Gemeenteblad van Aalten
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Aalten | Gemeenteblad 2025, 560577 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Aalten | Gemeenteblad 2025, 560577 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026
gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 28 oktober 2025;
gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Jeugdwet; de Participatiewet, de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening, de Leerplichtwet 1969, de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;
Vast te stellen de Verordening Sociaal Domein Gemeente Aalten 2026.
Hoofdstuk 1 Inleiding Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten
In de gemeente Aalten vinden we het belangrijk, dat:
Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:
De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld.
In het Financieel besluit Sociaal Domein gemeente Aalten zijn de geldende tarieven en vergoedingen voor de diverse voorzieningen vastgelegd. Dit besluit wordt jaarlijks door het college geactualiseerd en opnieuw vastgesteld.
Deze verordening geeft geen gemeentelijke regels over de Participatiewet (behalve de inkomensondersteuning). Inwoners van de gemeente Aalten worden voor een bijstandsuitkering en passend werk geholpen door Laborijn. Laborijn is een samenwerkingsverband van verschillende gemeenten in de Achterhoek. Deze gemeenten hebben de afgelopen jaren samen regels afgesproken en verordeningen opgesteld die over de Participatiewet gaan. Deze regels worden in deze verordening niet opnieuw benoemd.
Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden:
Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere kernwaarden de basis van de regels vormen. De kernwaarden vormen een extra toets voor het nemen van besluiten. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 13.
Hoofdstuk 2. De manier waarop hulp kan worden verkregen.
Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen. In § 2.1 beschrijven wij dat voor de Wet maatschappelijke ondersteuning 2025 (verder: Wmo) en in § 2.2 voor de Jeugdwet. Uitgelegd wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, wat de gemeente van de inwoner verwacht, welke omstandigheden van belang zijn voor beoordeling van de hulpvraag en wanneer de gemeente op de hulpvraag een besluit neemt. In § 2.3 is beschreven hoe hulp kan worden ingeroepen in het geval van huiselijk geweld, kindermishandeling of voor personen met verward gedrag
Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld. De gemeente doet zijn best om alle hulpvragen in samenhang te behandelen en de besluiten over de verschillende hulpvragen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen.
De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner worden gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties.
§ 2.1 Het verkrijgen van hulp op grond van de Wmo.
2.1.1 Het melden van een hulpvraag op grond van Wmo
Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner kan deze melding schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal doen. Het is ook mogelijk dat iemand anders een melding namens de inwoner doet. De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen.
2.1.2 Doel en procedure bij een melding op grond van de Wmo
Het doel van de melding is om de hulpvraag met de inwoner te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente bevestigt de melding aan de inwoner en nodigt de inwoner uit voor een gesprek, tenzij dit niet nodig is. In de uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn, als de inwoner dit wil of als dat van belang is voor de hulpvraag.
De gemeente geeft informatie over de mogelijkheid voor inwoners om zonder kosten hulp te krijgen van een onafhankelijke deskundige clientondersteuner. Daarnaast informeert de gemeente de inwoner over de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin hij uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (dit noemen we een persoonlijk plan).
De gemeente verzamelt voor het gesprek alle gegevens die nodig zijn over de situatie van de inwoner en het daaropvolgende onderzoek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn aan te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn.
2.1.4 Het gesprek na de melding op grond van de Wmo
Een inwoner die zich heeft gemeld bij de gemeente, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. De medewerker maakt een afspraak voor het gesprek. De medewerker zet zich ervoor in, dat dit gesprek zo snel mogelijk en maximaal binnen 6 weken na de melding plaatsvindt. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. De medewerker informeert de inwoner bij dat gesprek over de gang van zaken. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de persoonlijke situatie van de inwoner, van zijn hulpvraag en het effect dat de inwoner met de hulp wil bereiken. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit bij het gesprek. De inwoner kan iemand (bijvoorbeeld een familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.
2.1.5 De inhoud van het gesprek
De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (Pgb), zie § 7.3. De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag.
Als het nodig is betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek. Het kan dan gaan om deskundigen, een onafhankelijke cliëntondersteuner, iemand die de inwoner vertegenwoordigt, een of meer mantelzorgers of familie. Als de inwoner mantelzorg krijgt gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen.
1. Binnen 2 weken na het gesprek stuurt de medewerker de inwoner een ondersteuningsplan met daarin een verslag van het gesprek en de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner.
2. Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het ondersteuningsplan, waardoor dit niet binnen 2 weken kan worden toegestuurd, dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd.
3. Uit het ondersteuningsplan blijkt welk effect de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd. Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn.
4. De inwoner ondertekent het ondersteuningsplan en stuurt dit naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het ondersteuningsplan kan hij dat daarop aangeven en het voor gezien ondertekenen.
2.1.7 De aanvraag voor hulp op grond van de Wmo.
Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan heeft.
2.1.8 De aanvraag voor een maatwerkvoorziening
De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als de inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij dit had kunnen voorzien. De gemeente kan een maatwerkvoorziening ook weigeren, als een inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of aangeschaft zonder dat de gemeente daarvoor vooraf toestemming heeft gegeven. Als die weigering betekent dat de inwoner grote problemen zal krijgen (“onevenredig nadeel ervaart”), dan kan de gemeente de maatwerkvoorziening wel toekennen.
De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding en aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft zorgt de gemeente ervoor dat een deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag.
2.1.11 Afstemming met andere vormen van hulp.
De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner worden gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken kunnen onder andere gaan over:
De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of in een andere geschikte vorm.
1. De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen en in ieder geval binnen 8 weken na de melding.
2. De beslistermijn kan schriftelijk worden verlengd als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt en hij hierop door de gemeente is gewezen. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.
