Gemeenteblad van Wierden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Wierden | Gemeenteblad 2025, 560352 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Wierden | Gemeenteblad 2025, 560352 | beleidsregel |
Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Wierden 2026
Bijlage 2. Algemene voorzieningen
Bijlage 3. Richtlijn beoordeling (dreigende) overbelasting
Bijlage 4. Richtlijn gebruikelijke hulp
Bijlage 5. Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie persoonlijke verzorging
Bijlage 6. Schema afbakening Jeugdwet
Bijlage 7. 10 punten pgb-vaardigheid
Sinds de invoering van de Jeugdwet in 2015 zijn gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor de organisatie en financiering van alle jeugdhulp voor jeugdigen tot 18 jaar (en soms langer). De beleidsregels van de gemeente Wierden vormen, samen met de Verordening Jeugdhulp, het kader voor de uitvoering van deze wet.
De beleidsregels geven aan hoe het college de bepalingen uit de verordening toepast. Zij dienen als praktisch hulpmiddel voor regisseurs bij het beoordelen van aanvragen, met als doel dat elke jeugdige en ouders op een gelijke manier worden behandeld. Daarnaast bieden de beleidsregels duidelijkheid en voorspelbaarheid voor jeugdigen en hun ouders: zij kunnen hierin teruglezen wat zij van de gemeente mogen verwachten en op welke manier beslissingen over jeugdhulp tot stand komen.
De gemeente Wierden wil dat alle jeugdigen zoveel mogelijk gezond, veilig en kansrijk kunnen opgroeien en actief deelnemen aan de samenleving. Wij streven naar een inclusieve gemeenschap waarin kinderen, jongeren en hun gezinnen zich veilig, betrokken en gewaardeerd voelen. Uitgangspunt is dat jeugdigen en hun ouders in eerste instantie zelf verantwoordelijkheid nemen en dat het sociaal netwerk hierbij ondersteuning kan bieden. Wanneer dit niet toereikend is, zet de gemeente passende jeugdhulp in. Het bieden van maatwerk staat daarbij centraal.
Alleen wanneer ouders zelf (deels) niet in staat zijn om de problemen op te lossen, eventueel met hulp van hun sociale netwerk of gebruik makend van een andere of algemene voorziening, kan het college een individuele voorziening toekennen, gericht op:
De procedure van aanvraag tot beslissing op de aanvraag duurt in totaal acht weken (conform Awb) en start na ontvangst van de aanvraag. De procedure bestaat uit de aanvraag, het onderzoek, ondersteuningsplan en beschikking.
De regisseur moet binnen de wettelijke termijn een besluit nemen. Lukt dat niet, dan zijn er twee mogelijkheden: verlenging of opschorting van de termijn.
De beslistermijn kan één keer worden verlengd met een redelijke termijn. Dit gebeurt alleen als het echt nodig is. De regisseur meldt dit tijdig aan de inwoner, met uitleg en een nieuwe einddatum. Een tweede verlenging kan alleen in uitzonderlijke situaties (zoals onvoorziene overmacht).
De jeugdige en/of de ouder kan een hulpvraag indienen via het Zorgloket (schriftelijk, digitaal, telefonisch of aan de balie). Het Zorgloket zorgt ervoor dat de jeugdige en/of ouder in contact komt met een regisseur. Soms blijkt na een korte verkenning dat informatie en advies voldoende is. Wanneer verder onderzoek nodig is, wordt de hulpvraag als aanvraag geregistreerd. Hiervoor is een ondertekend aanvraagformulier vereist.
De aanvraag wordt vervolgens schriftelijk of digitaal aan de jeugdige en/of de ouder bevestigd. In de ontvangstbevestiging wordt beschreven:
Bij een crisissituatie kan de regisseur direct een tijdelijke individuele voorziening inzetten. De regisseur legt dit besluit zo snel mogelijk vast in een beschikking, uiterlijk binnen vier weken na de start van de hulp.
2.2.3 Verwijzing via huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Een verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts geeft direct toegang tot jeugdhulp. De hulp kan worden gestart wanneer een gecontracteerde aanbieder vindt dat jeugdhulp nodig is.
De verwijzing geldt alleen wanneer:
Een handtekening is alleen nodig wanneer iemand een aanvraag rechtstreeks bij de gemeente doet. Bij een verwijzing via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts is dit niet verplicht.
De regisseur onderzoekt samen met de jeugdige en/of zijn ouders of jeugdhulp nodig is. Dit onderzoek vindt plaats aan de hand van het vijfstappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB):
Het onderzoek start met het vaststellen van de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s). Daarbij wordt het woonplaatsbeginsel toegepast en beoordeeld of de Jeugdwet van toepassing is (zie 3. Algemeen Afwegingskader). De hulpvraag vormt het vertrekpunt, maar is niet altijd leidend: na onderzoek kan bijvoorbeeld blijken dat andere ondersteuning nodig is dan gevraagd.
De regisseur stelt vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen, en concretiseert deze indien aanwezig. Daarbij kan waar nodig gebruik worden gemaakt van externe deskundigheid, waaronder het product Advies & Expertise. Het onderzoek richt zich in ieder geval op:
Wanneer jeugdige en/of ouders de problemen (deels) zelf of met steun uit het sociaal netwerk kunnen oplossen, is geen jeugdhulpvoorziening nodig. Ook als een algemene of voorliggende voorziening passend is, wordt verwacht dat hiervan gebruik wordt gemaakt. Het algemeen afwegingskader in hoofdstuk 3 biedt hiervoor de richtlijnen.
Na afronding van het onderzoek ontvangen de jeugdige en/of de ouder een ondersteuningsplan. Dit plan bevat:
Binnen veertien dagen na ontvangst van het ondersteuningsplan kunnen de jeugdige en/of de ouder hun opmerkingen doorgeven. Na deze termijn wordt het ondersteuningsplan vastgesteld, inclusief eventuele opmerkingen die zijn ingediend.
Voor het verlenen van jeugdhulp is toestemming nodig.
De toestemmingseisen gelden formeel niet voor het onderzoek. Het is echter verstandig hier tijdens het onderzoek al rekening mee te houden om te voorkomen dat besluiten later niet uitvoerbaar blijken. De hulpverlener is uiteindelijk verantwoordelijk voor het vaststellen en vastleggen van de vereiste toestemming.
De beslissing op de aanvraag wordt vastgelegd in een beschikking, die per brief aan de jeugdige en/of zijn ouders wordt toegestuurd. Jeugdhulp kan worden verleend in de vorm van zorg in natura of via een pgb. Zorg in natura is hierbij het uitgangspunt. Een pgb wordt alleen verstrekt als de jeugdige en/of zijn ouders hier expliciet om verzoeken. De regisseur beoordeelt vervolgens of aan de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb is voldaan (zie hoofdstuk 5: Pgb).
In de beschikking legt de regisseur vast:
2.7 Bezwaar en klachtenregeling
Als een jeugdige of ouder het niet eens is met een besluit van de gemeente over een aanvraag voor jeugdhulp, kan binnen zes weken bezwaar worden ingediend op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bezwaar wordt door andere medewerkers beoordeeld dan degenen die het oorspronkelijke besluit hebben genomen.
