deze verordening bevat door de gemeenteraad vastgestelde regels in aanvulling op de wettelijke regels uit en ter uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en de Jeugdwet. We vinden het wenselijk regels op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen in één verordening. In dit hoofdstuk wordt de betekenis beschreven van begrippen die vaak terugkomen in de tekst van deze verordening.
Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit een overige voorziening genoemd;
Gebruikelijke hulp in relatie tot jeugdhulp: de dagelijkse verzorging en/of opvoeding, begeleiding en toezicht die de (pleeg)ouder(s)/wettelijk vertegenwoordigers aan kinderen bieden. Dit gaat om hulp die naar algemene opvattingen in redelijkheid van (pleeg)ouders/wettelijk vertegenwoordigers mag worden verwacht. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft;
Mantelzorg: bovengebruikelijke hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. De hulp ontstaat rechtstreeks uit een tussen personen bestaande sociale relatie en wordt niet verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;
Hier beschrijven we de manier waarop een cliënt een hulpvraag bij het college kan melden, welke stappen het college vervolgens zet en wat het college van de cliënt verwacht.
Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de hulpvraag ook worden gemeld bij een andere volgens de wet bevoegde verwijzer naar jeugdhulp. De aanbieder beoordeelt vervolgens welke maatwerkvoorziening nodig is met een onderzoek. Dit onderzoek gaat op dezelfde manier zoals het college dit doet. In de beoordeling wordt de eigen kracht, het sociaal netwerk, voorliggende voorzieningen en de goedkoopst passende voorziening betrokken.
Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de huisarts, medisch specialist of jeugdarts de cliënt verwijzen naar jeugdhulp. Als de aanbieder niet gecontracteerd is door het college of geen subsidie ontvangt van het college, wordt er geen vergoeding voor deze hulp verstrekt. Dit geldt alleen wanneer het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder
De cliënt deelt voor het gesprek alle informatie met het college of de andere organisatie die volgens het college of de andere organisatie nodig is voor het onderzoek. Dit is de informatie waar de cliënt volgens het college of de andere organisatie in redelijkheid over beschikt of kan beschikken. Op verzoek verstrekt de cliënt een document waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld, zoals een paspoort of rijbewijs.
Naar aanleiding van de melding voert het college of de andere organisatie een onderzoek uit. Dit onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek, tenzij sprake is van de situatie bedoeld in lid 4 van dit artikel. Het college of de andere organisatie legt de cliënt de gang van zaken uit bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure.
Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorziening
In dit hoofdstuk wordt beschreven wanneer een maatwerkvoorziening ingezet wordt en wanneer niet. De maatwerkvoorziening kan worden verstrekt als zorg in natura of via een persoonsgebonden budget (pgb). Zorg in natura betekent dat de zorg door het college is ingekocht bij een aanbieder.
Artikel 8. Een maatwerkvoorziening
Een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 houdt altijd rekening met de uitkomsten van het onderzoek van artikel 5 van deze verordening. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan de behoefte van beschermd wonen en opvang en/of het creëren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot:
Een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet houdt altijd rekening met de uitkomsten van het onderzoek van artikel 5 van deze verordening. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het creëren van een situatie waarin de jeugdige in staat gesteld wordt:
Daarbij wordt rekening gehouden met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
De verstrekking van de maatwerkvoorziening respijtzorg, zoals bedoeld in artikel 2.3, derde lid Jeugdwet, en artikel 1.1.1, eerste lid Wmo 2015, om de ouders, c.q. mantelzorger(s) tijdelijk te ontlasten, met als doel hen in staat te stellen om hun rol als verzorgers en opvoeders, c.q. mantelzorger te blijven vervullen is in beginsel tijdelijk tot maximaal 1 jaar.
Als de cliënt een verlenging van de maatwerkvoorziening wenst, dient de cliënt zich uiterlijk acht weken voor de einddatum van de maatwerkvoorziening te melden bij het college of de andere organisatie. De melding dient te zijn voorzien van een gezamenlijk met de (pgb-)aanbieder opgesteld evaluatieverslag. De termijn voor het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2, lid 3 start pas zodra het evaluatieverslag is aangeleverd.
Artikel 9 Eigen kracht in de Jeugdwet
Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening indien en voor zover de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders, al dan niet met behulp van het sociaal netwerk of andere voorzieningen, voldoende is om in de behoefte aan hulp en ondersteuning te voorzien. Dit vraagt een zorgvuldige individuele beoordeling die rekening houdt met de achtergrond van de specifieke problematiek van de jeugdige en zijn ouders.
De wettelijke verzorgings- en opvoedingsplicht die ouders in relatie tot de jeugdige hebben, vormt het uitgangspunt voor de beoordeling. Deze plicht omvat de verantwoordelijkheid tot:
Het bieden van een bij de leeftijd van de jeugdige passende opvoeding en verzorging die bijdraagt aan de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid en de persoonlijkheid van de jeugdige, ook rekening houdend met de toenemende mondigheid van de jeugdige om zichzelf naar eigen inzicht te ontwikkelen, en;
Als er sprake is van bovengebruikelijke hulp, neemt het college in haar onderzoek de balans tussen draagkracht en draaglast mee. De draagkracht van de ouders moet groot genoeg zijn om de draaglast aan te kunnen. Bij het vaststellen van die balans maakt het college een onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties.
Van een kortdurende situatie is sprake wanneer uitzicht op herstel van het probleem bestaat en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit gaat over een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. Het college gaat er in dit geval vanuit dat ouders alle hulp zelf bieden en dat de draagkracht en draaglast in balans zijn.
Van een langdurende situatie is sprake wanneer het een chronische situatie betreft. Hierbij is de verwachting dat de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig zal zijn of meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. Het college gaat er in dit geval vanuit dat, als zij vaststelt dat draagkracht en draaglast naar algemene opvattingen in balans zijn, ouders alle hulp zelf bieden.
Voor alle woonvoorzieningen geldt bovendien dat een woonvoorziening niet wordt verstrekt:
voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, behalve automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;
Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een (pgb)aanbieder waarin de maatschappelijke ondersteuning en/of jeugdhulp mede afhankelijk is van een woonruimte die door de aanbieder geboden wordt of omgekeerd, tenzij:
Artikel 13. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Wanneer zich nieuwe feiten of omstandigheden voordoen en deze van invloed kunnen zijn op de beslissing, doet de cliënt hiervan zo snel mogelijk mededeling. Deze verplichting geldt ook als er niet expliciet naar gevraagd wordt. Deze mededeling kan bij het college of de andere organisatie gedaan worden.
Als een cliënt een pgb of maatwerkvoorziening had, waar hij geen recht op bleek te hebben, kan het college de (waarde van de) voorziening terugvorderen van de cliënt. Dit kan alleen als de cliënt begreep of had moeten begrijpen dat hij de voorziening ten onrechte kreeg. Bij pgb kan in plaats van terugvordering verrekend worden met nog te verstrekken pgb of een andere periodieke uitkering.
Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget (pgb)
Een maatwerkvoorziening kan in de vorm van een pgb worden verstrekt. In dit hoofdstuk wordt beschreven welke regels gelden voor een pgb en hoe de hoogte van een pgb bepaald wordt. De cliënt die een pgb ontvangt, noemen we dan budgethouder.
