Wijziging Verzamelbesluit nadere regels en beleidsregels Participatiewet, aanverwante regelingen en Sociaal Vangnet, 7e wijziging

Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Apeldoorn,

 

gelezen het voorstel d.d. 24 november 2025, nummer 7340;

 

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet, artikel 35, artikel 36 en paragraaf 6.5 van de Participatiewet, artikel 7 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en artikel 4.2.1 van Verzamelverordening Inkomensondersteuning, re-integratie en participatie 2023;

 

besluit: vast te stellen de volgende wijziging van het Verzamelbesluit nadere regels en beleidsregels Participatiewet, aanverwante regelingen en Sociaal Vangnet, 7e wijziging.

Artikel I Wijziging Verzamelbesluit nadere regels en beleidsregels Participatiewet, aanverwante regelingen en Sociaal Vangnet, 7e wijziging

  • A.

    Artikel 3.1 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 3.1 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder:

  • -

    basishuur: het deel van de (reken)huur waarover geen huurtoeslag wordt toegekend en dat voor rekening van de huurder blijft, zoals bedoeld in artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag;

  • -

    gehuwdennorm: de norm zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder b, van de PW;

  • -

    kostganger: degene tegen een financiële vergoeding op basis van een schriftelijke overeenkomst kost en inwoning heeft bij een ander. Het verschil tussen de huurder en de kostganger is dat de kostganger naast het woongenot in ieder geval ook de maaltijden op kosten van de verhuurder nuttigt;

  • -

    lage woonlasten: woonlasten zoals omschreven in dit artikel, maar lager dan de basishuur;

  • -

    woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder k, van de Wet op de huurtoeslag alsmede een woonwagen of woonschip als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de PW;

  • -

    woonlasten:

    • -

      1º. bij een huurwoning: de maandelijks verschuldigde huur, inclusief de servicekosten die op grond van de Wet op de huurtoeslag voor huurtoeslag in aanmerking komen;

    • -

      2º. bij een eigen woning: de maandelijks verschuldigde hypotheekrente, verhoogd met de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud;

    • -

      3º. bij kamerhuur: de maandelijks verschuldigde huur exclusief de bijdrage voor gas, water en elektra;

    • -

      4º. bij anti-kraakbewoning of tijdelijke huur ingeval van leegstand: de maandelijks verschuldigde vergoeding voor bruikleen of tijdelijke huur, exclusief de bijkomende kosten.

Artikel 3.1 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder:

  • -

    basishuur: het deel van de (reken)huur waarover geen huurtoeslag wordt toegekend en dat voor rekening van de huurder blijft, zoals bedoeld in artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag;

  • -

    gehuwdennorm: de norm zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder b, van de PW;

  • -

    kostganger: degene tegen een financiële vergoeding op basis van een schriftelijke overeenkomst kost en inwoning heeft bij een ander. Het verschil tussen de huurder en de kostganger is dat de kostganger naast het woongenot in ieder geval ook de maaltijden op kosten van de verhuurder nuttigt;

  • -

    lage woonlasten: woonlasten zoals omschreven in dit artikel, maar lager dan de basishuur;

  • -

    woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder k, van de Wet op de huurtoeslag alsmede een woonwagen of woonschip als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de PW;

  • -

    woonlasten:

    • -

      1º. bij een huurwoning: de maandelijks verschuldigde huur die op grond van de Wet op de huurtoeslag voor huurtoeslag in aanmerking komt;

    • -

      2º. bij een eigen woning: de maandelijks verschuldigde hypotheekrente, verhoogd met de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud;

    • -

      3º. bij kamerhuur: de maandelijks verschuldigde huur exclusief de bijdrage voor gas, water en elektra;

    • -

      4º. bij anti-kraakbewoning of tijdelijke huur ingeval van leegstand: de maandelijks verschuldigde vergoeding voor bruikleen of tijdelijke huur, exclusief de bijkomende kosten.

 

  • B.

    Artikel 4.2a wordt ingevoegd en luidt als volgt:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

 

Artikel 4.2a Ambtshalve toekenning

  • 1.

    De individuele inkomenstoeslag wordt ambtshalve toegekend aan de inwoner van 21 jaar en ouder indien het college over voldoende informatie beschikt om het recht op deze toeslag te kunnen vaststellen.

  • 2.

    In overige situaties wordt de individuele inkomenstoeslag schriftelijk aangevraagd door middel van een daarvoor bestemd aanvraagformulier.

 

  • C.

    Artikel 4.3 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.3 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder:

  • -

    bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onder c, van de PW. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm;

  • -

    boekjaar: de periode van twaalf maanden waarover verslag wordt gedaan van de resultaten van het eigen bedrijf of zelfstandig beroep;

  • -

    draagkracht: het gedeelte van het inkomen en het vermogen dat de belanghebbende moet aanwenden om in de kosten te voorzien;

  • -

    inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 31, 32 en 33 van de PW inclusief vakantietoeslag;

  • -

    vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder a, van de PW;

  • -

    vermogensgrens: de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de PW.

Artikel 4.3 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder:

  • -

    bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onder c, van de PW. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm;

  • -

    boekjaar: de periode van twaalf maanden waarover verslag wordt gedaan van de resultaten van het eigen bedrijf of zelfstandig beroep;

  • -

    draagkracht: het gedeelte van het inkomen en het vermogen dat de belanghebbende moet aanwenden om in de kosten te voorzien;

  • -

    inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 31, 32 en 33 van de PW inclusief vakantietoeslag;

  • -

    inwoner: de inwoner als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van 18 jaar en ouder;

  • -

    vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder a, van de PW;

  • -

    vermogensgrens: de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de PW.

 

  • D.

    Artikel 4.6 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.6 Draagkracht

  • 1.

    Geen draagkracht is aanwezig bij een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en bij een vermogen dat lager is dan de van toepassing zijnde vermogensgrens.

  • 2.

    Bij een inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt de draagkracht vastgesteld op 25% van het meerinkomen.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor bijzondere bijstand voor woonlasten een draagkrachtgrens van 100%. Dit betekent dat al het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm volledig als draagkracht wordt aangemerkt.

  • 4.

    Bij wisselende inkomsten wordt het inkomen vastgesteld op het gemiddelde inkomen over twee maanden voorafgaand aan de aanvraag.

  • 5.