Wanneer de onvrede niet het besluit zelf betreft, maar de wijze waarop een medewerker heeft gehandeld of de aanvraag is behandeld, kan een klacht worden ingediend. Hiervoor geldt de interne klachtenregeling van de gemeente Wierden (‘Klacht over medewerker gemeente’). De klacht wordt volgens hoofdstuk 9 van de Awb afgehandeld.
Beide procedures dragen bij aan een zorgvuldige en transparante uitvoering van de Jeugdwet.
Minimaal één keer per zes maanden vindt een evaluatiegesprek plaats tussen de zorgaanbieder, de jeugdige en/of diens ouder(s) en de regisseur. Bij inzet van een pgb neemt ook de pgb-beheerder deel. Voorafgaand aan het gesprek ontvangt de regisseur van de zorgaanbieder/pgb-aanbieder een voortgangsverslag met de resultaten van de afgelopen periode, dat als basis dient voor het gesprek. Indien een andere frequentie beter aansluit bij de situatie, kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken.
Voor het verlengen van een lopende indicatie wordt een verlengingsformulier ingevuld en ingediend bij het Zorgloket (schriftelijk/digitaal) of de betrokken regisseur. Bij Zorg in Natura doet de inwoner dit in samenspraak met de zorgaanbieder; bij een pgb doet de inwoner of diens vertegenwoordiger dit in samenspraak met de pgb-aanbieder die hiervoor verantwoordelijk.
Het formulier bevat ten minste:
De beantwoording van deze punten geldt als evaluatie van de ingezette ondersteuning en vormt de basis voor de beoordeling van de regisseur of voortzetting passend is.
Als een jeugdige en/of de ouder een beroep doet op ondersteuning op grond van de Jeugdwet, wordt dit verzoek zorgvuldig gewogen. Deze weging is altijd individueel, omdat iedere situatie anders is, maar gebeurt wel op een objectieve manier. Bij deze beoordeling worden altijd onderstaande elementen betrokken.
De regisseur stelt vast welke gemeente verantwoordelijk is voor de aanvraag. De hoofdregel is dat de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft verantwoordelijk is (zie bijlage 1. Woonplaatsbeginsel).
Wanneer op grond van het woonplaatsbeginsel is vastgesteld dat de gemeente Wierden verantwoordelijk is, onderzoekt de regisseur of de jeugdige en/of de ouder onder de doelgroep van de Jeugdwet vallen. De jeugdhulpplicht geldt in beginsel voor jeugdigen tot 18 jaar. In specifieke situaties kan deze plicht doorlopen tot 23 jaar. Voor het recht op jeugdhulp is vereist dat de jeugdige zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.
Onder jeugdige wordt in de Jeugdwet verstaan:
Ook ouders kunnen jeugdhulp ontvangen, met name in de vorm van advies en begeleiding bij de opvoeding. Onder ouders verstaat de Jeugdwet:
De regisseur kijkt ook of een passende algemene voorziening beschikbaar is. Als voor de jeugdige en/of de ouder een algemene voorziening de problemen kan oplossen, hoeft de regisseur geen jeugdhulpvoorziening te treffen. Zie bijlage 2 voor een lijst met algemene voorzieningen.
De regisseur gaat uit van de eigen kracht van de ouder om problemen op te lossen. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen. Eigen kracht bestaat uit:
De regisseur verstrekt in principe geen jeugdhulp voor zorg die ouders normaal gesproken zelf aan hun kind bieden. Dit heet gebruikelijke hulp. Alleen wanneer ouders door (dreigende) overbelasting tijdelijk niet in staat zijn deze hulp te geven, kan een uitzondering worden gemaakt (zie bijlage 3). Daarbij moet duidelijk zijn dat de overbelasting samenhangt met de zorg voor het kind.
De gemeente gebruikt richtlijnen om te bepalen wat ouders op verschillende leeftijden aan zorg horen te bieden, maar kijkt altijd naar de persoonlijke situatie: elk kind en elk gezin is anders. In bijlage 4 is dit verder uitgewerkt. Bij de beoordeling kijkt de gemeente onder meer naar:
Wanneer een kind meer hulp nodig heeft dan de normale, dagelijkse zorg (de zogenoemde gebruikelijke hulp), blijven ouders in principe verantwoordelijk voor deze extra ondersteuning. De gemeente beoordeelt of het redelijk is om te verwachten dat ouders deze hulp zelf kunnen bieden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurige situaties:
In kortdurende situaties verwacht de gemeente dat ouders (een deel van) de extra hulp zelf geven, tenzij dit door de aard van de hulp niet haalbaar is of ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden (zie bijlage 3). Daarbij moet een duidelijk verband bestaan tussen de overbelasting en de zorg voor het kind.
Bij langdurige situaties kijkt de regisseur breder en weegt meerdere factoren mee, zoals:
Bij persoonlijke verzorging gebruikt de gemeente de richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging (zie bijlage 5) als hulpmiddel bij de beoordeling.
De regisseur onderzoekt bij een melding altijd of mensen uit het sociale netwerk (zoals familie, vrienden of buren) kunnen bijdragen aan het oplossen van de hulpvraag. Deze beoordeling vindt pas plaats als duidelijk is dat de hulpvraag groter is dan de gebruikelijke hulp die ouders normaal gesproken bieden.
Wanneer passend kan de regisseur samen met de jeugdige en diens ouders verkennen of een Jouw Ingebrachte Mentor (JIM) kan worden ingezet. Een JIM is een door de jeugdige zelf gekozen volwassene uit het eigen netwerk die als vaste steunfiguur fungeert.
3.4.4 Aanvullende zorgverzekering
Als de jeugdige en/of de ouder een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp geheel of gedeeltelijk vergoedt, wordt van hen verwacht dat zij deze verzekering aanspreken. De regisseur verstrekt in dat geval geen individuele voorziening voor jeugdhulp, of alleen een aanvullende voorziening voor het deel dat niet door de verzekering wordt vergoed.
Wanneer de jeugdige en/of de ouder de problemen niet op eigen kracht of met ondersteuning vanuit het sociaal netwerk kunnen oplossen, beoordeelt de regisseur of er andere of voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn die (een deel van) de hulpvraag kunnen beantwoorden. Dit kan bijvoorbeeld via de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en de wet Passend Onderwijs. In bijlage 6 is weergegeven onder welke wet specifieke vormen van zorg vallen.
3.6 Begeleiding binnen het onderwijs en de rol van de gemeente
Binnen het regulier onderwijs ligt de primaire verantwoordelijkheid voor begeleiding bij de school. Extra ondersteuning, zoals remedial teaching, sociale vaardigheidstraining of gedragsbegeleiding, valt onder het ondersteuningsprofiel van de school. De omvang en aard van deze extra ondersteuning zijn niet wettelijk vastgelegd, maar worden bepaald in het ondersteuningsprofiel van de school en het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs.