Artikel 15. Hoogte van het pgb
De omvang van een pgb voor een vervoersvoorziening in de vorm van een jaarlijks bedrag voor het gebruik van een (eigen) auto of (rolstoel) taxi is gelijk aan het maximaal aantal kilometers waarin de Wmo compenseert (2000km) vermenigvuldigd met een kilometervergoeding die aansluit bij de richtlijnen van de VNG. De kilometervergoeding is een forfaitair bedrag voor gebruik van eigen auto of vervoer, bedoeld voor kosten zoals brandstof, afschrijving, verzekering en onderhoud.
Artikel 16. Regels voor pgb-beheer
Pgb-beheer is het regie voeren over de (ingekochte) ondersteuning. De cliënt doet het pgb- beheer in beginsel zelf. Als de cliënt het pgb-beheer niet zelf uit kan voeren, kan dat gedaan worden met de hulp van iemand uit het sociaal netwerk of een professional. Voor beschermd wonen geldt dat er altijd sprake moet zijn van pgb-beheer door een ander dan de budgethouder.
De pgb-beheerder moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van zijn cliënt en stelt het belang van de cliënt centraal en, in geval van jeugdhulp, het belang van de jeugdige. Van belangenverstrengeling mag geen sprake zijn. Hier is in ieder geval sprake van in de volgend situaties:
Artikel 17. Regels voor de pgb-aanbieder
Het college kan een aanbieder in een aanbestedingstraject al op kwaliteit beoordeeld hebben. Wanneer het college de kwaliteit van die aanbieder negatief beoordeelde, worden 1 jaar na die beoordeling geen pgb’s aan een cliënt toegekend voor deze aanbieder. Als na afloop van dat jaar de kwaliteit van de aanbieder zodanig verbeterd is of aan de kwaliteitseisen voldaan wordt, kan de aanbieder bij het college het verzoek indienen om opnieuw beoordeeld te worden.
Artikel 18. Regels voor pgb informele ondersteuning
De persoon uit het sociaal netwerk moet minstens 18 jaar oud zijn en beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ of ‘screeningsprofiel 75’ of ‘screening nummers 12, 41, 43, 84 en 85’. Deze VOG is bij de start van de hulp nooit ouder dan drie maanden.
Artikel 19 Weigeringsgronden pgb
De wet bevat voorwaarden en weigeringsgronden om een pgb wel of niet te verstrekken. Aanvullend daarop wordt een pgb niet of niet langer verstrekt wanneer:
op grond van aanwijzingen uit het onderzoek in artikel 5 van deze verordening het ernstige vermoeden is ontstaan dat de cliënt problemen zal hebben bij het omgaan met een pgb. Dit is onder andere het geval wanneer de cliënt last heeft van verslavings- of schuldenproblematiek of een verleden kent van misbruik van en/of fraude met een pgb;
Artikel 20 Besteding en verantwoording van het pgb
De budgethouder verantwoordt zijn uitgaven in het pgb aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Wanneer sprake is van maandbedragen, moeten de budgethouder en de pgb-aanbieder de geleverde zorg kunnen verantwoorden in uren en/of dagdelen. Bij een eenmalige pgb voor een hulpmiddel, woningaanpassing of vervoersmiddelen verantwoordt de budgethouder de uitgaven door op verzoek een factuur te overleggen aan het college of de andere organisatie.
Hoofdstuk 5 Bijdragen en tegemoetkomingen
Dit hoofdstuk gaat over de verplichte eigen bijdrage voor een algemene of maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Ook worden eventuele tegemoetkomingen in kosten van de inwoner behandeld.
Artikel 21. Bijdrage in de kosten Wmo 2015
Een cliënt betaalt een bijdrage in de kosten voor het gebruik van de algemene voorziening en maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang. Het vaststellen en innen van de eigen bijdrage voor de voorziening maatschappelijke opvang vindt plaats door de aanbieder die de opvang verzorgt, tenzij het college in de afspraken met de aanbieder hiervan afwijkt. Voor de (tijdelijke) uitbreiding van de opvangcapaciteit met een voorziening, waar zowel maatwerkvoorzieningen opvang worden geboden, als eerste opvang (zonder beschikking) na beoordeling van de Centrale Toegang Maatschappelijke Opvang (GGD) geldt een afwijkende eigen bijdrage van 12 euro per dag.
Artikel 24. Tegemoetkoming meerkosten inwoners met een beperking of chronische problemen
Het college kan een eenmalige tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting verstrekken aan inwoners die meerkosten hebben voor hun huisvesting tijdens de realisatie van een verstrekte of te verstrekken woningaanpassing. De tegemoetkoming voor meerkosten voor tijdelijke huisvesting wordt verstrekt voor een periode van maximaal zes maanden. De vergoeding vindt plaats op basis van de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van de kosten per maand van een sociale huurwoning met een maandelijkse huur van maximaal de huurgrens zoals vastgesteld door de Rijksoverheid.
Het college controleert naleving van de kwaliteitseisen door middel van handhavingsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden uitgewerkt in hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarnaast houdt het college een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Indien nodig controleert het college met de cliënt ter plaatse de geleverde voorzieningen.
Artikel 27. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
Wanneer calamiteiten of geweld bij het verstrekken van een voorziening door de aanbieder plaatsvinden, moet de cliënt hierover melding kunnen doen. Het college treft hiervoor een regeling. Ook wijst het college een toezichthoudend ambtenaar aan in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve ondersteuning van jeugdigen.
De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve jeugdondersteuning. Daarnaast adviseert de toezichthoudend ambtenaar het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Artikel 29. Klachtregeling en medezeggenschap
Het college controleert de naleving van de klachtregelingen en de mogelijkheid tot medezeggenschap door middel van handhavingsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden uitgewerkt in hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarnaast houdt het college periodieke gesprekken met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Hoofdstuk 7 Controle, toezicht en handhaving
Artikel 30. Controle en onderzoek
Het college ziet toe op de naleving van de Wmo 2015 (op het gebied van kwaliteit en rechtmatigheid) en Jeugdwet (op het gebied van rechtmatigheid). Ook let het college op de naleving van de op basis van de wet opgestelde overeenkomsten of subsidiebesluiten. Hiervoor wijst het college toezichthouders aan.
De volgende typen onderzoek kunnen worden ingezet:
fraudeonderzoek: onderzoek waarbij nagegaan wordt of fraude in de vorm van valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering gepleegd is of wordt. Met de fraude wordt een betaling of een ander voordeel verkregen waarop iemand geen recht heeft of kan hebben. Fraude kan gepleegd worden door de (pgb-)aanbieder en de pgb-budgethouder.
Als de toezichthouder oordeelt dat een situatie zo ernstig is dat het nemen van maatregelen niet kan wachten, kan de toezichthouder namens het college een schriftelijk bevel met maatregelen sturen aan een aanbieder. Wanneer dit om een pgb-aanbieder gaat, stelt de toezichthouder de budgethouder zo snel mogelijk op de hoogte van het bevel.
