|
Artikel 4.6 Draagkracht
De vaststelling van de draagkracht behoort tot de beleidsvrijheid van het college. In dit artikel is aangegeven hoe het college hier invulling aan geeft.
Hoofdregel is dat 25% van het meerinkomen als draagkracht wordt aangemerkt indien sprake is van een inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit geldt niet voor bijzondere bijstand voor woonlasten (woonkostentoeslag), waarbij het volledige meerinkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm als draagkracht wordt aangemerkt.
Jongmeerderjarigen (in de leeftijd van 18 tot 21 jaar) die in een inrichting verblijven, hebben geen recht op algemene bijstand. Omdat er voor deze groep geen afzonderlijke bijstandsnorm is vastgesteld, wordt voor de vaststelling van de draagkracht uitgegaan van de bijstandsnormen als genoemd in artikel 23 van de PW (normen bij verblijf in een inrichting voor personen van 21 jaar en ouder). Dit betekent dat bij een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde inrichtingsnorm geen draagkracht aanwezig is. Is het inkomen hoger dan 110% van deze inrichtingsnorm, dan wordt 25% van het meerdere als draagkracht aangemerkt.
Het vermogen wordt buiten beschouwing gelaten, voor zover dat de vermogensgrens van artikel 34, derde lid, van de PW niet te boven gaat. Bij een vermogen dat hoger is dan deze vermogensgrens, wordt het meerdere vermogen voor 100% meegenomen als draagkracht en dient dit bedrag eerst aangewend te worden voor de betaling van de betreffende kosten. Een vermogensoverschrijding die lager is dan de aangevraagde bijzondere bijstand kan (eenmalig) op de toe te kennen bijstand in mindering worden gebracht.
De draagkrachtperiode wordt in beginsel vastgesteld voor de duur van een jaar. Wanneer de (financiële) omstandigheden van de belanghebbende en/of de duur van de kosten daartoe aanleiding geven, kan de draagkrachtperiode over een andere periode worden vastgesteld.Wordt er tijdens een lopende draagkrachtperiode opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd, dan wordt bij deze nieuwe aanvraag in beginsel aangesloten bij de reeds vastgestelde draagkrachtperiode. Dit voorkomt dat bij meerdere aanvragen in dezelfde periode verwarring ontstaat doordat de draagkrachtperioden elkaar deels overlappen.
Tot slot wordt hier aangegeven dat één van de uitgangspunten van het armoedebeleid is dat werk moet lonen. Gezinnen met een inkomen iets hoger dan het sociaal minimum, komen soms niet meer (volledig) in aanmerking voor bijzondere bijstand, terwijl het besteedbare inkomen in sommige situaties niet toeneemt vanwege de kosten van kinderopvang. Deze armoedeval – minder besteedbaar inkomen ook al wordt er meer gewerkt – is een ongewenste situatie. Het zorgt immers voor een belemmering om te participeren op de arbeidsmarkt. Bij het beoordelen van het recht op bijzondere bijstand kan daarom rekening worden gehouden met de eigen bijdrage die deze huishoudens betalen voor noodzakelijke kosten van officieel geregistreerde kinderopvang op grond van de Wet kinderopvang. Deze eigen bijdrage wordt in mindering gebracht op het inkomen. Ook andere noodzakelijk te achten eigen bijdragen die tot een vermindering van het besteedbaar inkomen leiden, kunnen - indien daar in een individueel geval aanleiding toe is - op het inkomen van een belanghebbende in mindering worden gebracht.
|
Artikel 4.6 Draagkracht
De vaststelling van de draagkracht behoort tot de beleidsvrijheid van het college. In dit artikel is aangegeven hoe het college hier invulling aan geeft.
Hoofdregel is dat 25% van het meerinkomen als draagkracht wordt aangemerkt indien sprake is van een inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit geldt niet voor bijzondere bijstand voor woonlasten (woonkostentoeslag), waarbij het volledige meerinkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm als draagkracht wordt aangemerkt.
Jongmeerderjarigen (in de leeftijd van 18 tot 21 jaar) die in een inrichting verblijven, hebben geen recht op algemene bijstand. Omdat er voor deze groep geen afzonderlijke bijstandsnorm is vastgesteld, wordt voor de vaststelling van de draagkracht uitgegaan van de bijstandsnormen als genoemd in artikel 23 van de PW (normen bij verblijf in een inrichting voor personen van 21 jaar en ouder). Dit betekent dat bij een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde inrichtingsnorm geen draagkracht aanwezig is. Is het inkomen hoger dan 110% van deze inrichtingsnorm, dan wordt 25% van het meerdere als draagkracht aangemerkt.
Het vermogen wordt buiten beschouwing gelaten, voor zover dat de vermogensgrens van artikel 34, derde lid, van de PW niet te boven gaat. Bij een vermogen dat hoger is dan deze vermogensgrens, wordt het meerdere vermogen voor 100% meegenomen als draagkracht en dient dit bedrag eerst aangewend te worden voor de betaling van de betreffende kosten. Een vermogensoverschrijding die lager is dan de aangevraagde bijzondere bijstand kan (eenmalig) op de toe te kennen bijstand in mindering worden gebracht.
De draagkrachtperiode wordt in beginsel vastgesteld voor de duur van een jaar. Is er sprake van vaste periodieke kosten en heeft de inwoner een stabiel inkomen, dan kan de draagkracht over een periode van 36 maanden worden vastgesteld. Dit geldt met name voor bewindvoeringskosten. Wanneer de (financiële) omstandigheden van de inwoner en/of de duur van de kosten daartoe aanleiding geven, kan de draagkrachtperiode over een andere periode worden vastgesteld. Wordt er tijdens een lopende draagkrachtperiode opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd, dan wordt bij deze nieuwe aanvraag in beginsel aangesloten bij de reeds vastgestelde draagkrachtperiode. Dit voorkomt dat bij meerdere aanvragen in dezelfde periode verwarring ontstaat doordat de draagkrachtperioden elkaar deels overlappen.
Tot slot wordt hier aangegeven dat één van de uitgangspunten van het armoedebeleid is dat werk moet lonen. Gezinnen met een inkomen iets hoger dan het sociaal minimum, komen soms niet meer (volledig) in aanmerking voor bijzondere bijstand, terwijl het besteedbare inkomen in sommige situaties niet toeneemt vanwege de kosten van kinderopvang. Deze armoedeval – minder besteedbaar inkomen ook al wordt er meer gewerkt – is een ongewenste situatie. Het zorgt immers voor een belemmering om te participeren op de arbeidsmarkt. Bij het beoordelen van het recht op bijzondere bijstand kan daarom rekening worden gehouden met de eigen bijdrage die deze huishoudens betalen voor noodzakelijke kosten van officieel geregistreerde kinderopvang op grond van de Wet kinderopvang. Deze eigen bijdrage wordt in mindering gebracht op het inkomen. Ook andere noodzakelijk te achten eigen bijdragen die tot een vermindering van het besteedbaar inkomen leiden, kunnen - indien daar in een individueel geval aanleiding toe is - op het inkomen van een belanghebbende in mindering worden gebracht.
|