3.6.1 Begeleiding tijdens vrije situaties en pauzes op school
Wanneer het gedrag van een leerling de omgang met andere leerlingen ernstig belemmert, kan de school tijdens minder gestructureerde activiteiten (zoals gym of pauzes) extra begeleiding aanvragen bij de gemeente. Vanuit de Jeugdwet kan deze begeleiding tijdelijk worden ingezet, voor maximaal vier uur per week. Bij zeer ernstige gedragsproblemen binnen het (voortgezet) speciaal onderwijs kan dit worden uitgebreid voor maximaal zeven uur per week. Dit is in lijn met de landelijke CIZ AWBZ-indicatiewijzer 7.1.
Het college hanteert de individuele voorzieningen zoals beschreven in artikel 3.1 van de Verordening. De regisseur beoordeelt, op basis van de aard en complexiteit van de problematiek, welke voorziening het meest passend is. In dit hoofdstuk worden deze voorzieningen kort toegelicht.
Bij begeleiding staat het bevorderen, het behouden of het compenseren van de zelfredzaamheid van de jeugdige en het gezinssysteem voorop. Begeleiding richt zich voornamelijk op het aanleren van vaardigheden en/of het leren omgaan met een beperking.
Begeleiding individueel is gericht op:
Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de vaktherapeutische disciplines: beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische kindertherapie en speltherapie. Vaktherapie is een behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie kan ook systemisch worden ingezet.
Het non-verbale en ervaringsgerichte karakter van vaktherapie maakt het geschikt voor jeugdigen, die (nog) onvoldoende vaardigheden tot hun beschikking hebben om uiting te kunnen geven aan hun problemen of niet over hun problemen willen praten (of kunnen praten).
Bij behandeling individueel staat het oplossen of hanteerbaar maken van de problematiek en/of beperking centraal. Interventies zijn gericht op het verbeteren, verminderen of het voorkomen van verergering van de problematiek. De behandeling is gericht op de jeugdige en waar mogelijk het gezinssysteem. Onder behandeling vallen ook interventies die zijn gericht op het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag (bij jeugdige of gezinssysteem), het wegnemen van klachten of het op gang brengen van een gestagneerde ontwikkeling.
Behandeling individueel is gericht op:
Ambulante alternatieven voor verblijf
Binnen behandeling individueel kunnen (bewezen) effectieve interventies worden ingezet, ook wel ambulante alternatieven genoemd. Ambulante alternatieven voor verblijf zijn interventies die worden ingezet om te voorkomen dat een jeugdige uit huis wordt geplaatst, wordt opgenomen, binnen een woonvorm kan blijven wonen, en om te bevorderen dat de jeugdige uitstroomt uit verblijf. Ze omvatten intensieve begeleiding, behandeling, oudertraining en andere ondersteunde programma’s om het gezin te versterken, de veiligheid te waarborgen en de noodzaak van uithuisplaatsing te verminderen.
De ambulante alternatieven die hieronder vallen zijn:
Deze lijst is niet uitputtend. Als er nieuwe ambulante alternatieven worden ontwikkeld, kunnen deze onder behandeling individueel worden geleverd.
Forensische behandeling is (hoog)specialistische zorg die zich richt op de veiligheid van de samenleving. Hierbij staat het terugdringen van recidive en het voorkomen van delicten en/of grensoverschrijdend gedrag centraal. Het gaat om diagnostiek, risicotaxatie en/of ambulante behandeling van jeugdigen met (dreigend) ernstig grensoverschrijdend gedrag en/of (dreigend) delict gedrag. Het gevaarscriterium van (dreigend) ernstig grensoverschrijdend gedrag en/of delictgedrag is leidend in de bepaling of forensische jeugdhulp nodig is. Forensische jeugdhulp kan ook in het vrijwillig kader worden ingezet.
Forensische jeugdhulp is gericht op:
● Regelmatig zijn deze jeugdigen gediagnosticeerd met een gedragsstoornis, vaak in combinatie met andere stoornissen of een licht verstandelijke beperking. De stoornis die mogelijk ten grondslag ligt aan de zorg is geen in- of exclusiecriterium voor de inzet van jeugdhulp in het strafrechtelijk kader.
4.1.5 Medicatiecontrole exclusief medische comorbiditeit
Medicatiecontrole (excl. medische comorbiditeit ) betreft de afzonderlijke medicatiecontrole bij jeugdigen tijdens of na behandeling op basis van de Jeugdwet. Dit betreft bijvoorbeeld:
Medicatiecontrole exclusief medische comorbiditeit is gericht op jeugdigen die in behandeling zijn op basis van de Jeugdwet of waarbij deze behandeling is afgerond.
4.1.6 Medicatiecontrole inclusief comorbiditeit
Deze individuele voorziening is gericht op jeugdigen die tijdens of na de behandeling medicatiecontrole ontvangen op basis van de Jeugdwet, waarbij sprake is van medische comorbiditeit. De jeugdige is in behandeling bij een ziekenhuis vanwege een medische diagnose en heeft daarnaast gedragsproblemen waarvoor medicatiecontrole noodzakelijk is.
Begeleiding groep basis is gericht op het aanleren of behouden van vaardigheden op het gebied van o.a. dagelijkse handelingen, sociale vaardigheden en praktische vaardigheden waarbij de jeugdige in staat is om de eigen regie over zijn leeftijdsadequate dagelijkse handelingen en vaardigheden te voeren. Het verschil met begeleiding individueel in een groep is dat hier sprake is van een pedagogisch leefklimaat.
Begeleiding groep basis is gericht op:
4.1.8 Begeleiding groep intensief
Begeleiding groep intensief is gericht op het aanleren van dagelijkse handelingen, sociale vaardigheden en praktische vaardigheden. De jeugdige is (nog) niet in staat is om de eigen regie over zijn leeftijdsadequaat dagelijkse handelingen en vaardigheden te voeren. Het verschil met begeleiding individueel in een groep is dat hier sprake is van een pedagogisch leefklimaat.
Begeleiding groep intensief is gericht op:
Behandeling groep basis is gericht op het behandelen van milde enkelvoudige of meervoudige problematiek. Deze problematiek kan van pedagogische en/of psychologische aard zijn zoals gedragsproblemen, een ontwikkelingsachterstand en/of sociaal emotionele problemen. Het verschil met behandeling individueel in een groep is dat hier sprake is van een pedagogisch leefklimaat.
Behandeling groep basis is gericht op:
4.1.10 Behandeling groep intensief
Behandeling groep intensief is gericht op het behandelen van ernstige enkelvoudige of meervoudige problematiek. Deze problematiek kan van pedagogische en/of psychologische aard zijn zoals gedragsproblemen, een ontwikkelingsachterstand en/of sociaal emotionele problemen. De situatie op moment van indicatie is crisisgevoelig (lastig planbaar) en er is een hoge mate van regie noodzakelijk. Het verschil met behandeling individueel in een groep is dat hier sprake is van een pedagogisch leefklimaat.