Artikel 42. Betrekken van inwoners bij het beleid
Inwoners kunnen tijdig voorstellen voor het beleid uit lid 1 doen en deelnemen aan periodiek overleg. Hierbij kunnen zij zelf onderwerpen aanmelden voor de agenda. Daarnaast zorgt het college ervoor dat inwoners tijdig advies kunnen uitbrengen over de besluitvorming over verordening en beleidsvoorstellen. Inwoners worden ondersteund om deze rol effectief te kunnen vervullen. Het college kan hierover nadere regels vaststellen.
Artikel 43. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen 2025. Dit geldt totdat het college een nieuw besluit heeft genomen en het voorgaande besluit waarmee de voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 17 december 2025,
De Griffier,
drs. S.J. Ruta
De voorzitter
drs. H.M.F. Bruls
Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Nijmegen
Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en de Jeugdwet. Het college heeft hier bestuurlijke en financiële taken in gekregen van de landelijke overheid. De uitvoering hiervan zal vaak namens het college gedaan worden door deskundige consulenten of deskundigen van andere organisaties.
Centraal in beide wetten staat zelf- en samenredzaamheid en het kunnen meedoen in de maatschappij (participatie). Voor jeugdigen en hun ouders geldt daarnaast dat de jeugdige gezond en veilig op moet kunnen groeien. Beide wetten kennen eenzelfde beoordelingssystematiek om te onderzoeken welke hulp nodig is en welke hulp (al) geboden kan worden. Voor het werkproces en de beoordeling van de behoefte aan jeugdhulp is in deze verordening aansluiting gezocht bij de Wmo 2015. Via de
Vraaghulp-website (www.vraaghulpnijmegen.nl) is meer informatie te vinden over hoe de toegang tot hulp er in de praktijk uit ziet.
Bij het uitvoeren van de verordening moet altijd oog worden gehouden voor schrijnende situaties. Bij schrijnende situaties kan worden afgeweken van de verordening.
Toegang maatschappelijke opvang
Het onderzoek voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang wordt uitgevoerd door de Centrale toegang maatschappelijke opvang (CTMO) van de GGD Gelderland-Zuid. Toegang tot de vrouwenopvang wordt onderzocht door Moviera.
Toegang maatwerkvoorzieningen op grond van de jeugdwet
Belangrijk om te benoemen is dat de toegang tot maatwerkvoorzieningen op grond van de jeugdwet op verschillende manieren plaats kan vinden:
Deze verordening richt zich voor jeugdigen vooral op de toegang tot jeugdhulp via het college. De Buurtteams Jeugd en Gezin, of de Regieteams voeren namens het college het (voor)onderzoek uit en leggen de uitkomsten vast in het verslag. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek neemt het college vervolgens een besluit over de maatwerkvoorziening.
In de Jeugdwet staat dat de jeugdhulp ook toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Een jeugdige kan met zo'n verwijzing terecht bij de aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft. De aanbieder zal dan beoordelen welke maatwerkvoorziening nodig en passend is. De aanbieder houdt zich in deze beoordeling aan de regels in deze verordening en de (subsidie)afspraken die hij met de gemeente gemaakt heeft over de rol van de gemeente en de jeugdhulp. Artikel 12 en verder zijn bij deze toegang van overeenkomstige toepassing.
Een andere ingang tot jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. Wanneer de rechter een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering oplegt, is de gecertificeerde instelling verplicht te overleggen met de Buurtteams Jeugd en Gezin. Het college is verplicht de jeugdhulp in te zetten die de rechter en de gecertificeerde instelling nodig vinden. Wel is de gecertificeerde instelling hierbij gebonden aan de door het college gecontracteerde aanbieders. Deze toegang is vastgelegd in de Jeugdwet. Daarom komt het niet terug in deze verordening.
Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast onderzoekt Veilig Thuis, indien nodig, op basis van een signaal of er sprake is van kindermishandeling. Het onderzoek kan aanleiding geven de ouders te helpen in het accepteren van jeugdhulp. Veilig Thuis kan daarvoor contacten leggen met aanbieders. Deze toegang is vastgelegd in de Jeugdwet. Daarom komt het niet terug in deze verordening.
Niet iedere bepaling behoeft toelichting. Daarom volgt alleen een toelichting bij de artikelen waar dat nodig is.
c: algemeen gebruikelijke voorziening:
Het college onderzoekt of een voorziening algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. Hierbij staat de vraag of de cliënt ook over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken zonder beperkingen. Bij dat onderzoek spelen deze criteria een rol:
Gebruikelijke hulp is gedefinieerd in de Wmo 2015. Het idee achter het begrip is dat de gemeente geen ondersteuning hoeft te bieden als de bewuste ondersteuning normaal gesproken binnen de huiselijke kring wordt opgelost. Er is geen reden waarom deze logica niet ook zou opgaan voor jeugdhulp.
Omdat het begrip in de Jeugdwet niet voorkomt, is het in deze verordening opgenomen.
In artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo 2015 staat dat het college de melding naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning onderzoekt. Ook in artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet staat zo’n opdracht. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan. Dat betekent dat de cliënt zelf een melding kan doen, maar ook een andere persoon uit het netwerk van de cliënt.
De melding hoeft niet in een bepaalde vorm gedaan te worden: dit kan schriftelijk, mondeling of telefonisch. In de praktijk wordt de melding vaak bij de door het college aangewezen deskundigen gedaan. Bij welke deskundigen een melding kan worden gedaan is te vinden op de Vraaghulp-website (www.vraaghulpnijmegen.nl)
Artikel 3. Cliëntondersteuning
Dit artikel heeft geen toelichting nodig.
Dit artikel is een uitwerking van verplichtingen in de wet waarmee we een zorgvuldige procedure waarborgen.
Dit artikel is een uitwerking van verplichtingen in de wet waarmee we een zorgvuldige procedure waarborgen. In de verordening wordt gesproken over het gesprek en het onderzoek. Het onderzoek is een term uit de wet. Met het gesprek of het onderzoek wordt hetzelfde bedoeld.
Het gesprek wordt waar mogelijk ook gehouden met de mantelzorger(s) of de vertegenwoordiger van de cliënt. Het is aan de professional van het college of de andere organisatie om te bepalen wie bij het gesprek nodig zijn.
Het gesprek vindt indien mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Vooral bij gevraagde woningaanpassingen kan de thuissituatie zo goed beoordeeld worden en kan worden bepaald welke oplossingen of aanpassingen nodig zijn.
Het gewenste resultaat wordt specifiek besproken tijdens het gesprek. Daaraan kan namelijk later worden beoordeeld of een voorziening passend geweest is.
Het gesprek hoeft niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de cliënt al bekend is bij het college en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.
Voor het doen van zorgvuldig onderzoek en goede dossiervorming is het nodig dat een verslag wordt opgesteld. De verplichting tot het opstellen van een verslag volgt ook uit de wet. Het verslag wordt in principe schriftelijk opgesteld. Het verslag vormt de basis voor de aanvraag. Bij eenvoudige onderzoeken kan het verslag kort zijn. Bij complexere onderzoeken is een uitgebreider verslag noodzakelijk.