    Voor de vaststelling van het inkomen uit eigen bedrijf of zelfstandig beroep wordt het bedrijfsresultaat (winst uit onderneming) over het voorgaande boekjaar verminderd met:

    • -

      de over het bedrijfsresultaat verschuldigde inkomstenbelasting;

    • -

      de premies volksverzekeringen; en

    • -

      de inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet.

  • Dit jaarbedrag wordt omgerekend naar een maandbedrag.

  • 6.

    De hoogte van het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de algemene bijstand.

  • 7.

    Bij een vermogen dat hoger is dan de van toepassing zijnde vermogensgrens wordt het meerdere volledig als draagkracht aangemerkt.

  • 8.

    De draagkracht wordt in beginsel vastgesteld voor een periode van een jaar, beginnend op:

    • a.

      de dag waarop de kosten zich hebben voorgedaan indien sprake is van incidentele kosten;

    • b.

      de ingangsdatum van de bijstandsverlening als het gaat om periodieke kosten.

  • 9.

    Bij een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand binnen het draagkrachtjaar wordt, in afwijking van het vorige lid, in beginsel aangesloten bij de reeds vastgestelde draagkrachtperiode.

  • 10.

    De individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag worden bij de vaststelling van de draagkracht buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4.6 Draagkracht en toekenning

  • 1.

    Geen draagkracht is aanwezig bij een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en bij een vermogen dat lager is dan de van toepassing zijnde vermogensgrens.

  • 2.

    Bij een inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt de draagkracht vastgesteld op 25% van het meerinkomen.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor bijzondere bijstand voor woonlasten een draagkrachtgrens van 100%. Dit betekent dat al het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm volledig als draagkracht uit inkomen wordt aangemerkt.

  • 4.

    Bij wisselende inkomsten wordt het inkomen vastgesteld op het gemiddelde inkomen over twee maanden voorafgaand aan de aanvraag.

  • 5.

    Voor de vaststelling van het inkomen uit eigen bedrijf of zelfstandig beroep wordt het bedrijfsresultaat (winst uit onderneming) over het voorgaande boekjaar verminderd met:

    • -

      de over het bedrijfsresultaat verschuldigde inkomstenbelasting;

    • -

      de premies volksverzekeringen; en

    • -

      de inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet.

  • Dit jaarbedrag wordt omgerekend naar een maandbedrag.

  • 6.

    De hoogte van het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de algemene bijstand.

  • 7.

    Bij een vermogen dat hoger is dan de van toepassing zijnde vermogensgrens wordt het meerdere volledig als draagkracht aangemerkt.

  • 8.

    De draagkracht wordt in beginsel vastgesteld voor een periode van 12 maanden, beginnend op:

    • a.

      de dag waarop de kosten zich hebben voorgedaan indien sprake is van incidentele kosten;

    • b.

      de ingangsdatum van de bijstandsverlening als het gaat om periodieke kosten.

  • 9.

    Het college kan de draagkracht vaststellen over een periode van maximaal 36 maanden indien sprake is van vaste periodieke kosten en de inwoner beschikt over een stabiel inkomen, tenzij er redenen zijn om hiervan af te wijken.

  • 10.

    Een reeds vastgestelde draagkracht kan voor de resterende draagkrachtperiode in ieder geval worden herzien indien sprake is van:

    • a.

      een inkomensdaling die van invloed is op de toegekende bijzondere bijstand;

    • b.

      een inkomensstijging die meer bedraagt dan 20% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand;

    • c.

      een toename van het vermogen waardoor de van toepassing zijnde vermogensgrens wordt overschreden .

  • 11.

    Bij een nieuwe aanvraag binnen een reeds vastgestelde draagkrachtperiode wordt in beginsel geen nieuwe draagkrachtperiode vastgesteld .

  • 12.

    De individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag worden bij de vaststelling van de draagkracht buiten beschouwing gelaten.

 

  • E.

    Artikel 4.10 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.10 Aanvullende begripsbepalingen

  • 1.

    In aanvulling op en gedeeltelijk in afwijking van artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder:

    • -

      alleenstaande ouder: de alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de PW;

    • -

      bijstandsnorm: de voor de inwoner van toepassing zijnde bijstandsnorm zonder vakantietoeslag. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm;

    • -

      boekjaar: de periode van twaalf maanden waarover verslag wordt gedaan van de resultaten van het eigen bedrijf of zelfstandig beroep.

    • -

      eigen risico: het verplicht eigen risico als bedoeld in artikel 1 van de Zorgverzekeringswet;

    • -

      inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 31 en 32 van de PW zonder vakantietoeslag. De uitkering op grond van de PW wordt ook tot het inkomen gerekend. Bij gehuwden en samenwonenden wordt uitgegaan van het gezamenlijke inkomen;

    • -

      instelling: een inrichting als bedoeld in artikel 1, aanhef en sub f, ten tweede, van de PW en gevestigd in Apeldoorn;

    • -

      inwoner: de inwoner als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit van 18 jaar en ouder en met een laag inkomen;

    • -

      kind: het kind dat jonger is dan 18 jaar en:

      • 1°.

        in het gezinsverband van de inwoner leeft;

      • 2°.

        in de Basisregistratie Personen ook op het adres van de inwoner staat ingeschreven;

      • 3°.

        waarvoor de inwoner kinderbijslag ontvangt; en

      • 4°.

        waarvan de ouders over een laag of laag besteedbaar inkomen beschikken.

    • Een pleegkind waarvoor de inwoner op grond van de Jeugdwet een pleeggeldvergoeding ontvangt, wordt met een kind gelijkgesteld;

    • -

      kind in een instelling: het kind dat op de peildatum jonger is dan 18 jaar en:

      • 1°.

        voltijds verblijft in een instelling;

      • 2°.

        in de Basis Registratie Personen op het adres van deze instelling is ingeschreven;

      • 3°.

        daar minimaal twee maanden verblijft of naar verwachting nog twee maanden zal verblijven; en

      • 4°.

        op de peildatum aan al deze vereisten voldoet;

    • -

      leges: de geheven rechten als bedoeld in artikel 2 van de Legesverordening Apeldoorn en de daarbij behorende tarieventabel;

    • -

      partner: de persoon met wie de inwoner een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de PW;

    • -

      peildatum: de datum waarop de leeftijd van het kind wordt vastgesteld, te weten:

      • 1°.

        voor het tegoed in verband met schoolkosten: 1 juni in het jaar van verstrekking;

      • 2°.

        voor het feestdagentegoed: 1 november in het jaar van verstrekking

    • -

      laag inkomen: een inkomen dat niet hoger is dan 120% van de bijstandsnorm;

    • -

      laag besteedbaar inkomen: het vrij te laten bedrag dat overblijft voor de kosten van levensonderhoud indien sprake is van een wettelijke schuldsaneringsregeling of een schuldregeling via de afdeling Realisatie Sociaal. De inkomensgrens zoals genoemd bij ‘laag inkomen’ is hierbij niet van toepassing;

    • -

      uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de PW, waaronder de bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van het Bbz 2004 en de verleende inkomensvoorziening op grond van de IOAW en IOAZ.