Behandeling groep intensief is gericht op:
4.1.11 Kinderdagcentrum Orthopedagogisch dagcentrum basis
In een kinderdagcentrum (KDC), ook wel orthopedagogisch dagcentrum (ODC) genoemd, kunnen jeugdigen van 0-18 jaar met een (ernstige) verstandelijke of meervoudige beperking hulp ontvangen. In het centrum zijn diverse soorten hulpverleners aanwezig die verschillende therapieën aanbieden om de ontwikkeling van de jeugdigen te stimuleren. Zo is er bijvoorbeeld logopedie, speltherapie, muziektherapie, ergotherapie, fysiotherapie. Er wordt aan de ontwikkeling van de jeugdige gewerkt. Het doel is om jeugdigen, indien mogelijk, door te laten stromen naar (speciaal) onderwijs en/of een zo'n optimaal mogelijk ontwikkelperspectief te bieden.
4.1.12 Kinderdagcentrum Orthopedagogisch dagcentrum intensief
In een kinderdagcentrum (KDC), ook wel orthopedagogisch dagcentrum (ODC) genoemd, kunnen jeugdigen van 0-18 jaar met een (ernstige) verstandelijke of meervoudige beperking hulp ontvangen. In het centrum zijn diverse soorten hulpverleners aanwezig die verschillende therapieën aanbieden om de ontwikkeling van de jeugdigen te stimuleren. Zo is er bijvoorbeeld logopedie, speltherapie, muziektherapie, ergotherapie, fysiotherapie. Er wordt aan de ontwikkeling van de jeugdige gewerkt. Het doel is om jeugdigen een zo'n optimaal mogelijk ontwikkelperspectief te bieden.
KDC/ODC is gericht op jeugdigen van 0-18 jaar met een Ernstige Meervoudige Beperking (EMB) met zware ondersteuningsbehoeften.
Dyslexie is een specifieke en hardnekkige lees- en spellingstoornis met een basis in de neurobiologische ontwikkeling, die niet verklaard kan worden door een algemeen leerprobleem, inadequaat onderwijs of sensorische beperkingen. ED richt zich op diagnose en behandeling. ED is gericht op jeugdigen van 7 tot 13 jaar die de basisschool bezoeken.
Deze individuele voorziening is bedoeld voor jeugdigen in situaties waarin de verwijzer niet zeker weet of een jeugdige bij een specifieke aanbieder past (bijvoorbeeld qua doelgroep of expertise). Screening omvat de optionele beoordeling of een jeugdige in zorg kan worden genomen bij een jeugdhulpaanbieder en, zo ja, welke aanbieder het meest passend is. Korte afstemming tussen de gemeentelijke toegang en een aanbieder valt niet onder screening.
4.2 Ambulante alternatieven voor verblijf
Ambulante alternatieven voor verblijf zijn interventies die worden ingezet om te voorkomen dat een jeugdige uit huis wordt geplaatst, wordt opgenomen, binnen een woonvorm kan blijven wonen, en om te bevorderen dat de jeugdige uitstroomt uit verblijf. Ze omvatten intensieve begeleiding, behandeling, oudertraining en andere ondersteunende programma's om het gezin te versterken, de veiligheid te waarborgen en de noodzaak van uithuisplaatsing te verminderen. Ambulante alternatieven voor verblijf bestaan uit de volgende vormen:
Zeer Intensieve Traumabehandeling (ZIT) is een kortdurende klinische opname waarin intensief en doelgericht gewerkt wordt aan vermindering van traumagerelateerde klachten. De behandeling omvat individuele behandeling (EMDR-therapie, Imaginaire Exposure, EMDR activatie, een traumasensitief pedagogisch klimaat) en lichamelijke activiteiten. De jeugdige verblijft twee weken achter elkaar van maandag tot en met donderdag op de behandellocatie van de ZIT. Daarna gaat de jeugdige weer naar huis of naar de locatie waar hij/zij verblijft/woont. ZIT wordt veelal ingezet bij jeugdigen met een licht verstandelijke beperking (LVB).
FACT staat voor Flexible Assertive Community Treatment. Dat wil zeggen dat de behandeling flexibel is in tijd en intensiteit en zich richt op het weerbaar maken van jeugdigen en ouders, in en mét de maatschappij. FACT Jeugd / GezinsFACT biedt multidisciplinaire behandeling, begeleiding en ondersteuning op maat, voornamelijk in de eigen omgeving van de jeugdige. De begeleiding en behandeling is ‘outreachend’ en de inzet is gericht op wat de jeugdige en het gezin nodig hebben.
FACT is gericht op jeugdigen die vaak al verschillende vormen van hulpverlening hebben gehad. Tegelijkertijd is er sprake of een vermoeden van psychiatrische problematiek. Ook is er sprake van zorgwekkend en/of zorg mijdend gedrag.
Multisysteem Therapie (MST) is bedoeld voor gezinnen met één of meerdere jeugdigen die ernstige gedragsproblemen hebben (bijvoorbeeld fysieke agressie, verbale agressie, het plegen van delicten, weglopen, intimideren, middelenmisbruik of omgang met verkeerde vrienden). Het grensoverschrijdende probleemgedrag komt voor op meerdere levensgebieden van de jeugdige, zoals thuis, op school of op straat. Soms mondt het uit in criminaliteit, zoals diefstal en vandalisme. De toekomst van de jeugdige staat op het spel en opname in een open of gesloten setting dreigt. De behandeling vindt plaats in de thuissituatie en is gericht op jeugdigen tussen de 10 en 18 jaar met gedragsproblemen.
Het MST-team biedt gedurende vier tot vijf maanden ondersteuning aan het gezin. Het MST-team is daarnaast het hele traject 24/7 beschikbaar, zodat ook hulp geboden kan worden in avonden en weekenden.
Crisis Systeem Interventie (CSI) is bedoeld voor gezinnen in crisis waar een uithuisplaatsing van de jeugdige dreigt. Er wordt gewerkt vanuit verschillende methodieken, die passend zijn bij de jeugdige en het gezin. De behandelduur betreft gemiddeld zestien weken. De behandeling vindt in principe thuis plaats. Indien nodig verblijven de jeugdige(n) en het gezin tijdelijk bij de zorgaanbieder op locatie (het hele gezin woont dan tijdelijk in een woning van de zorgaanbieder).
CSI is gericht op gezinssystemen met tenminste één jeugdige tot 18 jaar, die meervoudige en ernstige problemen hebben en een lange hulpverleningsgeschiedenis. Het hoofddoel is dat een jeugdige thuis kan blijven wonen en een uithuisplaatsing wordt voorkomen. Minimaal één van de gezinsleden heeft een licht verstandelijke beperking (LVB).
Wonen biedt perspectief op een thuis, waardoor het langdurig kan worden ingezet. Wonen omvat de volgende vormen:
Pleegzorg is een gezinsvervangende of gezinsondersteunende situatie waarbij de jeugdige door één of meerdere pleegouders vrijwilligers) tijdelijk of structureel opgevoed en verzorgd wordt. Deze voorziening wordt ingezet wanneer de jeugdige, door omstandigheden, korte of langere tijd niet thuis kan wonen en er sprake is van laagcomplexe factoren bij de jeugdige op het moment van plaatsing.