De Wmo 2015 bepaalt dat het college binnen 2 weken na ontvangst van de aanvraag een besluit neemt. Dit besluit wordt vastgelegd in de beschikking aan de cliënt. De Jeugdwet geeft deze termijn niet. Voor aanvragen van jeugdhulp wordt daarom aansluiting gezocht bij de Wmo 2015.
Artikel 8. Een maatwerkvoorziening
Dit artikel heeft geen toelichting nodig.
Artikel 9. Eigen kracht in de Jeugdwet
Dit artikel is opgenomen naar aanleiding van uitspraken van de rechter. Het college moet ‘eigen kracht’ en wat daaronder valt in de Jeugdwet regelen in de verordening. Zo niet, dan kan het daar geen beroep op doen. Voor de Wmo is wat onder eigen kracht wordt verstaan opgenomen in de beleidsregels.
In de wet is een verplichting opgenomen om afwijzingsgronden in de verordening op te nemen. Dit is herhaald in verschillende uitspraken van de rechter. Zonder opname in de verordening kan het college hier geen beroep op doen. Dit versterkt de rechtspositie van de cliënt.
In lid 1 zijn de afwijzingsgronden opgenomen. Om volledig te zijn over alle mogelijke afwijzingsgronden, zitten hier ook afwijzingsgronden uit de wet bij.
Lid 1 onderdeel d: om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en maatschappelijke opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval inwoner van Nederland zijn, maar niet per se van de gemeente Nijmegen. Waar iemand inwoner is, hangt af van de concrete feiten en omstandigheden. De inschrijving in de Basisregistratie Personen is daarbij een belangrijke indicatie.
Lid 1 onderdeel j: een van de gronden is dat het college de goedkoopst passende voorziening verstrekt. Dit geeft het college de mogelijkheid te sturen in beleid. Een duurdere voorziening die niet per se passender is, wordt in principe niet vergoed. Bruikbaarheid, technische en functionele aspecten en kwaliteitsaspecten wegen mee in het bepalen of iets het goedkoopst passende is. Als de cliënt bereid is het prijsverschil te betalen, is het uiteraard mogelijk een duurdere dan de goedkoopst passende voorziening te verstrekken.
Lid 2 onderdeel b benadrukt dat de woning waar de aanpassing zou moeten plaatsvinden het duurzaam hoofdverblijf van de cliënt is. De woning moet daar ook voor bestemd zijn. Bij de beoordeling van het duurzaam hoofdverblijf zijn de feitelijke omstandigheden leidend. Inschrijving in het BRP geldt daarvoor als een indicatie.
Bij lid 3 onderdeel a kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vertonen van geweld en agressief gedrag.
Bij lid 3 onderdeel d kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ernstige verslaving of acute psychische problematiek. Hiervoor is mogelijk behandeling met opname in een instelling of kliniek noodzakelijk.
Gemengde huur-/ondersteuningsovereenkomsten worden niet geaccepteerd. De gemeente of de cliënt moet de aanbieder kunnen aanspreken op de geleverde ondersteuning. Dit kan niet wanneer vrees bestaat voor het verlies van huisvesting van de cliënt. Daarnaast moet de cliënt vrij kunnen wisselen van aanbieder. Dit geldt ook voor het mogelijk wijzigen van de indicatie bij een verlengingsverzoek of heroverweging. Wanneer de ondersteuning en huisvesting samenvallen, vertroebelt het toezicht op kwaliteit van ondersteuning. Dit bemoeilijkt eventuele handhaving. De aanbieder heeft dan dubbele financiële belangen, wat volgens de als oneigenlijk gebruik van de voorziening moet worden aangemerkt. Het belang van de cliënt staat altijd voorop.
In het artikel zijn twee uitzonderingsgronden opgenomen. Voor wat betreft de tweede uitzondering gaat het om projecten waarin het college samenwerkt met woningcorporaties, zoals Housing First en de Werkgroep Bijzondere Bemiddeling.
Artikel 12. Inhoud beschikking
Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Een pgb kan toegekend worden als de cliënt dit wenst en voldoet aan de criteria.
In de beschikking wordt het beoogde resultaat opgenomen. Het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. In de beschikking kan voor wat betreft het resultaat en de relevante voorliggende voorzieningen verwezen worden naar het onderzoeksverslag.
In de beschikking wordt alleen opgenomen of een eigen bijdrage verschuldigd is. Voor jeugdhulp wordt geen eigen (ouder)bijdrage gevraagd.
Artikel 13. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Volgens de wet moeten in de verordening regels opgenomen worden die gaan over het onterecht ontvangen van een voorziening of pgb. Hieronder valt ook misbruik of oneigenlijk gebruik van een voorziening of pgb.
Artikel 14. Algemene regels voor pgb
Het college kan op grond van de wet een pgb verstrekken. Belangrijk is dat een pgb alleen wordt verstrekt wanneer de cliënt dit (gemotiveerd) vraagt. Met de motivatie wordt verzekerd dat het verkrijgen van een pgb de wens van de cliënt zelf is. Voor jeugdhulp geldt aanvullend hierop dat de cliënt motiveert dat de voorziening in natura niet passend is. Dit is een eis uit de wet (artikel 8.1.1 lid 2 onderdeel b Jeugdwet). De eis van het pgb-plan (lid 1)/offerte (lid 2) maakt ook duidelijk dat het in principe niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.
Artikel 15. Hoogte van het pgb
In de wet is opgenomen dat een pgb-aanvraag geweigerd kan worden als de kosten voor een pgb hoger zijn dan de kosten van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening (in natura). Dat het pgb geweigerd kan worden, betekent niet dat het pgb altijd of volledig geweigerd wordt of moet worden. De cliënt kan bijvoorbeeld zelf bijbetalen wanneer de kosten van zijn gewenste aanbieder hoger zijn dan het tarief. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de goedkoopst passende ingekochte maatwerkvoorziening door het college.
De professionele tarieven zijn afgeleid van de tarieven van gecontracteerde aanbieders. Pgb- aanbieders moeten aan minder eisen voldoen dan gecontracteerde aanbieders. Hierbij valt te denken aan werken met berichtenverkeer, deelname aan aanbestedingsprocedures, contractmanagement- en netwerkgesprekken en het door een accountant laten controleren van de financiële productieverantwoording. Ook heeft de pgb-beheerder verantwoordelijkheden die, bij sommige gecontracteerde inzet, gedeeltelijk door de aanbieder moeten worden uitgevoerd (bijv. afspraken maken met andere organisaties over de aansluiting van hulp). Voor beschermd wonen intramuraal geldt bovendien dat de huisvestingskosten, die bij gecontracteerd aanbod worden vergoed vanuit het tarief, in pgb géén onderdeel zijn van het tarief. Huur mag namelijk niet betaald worden vanuit een pgb. Bovengenoemde verschillen hebben effect op de overhead en productiviteit en daarmee ook het pgb-tarief. Dit effect kent enige variatie, omdat het aandeel van de overhead en productiviteit in de tarieven van maatwerkvoorzieningen ook verschilt.
Artikel 16. Regels voor pgb-beheer
In de praktijk komt het regelmatig voor dat cliënten ondersteuning krijgen bij het beheren van het pgb. In dit artikel zijn enkele nadere eisen opgenomen waar pgb-beheer aan moet voldoen. Als de cliënt in het geheel geen regie kan voeren, is het pgb niet de aangewezen verstrekkingsvorm.