Artikel 4.10 Aanvullende begripsbepalingen

  • 1.

    In aanvulling op en gedeeltelijk in afwijking van artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder:

    • -

      alleenstaande ouder: de alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de PW;

    • -

      bijstandsnorm: de voor de inwoner van toepassing zijnde bijstandsnorm zonder vakantietoeslag. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm;

    • -

      boekjaar: de periode van twaalf maanden waarover verslag wordt gedaan van de resultaten van het eigen bedrijf of zelfstandig beroep.

    • -

      eigen risico: het verplicht eigen risico als bedoeld in artikel 1 van de Zorgverzekeringswet;

    • -

      inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 31 en 32 van de PW zonder vakantietoeslag. De uitkering op grond van de PW wordt ook tot het inkomen gerekend. Bij gehuwden en samenwonenden wordt uitgegaan van het gezamenlijke inkomen;

    • -

      instelling: een inrichting als bedoeld in artikel 1, aanhef en sub f, ten tweede, van de PW en gevestigd in Apeldoorn;

    • -

      inwoner: de inwoner als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit van 18 jaar en ouder en met een laag inkomen;

    • -

      kind: het kind dat jonger is dan 18 jaar en:

      • 1°.

        in het gezinsverband van de inwoner leeft;

      • 2°.

        in de Basisregistratie Personen ook op het adres van de inwoner staat ingeschreven;

      • 3°.

        waarvoor de inwoner kinderbijslag ontvangt; en

      • 4°.

        waarvan de ouders over een laag of laag besteedbaar inkomen beschikt.

    • Een pleegkind waarvoor de inwoner op grond van de Jeugdwet een pleeggeldvergoeding ontvangt, wordt met een kind gelijkgesteld;

    • -

      kind in een instelling: het kind dat op de peildatum jonger is dan 18 jaar en:

      • 1°.

        voltijds verblijft in een instelling;

      • 2°.

        in de Basis Registratie Personen op het adres van deze instelling is ingeschreven;

      • 3°.

        daar minimaal twee maanden verblijft of naar verwachting nog twee maanden zal verblijven; en

      • 4°.

        op de peildatum aan al deze vereisten voldoet;

    • -

      leges: de geheven rechten als bedoeld in artikel 2 van de Legesverordening Apeldoorn en de daarbij behorende tarieventabel;

    • -

      partner: de persoon met wie de inwoner een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de PW;

    • -

      peildatum: de datum waarop de leeftijd van het kind wordt vastgesteld, te weten:

      • 1°.

        voor het tegoed in verband met schoolkosten: 1 juni in het jaar van verstrekking;

      • 2°.

        voor het feestdagentegoed: 1 november in het jaar van verstrekking

    • -

      laag inkomen: een inkomen dat niet hoger is dan 120% van de bijstandsnorm;

    • -

      laag besteedbaar inkomen: het vrij te laten bedrag dat overblijft voor de kosten van levensonderhoud indien sprake is van een wettelijke schuldsaneringsregeling of een schuldregeling via de afdeling Realisatie Sociaal. De inkomensgrens zoals genoemd bij ‘laag inkomen’ is hierbij niet van toepassing;

    • -

      uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de PW, waaronder de bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van het Bbz 2004 en de verleende inkomensvoorziening op grond van de IOAW en IOAZ.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel ‘laag inkomen’ bedraagt de inkomensgrens in 2025en 2026 130% van de bijstandsnorm.

 

  • F.

    Artikel 5.4 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5.4 Weigeren en beëindigen

  • 1.

    De toegang tot de integrale schuldhulpverlening kan worden geweigerd of beëindigd, indien de inwoner of cliënt:

    • a.

      niet of niet langer behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 5.1 van dit hoofdstuk;

    • b.

      de verplichtingen van de Wgs niet of niet voldoende nakomt;

    • c.

      het traject integrale schuldhulpverlening (succesvol) is afgerond;

    • d.

      zijn beschikbare aflossingscapaciteit of vermogen niet wil gebruiken voor de aflossing van schulden;

    • e.

      op grond van, zo later is gebleken, onjuiste gegevens heeft verstrekt, terwijl als dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen;

    • f.

      zich ten opzichte van de medewerkers, belast met werkzaamheden die voortkomen uit het traject integrale schuldhulpverlening, ernstig misdraagt;

    • g.

      zelf uitdrukkelijk verzoekt om de toegang tot de integrale schuldhulpverlening te beëindigen;

    • h.

      zich niet naar vermogen inspant om de onderliggende oorzaak van de schulden te willen oplossen;

    • i.

      is komen te overlijden;

    • j.

      schulden heeft die zijn ontstaan door fraude, als bedoeld in artikel 3, derde lid van de Wgs;

  • 2.

    De toegang tot de integrale schuldhulpverlening kan tevens worden geweigerd of beëindigd indien de integrale schuldhulpverlening door het college niet (langer) noodzakelijk of passend wordt geacht, dan wel één van de factoren van artikel 5.3, tweede lid een belemmerende rol voor de schudhulpverlening spelen.

  • 3.

    Alvorens te besluiten tot weigering of beëindiging, wordt de inwoner of cliënt een hersteltermijn geboden om alsnog de gevraagde medewerking te verlenen of informatie te verstrekken .

Artikel 5.4 Weigeren en beëindigen

  • 1.