Er zijn verschillende vormen van pleegzorg:
Een gezinshuis is een kleinschalige woonvorm van jeugdhulp waar gezinshuisouders (professionals) de vaste basis vormen voor de jeugdigen die bij hen in huis geplaatst zijn. Deze jeugdigen wonen in het huis van de gezinshuisouders en zijn onderdeel van de gezinsstructuur, de gezinscultuur van de gezinshuisouder(s) en het bredere netwerk waar het gezinshuis in is ingebed.
In een gezinshuis geplaatste jeugdigen worden ondanks eigen beperkingen en/of doorgemaakte gebeurtenissen in staat geacht om in een gezinsstructuur te functioneren en de nabijheid van gezinshuisouders te verdragen. Binnen een gezinshuis worden alleen jeugdigen geplaatst waarbij het als gevolg van beschadigende ervaringen en/of complexe problematiek (tijdelijk) niet mogelijk is om bij de ouder(s), in een pleeggezin of zelfstandig te wonen.
Binnen een woongroep wordt een pedagogisch leefklimaat geboden waarbinnen een vaste groep jeugdigen 24 uur per dag wordt begeleid door een beperkt aantal jeugdprofessionals. We spreken over wonen binnen een woongroep indien het perspectief is dat de jeugdige langdurig en minimaal 16 etmalen per 4 weken woont op de locatie (bij noodzaak tot minder dan 16 etmalen verblijf is er sprake van deeltijdverblijf/logeren en woont de jeugdige thuis). Het wonen is gericht op duurzaam wonen totdat zelfstandig (begeleid) wonen of terugkeer naar een gezinssysteem mogelijk is.
Binnen een woongroep wonen jeugdigen, veelal in de leeftijd tussen de 12 en 18 jaar met een lichte tot zware opgroei-hulpvraag, die vanwege eigen problematiek niet in een pleeggezin of gezinshuis kunnen wonen. Voor deze jeugdigen ligt de nadruk op het opgroeien en ontwikkelen en niet (meer) op behandeling.
4.3.4 Hoogspecialistische kleinschalige woonvoorziening
Een hoogspecialistische kleinschalige woonvoorziening is een 24/7-voorziening binnen een open residentiële jeugdzorginstelling, op een instellingsterrein of in een woonwijk. Waar maximaal zes – en bij voorkeur vier – doorgaans jeugdigen vanaf 8 jaar, in een huiselijke setting wonen met een vast team van begeleiders. Waarbij een intensieve, individuele behandeling en/of begeleiding op maat – en zolang als nodig – wordt gegeven, met perspectief op wonen, zorg en onderwijs/arbeid tijdens verblijf en/of daarna.
Afbakening: Een belangrijk verschil met gezinshuizen is dat begeleiders niet zelf in de kleinschalige voorziening (of in het pand) wonen. Het verschil met een woongroep is dat het om jeugdigen met complexe problematiek gaat. Het verschil met verblijf is dat wonen geen maximale duur heeft en jongeren niet worden doorgeplaatst naar een andere woonplek.
De voorziening is gericht op jeugdigen van wie de problemen complex zijn, zoals ernstige gedrags- en ontwikkelingsproblemen of suïcidaliteit of er is sprake van een (licht) verstandelijke beperking. De zorg in een pleeggezin, gezinshuis of woongroep is voor hen niet voldoende of er is sprake van meerdere mislukte hulppogingen.
Kamertraining is een vorm van zelfstandigheidstraining. Het betreft verblijfsgroepen waarbij geoefend wordt met zelfstandig wonen. Bij kamertraining krijgen jeugdigen met psychosociale- en/of gedragsproblemen hulp en begeleiding bij het ontwikkelen van vaardigheden om zelfstandig te kunnen wonen. Jeugdigen kunnen 24/7 binnen deze verblijfvorm verblijven.
Kamertraining is gericht op jeugdigen, veelal in de leeftijd vanaf 16 jaar, die niet langer bij (pleeg)ouders of binnen een gezinshuis, woon- of andere verblijfsperceel kunnen verblijven, maar nog niet over de benodigde vaardigheden beschikken om zelfstandig te wonen. Bij hun ontwikkeling naar zelfstandigheid is ondersteuning nog nodig.
De ouder-kind groep is een tijdelijke verblijfsplek waar de ouder(s), 24 uur per dag professionele begeleiding krijgt in de opvoeding en verzorging van het kind. De ondersteuning is daarnaast vaak gericht op meerdere domeinen en passend bij de leeftijd- en ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt. Indien nodig wordt nauw samengewerkt met ketenpartners, bijvoorbeeld het consultatiebureau en de kinderopvang. Er wordt in de begeleiding gewerkt aan het leren omgaan met de eigen problematiek of beperking van de ouder(s) ten behoeve van de eigen opvoedvaardigheden. Inzet is gericht op het (zoveel mogelijk) zelfstandig wonen van de ouder(s) samen met het kind (kinderen) na de ouder-kind groep.
De groep is gericht op ouders(s) met een kind(eren) tot circa 4 jaar en/of met een ongeboren kind. De 24-uurszorg is noodzakelijk om de veiligheid van het kind te kunnen waarborgen. De ouder-kind groep is tijdelijk en gericht op zelfstandig wonen van ouder(s) en kind buiten de instelling.
Een behandelgroep biedt een leefklimaat aan dat bestaat uit een stabiele ontwikkelings- en behandelsituatie. De behandeling is altijd multidisciplinair ingebed en is gericht op herstel, gedragsverandering, het voorkomen van verergering en/of het creëren van perspectief. De behandeling gaat altijd samen met intensieve ondersteuning in de thuissituatie en is voornamelijk gericht op de terugkeer van de jeugdige naar de ouders/verzorgers of naar het netwerk. Ook combinaties met individuele ambulante behandeling zijn mogelijk. De jeugdige kan 24/7 op een behandelgroep verblijven.
Een behandelgroep is gericht op jeugdigen die behoefte hebben aan een gestructureerde en ondersteunende omgeving om aan hun ontwikkelingsbehoeften en gedragsverandering te werken. Deze jeugdigen kunnen te maken hebben met complexe uitdagingen, zoals gedragsproblemen, emotionele moeilijkheden of crisissituaties, waarbij intensieve multidisciplinaire behandeling essentieel is. Behandelgroepen zijn gericht op het bieden van herstel, het voorkomen van verdere escalatie van problemen en het creëren van een perspectief voor de toekomst, altijd in combinatie met ondersteuning in de thuissituatie om uiteindelijk terugkeer naar de ouders/verzorgers of het netwerk mogelijk te maken.
Bij driemilieuvoorzieningen worden behandeling binnen verblijf, onderwijs en vrijetijdsbesteding gecombineerd aangeboden. Dit perceel wordt ingezet voor jeugdigen die 24-uurs actief toezicht nodig hebben. Het aanbod van een driemilieuvoorziening bestaat uit een samenhang van ten minste de volgende onderdelen: verblijf, onderwijs (op het terrein of een school in de buurt waar samenwerkingsafspraken mee zijn) en vrijetijd/dagbesteding in een open setting. Er is sprake van een orthopedagogisch behandel- en leefklimaat, waarin het reguleren van gedrag, ondersteuning en behandeling kernwaarden zijn.