Artikel 17. Regels voor de pgb-aanbieder
Het is niet de bedoeling dat pgb-aanbieders zich niet aan kwaliteitskaders hoeven te houden. We willen namelijk dat cliënten ook via het pgb kwalitatief goede zorg en ondersteuning ontvangen. Het college moet op de hoogte zijn van deze kwaliteit. Daarom worden in deze verordening kwaliteitseisen opgenomen voor de pgb-aanbieder.
Artikel 18. Regels voor pgb informele ondersteuning
Dit artikel ziet op de situatie waar het pgb wordt besteed in het sociaal netwerk. Het sociaal netwerk bestaat uit personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Dit kunnen ook mantelzorgers zijn.
Artikel 19 Weigeringsgronden pgb
In dit artikel is opgenomen wanneer een pgb geweigerd kan worden.
In lid 1c is bepaald dat een pgb niet verleend wordt bij maatschappelijke opvang. Dit is vanwege de lage zelfredzaamheid van de doelgroep voor maatschappelijke opvang.
Lid 2b: Mantelzorg is onbetaald en gaat in principe voor op een maatwerkvoorziening. Vanuit die gedachte is het niet logisch dat iemand uit het sociaal netwerk pgb-zorg gaat leveren. Uitzonderingen hierop zijn mogelijk. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Dit blijft echter altijd maatwerk.
Lid 2d: hulp bij de ontwikkeling van de zelfstandigheid en autonomie, en ruimte om zelf te doen en ontdekken is onderdeel van de gebruikelijke hulp die ouders verwacht worden te bieden, al dan niet met behulp van het sociale netwerk. Uitgangspunt is dat kinderen moeten loskomen van de afhankelijkheid van ouders en een niveau van autonomie moeten ontwikkelen dat past bij hun ontwikkeling. Soms kan dit ook betekenen dat het in het belang van de ontwikkeling van het kind is dat hulp niet wordt geboden door een naaste. In het onderzoek moet daarom goed beoordeeld worden of professionele distantie gewenst is.
Artikel 20 Besteding en verantwoording van het pgb
Dit artikel heeft geen toelichting nodig.
Artikel 21. Bijdrage in de kosten ( Wmo 2015)
Voor maatschappelijke ondersteuning is de cliënt een eigen bijdrage verschuldigd. Dit artikel bevat de kaders bij deze bijdrage en zondert bepaalde voorzieningen uit.
Lid 4: deze (tijdelijke) voorziening biedt begeleiding en faciliteiten die passen bij een maatwerkvoorziening gericht op door- en uitstroom. Dit rechtvaardigt een hogere bijdrage dan de 6 tot 8 Euro voor de reguliere eerste opvang. De hoogte van de bijdrage is afgestemd met Iriszorg en wordt zo mogelijk ingehouden op de uitkering.
Lid 5: het gaat hier niet om een eigen bijdrage zoals bedoeld in de wet. Wmo-vervoer is een tegemoetkoming die compenseert voor wat het gebruikelijke overstijgt. Het gebruikelijke betaalt de cliënt. Deze kosten zij vergelijkbaar met de kosten van het openbaar vervoer.
Artikel 22. Berekening en hoogte bijdrage in de kosten voorzieningen (Wmo 2015)
Dit artikel heeft geen toelichting nodig.
Artikel 23. Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleegouders
Dit artikel heeft geen toelichting nodig.
Artikel 24. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.
Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend maar geeft de cliënt wel het voordeel dat hij zelf een bedrag in handen krijgt waarmee meer eigen regie heeft bij de inkoop van de gewenste voorziening. Indien hij het geld niet aanwendt voor dit doel, kan op grond van de subsidietitel van de Awb worden gehandhaafd. Indien hij later wederom een aanvraag zou doen voor maatschappelijke ondersteuning, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden in zijn situatie zijn, kan deze aanvraag worden afgewezen op grond van de Awb onder verwijzing naar de eerdere beschikking ter verstrekking van de tegemoetkoming.
Artikel 25 Tegemoetkoming geslachtsregistratie
Dit artikel heeft geen toelichting nodig.
Kwaliteitseisen van de voorzieningen en eisen over de deskundigheid van het personeel moeten voor Wmo-voorzieningen in de verordening opgenomen worden. Het is aan de gemeente om te bepalen welke kwaliteitseisen dit zijn. Het uitgangspunt zijn de kwaliteitseisen benoemd vanaf artikel 3.1 Wmo 2015. Dit artikel in de verordening is een uitwerking van de verplichting uit de Wmo 2015. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit moet zijn, geeft de gemeenten veel ruimte om in overleg met cliëntenorganisaties en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden. Dit artikel sluit ook aan bij kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zoals opgenomen in paragraaf 4.1 van de Jeugdwet.
Artikel 27. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
In de wet is opgenomen dat calamiteiten gemeld moeten worden bij een toezichthouden ambtenaar. In Het melden van calamiteiten is landelijk geregeld voor jeugdhulp, -bescherming en -reclassering bij de Inspectie Jeugdzorg. In aanvulling daarop is in de verordening ook een bevoegdheid voor het college opgenomen om een toezichthouder Jeugdwet aan te wijzen.
Artikel 28. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorzieningen
De wet bepaalt dat de verordening regels moet bevatten over de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en kwaliteit van een voorziening. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs, bevat dit artikel een aantal andere aspecten waar het college rekening mee dient te houden. Daarbij moet voor diensten zoals begeleiding rekening gehouden worden met de deskundigheid van het personeel. Het uitgangspunt is dat aanbieders kundig personeel inzetten met arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Om flexibel te blijven bij de inkoop is niet opgenomen welke kosten precies een rol moeten spelen. Reizen, opleidingen en administratie vallen onder ‘overheadkosten’.
Artikel 29. Klachtregeling en medezeggenschap
Dit artikel borgt dat de aanbieders een regeling hebben voor de afwikkeling van klachten en een regeling voor medezeggenschap. Het college ziet hierop toe.
Artikel 30. Controle en onderzoek
Op grond van de wet moet de verordening regels bevatten over bestrijding van het ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen of pgb. Dit betreft ook misbruik of oneigenlijk gebruik zoals fraude. Het college voert periodiek controle uit naar het gebruik en de bestedingen van maatwerkvoorzieningen.
Dit artikel geeft het college grondslag Wmo-toezichthouders aan te wijzen. Ook vormt het de basis om toezichthouders rechtmatigheid Jeugdwet aan te wijzen. Toezicht op kwaliteit van jeugdhulp in algemene zin is landelijk belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Controle op rechtmatigheid betreft zorg in natura én pgb-zorg, wettelijke bepalingen, landelijke en lokale regelgeving, afgesloten overeenkomsten en subsidierelaties.
Dit artikel heeft geen toelichting nodig.
Dit artikel heeft geen toelichting nodig.
De geconstateerde bevindingen worden door de toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport of frauderapport (bij fraudesignalen). De toezichthouder stuurt het rapport naar de gemeente. Daarna wordt het openbaar gemaakt. Het rapport kan wegens zwaarwegende redenen geheim blijven. Dit is bijvoorbeeld het geval bij fraudeonderzoeken.