    De toegang tot de integrale schuldhulpverlening kan worden geweigerd of beëindigd, indien de inwoner of cliënt:

    • a.

      niet of niet langer behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 5.1 van dit hoofdstuk;

    • b.

      de verplichtingen van de Wgs niet of niet voldoende nakomt;

    • c.

      het traject integrale schuldhulpverlening (succesvol) is afgerond;

    • d.

      zijn beschikbare aflossingscapaciteit of vermogen niet wil gebruiken voor de aflossing van schulden;

    • e.

      op grond van, zo later is gebleken, onjuiste gegevens heeft verstrekt, terwijl als dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen;

    • f.

      zich ten opzichte van de medewerkers, belast met werkzaamheden die voortkomen uit het traject integrale schuldhulpverlening, ernstig misdraagt;

    • g.

      zelf uitdrukkelijk verzoekt om de toegang tot de integrale schuldhulpverlening te beëindigen;

    • h.

      zich niet naar vermogen inspant om de onderliggende oorzaak van de schulden te willen oplossen;

    • i.

      is komen te overlijden;

    • j.

      schulden heeft die zijn ontstaan door fraude, als bedoeld in artikel 3, derde lid van de Wgs;

  • 2.

    De toegang tot de integrale schuldhulpverlening kan tevens worden geweigerd of beëindigd indien de integrale schuldhulpverlening door het college niet (langer) noodzakelijk of passend wordt geacht, dan wel één van de factoren van artikel 5.3, tweede lid een belemmerende rol voor de schudhulpverlening spelen.

  • 3.

    Alvorens het college besluit tot weigering of beëindiging en herstel nog mogelijk is, wordt de inwoner of cliënt een hersteltermijn geboden om alsnog de gevraagde medewerking te verlenen of informatie te verstrekken .

 

  • G.

    Artikel 6.11 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.11 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder:

  • -

    onderhoudsplichtige: degene die een financiële bijdrage in de kosten van het levensonderhoud aan de bijstandsgerechtigde en/of de ten laste komende kinderen dient te voldoen op grond van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een rechterlijke uitspraak;

  • -

    verhaalsbijdrage : kosten van bijstand die worden verhaald vanwege onderhoudsplicht, schenking of nalatenschap, zoals bedoeld in paragraaf 6.5 van de PW.

Artikel 6.11 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1, tweede lid, van dit verzamelbesluit wordt in deze paragraaf verstaan onder:

  • -

    verhaalsbijdrage: kosten van bijstand die worden verhaald vanwege schenking of nalatenschap, zoals bedoeld in artikel 62f van de PW.

 

  • H.

    Artikel 6.12 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.12 Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand als bedoeld in paragraaf 6.5 van de PW.

Artikel 6.12 Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand als bedoeld in artikel 62f van de PW.

 

  • I.

    Artikel 6.13 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.13 Ambtshalve afzien van verhaal

  • 1.

    Het college ziet in ieder geval af van het nemen van een besluit tot verhaal indien:

    • a.

      de op te leggen verhaalsbijdrage lager of gelijk is aan het in de Trema-normen vastgestelde minimale alimentatiebedrag voor twee kinderen ;

    • b.

      daarvoor naar het oordeel van het college sprake is van zwaarwegende omstandigheden bij degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen;

    • c.

      de kosten van bijstand zijn gemaakt meer dan vijf jaar voor de datum van het besluit tot verhaal, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 62f, onder b, ten tweede, van de PW en dus sprake is van verhaal op de nalatenschap van de persoon aan wie bijstand is verleend in de vorm van een geldlening of als gevolg van borgtocht.

  • 2.

    In geval van oninbaarheid kan het college besluiten om af te zien van het toepassen van verder verhaal, de inning van achterstallige verhaalsbijdragen of een combinatie hiervan. Van oninbaarheid is in ieder geval sprake indien de onderhoudsplichtige:

    • a.

      gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, of;

    • b.

      gedurende twee jaar al dan niet betalingen heeft verricht en de nog openstaande vordering minder bedraagt dan € 125.

  • 3.

    Het college ziet af van verhaal in rechte als bedoeld in artikel 62g van de PW, indien:

    • a.

      het totaal te verhalen bedrag naar verwachting niet hoger is dan € 600;

    • b.

      het te verhalen bedrag naar verwachting lager is dan de door de rechtbank te maken kosten inzake de procedure voor personen “verdwenen onbekend waarheen”.

Artikel 6.13 Ambtshalve afzien van verhaal

  • 1.

    Het college ziet in ieder geval af van het nemen van een besluit tot verhaal indien daarvoor naar het oordeel van het college sprake is van zwaarwegende omstandigheden bij degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen.

  • 2.

    In geval van oninbaarheid kan het college besluiten om af te zien van het toepassen van verder verhaal, de inning van achterstallige verhaalsbijdragen of een combinatie hiervan. Van oninbaarheid is in ieder geval sprake indien:

    • a.

      gedurende vijf jaar geen betalingen zijn ontvangen en niet aannemelijk is dat deze betalingen alsnog worden ontvangen; of

    • b.

      gedurende twee jaar onregelmatige betalingen zijn ontvangen en de nog openstaande vordering minder bedraagt dan € 125.

  • 3.

    Het college ziet af van verhaal in rechte als bedoeld in artikel 62g van de PW, indien:

    • a.

      het totaal te verhalen bedrag naar verwachting niet hoger is dan € 600;

    • b.

      het te verhalen bedrag naar verwachting lager is dan de door de rechtbank te maken kosten inzake de procedure voor personen “verdwenen onbekend waarheen”.

 

  • J.

    Artikel 6.15 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.15 Ingangsdatum verhaalsbijdrage en financieel (her)onderzoek

  • 1.

    De verhaalsbijdrage ingevolge artikel 62 van de PW wordt opgelegd met ingang van de eerste maand volgend op de datum van aanschrijving van de debiteur.

  • 2.

    Het college verricht tenminste eenmaal per 36 maanden een onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbijdrage.

  • 3.

    Gewijzigde omstandigheden leiden in beginsel tot wijziging van de vastgestelde verhaalsbijdrage, tenzij de eerdere verhaalsbijdrage voldoet aan de wettelijke maatstaven en de onderhoudsplichtige deze periodieke verplichting nakomt.

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing indien de onderhoudsplichtige vanwege de aflossing van schulden een hogere verhaalsbijdrage kan worden opgelegd.

Artikel 6.15 (Vervallen)

 

  • K.

    Artikel 6.16 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.16 Verhaal volgens rechterlijke uitspraak

  • 1.

    Indien de belanghebbende de rechterlijke uitspraak zoals bedoeld in artikel 62b, eerste lid, van de PW niet nakomt, wordt het besluit tot verhaal per brief aan de belanghebbende meegedeeld waarbij een betalingstermijn van 30 dagen van toepassing is.

  • 2.

    Bij het uitblijven van betaling wordt de rechterlijke uitspraak bij dwangbevel ingevorderd, waarbij de bekendmaking van het dwangbevel plaatsvindt door middel van toezending per post.