Afbakening: Het specifieke aan een driemilieuvoorziening is dat deze vorm van verblijf een intensiever behandelklimaat heeft dan een behandelgroep.
Een driemilieuvoorziening is gericht op (LVB)-jeugdigen met (zeer) ernstige meervoudige gedrags- en vaak gecombineerd met psychische/psychiatrische problematiek die niet thuis kunnen verblijven. Er is continue sturing, regulering, behandeling, ondersteuning en toezicht nodig. Er is sprake van verbaal agressief, destructief, manipulatief, ongecontroleerd en/of ongeremd gedrag en vaak ook grensoverschrijdend seksueel gedrag waardoor er sprake is van een groot veiligheidsrisico; jeugdigen die een gevaar voor zichzelf zijn of anderen en/of gevaar voor zichzelf onvoldoende herkennen, dan wel worden bedreigd door derden. De jeugdige heeft een sterke neiging zich aan begeleiding te onttrekken. Dit toont zich in complexe problematiek en vaak al meerdere mislukte hulppogingen. Veelal zijn de problemen sterk verweven met die in gezin/netwerk en is eerder ingezette specialistische hulp (met verblijf) niet in staat (gebleken) om die belemmeringen weg te nemen.
Het betreft een (korte) klinische opname voor jeugdigen en eventueel ouder(s) met (zeer ernstige) psychiatrische problematiek, als onderdeel van hun GGZ-behandeling. In het algemeen is sprake van intensieve dagelijkse begeleiding en dagstructurering met continu individueel (psychiatrisch) toezicht. VOV (verpleegkundig, opvoedkundig, verzorgend) -personeel is permanent beschikbaar. De zelfredzaamheid van de jeugdigen is laag. Een gedeeltelijke overname van zorg en permanent (opvoedkundig) toezicht door VOV-personeel is noodzakelijk.
Het verblijf is gericht op jeugdigen met (zeer ernstige) psychiatrische problematiek, waarbij een intensieve behandeling (in een open of gesloten setting) noodzakelijk is om gevaar voor henzelf of de omgeving te voorkomen. Een (tijdelijke) opname is noodzakelijk om de jeugdige te behandelen of stabiliseren. Ondersteuning is gericht op de jeugdige en de ouders.
JeugdzorgPlus betreft verblijf dat zich onderscheidt doordat er beperkende maatregelen kunnen worden toegepast. JeugdzorgPlus is er voor jeugdigen met een ernstige ontwikkelingsbedreiging waarin een behandeling onontkoombaar is. Dat betekent dus dat er vrijheidsbeperkende en controlerende maatregelen ingezet kunnen worden tegen de wil in van de jeugdigen (en wettelijk vertegenwoordigers).
Maatregelen kunnen worden ingezet op basis van een machtiging van de rechter. Het leefklimaat is erop gericht om de impact van de beperkende maatregelen zo passend mogelijk te maken en de jeugdige voor te bereiden op een tijd waarin er geen noodzaak meer is voor beperkende maatregelen. Doel van de behandeling is de jeugdige te leren functioneren in de maatschappij. Voor de regio Twente is de JeugdzorgPlus als een kleinschalige setting georganiseerd in lijn met landelijke ontwikkelingen.
JeugdzorgPlus is gericht op jeugdigen tot 18 jaar, met gedragsproblemen die zo ernstig zijn dat de jeugdige een gevaar is voor zichzelf, of voor anderen. Jeugdhulp is noodzakelijk in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Opneming en verblijf in een gesloten accommodatie is noodzakelijk om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
4.4.7 Deeltijd verblijf/logeren
Deeltijd verblijf/logeren is erop gericht om jeugdigen (langer) thuis te blijven wonen. Het doel is om de opvoeders/verzorgers tijdelijk te ontlasten en te voorkomen dat problemen erger worden. Ook wordt bijgedragen aan de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige door ontwikkelingsgerichte activiteiten aan te bieden. Deeltijd verblijf/logeren kan verschillen in frequentie, bijvoorbeeld van een dag per week tot enkele weekenden per maand. Dit betreft maximaal drie etmalen per week (m.u.v. vakantieweken). Bij meer dan drie etmalen per week, spreken we van wonen.
De voorziening is gericht op ouders of verzorgers die omwille van overbelasting tijdelijk ontlast moeten worden en/of om de ontwikkeling van de jeugdige te stimuleren. Deeltijd verblijf/ logeren kan worden ingezet bij:
4.4.8 Extra verblijfsbegeleiding
Extra verblijfsbegeleiding wordt ingezet wanneer de begeleiding of behandeling die valt binnen het pedagogisch leefklimaat onvoldoende de veiligheid van de jeugdige en/of de groep kan waarborgen. Het gaat hierbij om onvoorspelbaar gedrag waar geen planbare begeleiding op gezet kan worden.
Het product is gericht op onveiligheid bij de jeugdige. Hierbij kan gedacht worden aan zeer ernstig externaliserende gedragsproblemen of internaliserende gedragsproblemen. De jeugdige is een gevaar voor zichzelf en voor de groep met de gedragingen. Hierbij kan gedacht worden aan een zeer hoog risico op suïcide, zeer ernstige fysieke agressie of zeer ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag (lijst is niet limitatief).
Er is sprake van een crisis als een acute situatie direct ingrijpen noodzakelijk maakt teneinde direct gevaar voor de jeugdige, of de omgeving, af te wenden, dan wel om ernstige overlast te beëindigen. Het gaat om een veiligheidssituatie die niet kan wachten tot de volgende dag, maar niet levensbedreigend is in de zin van situaties waarvoor andere hulpdiensten voorliggend zijn, zoals ambulance, politie en/of brandweer.
Crisiszorg omvat crisistriage (4.5.1) en crisisinterventies (4.5.2).
Een crisisinterventie is een kortdurende actieve interventie die erop gericht is om de acute problemen op te lossen, waarna de situatie weer veilig en stabiel wordt voor de jeugdige en zijn of haar omgeving. Inzet van een crisisinterventie heeft een maximale duur van 28 dagen. Na beëindiging van de crisisinterventie wordt er een advies geformuleerd voor de wettelijke verwijzer inzake de best passende vervolgzorg. In overleg met de betreffende gemeente wordt deze zo spoedig mogelijk ingezet. Wanneer de vervolghulp niet tijdig genoeg kan starten, dan wordt gezamenlijk bepaald wat een alternatief passende oplossing is.
Er zijn verschillende crisisinterventies, namelijk:
4.5.2.1 Crisisdienst GGZ-jeugd
De Crisisdienst GGZ-jeugd voert de eerste kortdurende actieve interventie uit die erop gericht is om de acute problemen op te lossen, waarna de situatie weer veilig en stabiel wordt voor de jeugdige en/of zijn of haar omgeving.
Ambulante crisiszorg, waaronder we verstaan Ambulante spoedhulp (ASH) of Families First (FF) is intensieve hulp aan de jeugdige en/of zijn of haar gezin, in de thuissituatie met een maximale duur van 28 dagen. Doel is het oplossen van acute onveiligheid en het herstellen van het evenwicht in het gezin en het voorkomen van een uithuisplaatsing.