2.1.13 De inhoud van het besluit
De gemeente stelt een besluit vast (beschikking) en stuurt deze per brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt toegekend. Als de gemeente hulp toekent, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven. Hulp in natura betekent dat de hulp (een dienst of een product) gegeven wordt door de gemeente zelf of een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft.
§ 2.2 Het verkrijgen van hulp op grond van de Jeugdwet.
Anders dan bij de Wmo begint de procedure voor het verkrijgen van jeugdhulp niet met een melding maar met een aanvraag.
2.2.1 De aanvraag voor jeugdhulp
Als een jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wil inkopen met een Pgb dan dient hij daartoe een Pgb-budgetplan in als bedoeld in artikel 7.3.1. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend Pgb-budgetplan wordt aangemerkt als aanvraag voor een Pgb.
2.2.2 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Als bij de gemeente een aanvraag voor een individuele voorziening wordt ingediend, voert de gemeente in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met de gemeente kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag tijdens het onderzoek wijzigen.
Voordat het onderzoek van start gaat kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) de gemeente een familiegroepsplan verstrekken. De gemeente brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het familiegroepsplan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken zorgt de gemeente voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.
2.2.3 Voorbereiding van de besluitvorming, deskundig oordeel en, advies
De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die de aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om de aanvraag goed te kunnen behandelen. De medewerker die aanvragen voor jeugdhulp beoordeelt is in ieder geval SKJ of BIG geregistreerd. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag.
De gemeente zorgt ervoor dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt. Dit betekent in ieder geval dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden niet ook zelf het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.
Binnen 10 werkdagen na het onderzoek verstrekt de gemeente aan de jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger worden aan het verslag toegevoegd.
Als uit het verslag blijkt dat de gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met de eigen kracht of door gebruik van een vrij toegankelijke (algemene) voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige en/of zijn ouder(s) en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. Als er al een aanvraag was ingediend geldt het ondertekende verslag als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.
2.2.6 Criteria voor toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening door de gemeente
Een jeugdige of zijn ouder(-s) kan in aanmerking komen voor een door de gemeente verleende individuele voorziening. Dit kan als de gemeente vindt dat jeugdhulp nodig is in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. De gemeente verleent alleen een individuele voorziening als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een vrij toegankelijke of andere voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.
Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp in artikel 1.1 van de Jeugdwet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige of ouder die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd.
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt de gemeente door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. Waar beschikbaar wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.
2.2.7 De beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen
Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van de gemeente uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).
Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen geldt als uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) zelf ligt. Dit wordt ook bedoeld in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De hulp die daarvoor nodig is moet in beginsel dus door de ouder(s) geleverd worden. Dit geldt ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen en gedragsproblemen of beperkingen. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:
Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt de gemeente ook rekening met:
2.2.8 Afstemming met andere vormen van hulp.
De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner wordt gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken kunnen onder andere gaan over:
De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of in een andere geschikte vorm.
De beslistermijn kan schriftelijk worden verlengd als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt en deze hierop door de gemeente is gewezen. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.
2.2.10 De inhoud van het besluit
De gemeente stelt een besluit vast (beschikking) en stuurt deze per brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt toegekend. Als de gemeente hulp toekent, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven. Hulp in natura betekent dat de hulp (een dienst of een product) gegeven wordt door de gemeente zelf of een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft.
2.2.12 Uitzondering: Spoedeisende gevallen
In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner direct/tijdig de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. De gemeente legt de beslissing over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.
Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente:
§ 2.3 Hulp in het geval van huiselijk geweld, kindermishandeling of verward gedrag
Bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling werkt de gemeente met een gemeentelijke aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling en met de meldcode.
Als het gaat om huiselijk geweld en kindermishandeling of personen met verward gedrag kan een inwoner voor advies en hulp ook bij de volgende instanties terecht:
De Rijksoverheid biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis). Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling (tel. nummer 0800-2000).
Ook kan iedere inwoner die zich zorgen maakt over het gedrag van een ander dat bij de gemeente melden. Voor deze meldingen is het Advies- en meldpunt verward gedrag in het leven geroepen. Het Advies- en meldpunt neemt de melding in ontvangst en onderzoekt of de inwoner waarop de melding betrekking heeft moet worden geholpen (tel. nummer 0800-1205).
Hoofdstuk 3 Gezond en veilig opgroeien
Jeugdigen in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en jongeren tot 18 jaar en in bepaalde situaties tot 23 jaar. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
Ze moeten kunnen groeien naar zelfstandigheid. Ze moeten voor zichzelf leren zorgen (zelfredzaamheid) en kunnen meedoen in de samenleving. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van hun ouders, de jeugdigen zelf en hun sociaal netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. De gemeente houdt hierbij rekening met de omstandigheden van het gezin. Daarbij kijkt de gemeente naar wat de ouders, de jeugdige en hun sociaal netwerk kunnen. Ook de leeftijd van de jeugdige speelt een rol.
§ 3.1 Uitgangspunten jeugdhulp
3.1 Uitgangspunten bij het bieden van hulp [Jeugdwet]
Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociaal netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om de welzijnsorganisatie of het Ondersteuningsteam Oost Achterhoek. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt een individuele voorziening (maatwerkvoorziening) ingezet.
De gemeente legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.
De gemeente zet zich ervoor in dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jongeren, hun ouders en hun sociaal netwerk met preventieve jeugdhulp.