  • 3.

    In geval van beslaglegging als bedoeld in voorgaande lid, kan de vordering overeenkomstig het Besluit buitengerechtelijke kosten worden verhoogd met incassokosten en wettelijke rente.

Artikel 6.16 (Vervallen)

 

  • L.

    De toelichting op artikel 4.2a wordt ingevoegd en luidt als volgt:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

 

Artikel 4.2a Ambtshalve toekenning

Het automatisch toekennen van de individuele inkomenstoeslag aan de inwoner met een langdurig laag inkomen volgt uit het Actieplan 2.0: Apeldoorn tegen armoede zoals dat op 3 juli 2025 door de raad is vastgesteld. Belangrijkste overweging bij deze actie is de administratieve last – en daarmee de drempel - voor de inwoner te verlagen en het bereik te vergroten.

 

  • M.

    De toelichting op artikel 4.6 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4.6 Draagkracht

De vaststelling van de draagkracht behoort tot de beleidsvrijheid van het college. In dit artikel is aangegeven hoe het college hier invulling aan geeft.

 

Hoofdregel is dat 25% van het meerinkomen als draagkracht wordt aangemerkt indien sprake is van een inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit geldt niet voor bijzondere bijstand voor woonlasten (woonkostentoeslag), waarbij het volledige meerinkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm als draagkracht wordt aangemerkt.

 

Jongmeerderjarigen (in de leeftijd van 18 tot 21 jaar) die in een inrichting verblijven, hebben geen recht op algemene bijstand. Omdat er voor deze groep geen afzonderlijke bijstandsnorm is vastgesteld, wordt voor de vaststelling van de draagkracht uitgegaan van de bijstandsnormen als genoemd in artikel 23 van de PW (normen bij verblijf in een inrichting voor personen van 21 jaar en ouder). Dit betekent dat bij een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde inrichtingsnorm geen draagkracht aanwezig is. Is het inkomen hoger dan 110% van deze inrichtingsnorm, dan wordt 25% van het meerdere als draagkracht aangemerkt.

 

Het vermogen wordt buiten beschouwing gelaten, voor zover dat de vermogensgrens van artikel 34, derde lid, van de PW niet te boven gaat. Bij een vermogen dat hoger is dan deze vermogensgrens, wordt het meerdere vermogen voor 100% meegenomen als draagkracht en dient dit bedrag eerst aangewend te worden voor de betaling van de betreffende kosten. Een vermogensoverschrijding die lager is dan de aangevraagde bijzondere bijstand kan (eenmalig) op de toe te kennen bijstand in mindering worden gebracht.

 

De draagkrachtperiode wordt in beginsel vastgesteld voor de duur van een jaar. Wanneer de (financiële) omstandigheden van de belanghebbende en/of de duur van de kosten daartoe aanleiding geven, kan de draagkrachtperiode over een andere periode worden vastgesteld.Wordt er tijdens een lopende draagkrachtperiode opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd, dan wordt bij deze nieuwe aanvraag in beginsel aangesloten bij de reeds vastgestelde draagkrachtperiode. Dit voorkomt dat bij meerdere aanvragen in dezelfde periode verwarring ontstaat doordat de draagkrachtperioden elkaar deels overlappen.

 

Tot slot wordt hier aangegeven dat één van de uitgangspunten van het armoedebeleid is dat werk moet lonen. Gezinnen met een inkomen iets hoger dan het sociaal minimum, komen soms niet meer (volledig) in aanmerking voor bijzondere bijstand, terwijl het besteedbare inkomen in sommige situaties niet toeneemt vanwege de kosten van kinderopvang. Deze armoedeval – minder besteedbaar inkomen ook al wordt er meer gewerkt – is een ongewenste situatie. Het zorgt immers voor een belemmering om te participeren op de arbeidsmarkt. Bij het beoordelen van het recht op bijzondere bijstand kan daarom rekening worden gehouden met de eigen bijdrage die deze huishoudens betalen voor noodzakelijke kosten van officieel geregistreerde kinderopvang op grond van de Wet kinderopvang. Deze eigen bijdrage wordt in mindering gebracht op het inkomen. Ook andere noodzakelijk te achten eigen bijdragen die tot een vermindering van het besteedbaar inkomen leiden, kunnen - indien daar in een individueel geval aanleiding toe is - op het inkomen van een belanghebbende in mindering worden gebracht.

Artikel 4.6 Draagkracht

De vaststelling van de draagkracht behoort tot de beleidsvrijheid van het college. In dit artikel is aangegeven hoe het college hier invulling aan geeft.

 

Hoofdregel is dat 25% van het meerinkomen als draagkracht wordt aangemerkt indien sprake is van een inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit geldt niet voor bijzondere bijstand voor woonlasten (woonkostentoeslag), waarbij het volledige meerinkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm als draagkracht wordt aangemerkt.

 

Jongmeerderjarigen (in de leeftijd van 18 tot 21 jaar) die in een inrichting verblijven, hebben geen recht op algemene bijstand. Omdat er voor deze groep geen afzonderlijke bijstandsnorm is vastgesteld, wordt voor de vaststelling van de draagkracht uitgegaan van de bijstandsnormen als genoemd in artikel 23 van de PW (normen bij verblijf in een inrichting voor personen van 21 jaar en ouder). Dit betekent dat bij een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde inrichtingsnorm geen draagkracht aanwezig is. Is het inkomen hoger dan 110% van deze inrichtingsnorm, dan wordt 25% van het meerdere als draagkracht aangemerkt.

 

Het vermogen wordt buiten beschouwing gelaten, voor zover dat de vermogensgrens van artikel 34, derde lid, van de PW niet te boven gaat. Bij een vermogen dat hoger is dan deze vermogensgrens, wordt het meerdere vermogen voor 100% meegenomen als draagkracht en dient dit bedrag eerst aangewend te worden voor de betaling van de betreffende kosten. Een vermogensoverschrijding die lager is dan de aangevraagde bijzondere bijstand kan (eenmalig) op de toe te kennen bijstand in mindering worden gebracht.