Families First is een vorm van intensieve crisishulp die erop gericht is het gezin bij elkaar te houden en een uithuisplaatsing van één of meer kinderen te voorkomen. De veiligheid van de kinderen staat hierbij altijd voorop. De hulp sluit aan bij de behoeften van het gezin en richt zich op het versterken van wat goed gaat en het aanleren van nieuwe vaardigheden, zodat gezinsleden beter in staat zijn om met moeilijke situaties om te gaan. De interventie duurt vier tot maximaal zes weken. In deze periode komt een gezinsmedewerker vier tot vijf keer per week in het gezin en is daarnaast 24 uur per dag, zeven dagen per week bereikbaar.
Ambulante Spoedhulp (ASH) is een kortdurende, intensieve en activerende vorm van jeugdhulp die wordt ingezet bij een crisis of spoedeisende situatie binnen het gezin of de opvoedsituatie van een jeugdige. De hulp vindt plaats in de thuissituatie en kan, indien nodig, binnen enkele uren worden opgestart.
Het doel van ASH is om de crisis te stabiliseren en te zorgen dat het gezin zo snel mogelijk weer zelfstandig verder kan. Soms is na afronding van het traject vervolghulp nodig. Kenmerkend voor ASH is dat de hulp 24 uur per dag, zeven dagen per week beschikbaar is en wordt uitgevoerd door professionals met expertise in spoedhulpverlening.
Wanneer sprake is van een acute situatie, wordt dit signaal gedeeld met de gemeentelijke toegang en/of Veilig Thuis Twente (VTT). Zij leggen het eerste contact, stabiliseren de situatie en schakelen indien nodig medische expertise of politie in. Als blijkt dat ASH noodzakelijk is, melden de gemeente of VTT dit bij het Coördinatiepunt Spoedhulp, dat vervolgens de passende ondersteuning inzet.
De aanbieder van ASH start de hulp binnen 24 uur na het verzoek van het Coördinatiepunt Spoedhulp. Op de eerste werkdag na de start stemt de aanbieder met de gemeentelijke toegang af over de duur en intensiteit van de inzet. De maximale duur van ASH is vier weken. Binnen deze periode vindt een evaluatie plaats en wordt, in overleg met het gezin en de gemeentelijke toegang, bepaald of vervolgondersteuning nodig is.
Crisisverblijf is een vorm van kortdurende opvang op een crisisgroep, met een maximale duur van 28 dagen, wanneer tijdelijk verblijf buiten het gezin of netwerk noodzakelijk is en crisispleegzorg niet mogelijk blijkt. Het crisisverblijf biedt een veilige en stabiele omgeving met duidelijke structuur en een pedagogisch klimaat, gericht op stabilisatie en herstel van rust. Daarbij wordt zoveel mogelijk vastgehouden aan het gewone leven, inclusief school- of dagbesteding en vrijetijdsbesteding. De zorg richt zich niet alleen op de jeugdige, maar ook op het gezinssysteem en de directe omgeving. Het uitgangspunt is dat de jeugdige zo snel mogelijk terugkeert naar de eigen leefomgeving, zodra de veiligheid dit toelaat.
Deze individuele voorziening richt zich op jeugdigen met een (licht) verstandelijke beperking, al dan niet in combinatie met psychosociale, psychiatrische en/of systeemproblematiek. Verblijf bij iemand uit het sociaal netwerk of crisispleegzorg is niet mogelijk, en acute interventie is noodzakelijk om de veiligheid te waarborgen.
Deze individuele voorziening is gericht op jeugdigen met gedrags- en/of gezinsproblematiek, eventueel in samenhang met psychosociale en/of licht verstandelijke problematiek. Tijdelijk verblijf bij iemand uit het sociaal netwerk of crisispleegzorg is niet mogelijk gebleken, waardoor acute interventie noodzakelijk is.
Deze individuele voorziening biedt noodzakelijk crisisverblijf voor jeugdigen met acute psychische of psychiatrische problematiek, eventueel in samenhang met licht verstandelijke of gezinsproblematiek. Tijdelijk verblijf bij iemand uit het sociaal netwerk of crisispleegzorg is niet mogelijk gebleken, waardoor acuut ingrijpen noodzakelijk is.
Crisispleegzorg betreft opvang in een pleeggezin van een jeugdige die uit een crisissituatie komt (met een maximale duur van 28 dagen).
Wanneer in verband met een ernstige bedreiging van de veiligheid van de jeugdige en/ of ouders besloten is (in vrijwillig of justitieel kader) tot directe plaatsing in een crisispleeggezin, wordt de zorg voor het kind vooral gericht op stabilisatie, veiligheid en rust. Het verblijf in het crisispleeggezin is ondersteunend aan het proces dat met de ouders wordt doorlopen om voor het kind weer een veilige gezinssituatie te realiseren. Bij crisispleegzorg is er sprake van spoedeisende problematiek of een crisissituatie.
Het doel van crisispleegzorg is stabilisatie van de crisissituatie en ontwikkelen van een perspectief voor de jeugdige en de ouders. Er moet duidelijkheid komen over het vervolg voor de jeugdige en het gezin, vastgelegd in een plan.
Advies & Expertise beoogt ondersteunend te zijn aan de vraagverheldering vanuit de wettelijke verwijzers. Hiermee wordt beoogd expertise in te kopen die de expertise van de lokale toegang overstijgt, dit kan op gebied van specialisatie als ook op opleidingsniveau.
De rapportage, zowel mondeling als schriftelijk, dient een advies te geven met betrekking tot vraagverheldering en geadviseerde (indien nodig) vervolg inzet. Het advies omvat de genomen stappen tot het geformuleerde advies en de betrokken disciplines. Het is van belang dat hierin de afweging voor eventuele vervolgondersteuning helder weergegeven is en met de betrokken verwijzer.
Jeugdhulpvervoer betreft structureel, routegebonden vervoer van de jeugdige van en naar de locatie waar jeugdhulp wordt geboden. Het betreft gecombineerd vervoer. Het Jeugdhulpvervoer dient plaats te vinden tussen de woning van de jeugdige of de locatie waar de jeugdige onderwijs geniet en de locatie waar de jeugdige de individuele voorziening ontvangt. Een individuele voorziening voor jeugdhulpvervoer wordt altijd tijdelijk toegekend.
Ouders of verzorgers zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk (zie 3.4 Eigen kracht) voor het vervoer van hun kind naar de jeugdhulpaanbieder. Op grond van de Jeugdwet kan een jeugdige echter in aanmerking komen voor jeugdhulpvervoer wanneer sprake is van een medische noodzaak of van beperkingen in de zelfredzaamheid. Het jeugdhulpvervoer wordt beëindigd zodra de medische noodzaak of beperking bij de jeugdige of binnen het gezinssysteem niet langer aanwezig is.
4.7.1 Kilometervergoeding bij eigen vervoer
Wanneer ouders in staat zijn hun kind zelf te vervoeren, maar aangeven dat zij dit niet kunnen bekostigen, kan de regisseur in uitzonderlijke gevallen een kilometervergoeding verstrekken.