De aanbieder kan via de toezichthouder op feitelijke onjuistheden in het rapport reageren. Dit is nog geen hoor-wederhoor in het kader van een voorgenomen besluit. Dat gaat namelijk via de gemeente.
Dit artikel heeft geen toelichting nodig.
De genoemde hersteltermijn in dit artikel is een uitgangspunt. In de praktijk wordt de hersteltermijn afgestemd worden op de aangetroffen situatie, houding en gedrag van de aanbieder. Ook eventuele eerdere constateringen bij de aanbieder en de veiligheid van cliënten spelen een rol.
Artikel 36. Cliëntenstop en verscherpt toezicht
Een cliëntenstop heeft een dubbel doel. Ten eerste is het een middel om de situatie te bevriezen. Het is onwenselijk dat er nieuwe cliënten blijven instromen in een situatie die we ondermaats of onrechtmatig vinden. Het heeft prioriteit de huidige situatie te herstellen, voordat er sprake kan zijn van nieuwe cliënten. Ten tweede is een cliëntenstop ook een financiële prikkel voor de aanbieder om vaart te maken met het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen. Verscherpt toezicht is veelal aan de orde als het nodig is om tussentijdse voortgang te monitoren.
Artikel 37. Vervolgonderzoeksrapport
Dit artikel heeft geen toelichting nodig.
Artikel 38. Handhavingsmaatregelen
Wanneer misstanden vastgesteld zijn, volgt handhaving. Dit artikel beschrijft de maatregelen die het college daarin kan nemen. Het artikel vormt de wettelijke bestuursrechtelijke basis om bijvoorbeeld een last onder dwangsom op te leggen.
Artikel 39. Inzet privaatrechtelijke middelen
Met aanbieders van zorg in natura hebben we naast een bestuursrechtelijke juridische relatie ook een contractuele relatie. Vanuit die contractuele relatie is het ook mogelijk op te treden tegen misstanden. Of dat gebeurt, bepaalt het college en is afhankelijk van de omstandigheden. Het is mogelijk zowel bestuursrechtelijke als contractuele maatregelen te nemen.
Cliënten mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde aanbieder. Bij een pgb kopen zij deze zelf in. Goede informatie is hierbij belangrijk. Het register en openbare rapporten dragen daaraan bij. Op de website van het Regionaal Ondersteuningsbureau Nijmegen (ROB) wordt het register bijgehouden.
Vanwege beperkte capaciteit werken we met het toezicht houden signaalgestuurd. Signalen kunnen afkomstig zijn van (oud-)cliënten, (oud-)werknemers en de aanbieder zelf. Bijvoorbeeld wanneer hij voorziet niet langer aan de eisen of afspraken te kunnen voldoen. Zo kan de gemeente eventuele passende afspraken met de aanbieder maken.
Artikel 42. Betrekken van inwoners bij het beleid
De wet bepaalt dat inwoners betrokken moeten worden bij het beleid in de vorm van inspraak. Hiervoor wordt dezelfde procedure gebruikt als in de Inspraakverordening van de gemeente Nijmegen.
Artikel 43. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Dit artikel heeft geen toelichting nodig.
Artikel 44. Nadere regels en hardheidsclausule
Maatwerk staat in de Wmo 2015 en de Jeugdwet centraal. Het college beoordeelt telkens of een te nemen besluit in de persoonlijke omstandigheden van de inwoner passend is. Soms ontstaat er ondanks die persoonlijke afweging toch een zeer nadelige situatie voor een inwoner. Dan biedt de hardheidsclausule in dit artikel een vangnet. De aanvragende inwoner kan hier ook een beroep op doen.
Een herhaalde toepassing van de hardheidsclausule voor één onderwerp, kan reden zijn het beleid aan te passen.
Bijlage 1 Protocol (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht in het kader van de Jeugdwet
In deze bijlage wordt nader gedefinieerd wat het college verstaat onder het benutten van de eigen kracht en gebruikelijke hulp zoals bedoeld in artikel 9. In elk individueel geval past een deskundige de richtlijnen zoals opgenomen in dit document toe afgestemd op de individuele situatie.
Van jeugdigen en ouders wordt, voor zover binnen hun mogelijkheden, verwacht dat zij hun eigen kracht benutten om te voorzien in de behoefte aan hulp en ondersteuning door:
Gebruik te maken van informele en professionele- voorzieningen die mogelijkheden bieden tot opvang (zoals de Wet kinderopvang), vrijetijdsbesteding (zoals sporten) of ontlasting (zoals buurtgezinnen of de logeervoorziening (het Respijt) van Ixta Noa), voor de jeugdige met een hulpvraag, voor andere kinderen en de ouder(s);
De eigen problematiek te verminderen en eigen vaardigheden te vergroten, bijvoorbeeld door informatie of steun te zoeken, het deelnemen aan oudergroepen of coaching trajecten vanuit het voorliggende aanbod, hulp te accepteren bij financiële problemen of door een beroep te doen op de Zorgverzekeringswet voor behandeling.
Zaken die op ouderniveau tot conflicten leiden zo goed als mogelijk buiten de interactie met de jeugdige te houden, zich in te spannen voor het maken van afspraken over de omgang met de jeugdige en zich in te zetten voor het staken van eventuele inter-ouderstrijd, ook buiten de aanwezigheid van het kind om. Ook van gescheiden ouders wordt verwacht dat zij, in het belang van het kind, communiceren of ondersteuning zoeken via bijvoorbeeld mediation.
Gebruikelijke hulp is de hulp waarvan wij verwachten dat ouders deze aan hun kinderen geven en die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Ouders zijn verplicht deze hulp te bieden vanuit hun verzorgings- en opvoedingsplicht. Ouders zijn eerstverantwoordelijken voor de opvoeding van hun kinderen. Dit betekent niet per definitie dat de ouder alle gebruikelijke hulp zelf moet bieden. De ouder kan ook organiseren dat een andere persoon deze hulp gedeeltelijk biedt.
Voor de definitie van wat gebruikelijk is, maken wij gebruik van het rapport 'Opgroeien en opvoeden: normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en ouders' van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI). In dit rapport (pagina 26 t/m 29) weergeeft het NJI vanuit het levensloopmodel per leeftijdsgroep een overzicht van belangrijke gebruikelijke ontwikkelingstaken, gebruikelijke opvoedingsopgaven en uitdagingen. De hulp van de ouder die hiervoor nodig is, begrijpen wij als gebruikelijke hulp.