Als er sprake is van verzuim op school worden de mogelijkheden ingezet die de Leerplichtwet biedt. De leerplichtambtenaar kijkt of er sprake is van een zorgvraag en biedt ondersteuning met als doel dat de leerling weer naar school gaat. De leerplichtambtenaar werkt volgens de Methodische Aanpak Schoolverzuim (MAS). De werkwijze staat beschreven in de ambtsinstructie Leerplicht.
§ 3.3 Individuele voorzieningen jeugdhulp
Als de preventieve hulp beschreven in § 3.2 niet voldoende is om een jeugdige te ondersteunen bij het groeien naar zelfstandigheid kan de gemeente een individuele voorziening aanbieden. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een besluit van de gemeente nodig of een verwijzing door een jeugdarts, huisarts, een medisch specialist, of een gecertificeerde instelling. § 2.2 en Hoofdstuk 7 zijn van toepassing op zo’n besluit van de gemeente.
3.3.1 Individuele voorzieningen [Jeugdwet]
De gemeente kan in ieder geval de volgende voorzieningen aanbieden, als het nodig is:
De volgende individuele voorzieningen hebben in beginsel de volgende maximale duur en frequentie:
Behandeling groep: Behandeling groep jeugdigen wordt geïndiceerd in dagdelen, een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet. De maximale inzet is 8 dagdelen per week. Behandeling duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf (12) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het lokale toegangsteam.
Behandeling basis GGZ: Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf (12) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het lokale toegangsteam. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan twaalf maanden) kan alleen in nauw overleg met het lokale toegangsteam en na een gefundeerde onderbouwing van de aanvraag.
Behandeling specialistisch GGZ: Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf (12) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het lokale toegangsteam. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan twaalf maanden) kan alleen in nauw overleg met het lokale toegangsteam en na een gefundeerde onderbouwing van de aanvraag.
De gemeente beoordeelt, overeenkomstig artikel 3.3.1 in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.
§ 3.4 Afstemming met andere voorzieningen
Artikel 3.4.1 Voorliggende voorzieningen
Als er meer oorzaken zijn voor de problematiek en daardoor op grond van de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet een soortgelijke voorziening kan worden verkregen als die op grond van de Jeugdwet moet het college de voorziening op grond van de Jeugdwet verstrekken.
Artikel 3.4.2 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jongere of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Deze afspraken kunnen onder andere gaan over:
De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of andere geschikte vorm.
3.5.1 Eigen kracht jeugdhulp Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:
Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
Hoofdstuk 4 Wonen in een veilige en gezonde omgeving
Inwoners met een beperking en/of met psychische en/of psychosociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om deze inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor problemen bij het normale gebruik van hun woning, bij hun normale dagelijkse activiteiten en bij het voeren van een huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. De ondersteuning vindt zoveel mogelijk plaats in de eigen leefomgeving van de inwoner.
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente op grond van de Wmo aan deze in inwoners kan geven, zoals de maatwerkvoorziening.
Individuele ondersteuning Wmo:
Begeleiding individueel beschermd thuis
Begeleiding groep belevingsgericht
Begeleiding groep ontwikkelingsgericht.
De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. De inwoner kan voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo in aanmerking komen als voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 en van dit hoofdstuk. De hulp moet een passende bijdrage leveren, zodat inwoners zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen.
§ 4.2 Zelfstandig en veilig wonen
De woonvoorziening of woningaanpassing houdt in dat de woning voor de inwoner bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt.
Als verhuizing voorgaat komt de inwoner die verhuist naar een geschikte woning in aanmerking voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Deze vergoeding is vastgelegd in het actuele Financieel besluit Sociaal Domein van de gemeente Aalten.
De inwoner die tijdelijk een andere woning nodig heeft om de periode te overbruggen tot er een geschikte woning beschikbaar komt kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de extra kosten van de tijdelijke huisvesting. De hoogte van de tegemoetkoming is vastgelegd in het Financieel besluit Sociaal Domein.
Voor woonvoorzieningen en woningaanpassingen gelden afschrijvingstermijnen. Als de noodzaak of functionaliteit van een op basis van de Wmo gerealiseerde en in bruikleen gegeven woonvoorziening binnen de voor die voorziening geldende afschrijvingstermijn vervalt kan het college die woonvoorziening terugvorderen.
4.2.2 Een schone en leefbare woning [Wmo]
De maatwerkvoorziening houdt in dat de inwoner de voorziening Huishoudelijke ondersteuning aangeboden krijgt. Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit schoonmaakhulp. Wanneer dat nodig is wordt ook aandacht besteed aan het aanbrengen van structuur in de huishouding en/of het aanleren van huishoudelijke vaardigheden.
De inwoner behoort tot de doelgroep van een maatwerkvoorziening Wmo Wonen als hij 18 jaar of ouder is en er sprake is van complexe psychische en/ of psychosociale problematiek op meerdere levensterreinen. De inwoner kan zijn zorgvraag niet (uit)stellen. Hierdoor heeft de inwoner 24-uurs toezicht of bereikbaarheid van een professionele organisatie nodig. De gemeente stelt vast of de inwoner behoort tot de doelgroep van Wmo Wonen.
De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners meedoen in de samenleving, door betaald werk, door activiteiten, door vrijwilligerswerk, en door deelname aan het buurtleven. Waar nodig met ondersteuning. De mogelijkheden, talenten en eigen regie van de inwoner staan centraal.
Meedoen is niet alleen een verantwoordelijkheid van de inwoner zelf of van de gemeente, maar ook van de samenleving (omkijken naar elkaar).
Werk is een belangrijke vorm van dag invulling. Mensen die niet werken maar dit wel kunnen worden door Laborijn geholpen bij het vinden van passend werk. De voorzieningen die hierbij worden ingezet moeten op een goede manier worden verdeeld over verschillende doelgroepen. Hoe de voorzieningen worden verdeeld wordt vooral bepaald door de kansen op betaald werk van de inwoners. De regels over deze voorzieningen zijn beschreven in de verordeningen die over de Participatiewet gaan. In deze verordening worden deze regels niet opnieuw benoemd.