 

De draagkrachtperiode wordt in beginsel vastgesteld voor de duur van een jaar. Is er sprake van vaste periodieke kosten en heeft de inwoner een stabiel inkomen, dan kan de draagkracht over een periode van 36 maanden worden vastgesteld. Dit geldt met name voor bewindvoeringskosten. Wanneer de (financiële) omstandigheden van de inwoner en/of de duur van de kosten daartoe aanleiding geven, kan de draagkrachtperiode over een andere periode worden vastgesteld. Wordt er tijdens een lopende draagkrachtperiode opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd, dan wordt bij deze nieuwe aanvraag in beginsel aangesloten bij de reeds vastgestelde draagkrachtperiode. Dit voorkomt dat bij meerdere aanvragen in dezelfde periode verwarring ontstaat doordat de draagkrachtperioden elkaar deels overlappen.

 

Tot slot wordt hier aangegeven dat één van de uitgangspunten van het armoedebeleid is dat werk moet lonen. Gezinnen met een inkomen iets hoger dan het sociaal minimum, komen soms niet meer (volledig) in aanmerking voor bijzondere bijstand, terwijl het besteedbare inkomen in sommige situaties niet toeneemt vanwege de kosten van kinderopvang. Deze armoedeval – minder besteedbaar inkomen ook al wordt er meer gewerkt – is een ongewenste situatie. Het zorgt immers voor een belemmering om te participeren op de arbeidsmarkt. Bij het beoordelen van het recht op bijzondere bijstand kan daarom rekening worden gehouden met de eigen bijdrage die deze huishoudens betalen voor noodzakelijke kosten van officieel geregistreerde kinderopvang op grond van de Wet kinderopvang. Deze eigen bijdrage wordt in mindering gebracht op het inkomen. Ook andere noodzakelijk te achten eigen bijdragen die tot een vermindering van het besteedbaar inkomen leiden, kunnen - indien daar in een individueel geval aanleiding toe is - op het inkomen van een belanghebbende in mindering worden gebracht.

 

  • N.

    De toelichting op artikel 5.4 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5.4 Weigeren en beëindigen

In dit artikel wordt beschreven wanneer de toegang tot de integrale schuldhulpverlening wordt geweigerd dan wel beëindigd. Hoewel het college de toegang tot integrale schuldhulpverlening voor zoveel mogelijk burgers wil openstellen, zijn er ook situaties waarin het college iemand de toegang wil ontzeggen c.q. de integrale schuldhulpverlening wil beëindigen. Indien een verzoeker of belanghebbende niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt, wordt de toegang tot de integrale schuldhulpverlening geweigerd dan wel beëindigd. Er is bewust voor gekozen een verzoeker niet de toegang te weigeren vanwege een laag of juist hoog inkomen. Een hoog inkomen hoeft niet te betekenen dat iemand er zonder hulp zelf wel uit komt. Mensen stemmen hun uitgaven immers af op hun inkomen en gaan vaak ook zwaardere verplichtingen aan. Aan de andere kant betekent een laag inkomen ook niet automatisch dat het college niets kan betekenen voor een persoon. De hoogte van het inkomen speelt wel een rol bij de keuze van het college om een bepaald instrument wel of niet aan te bieden. Immers, is bij voorbaat bekend dat iemands inkomen ontoereikend is om een bepaald instrument met succes te kunnen inzetten, dan zou het geld- en tijdverspilling zijn om toch dat instrument in te zetten.

 

Alvorens tot beëindiging of weigering te besluiten, biedt het college aan eenmaal een hersteltermijn om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken of medewerking te verlenen. In dit artikel is bewust geen concrete termijn opgenomen. De gegunde termijn dient een redelijke termijn te zijn conform de bepalingen in de Awb. Wat redelijk is hangt af van het type verplichting. Als ook gedurende de herstelperiode de verplichtingen niet worden nagekomen, dan kan het college besluiten tot weigering of beëindiging van de integrale schuldhulpverlening.

Artikel 5.4 Weigeren en beëindigen

In dit artikel wordt beschreven wanneer de toegang tot de integrale schuldhulpverlening wordt geweigerd dan wel beëindigd. Hoewel het college de toegang tot integrale schuldhulpverlening voor zoveel mogelijk burgers wil openstellen, zijn er ook situaties waarin het college iemand de toegang wil ontzeggen c.q. de integrale schuldhulpverlening wil beëindigen. Indien een verzoeker of belanghebbende niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt, wordt de toegang tot de integrale schuldhulpverlening geweigerd dan wel beëindigd. Er is bewust voor gekozen een verzoeker niet de toegang te weigeren vanwege een laag of juist hoog inkomen. Een hoog inkomen hoeft niet te betekenen dat iemand er zonder hulp zelf wel uit komt. Mensen stemmen hun uitgaven immers af op hun inkomen en gaan vaak ook zwaardere verplichtingen aan. Aan de andere kant betekent een laag inkomen ook niet automatisch dat het college niets kan betekenen voor een persoon. De hoogte van het inkomen speelt wel een rol bij de keuze van het college om een bepaald instrument wel of niet aan te bieden. Immers, is bij voorbaat bekend dat iemands inkomen ontoereikend is om een bepaald instrument met succes te kunnen inzetten, dan zou het geld- en tijdverspilling zijn om toch dat instrument in te zetten.

 

Alvorens tot beëindiging of weigering te besluiten, biedt het college aan eenmaal een hersteltermijn om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken of medewerking te verlenen. Uiteraard kan dit alleen als herstel van het verzuim nog mogelijk is. In dit artikel is bewust geen concrete termijn opgenomen. De gegunde termijn dient een redelijke termijn te zijn conform de bepalingen in de Awb. Wat redelijk is hangt af van het type verplichting. Als ook gedurende de herstelperiode de verplichtingen niet worden nagekomen, dan kan het college besluiten tot weigering of beëindiging van de integrale schuldhulpverlening.

 

  • O.

    De toelichting op artikel 6.12 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.12 Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

Verhaalsrecht is gerelateerd aan de Participatiewet. De verhaalsbepalingen zijn opgenomen in de artikelen 61 tot en met 62i van de PW. De IOAW en IOAZ kennen de mogelijkheid tot verhaal niet.

 

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand op:

  • -

    degene die de wettelijke onderhoudsplicht niet of niet behoorlijk nakomt ;

  • -

    degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan;

  • -

    de nalatenschap van de persoon indien aan die persoon ten onrechte bijstand is verleend en voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden.