Gebruikelijke hulp kan daarbij zowel bestaan uit handelingen gericht op 'ondersteunen en stimuleren' als op 'structureren en begrenzen'. Dit in lijn met de twee pijlers voor opvoeding die het NJI schetst in het eerdergenoemde rapport (pagina 11):
'De eerste pijler betreft de affectieve band tussen ouders en kinderen, de mate waarin ouders betrokken zijn bij hun kind, de emotionele ondersteuning die zij hun kind bieden en de ruimte die zij hun kind geven om eigen initiatieven te ontplooien. Bij de eerste pijler hoort ook het ondersteunen en stimuleren van de ontwikkeling van het kind: samen praten, uitleg geven, spelen, voorlezen. De tweede pijler betreft het bieden van structuur en houvast en de noodzaak om ongewenst gedrag tijdig te corrigeren. Het gaat dan om het stellen van regels en grenzen aan het gedrag van kinderen en het toezicht houden op wat ze doen. Het evenwicht tussen ondersteunen en structureren wordt als belangrijk kenmerk genoemd voor het beoordelen van een opvoedingssituatie'
Voor de beoordeling van de omvang van de gebruikelijke hulp wordt verder rekening gehouden met:
De aard van de (zorg)handelingen
Gebruikelijke hulp kan ook bestaan uit handelingen die niet standaard zijn bij alle jeugdigen, maar wel andere gebruikelijke handelingen vervangen. Voorbeelden hiervan zijn het geven van medicijnen of het geven van sondevoeding in plaats van eten, het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen of het oefenen met pictogrammen in plaats van topografie.
De samenloop, ofwel de frequentie en het patroon, van (zorg)handelingen
Handelingen die plaatsvinden binnen de normale dagelijkse hulp aan een kind kunnen gebruikelijke hulp zijn. Voorbeeld hiervan is het aanreiken van spullen of speelgoed na een maaltijd of drinkmoment bij jeugdigen met een lichamelijke beperking.
Definitie gebruikelijke hulp per ontwikkelingsfase
Hieronder zijn per ontwikkelingsfase richtlijnen opgenomen die aangeven wat gebruikelijke hulp is.
Gebruikelijke hulp (afhankelijk van de omvang) ongeacht de ontwikkelingsfase van het kind:
De handelingen behorend bij bovengenoemde hulp veranderen wanneer een kind ouder wordt en zich ontwikkelt.
Gebruikelijke hulp voor jeugdigen van 0 t/m 2 jaar
Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:
Gebruikelijke hulp voor jeugdigen van 2 t/m 4 jaar
Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:
Gebruikelijke hulp voor jeugdigen van 4 t/m 6 jaar
Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:
Gebruikelijke hulp voor jeugdigen van 6 t/m 12 jaar
Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:
Gebruikelijke hulp voor jeugdigen vanaf 12 jaar
Deze jeugdigen hebben aanvullend nodig:
Hulp bij normale uitdagingen: onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; onderschatting of soms overschatting van zichzelf; wisselend humeur; incidenteel spijbelen; incidenteel gebruik van alcohol en drugs; twijfels over identiteit of toekomst; problemen met autoriteiten; overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer).
Bijlage 2 Kwaliteitseisen pgb-aanbieders
Het college is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning geboden aan cliënten, ook als deze wordt geboden via een pgb. Daarom stelt het college ook kwaliteitseisen aan pgb-aanbieders. Deze eisen sluiten aan op wet- en regelgeving en kwaliteitseisen gesteld aan gecontracteerde aanbieders.
Er wordt, voor zover relevant, onderscheid gemaakt tussen kwaliteitseisen die voor alle vormen van jeugdhulp en/of maatschappelijke ondersteuningen gelden en kwaliteitseisen die voor specifieke vormen van jeugdhulp en/of maatschappelijke ondersteuning gelden.
De eisen 20 t/m 25, gelden niet voor hulp bij het huishouden, woningaanpassingen, hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen.
De pgb-aanbieder is integer. Er is in de afgelopen drie jaar geen sprake geweest van een ernstige fout in de uitoefening van het beroep ofwel gedragingen en omstandigheden met een kwade opzet of nalatigheid van een zekere ernst. Er is geen gevaar dat het pgb zal worden gebruikt om (i) uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of (ii) strafbare feiten te plegen.
De pgb-aanbieder draagt zorg voor de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit door aantoonbaar met een kwaliteitsmanagementsysteem te werken. De pgb- aanbieder kan dit aantonen door te overleggen
een voor de maatwerkvoorziening relevant keurmerk/certificaat. Onder een relevant/keurmerk wordt in ieder geval verstaan een voor de maatwerkvoorziening relevant HKZ (voor zzp’ers), ISO 9001, Prezo, ISO 9001 voor de zorg (NEN-EN 15224) certificaat of een ter zake relevant keurmerk zoals het Keurmerk Kwaliteitskompas Gehandicaptenzorg 2023-2028; of
De pgb-aanbieder zet continu in op de ontwikkeling van het vakmanschap van zijn beroepskrachten. De pgb-aanbieder maakt ten behoeve van de doorontwikkeling van beroepskrachten gebruik van de kennis/richtlijnen/instrumenten die door diverse beroepsverenigingen, brancheverenigingen en kennisinstituten worden ontwikkeld en maakt gebruik van methoden (denk aan casusbesprekingen, actieleergroepen, coaching, intervisie en supervisie, beroepscertificering, training en scholing). De pgb-aanbieder draagt in ieder geval zorg voor een professionele en werkbare kennisbank voor beroepskrachten.
De pgb-aanbieder beschikt over een klachtenregeling die ook voorziet in de toegang tot een onafhankelijke klachtencommissie om de onafhankelijke afhandeling van klachten in tweede aanleg mogelijk te maken. Hiertoe kan de pgb-aanbieder zich aansluiten bij een geschillencommissie. De leden van de geschillencommissie zijn in de afgelopen drie jaar op geen enkele manier betrokken geweest bij de pgb-aanbieder of personen die invloed of financieel belang hebben in/bij de pgb-aanbieder. De waarborgen die de onafhankelijke afhandeling borgen liggen vast (bijv. in klachtenregeling of reglement).
De pgb-aanbieder doet periodiek, minstens 1 keer per drie jaar, onderzoek naar de tevredenheid en ervaringen van cliënten en beroepskrachten. De pgb-aanbieder richt dit onderzoek zodanig in dat de afhankelijkheidsrelatie tussen de cliënt en de pgb-aanbieder de uitkomsten van het onderzoek niet beïnvloed. De pgb-aanbieder gebruikt de resultaten van dit onderzoek aantoonbaar om de hulp/dienstverlening aan cliënten te verbeteren.
De pgb-aanbieder beschikt over voor de hulp/dienstverlening relevante ervaring. Bijvoorbeeld als (voormalig) werknemer of opdrachtnemer van een andere aanbieder. De pgb-aanbieder heeft in het afgelopen jaar naar tevredenheid van de werkgever c.q. opdrachtgever vergelijkbare hulp/diensten geboden aan ten minste drie cliënten.
De pgb-aanbieder werkt conform het “Protocol Meldingen calamiteiten/geweld Jeugdhulp Gelderland-Zuid en Mook en Middelaar'' en het ‘’Protocol Meldingen calamiteiten/geweld Wmo 2015 Gelderland-Zuid en Mook en Middelaar’’ (zie actuele versie website). Naast de verplichte melding aan de gemeente informeert de pgb-aanbieder ook de betrokken verwijzer over de calamiteit en de eventuele effecten hiervan op de zorgvraag van de betreffende cliënt.