De gemeente zorgt ervoor dat inwoners kunnen meedoen in de samenleving. In de gemeente zijn hiervoor:
Iedereen mag meedoen. Ook voor ondersteuning bij het vinden van deze activiteiten en ontmoetingsplekken kunnen inwoners bij de gemeente terecht. Hiervoor is geen besluit van de gemeente nodig.
De inwoner die de dag niet goed kan invullen of die de normale dagelijkse activiteiten niet zelf kan doen, kan in aanmerking komen voor integrale ondersteuning. Dat kan alleen als andere voorzieningen niet geschikt of niet voldoende zijn. De hulpverlener helpt dan bij de dagelijkse gang van zaken en bij terugkerende activiteiten. Ook kan de hulpverlener de inwoner helpen om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. Ook kan de inwoner bijvoorbeeld meedoen aan sociale, recreatieve of andere groepsactiviteiten. Als de inwoner daarbij vervoer nodig heeft, kan de gemeente ook helpen.
5.2.2 Persoonlijke verzorging [Wmo]
Persoonlijke verzorging richt zich op het helpen bij, inslijten en/of aanleren van Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL), persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg. Persoonlijke verzorging is gericht op het aanleren, oefenen en bestendigen van vaardigheden en gedrag. Zodat de inwoner deze taken (weer) zelfstandig of met behulp van zijn/haar omgeving kan uitvoeren.
5.2.3 Contact met anderen [Wmo]
De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking in hun mobiliteit onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, een maatwerkvoorziening kunnen krijgen. De hulp houdt in dat inwoners geholpen worden bij vervoer dichtbij huis. Zo kunnen zij meedoen met recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen doen. Die hulp kan bestaan uit het aanbieden van:
5.2.5 Vervanging vervoermiddel en rolstoel [Wmo]
Als de inwoner een maatwerkvoorziening wil en het gaat om vervanging van een eerder door de gemeente verstrekte rolstoel of vervoermiddel, dan doet de gemeente dit alleen, als het vervoermiddel of de rolstoel:
5.3.1 Ondersteuning mantelzorger [Wmo]
De gemeente biedt aan alle mantelzorgers, zowel jeugdigen als volwassen inwoners, allerlei mogelijkheden voor ondersteuning:
Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, en ook geen besluit van de gemeente.
De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers (volwassen en jonge mantelzorgers) voor inwoners in de gemeente Aalten met een zorgbehoefte. Daarom biedt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering aan. Het doel van de mantelzorgwaardering is om een blijk van waardering aan de mantelzorgers te geven.
Hoofdstuk 6 Inkomensondersteuning en schulden
De gemeente heeft een financieel vangnet voor inwoners die te weinig inkomen en vermogen hebben om de dagelijkse kosten te betalen: een maandelijkse bijstandsuitkering. Deze inwoners en andere inwoners met een lastige financiële situatie kunnen bij de gemeente een aantal aanvullende voorzieningen en toeslagen aanvragen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste extra’s geregeld. Voor een aantal extra’s wordt een inkomensgrens genoemd. Dit is geen harde grens, maar een uitgangspunt bij het beoordelen van aanvragen.
Daarnaast geven we enkele basisregels voor de hulp die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem.
6.1 Armoedebeleid en schuldenbeleid
In deze § wordt beschreven waar de gemeente rekening mee houdt bij het maken en uitvoeren van beleid om armoede en schulden in de gemeente te voorkomen en tegen te gaan.
6.1.2 Preventieve Maatregelen [PW, Wgs Gemeentewet]
De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners en organisaties die zijn gericht op het tegengaan van armoede en schulden.
Bijzondere bijstand is een belangrijke voorziening van de gemeente om inwoners financieel te helpen als zij bepaalde onverwachte kosten niet kunnen betalen. Hier worden de uitgangspunten beschreven waarmee de gemeente rekening houdt bij het toepassen van de regels over bijzondere bijstand uit de Participatiewet.
Voor inwoners met veel medische kosten heeft de gemeente de volgende regelingen:
6.2.2.1 Doelgroep [Pw, Gemeentewet]
Inwoners van de gemeente Aalten met veel medische kosten komen in aanmerking als zij een inkomen hebben dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. Ook als het inkomen hoger is dan 120% van de bijstandsnorm kunnen inwoners in aanmerking komen voor een (gedeeltelijke) vergoeding. Hoeveel dit is hangt af van de hoogte van het inkomen, de zorgkosten en de gezinssamenstelling.
6.2.2.3 Vergoeding eigen risico zorgkosten [Gemeentewet]
De eerste € 100,- van het verplichte eigen risico van de zorgkosten betaalt de inwoner zelf. Van het resterende bedrag kan de inwoner tot 50% vergoed krijgen van de gemeente.
6.2.3 Vergoeding kosten zwemlessen
Water is overal om ons heen en een ongeluk zit vaak in een klein hoekje. Het is dus belangrijk dat inwoners leren zwemmen. Inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer kunnen daarom (voor hun kinderen) in aanmerking komen voor vergoeding van de kosten van de zwemlessen voor het behalen van zwemdiploma A en B.
§ 6.3 Collectieve zorgverzekering [PW]
6.3.1 Collectieve zorgverzekering
Voor inwoners met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm heeft de gemeente een collectieve zorgverzekering afgesloten. In beleidsregels staat wanneer en hoe deze inwoners kunnen meedoen aan de collectieve zorgverzekering. Inwoners kunnen zich aanmelden via een Externe link: www.gezondverzekerd.nl.