Bij verhaal wegens het niet of onvoldoende nakomen van de wettelijke onderhoudsplicht gaat het concreet om de volgende onderhoudsplichtigen:

  • -

    de echtgenoot ten opzichte van de andere echtgenoot;

  • -

    de ex-echtgenoot (na echtscheiding of scheiding van tafel en bed) ten opzichte van de andere ex-echtgenoot;

  • -

    de ouder(s) ten opzichte van het minderjarige kind;

  • -

    de verwekker ten opzichte van het minderjarige kind;

  • -

    de ouder(s) ten opzichte van het jongmeerderjarige kind (in de leeftijd van 18 tot 21 jaar).

Met de (ex)echtgenoot wordt gelijkgesteld de (ex)geregistreerd partner. In plaats van echtscheiding of scheiding van tafel en bed is daarbij dan sprake van beëindiging van de partnerschapsregistratie.

 

Het verhalen van bijstand is in deze situaties mogelijk tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

 

Verhaal op de ouder(s) vanwege bijstandsverlening aan de jongmeerderjarige kan zich voordoen indien de wettelijke onderhoudsplicht niet of niet behoorlijk wordt nakomen, terwijl de ouder(s) daar financieel wel toe in staat is (zijn).

 

Voor wat betreft het verhaal bij schenking geldt dat het schenken of weggeven van (een deel van) het vermogen als onverantwoord beschouwd wanneer de bijstandsgerechtigde op het moment van de schenking redelijkerwijs kon voorzien dat hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden zou gaan verkeren. Indien ook aan de overige criteria als vermeld in artikel 62f van de PW is voldaan, behoort de schenking te worden verhaald. Overigens gaat het hierbij niet alleen om vermogen in de vorm van geld, maar om alle vermogensbestanddelen. Voor de hoogte van het te verhalen bedrag wordt aangesloten bij de regels die gelden voor de vermogensvaststelling.

 

Bijstandsvorderingen komen niet automatisch te vervallen bij het overlijden van de belanghebbende. Wanneer de belanghebbende een nalatenschap achterlaat, dienen de vorderingen te worden verhaald op deze nalatenschap.

 

Tot slot is hier van belang dat ingevolge de Wet op Lijkbezorging de mogelijkheid bestaat om te verhalen op bloed- en aanverwanten als er onvoldoende wordt meegewerkt aan het bekostigen van de uitvaart uit aanwezige banksaldi, polissen en andere gelden binnen de nalatenschap. Uitdrukkelijk wordt vermeld dat alleen van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt in situaties waarin de bloed- en aanverwanten geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het zoveel mogelijk schadeloos stellen van het college in het kader van de bekostiging van uitvaarten.

Artikel 6.12 Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

Verhaalsrecht is gerelateerd aan de Participatiewet. De IOAW en IOAZ kennen de mogelijkheid tot verhaal niet.

 

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand op:

  • -

    degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan;

  • -

    de nalatenschap van de persoon indien aan die persoon ten onrechte bijstand is verleend en voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden.

Voor wat betreft het verhaal bij schenking geldt dat het schenken of weggeven van (een deel van) het vermogen als onverantwoord beschouwd wanneer de bijstandsgerechtigde op het moment van de schenking redelijkerwijs kon voorzien dat hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden zou gaan verkeren. Indien ook aan de overige criteria als vermeld in artikel 62f van de PW is voldaan, behoort de schenking te worden verhaald. Overigens gaat het hierbij niet alleen om vermogen in de vorm van geld, maar om alle vermogensbestanddelen. Voor de hoogte van het te verhalen bedrag wordt aangesloten bij de regels die gelden voor de vermogensvaststelling.

 

Bijstandsvorderingen komen niet automatisch te vervallen bij het overlijden van de belanghebbende. Wanneer de belanghebbende een nalatenschap achterlaat, dienen de vorderingen te worden verhaald op deze nalatenschap.

 

Tot slot is hier van belang dat ingevolge de Wet op Lijkbezorging de mogelijkheid bestaat om te verhalen op bloed- en aanverwanten als er onvoldoende wordt meegewerkt aan het bekostigen van de uitvaart uit aanwezige banksaldi, polissen en andere gelden binnen de nalatenschap. Uitdrukkelijk wordt vermeld dat alleen van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt in situaties waarin de bloed- en aanverwanten geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het zoveel mogelijk schadeloos stellen van het college in het kader van de bekostiging van uitvaarten.

 

P. De toelichting op artikel 6.15 wordt als volt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.15 Ingangsdatum verhaalsbijdrage en financieel (her)onderzoek

Verhaalsonderzoeken zijn intensief en blijken in de praktijk slechts in beperkte mate te leiden tot een gewijzigde vaststelling van een verhaalsbijdrage. Om die reden is in dit artikel het uitgangspunt neergelegd dat een administratief onderzoek naar de verhaalsbijdrage eenmaal per 36 maanden plaatsvindt. Daarnaast is bepaald dat niet wordt overgegaan tot wijziging van de verhaalsbijdrage wanneer een onderhoudsplichtige zijn verhaalsverplichting naar behoren nakomt en er geen sprake is van (tussentijdse) aflossing van schulden.

Artikel 6.15 (Vervallen)

 

  • Q.

    De toelichting op artikel 6.16 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6.16 Verhaal wegens een rechterlijke uitspraak

Met een uitvoerbare rechterlijke uitspraak wordt hier bedoeld een uitvoerbare rechterlijke uitspraak in de zin van artikel 62b Participatiewet: een door de rechter tussen belanghebbende en zijn ex-echtgenoot uitgesproken onderhoudsverplichting. Als de onderhoudsplichtige niet aan zijn verplichting voldoet, is het college bevoegd de kosten van de bijstand op de onderhoudsplichtige te verhalen, overeenkomstig de rechterlijke uitspraak. Indien een rechterlijke uitspraak niet wordt nagekomen, kan het college conform de rechterlijke uitspraak verhalen. Dan moet dit schriftelijk aan de onderhoudsplichtige bekend gemaakt worden, met de aanmaning dat het achterstallige bedrag binnen dertig dagen moet zijn voldaan. Tegen dit besluit kan de onderhoudsplichtige geen bezwaar indienen. Wel kan hij binnen een periode van 30 dagen in verzet komen bij de rechtbank, waarbij hij zich niet kan verzetten tegen het opleggen van de onderhoudsbijdrage. Het verzet heeft een schorsende werking. Pas als het verzet is ingetrokken of ongegrond is verklaard kan tot verdere invordering (aanmaning, dwangbevel, beslag) worden overgegaan, waarbij de kosten van de verdere invorderingsprocedure voor rekening van de klant komen. De tarieven voor buitengerechtelijke kosten worden conform het rapport “Voorwerk II” in rekening gebracht. In dit rapport heeft de werkgroep van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak uitspraken gedaan over de buitengerechtelijke kosten, en hier tarieven aan gekoppeld.