De pgb-aanbieder beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ OF ‘screeningsprofiel 75’ OF ‘screening nummers 12, 41, 43, 84 en 85’ van alle personen die beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met cliënten. Deze VOG is bij de start van de hulp (zzp'er) dan wel het dienstverband (medewerker organisatie) nooit ouder dan 3 maanden. Als de pgb-aanbieder een zzp’er is (al dan niet onderdeel van een samenwerkingsverband van meerdere zzp’ers), mag de VOG tijdens de hulp nooit ouder zijn dan drie (3) jaar. Indien een persoon over een registratie bij een beroepsregister (o.a. BIG/SKJ) beschikt waarvoor een VOG een registratie- vereiste is, geldt deze eis niet.
De pgb-aanbieder doet geen intake met de cliënt of inzet van hulp voordat een maatwerkvoorziening is toegekend. Ook is de pgb-aanbieder niet betrokken bij het onderzoek, tenzij het college of de andere organisatie daarom verzoekt. Het onderzoek moet onafhankelijk, zonder invloed van de pgb-aanbieder, kunnen worden uitgevoerd.
Eisen die niet gelden voor hulp bij het huishouden, woningaanpassingen, hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen
Het college kent een specifieke maatwerkvoorziening toe, omdat deze specifieke maatwerkvoorziening het beste past bij het te bereiken resultaat. De hulp geboden middels het pgb dient te voldoen aan de eisen zoals geformuleerd in de productbeschrijving van deze maatwerkvoorziening. Alle productbeschrijvingen zijn te vinden via de website. In de productbeschrijvingen kan ook zijn opgenomen dat de hulp gelijktijdig aan een bepaald aantal cliënten moet worden geboden en/of dat er gelijktijdig meerdere hulpverleners de hulp moeten bieden. In geval van beschermd wonen, dient de pgb-aanbieder ook nadrukkelijk te voldoen aan de beschikbaarheids- en bereikbaarheidseisen zoals opgenomen in de productbeschrijvingen.
Het college of de andere organisatie bepaalt in het onderzoek wat het te bereiken resultaat is van de inzet van de maatwerkvoorziening. De pgb-aanbieder en pgb-beheerder stellen binnen drie maanden na de start van de hulp het hulpverleningsplan in lijn met deze afspraken op. De pgb-aanbieder vraagt het onderzoeksverslag op bij de cliënt. Er worden alleen doelen geformuleerd die zijn opgenomen in het verslag van het onderzoek of anderszins zijn afgesproken met het college of de andere organisatie.
Het hulpverleningsplan zoals genoemd in eis 17 is perspectiefgericht en afgestemd op de specifieke situatie van de cliënt. In het hulpverleningsplan staat vermeld wat de (verhelderde) hulpvraag is van de cliënt, aan welke SMART-doelen wordt gewerkt, en hoe, met welke activiteiten en door wie wordt gewerkt aan het realiseren van deze doelen. Hierbij staat beschreven op welke wijze wordt aangesloten bij, gebruik gemaakt van of toegewerkt naar eigen kracht, het sociale netwerk en algemene (voorliggende) voorzieningen, hoe er met andere betrokkenen wordt samengewerkt en wie regie voert op het plan. Ook wordt beschreven wanneer het plan wordt geëvalueerd. Indien er aanleiding bestaat een veiligheidsplan of (jeugd) signaleringsplan op te stellen, maakt dit integraal onderdeel uit van het hulpverleningsplan.
Het hulpverleningsplan wordt periodiek (minimaal jaarlijks), bij beëindiging van de hulp en voorafgaand aan een melding tot vervolg van de maatwerkvoorziening geëvalueerd. Bij de evaluatie wordt in ieder geval gekeken naar het effect van de ontvangen hulp voor de cliënt, de mening van de cliënt daarover en de mate waarin de doelen zijn gerealiseerd. Er wordt gezamenlijk met de pgb-beheerder en cliënt beoordeeld of de gekozen aanpak nog steeds de best passende is. Hierbij wordt expliciet gekeken of de hulp goed verankerd is in de directe leefomgeving. De uitkomsten van de evaluatie resulteren in een bijgesteld hulpverleningsplan, waarin de doelen en activiteiten zijn aangepast aan de uitkomsten van de evaluatie, of afsluiting van de hulp. De pgb-aanbieder en pgb-beheerder plannen de evaluatie van het hulpverleningsplan tijdig, zodat uiterlijk 8 weken voor einddatum van de indicatie de laatste evaluatie en het bijgestelde hulpverleningsplan beschikbaar zijn voor het college of de andere organisatie.
De pgb-aanbieder biedt verantwoorde hulp van goede kwaliteit. Dit betekent in ieder geval dat (in) de hulp:
normaliserend is en gericht op het versterken van de veerkracht, mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de cliënt en zijn sociale netwerk, zodat de zelfregie, zelf- en samenredzaamheid groter wordt. De cliënt is eigenaar van de hulpvraag en wordt geholpen zichzelf te helpen en de eigen krachtbronnen in te zetten om de eigen doelen in stapjes te bereiken;
bestaat uit evidence-based en practice-based methodieken. Als de pgb-aanbieder kan aantonen dat deze niet aanwezig zijn of dat deze, gezien de gestelde doelen, niet afdoende zijn, dan maakt de pgb-aanbieder gebruik van historisch en in de branche gangbare methodieken. Als de pgb-aanbieder eveneens kan aantonen dat deze niet aanwezig zijn of dat deze, gezien de gestelde doelen, niet afdoende zijn, dan dient de pgb-aanbieder aan te tonen dat de gebruikte methodieken gelijkwaardig zijn aan evidence-based, practice-based of historisch en in de branche gangbare methodieken.
De hulp wordt geboden door beroepskrachten die voldoen aan de deskundigheidsvereisten. Deze vereisten zijn afhankelijk van de te leveren hulp als volgt:
Specifiek jeugdhulp: beroepskrachten worden ingezet in overeenstemming met het Kwaliteitskader Jeugd ofwel de norm van verantwoorde werktoedeling. De pgb- aanbieder vertaalt de norm naar de rol, taak en verantwoordelijkheidsverdeling tussen personen werkzaam voor de aanbieder. De pgb-aanbieder, zijnde een zzp'er, is geregistreerd bij het SKJ of een register dat naar het oordeel va het SKJ gelijkwaardig is.
Specifiek jeugdhulp – behandeling: behandeling wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde behandelaar. Een behandelaar beschikt over een registratie bij het SKJ/BIG/NVRG of als er sprake is van ggz registratie bij het NVO/NIP/KNMG. De behandelaar bewaakt de continuïteit en samenhang van de zorgverlening en zorgt dat waar nodig een aanpassing van de gezamenlijke behandeling in gang wordt gezet. Hij/zij zorgt voor voldoende overleg en afstemming tussen betrokken zorgverleners en ziet erop toe dat er één vast aanspreekpunt is voor de inwoner/jeugdige.
Specifiek Wmo-Beschermd Wonen, Trainingshuis of Beschermd Thuis:
Slaapdienst dient te worden uitgevoerd door een professional met minimaal een mbo 4 zorg-gerelateerde opleiding. Indien Opdrachtnemer aanvullend gebruik maakt van een Wakende wacht mag dit ook worden uitgevoerd door een beveiliger met mbo 3-4, of een MBO2 opleiding, aangevuld met MBO-3 niveau gewaarde opleidingen vanuit het Kenniscentrum Gedrag en Veiligheid, ontwikkeld en ondersteund vanuit de GGZ.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-560618.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.