§ 6.4 Individuele inkomenstoeslag
Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de individuele inkomenstoeslag bedoeld. Het is een toeslag die jaarlijks kan worden aangevraagd. Hier is beschreven voor welke inwoners de individuele inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden.
De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd die:
Bij een minimale overschrijding van de inkomensgrens kan het college besluiten toch een individuele inkomenstoeslag toe te kennen.
6.4.2 Hoogte van de toeslag [PW]
Voor gehuwden en samenwonenden geldt het volgende: als één van de partners geen recht heeft op individuele inkomenstoeslag, krijgt de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. Het gaat om situaties, waarbij de partner uitgesloten is van de individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 11 en 13, eerste lid van de Participatiewet.
Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze maatregelen worden het kindpakket genoemd. Hier zijn de uitgangspunten benoemd die voor het kindpakket gelden.
6.5.1 Doelgroep [PW, Gemeentewet]
Het kindpakket is bedoeld voor gezinnen met (thuiswonende) kinderen van 4 tot 18 jaar, die geen goede financiële buffer hebben en moeten rondkomen van een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. Ook als het inkomen hoger is dan 120% van de bijstandsnorm kunnen inwoners in aanmerking komen voor een gedeeltelijke vergoeding. De bijdrage van de gemeente is een vastgesteld maximaal bedrag per kind per jaar.
Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer kunnen gebruik maken van de Meedoenregeling. Daarmee kunnen inwoners kosten betalen om te sporten en om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten.
De Meedoenregeling is bedoeld voor sociale, sportieve, culturele, educatieve en andere maatschappelijke activiteiten.
De inwoner die een laag inkomen en geen goede financiële buffer heeft kan in aanmerking komen voor de Meedoenregeling. Inwoners hebben in ieder geval een laag inkomen als zij een inkomen hebben dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. Ook als het inkomen hoger is dan 120% van de bijstandsnorm kunnen inwoners in aanmerking komen voor een gedeeltelijke vergoeding. De bijdrage van de gemeente is een vastgesteld maximaal bedrag per jaar. De regeling is voor zowel jeugdige als volwassen inwoners.
De gemeente heeft de taak om inwoners met (dreigende) schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen.
Hoofdstuk 7 De vorm van de hulp
De hulp die de gemeente geeft wordt in principe ‘in natura’ verstrekt: de gemeente zorgt ervoor dat hulp wordt ingezet en betaalt deze hulp. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning) maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel of woningaanpassing). In bepaalde gevallen kan de hulp in de vorm van geld worden gegeven (inkomenstoeslag) of als een Persoonsgebonden budget. Elke vorm van hulp wordt ook wel “een voorziening” genoemd. In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage van de inwoner kan vragen.
§ 7.2 Hulp in geld (financiële tegemoetkoming, onkostenvergoeding)
7.2.1 Hulp in de vorm van geld
De inwoner ontvangt van de gemeente hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Hulp in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en dit aansluit bij de persoonlijke situatie van de inwoner, dan moet het geld wel worden terugbetaald.
Als zorg in natura of Pgb geen adequate oplossing biedt kan aan degene die vanuit een sociale relatie aan een inwoner informele hulp verleent per kalendermaand een financiële tegemoetkoming en, voor zover van toepassing, een onkostenvergoeding voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten worden gegeven. De tegemoetkoming biedt de inwoner een mogelijkheid om zijn sociaal netwerk in te zetten zonder dat er sprake is van een zorgovereenkomst. Daarnaast kan bij hulp in de vorm van geld ook worden gedacht aan een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten, de kosten van tijdelijke vervangende woonruimte of een tegemoetkoming in de kosten van een sportrolstoel.
§ 7.3 Hulp in de vorm van een Persoonsgebonden budget (Pgb)
7.3.1 Voorwaarden [Jeugdwet, Wmo]
In plaats van hulp in natura kan de inwoner een Pgb krijgen als het om Wmo-hulp of jeugdhulp gaat. Hiervoor moet wel voldaan zijn aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen. Het Pgb kan worden verstrekt als een bedrag ineens of in de vorm van een budget waaruit periodiek betalingen kunnen worden verricht.
De inwoner moet aangeven waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en hij een Pgb wenst in plaats van een maatwerkvoorziening in natura. De inwoner moet alle informatie aan de gemeente geven die nodig is. Hieronder valt bijvoorbeeld het doorgeven wie namens de inwoner zijn belangen behartigt, wie de hulp gaat verlenen, op welke wijze de kwaliteit van de maatwerkvoorziening voorziening is gewaarborgd en wat de kosten van de hulp zijn in aantal eenheden en tarief. De inwoner doet dit in een Pgb-budgetplan, dat door de gemeente moet worden goedgekeurd.
7.3.3 Gronden waarop een Pgb kan worden geweigerd of ingetrokken
In hoofdstuk 2 zijn enkele voorwaarden genoemd waaraan een aanvraag moet voldoen. Daarnaast geldt voor het Pgb dat deze ook kan worden geweigerd of ingetrokken als:
7.3.5 Inhoud van de beschikking over hulp in de vorm van een Pgb
Geeft de gemeente hulp in de vorm van een Pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
§ 7.4 De hoogte van de hulp in geld, de hoogte van het Pgb en de eigen bijdrage [Wmo, Jeugdwet]
7.4.1 De hoogte van het Pgb, van andere financiële tegemoetkomingen en van onkostenvergoedingen [Jeugdwet, Wmo]
Het Pgb wordt als volgt berekend:
Voor professionele, niet gecontracteerde ondersteuning Wmo en Jeugdhulp: het Pgb-tarief bedraagt maximaal het voor adequate zorg gecontracteerde tarief voor het desbetreffende product”. Het tarief is lager als op basis van het door de inwoner ingediende Pgb-plan passende en toereikende hulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.