Artikel 6.16 (Vervallen)

 

  • R.

    De Verstrekkingenlijst in de bijlage wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Bijlage

Verstrekkingenlijst

Bedragen geldend vanaf 1 januari 2024

Bijzondere bijstand

Hoofdstuk 4, paragraaf 2, artikel 4.7

 

Maximaal te verlenen bijzondere bijstand1

  • Volledige woninginrichting

    • -

      Alleenstaande (kamerbewoner) € 2.225

    • -

      Alleenstaande (zelfstandige huisvesting) € 2.962

    • -

      Gezin van 2 personen € 3.459

    • -

      Iedere persoon extra € 433

  • Extra vergoeding voor aanschaf energiezuinige koelkast maximaal € 352

  • Maaltijdvoorziening € 6,46 per maaltijd

  • Eigen bijdrage rechtsbijstand

  • De opgelegde bijdrage volgens de toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand onder aftrek van de korting ad € 59 via het Juridisch Loket

Participatievoorzieningen Sociaal Vangnet - Financiële tegemoetkoming Zwemdiploma A-B

Hoofdstuk 4, paragraaf 3, artikel 4.15

 

Maximale tegemoetkoming voor het kind in de leeftijd van 4,5 tot 12 jaar:

  • -

    Hoogte inkomen tot 110% van de bijstandsnorm: € 760,95

  • -

    Hoogte inkomen tussen 110% en 130% van de bijstandsnorm: € 570,75

Maximale tegemoetkoming voor het kind in de leeftijd van 12 tot 18 jaar:

  • -

    Hoogte inkomen tot 110% van de bijstandsnorm: € 594,50

  • -

    Hoogte inkomen tussen 110% en 130% van de bijstandsnorm: € 297,25

(voetnoten)

Uitgangspunt is dat de te verlenen bijzondere bijstand (voor kosten voor volledige woninginrichting zoals in deze opsomming genoemd) is gemaximeerd tot de hier vermelde bedragen. Dit is echter geen vaststaand gegeven. Uiteindelijk blijven het richtbedragen en wordt de hoogte van de hoogte van de bijstand beoordeeld op grond van de individuele omstandigheden.

Bedrag is exclusief de kosten van stoffering

Geldt alleen voor de aanschaf van een nieuwe koelkast met energielabel A t/m E (volgens de nieuwe energielabels vanaf 01-03-2021).

De eigen bijdrage wordt vastgesteld door de Raad voor rechtsbijstand (RvR) en is afhankelijk van de aard van zaak, het inkomen en vermogen van de belanghebbende. Het besluit waarmee de RvR gesubsidieerde rechtsbijstand toekent heet een toevoeging. Het overleggen van een diagnosedocument (door het Juridisch Loket) geeft recht op korting .

Bijlage

Verstrekkingenlijst

Bedragen geldend vanaf 1 januari 2026

Bijzondere bijstand

Hoofdstuk 4, paragraaf 2, artikel 4.7

 

Maximaal te verlenen bijzondere bijstand1

  • Volledige woninginrichting

    • -

      Alleenstaande (kamerbewoner) € 2.479

    • -

      Alleenstaande (zelfstandige huisvesting) € 3.300

    • -

      Gezin van 2 personen € 3.853

    • -

      Iedere persoon extra € 482

  • Extra vergoeding voor aanschaf energiezuinige koelkast maximaal 392

  • Maaltijdvoorziening € 7,20 per maaltijd

Participatievoorzieningen Sociaal Vangnet - Financiële tegemoetkoming Zwemdiploma A-B

Hoofdstuk 4, paragraaf 3, artikel 4.15

 

Maximale tegemoetkoming voor het kind in de leeftijd van 4,5 tot 12 jaar:

  • -

    Hoogte inkomen tot 110% van de bijstandsnorm: € 985,80

  • -

    Hoogte inkomen vanaf 110% van de bijstandsnorm: € 739,35

Maximale tegemoetkoming voor het kind in de leeftijd van 12 tot 18 jaar:

  • -

    Hoogte inkomen tot 110% van de bijstandsnorm: € 766,75

  • -

    Hoogte inkomen vanaf 110% van de bijstandsnorm: € 575,06

(voetnoten)

Uitgangspunt is dat de te verlenen bijzondere bijstand (voor kosten voor volledige woninginrichting zoals in deze opsomming genoemd) is gemaximeerd tot de hier vermelde bedragen. Dit is echter geen vaststaand gegeven. Uiteindelijk blijven het richtbedragen en wordt de hoogte van de hoogte van de bijstand beoordeeld op grond van de individuele omstandigheden.

Bedrag is exclusief de kosten van stoffering

Geldt alleen voor de aanschaf van een nieuwe koelkast met energielabel A t/m E (volgens de nieuwe energielabels vanaf 01-03-2021).

Artikel II Inwerkingtreding gewijzigd Verzamelbesluit nadere regels en beleidsregels Participatiewet, aanverwante regelingen en Sociaal Vangnet

  • 1.

    De wijziging treedt in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid treedt artikel 4.10 (onderdeel E van artikel I) in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Het tweede lid van artikel 4.10 wordt met ingang van 1 januari 2027 ingetrokken.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid treden de volgende artikelen van artikel I in werking met ingang van 1 januari 2026:

    • -

      artikel 3.1 (onderdeel A);

    • -

      artikel 4.2a (onderdeel B);

    • -

      artikel 4.6 (onderdeel D);

    • -

      artikel 6.11 (onderdeel G);

    • -

      artikel 6.12 (onderdeel H);

    • -

      artikel 6.13 (onderdeel I);

    • -

      artikel 6.15 (onderdeel J);

    • -

      artikel 6.16 (onderdeel K)

    • -

      de geïndexeerde bedragen van de verstrekkingenlijst in de bijlage (onderdeel R).

Artikel III Citeertitel

Dit wijzigingsbesluit wordt aangehaald als: Besluit tot wijziging van de Verzamelbesluit nadere regels en beleidsregels Participatiewet, aanverwante regelingen en Sociaal Vangnet, 7e wijziging.

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van Apeldoorn op 2 december 2025

de secretaris,

S. de Bruin

de burgemeester,

A.J.M. Heerts

Naar boven