Bij Wmo-wonen kan het zijn dat de inwoner woonkosten moet betalen. Bij het vaststellen van de hoogte van het Pgb wordt daarmee rekening gehouden.
Voor informele ondersteuning (sociaal netwerk): De hoogte van het Pgb voor niet-professionele hulp, met uitzondering van logeren, wordt als volgt vastgesteld:
individuele ondersteuning en persoonlijke verzorging: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. De hoogte van het Pgb voor informele jeugdhulp bedraagt minimaal 100% van het wettelijke minimumloon.
7.4.2 Wat is de eigen bijdrage
Ongeacht inkomen of vermogen betaalt de inwoner een vaste eigen bijdrage in de kosten voor bepaalde Wmo-maatwerkvoorziening voorzieningen zolang de inwoner gebruik maakt van de hulp of voor de periode waar voor een Pgb is verstrekt. Uitgangspunt is dat als eigen bijdrage het op basis van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 toegestane maximumbedrag in rekening wordt gebracht. Gaat het om een product dan betaalt de inwoner een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. Voor welke voorzieningen de gemeente een eigen bijdrage vraagt staat in het Financieel besluit Sociaal Domein. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK).
De eigen bijdrage is niet hoger dan de kostprijs van een voorziening. In het geval van een hulpmiddel worden ook de kosten voor onderhoud meegenomen. De eigen bijdrage is niet verschuldigd voor elke volledige kalendermaand waarin feitelijk geen ondersteuning heeft plaatsgevonden. De inwoner moet dit zelf melden bij de gemeente.
Gaat het om kosten voor een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan betalen de onderhoudsplichtige ouders de bijdrage. Dat geldt ook voor de ouder tegen wie een vaderschapsactie in ingesteld en de rechter dit verzoek heeft afgewezen (artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek), en voor degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner.
Hoofdstuk 8 Afspraken tussen inwoner en gemeente
Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de maatwerkvoorziening voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen.
§ 8.1 Hoe gaan we met elkaar om?
8.1.1 De rol van de gemeente [Gemeentewet, Awb]
De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende:
De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het ontoelaatbare gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).
8.1.2 De rol van de inwoner [Gemeentewet, Awb]
Als de inwoner naar het oordeel van de gemeente niet of onvoldoende meewerkt kan de omvang van de benodigde hulp niet goed worden vastgesteld. De gemeente kan dan besluiten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.
§ 8.2 Wijziging, beëindiging en terugvordering voorziening
8.2.1 Wijziging voorziening [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs, Gemeentewet]
Soms is een wijziging van het Financieel besluit Sociaal Domein in het nadeel van een inwoner. In dat geval wordt hij daarvan zo vroeg mogelijk schriftelijk op de hoogte gebracht. Dan heeft hij voldoende tijd om zich op de gewijzigde situatie in te stellen. Lukt dat niet dan past de gemeente een afbouwregeling toe.
8.2.2 Intrekking, wijziging, opschorting of beëindiging voorziening [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs, Gemeentewet]
8.2.3 Terugvordering voorziening [Wmo, Burgerlijk Wetboek]
De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment dat is vastgesteld dat er één of meer redenen voor beëindiging zijn (zie artikel 8.2.2). Wmo-voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt.
Als een maatwerkvoorziening voorziening (in natura of Pgb) volledig wordt ingetrokken, heeft de terugvordering betrekking op de kosten die zijn gemaakt vanaf het moment van de toekenning van de voorziening tot aan het moment dat de voorziening is stopgezet.
8.3.2 Voorkomen van fraude [Jeugdwet, Wmo]
De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een passende manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen.
Hoofdstuk 9 Inspraak en inwonerparticipatie
Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert, is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. Dat wordt inspraak genoemd. Ook is geregeld dat er een Sociale Raad is. De taak van deze raad is beschreven. Ten slotte is hier ook geregeld op welke manier inwoners met aanbieders kunnen overleggen over diensten en producten die bedoeld zijn voor de inwoners die hulp nodig hebben.
§ 9.2 Sociale Raad [Jeugdwet, Wmo, Wgs, PW, Gemeentewet]
9.2.2 Taken en bevoegdheden Sociale Raad
De gemeente neemt adviezen van de Sociale Raad over of geeft de redenen aan waarom een advies niet wordt overgenomen. Gaat het om besluiten van de gemeenteraad, dan worden het advies van de Sociale Raad en de reactie van de gemeente (burgemeester en wethouders) aan de gemeenteraad gestuurd, zodat deze informatie bij de besluitvorming kan worden betrokken.
Hoofdstuk 10 Kritiek op de uitvoering [Awb, Gemeentewet]
De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente of een besluit van de gemeente. In dit hoofdstuk staan regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen, een vertrouwenspersoon te spreken of bezwaar te maken. Daarbij is aangesloten bij de Interne klachtenprocedure van de gemeente (volgens de Verordening interne klachtenregeling gemeente Aalten 2022) en de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman.
10.4 Klachtbehandelaar en vertrouwenspersoon [Gemeentewet, Jeugdwet]
Naast de klachtbehandelaar kan de inwoner, via Jeugdstem, ook een vertrouwenspersoon spreken als het gaat om jeugdhulp. De vertrouwenspersoon kan de inwoner (jeugdige, ouder of pleegouder) op zijn verzoek ondersteunen bij problemen, klachten en vragen over de hulpverlening door de gemeente, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling jeugdbescherming en jeugdreclassering en het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis).
Hoofdstuk 11 Kwaliteit, inkoop en aanbesteding [Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet]
De producten en diensten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van producten en diensten aan bepaalde regels houden. Deze regels staan in de ‘Algemene inkoopvoorwaarden Achterhoekse Gemeenten voor leveringen en diensten’. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten.
De gemeente bewaakt de kwaliteit van de producten en diensten door het vaststellen van een kwaliteitskader Jeugdwet en Wmo. Dit kwaliteitskader is bedoeld voor alle vormen van ondersteuning die de gemeente inkoopt. Op alle producten en diensten die de gemeente inkoopt in het kader van deze verordening is de actuele versie van het Kwaliteitskader Wmo 2015 en Jeugdwet van toepassing.
11.3 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders, jeugdbescherming en jeugdreclassering
De gemeente hanteert voor de Essentiële Functies het intensiteitenmodel. Dit is een objectief tariefmodel, waarmee er ruimte ontstaat om voor groepen met een verschillende begeleidingsintensiteit een verschillend tarief te hanteren. Het intensiteitenmodel werkt met genormeerde kostprijselementen, waarbij het geheel van de elementen aanbieders de mogelijkheid biedt kostendekkend te kunnen werken.
De gemeente bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.
Het eerste en tweede lid gelden bij subsidies slechts voor zover deze worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
Hoofdstuk 12 Over deze verordening
In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat de gemeente met regelmaat beoordeelt of de verordening nog goed werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.
12.1 Onderzoek naar de werking van de verordening [Gemeentewet]
De gemeente onderzoekt met een zekere regelmaat of de verordening voldoende bijdraagt aan de doelen die zij wil bereiken. Om dat te kunnen nagaan verzamelt de gemeente systematisch informatie over alles wat van belang is om dit goed te kunnen onderzoeken. De gemeente houdt zich daarbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
12.2 Uitvoeringsregels [Gemeentewet]
De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet.
12.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) [Gemeentewet]
De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als dit zou betekenen dat er een onredelijke uitkomst is voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.
12.4 Intrekken oude verordeningen [Gemeentewet]
De volgende verordening wordt ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat:
12.5 Overgangsrecht [Gemeentewet]
Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, die is ingediend vóór de ingangsdatum geldt juist dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe.
Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening worden beoordeeld op grond van de onder artikel 12.4 genoemde verordening, die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de inwoner van worden afgeweken als heroverweging op grond van deze verordening leidt tot een gunstiger uitkomst.
Aanbieder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert tegen betaling.
Algemene of vrij toegankelijke voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, voor alle inwoner toegankelijk is en dat is gericht op de onderwerpen die in de aanhef van Hoofdstuk 1 van deze verordening zijn opgesomd.
Armoedeval: achteruitgang in inkomen als een uitkeringsgerechtigde een baan aanneemt op of rond het minimumloon. Dit komt door het (gedeeltelijk) wegvallen van tegemoetkomingen van de gemeente of van toeslagen zoals huurtoeslag en zorgtoeslag.
Beperking: de vermindering van mogelijkheden waardoor een belemmering ontstaat in het sociaal-maatschappelijk functioneren.
Bijstandsnorm: dit betreft de geldende bijstandsnorm, de maximale hoogte van de bijstandsuitkering bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner.
Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.
CAK: Centraal Administratie Kantoor
Clientondersteuner: een onafhankelijke professional die hulp biedt aan de inwoner in de vorm van informatie, advies en algemene ondersteuning. De hulp aan de inwoner is gericht op het benutten van diensten die door gemeenten en andere organisaties worden geleverd op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werken inkomen (artikel 1.1.1 van de Wmo).
Collectief taxivervoer: vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd).
Effect: het resultaat of het doel.
Eigen kracht: Van eigen kracht wordt gesproken wanneer de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner toereikend zijn om zelf of met personen uit het sociaal netwerk de hulp te bieden, die passend is bij de hulpvraag.
Eigen vervoermiddel: een vervoermiddel dat er inwoner zelf bezit of dat hij mag gebruiken. Daaronder valt ook een vervoermiddel dat de gebruiker ter beschikking staat, zoals een deel-, leen-, of leaseauto.
Familiegroepsplan: het plan bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
Financiële buffer: vermogen. Een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet.
Fraude: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte hiervan vast te stellen. Als gevolg hiervan wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt.
Gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet wordt met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. Wat specifiek binnen de jeugdhulp hieronder wordt verstaan is nader uitgewerkt in § 3.5 van deze verordening.
Gemeente: een medewerker of het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten.
Gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het effect dat hij wil bereiken bespreekt.
Hulp: jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, of schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs.
Hulp-op-maat: Zie “maatwerkvoorziening”.
Hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding of aanvraag heeft.
Informele hulp / Informele ondersteuning: Hulp of ondersteuning verleend door iemand uit het sociaal netwerk van een inwoner, zoals een familielid of een vriend. Degene die de hulp of ondersteuning verleent wordt informele (of niet professionele) hulpverlener / ondersteuner genoemd.
Inkomen: het inkomen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet.
Inspraak: inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet. Met inspraak wordt in hoofdstuk 9 van deze verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen en over iets mee te beslissen.
Inwoner: de persoon die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente Aalten volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft.
Gaat het om Wmo-hulp, dan wordt onder inwoner verstaan: de ingezetene als bedoeld in artikel 1.2.1 Wmo.
Gaat het om schuldhulpverlening, dan wordt onder inwoner verstaan: degene die in de basisregistratie personen van de gemeente Aalten is ingeschreven.
Voor de toepassing van de hoofdstukken 8 en 10 wordt onder inwoner ook verstaan: de persoon die hulp van de gemeente Aalten heeft gehad, maar zijn woonplaats niet meer in de gemeente Aalten heeft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor hulp door de gemeente.
Afhankelijk van de context wordt in deze verordening met “inwoner” ook bedoeld de cliënt als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo of de jeugdige en / of zijn ouder(-s) als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. N.a.v. artikel 23 Model.
Jeugdhulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
Jongerenwerk: basisaanbod van sociaal-culturele voorzieningen voor jongeren, zoals kinderwerk, tiener- en jongerenwerk, sportbuurtwerk en jongereninformatie. Het basisaanbod bevat ook activiteiten die stimulering van de ontwikkeling of het voorkomen van problemen bij jongeren tot doel heeft.
Kindpakket: een pakket van voorzieningen, meestal in natura, dat de gemeente voor gezinnen met een laag inkomen beschikbaar stelt. Het doel van het pakket is te voorkomen dat kinderen die opgroeien in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school.
Lerenwerkt: zorgt voor de bestrijding van schoolverzuim en schooluitval, zodat dat alle jongeren het onderwijs verlaten met een startkwalificatie.
Levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen.
Maatwerkvoorziening (Hulp-op-maat): een op de inwoner afgestemde voorziening.
Mantelzorg: alle onbetaalde hulp aan een hulpbehoevende door iemand uit diens directe sociale omgeving. Ook minder intensieve hulp, de hulp aan huisgenoten en de hulp aan instellingsbewoners kan hieronder vallen. Mantelzorg is hulp die verder gaat dan de zogenoemde gebruikelijke hulp.
Medewerker: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt.
NIBUD-prijzengids: een handboek dat wordt uitgegeven door het NIBUD. In deze gids staan gangbare, actuele prijzen van producten en diensten.
Ondersteuning: Verzamelnaam voor zorgverlening, hulpverlening, zorg, hulp , diensten, behandeling enz.
Ondersteuningsplan: een plan dat samen met de inwoner wordt opgesteld door de gemeente. Hierin staan een weergave van het gesprek tussen de inwoner en de gemeente, de te bereiken resultaten, welke ondersteuning het betreft, de duur van de indicatie, de zorgaanbieder en de evaluatievormen.
Ouders: ouders, voogden of verzorgers van de jeugdige.
Persoonlijk plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de gewenste hulp wordt aangegeven. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan.
Persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn, inclusief de behoefte van de inwoner en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging.
Pgb: persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee iemand zelf hulp(middelen) in kan kopen.
Pgb-budgetplan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij met het Pgb wil inkopen. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd worden.
Pgb-houder: Natuurlijk persoon die een door de gemeente beschikbaar gesteld Pgb ontvangt en daarmee een voorziening koopt.
Pgb-vertegenwoordiger: Natuurlijk persoon die de Pgb-houder ondersteunt bij de uitvoering van de voorwaarden van het Pgb.
Professional / professionele hulpverlener: iemand die beroepsmatig de hulp verleent.
Samenwonen: een gemeenschappelijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet.
Sociaal netwerk: huisgenoten of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (inclusief mantelzorgers). Hulp door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad wordt altijd als hulp door iemand uit het sociaal netwerk gezien.
SVB: Sociale verzekeringsbank. De organisatie die het Pgb uitbetaalt aan inwoners.
Vermogen: totaal aan bezit in geld en goederen; het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.
Voorliggende voorziening: een voorziening waarop de inwoner met betrekking tot zijn problematiek aanspraak kan maken op grond van een andere, al dan niet wettelijke, regeling dan de wettelijke regelingen waarover deze verordening gaat. Bijvoorbeeld: Zo is de Wlz voorliggend op de Wmo. Een aanvullende zorgverzekering is voorliggend op de Jw als op basis van die aanvullende verzekering de noodzakelijke hulp of ondersteuning wordt vergoed. Voorzieningen als alimentatie en toeslagen kunnen ook voorliggend zijn.
Voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening;
Vrij toegankelijke voorziening: zie algemene voorziening
Wettelijk minimumloon: het minimumloon per maand, zoals dit is omschreven in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Als het om een werknemer jonger dan 21 jaar gaat, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, zoals het is omschreven in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van die wet.
Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Wmo-hulp: de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.
WMO-wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving (beschermd wonen;
Woningaanpassing: Bouwkundige voorzieningen die aan het huis vast zitten en die niet kunnen worden verwijderd zonder dat dit tot het tenietgaan van de woonvoorziening leidt en/of tot onevenredige kosten voor het in de oorspronkelijke staat herstellen van de woning, zoals een aanbouw aan de woning, een aangepast aanrecht, extra brede deuren of antislip materiaal op de vloer;
Woonvoorziening: In of bij de woning aangebrachte voorzieningen die kunnen worden verwijderd zonder dat dit tot het tenietgaan van de woonvoorziening leidt en/of tot onevenredige kosten voor het in de oorspronkelijke staat herstellen van de woning, bijvoorbeeld een traplift of een tillift;
Zorg in natura (ZIN): de gemeente zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet. Dat kan in de vorm van een dienst zijn maar het is ook mogelijk dat er een product (hulpmiddel, woonvoorziening, woningaanpassing) wordt gegeven.
Zorgplan: Een plan dat de zorgaanbieder samen met de inwoner opstelt over de invulling en inzet van de maatwerkvoorziening, (waaronder omvang, uren, frequentie) en de wijze waarop dit bijdraagt aan de realisatie van de door de gemeente opgestelde resultaten en effecten.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-560577.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.