Deze vergoeding wordt uitsluitend toegekend wanneer:
In dat geval onderzoekt de regisseur de financiële situatie van het gezin. Ouders moeten dit aantonen, bijvoorbeeld met een IB-60-formulier van de Belastingdienst. De gemeente gaat ervan uit dat het inkomen onvoldoende is wanneer dit lager ligt dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag), zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Participatiewet. De kilometervergoeding bedraagt het belastingvrije tarief per kilometer, zoals jaarlijks vastgesteld door de Belastingdienst. Bij wijziging van dit tarief wordt het bedrag automatisch aangepast.
Een jeugdige die volgens de gemeente jeugdhulp nodig heeft, ontvangt deze in principe in zorg in natura (ZIN). De jeugdige en/of de ouder kan echter kiezen voor een pgb om de hulp zelf in te kopen en te regelen via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De regisseur beoordeelt of een pgb passend en verantwoord is aan de hand van de criteria in 5.1 - 5.5.
Wanneer een jeugdige en/of de ouder in aanmerking komt voor een individuele voorziening en ervoor kiest deze zelf in te kopen met een pgb, moet een budgetplan ingediend worden. In dit plan wordt duidelijk uitgelegd:
De regisseur beoordeelt of de jeugdige en/of de ouder (eventueel met hulp van een vertegenwoordiger of ondersteuner) in staat is het pgb op een verantwoorde wijze te beheren. De richtlijnen hiervoor staan beschreven in bijlage 7. Pgb vaardigheden. Wanneer blijkt dat de jeugdige of de ouder hierbij ondersteuning nodig heeft, kan de gemeente vragen om een vertegenwoordiger aan te wijzen die (een deel van) deze taken op zich neemt.
Van formele hulp is sprake wanneer de ondersteuning wordt geboden door een beroepsmatige zorgverlener, dus niet door iemand uit het sociaal netwerk van de jeugdige en/of de ouder.
Een pgb voor formele hulp wordt alleen toegekend wanneer de zorgverlener:
Informele hulp is hulp die wordt verleend door iemand uit het sociaal netwerk van de jeugdige of diens ouder(s), zoals familie, vrienden, buren of andere naasten, die niet beroepsmatig jeugdhulp aanbieden.
De gemeente kent een pgb voor informele hulp alleen toe wanneer:
● Een pgb voor behandeling wordt niet verstrekt aan personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige. Onder behandeling wordt verstaan: diagnostiek of behandeling van een stoornis en de daarbij behorende problemen op meerdere levensgebieden. Omdat een ouder of iemand uit het netwerk een persoonlijke en betrokken relatie met de jeugdige heeft, kan deze persoon niet objectief en professioneel onafhankelijk handelen.
Binnen het pgb geldt dat alle uitgaven volledig verantwoord moeten worden. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag: iedere besteding moet aantoonbaar passen binnen het doel waarvoor het pgb is toegekend en wordt gecontroleerd via de Sociale Verzekeringsbank (SVB) of op verzoek van de gemeente. Hiermee wordt verzekerd dat het budget uitsluitend wordt gebruikt voor de afgesproken jeugdhulp. Er vindt minimaal één keer per zes maanden een evaluatiegesprek plaats tussen de zorgaanbieder en de jeugdige en/of diens ouder (zie 2.8).
De hoogte van het pgb is afhankelijk van de vorm van hulp die wordt ingezet. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen formele hulp en informele hulp.
Voor formele hulp geldt dat het pgb in principe gelijk is aan het tarief dat de gemeente betaalt aan gecontracteerde aanbieders van jeugdhulp. Wanneer uit het budgetplan blijkt dat passende en toereikende hulp voor een lager tarief kan worden ingekocht, wordt uitgegaan van dat lagere tarief.
Als de benodigde hulp niet beschikbaar is bij gecontracteerde aanbieders en het vastgestelde tarief in een individueel geval te laag is, kan het tarief worden verhoogd zodat de hulp bij ten minste één geschikte (niet-gecontracteerde) aanbieder kan worden ingekocht.
HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK
De regisseur kan een besluit over een individuele voorziening beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken in de volgende gevallen:
Bij het herzien of intrekken van een besluit handelt de regisseur zorgvuldig. Daarbij wordt gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de jeugdige en het gezin. Als beëindiging of intrekking gevolgen heeft voor de continuïteit van zorg, zorgt de regisseur voor een redelijke overgangstermijn, zodat de noodzakelijke hulp of nieuwe voorziening tijdig kan worden geregeld.
Wanneer de regisseur het recht op een individuele voorziening (zorg in natura of pgb) heeft ingetrokken, kan de regisseur de geldwaarde van de ten onrechte verstrekte voorziening terugvorderen.
Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van zowel hun rechten als hun plichten bij het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening. De regisseur informeert hen hierover tijdens het gesprek en bij het verstrekken van de beschikking. Daarbij wordt ook uitgelegd welke gevolgen het kan hebben als men zich niet aan de voorwaarden houdt, zoals het terugvorderen van onterecht ontvangen hulp of het beëindigen van de voorziening.
De bestrijding van oneigenlijk gebruik en misbruik is gericht op preventie en zorgvuldigheid. De gemeente hanteert het uitgangspunt dat fouten in de eerste plaats worden hersteld door informatie en begeleiding, en pas in tweede instantie (bij opzet of herhaling) door formele maatregelen.
7. SLOTBEPALING
Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026.
Op het moment dat deze beleidsregels in werking treden worden de vastgestelde Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Wierden 2020 ingetrokken.
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Wierden 2026.
Bijlage 2. Algemene voorzieningen
De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar (niet limitatief):
Bijlage 3. Richtlijn beoordeling (dreigende) overbelasting
Overbelasting is: meer belasten dan het prestatievermogen toelaat. In medische kringen praten we over het (on)evenwicht tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.
Het begrip draagkracht heeft betrekking op de belastbaarheid van ouders. Factoren die van invloed zijn op de draagkracht:
Het begrip draaglast heeft betrekking op de belasting van ouders. Factoren die van invloed zijn op de draaglast:
Onderzoek naar de draaglast en draagkracht
Het kan soms heel duidelijk zijn dat de ouder(s) overbelast is. Is dit minder duidelijk, dan zal hier in het gesprek, maar zeker bij de beoordeling van de aanspraak (indicatie) duidelijkheid over moeten komen. De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid worden in principe beoordeeld door een deskundige. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal om een extern medisch advies moeten worden gevraagd.
Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting
Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Bedenk daarnaast dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat.
Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:
Bijlage 4. Richtlijn gebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp betreft verzorging, begeleiding en opvoeding van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot een kind met een behoefte aan jeugdhulp. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 en uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1. De regisseur neemt de leeftijd van het kind, de aard van de zorghandeling, de frequentie van de zorghandeling en de tijd die daarvoor nodig is als uitgangspunt.
Bandbreedte gebruikelijke hulp
Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen.
Van boven-gebruikelijke hulp bij kinderen in chronische situaties is pas sprake wanneer de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding meer is dan een gezond kind van dezelfde leeftijd gemiddeld nodig heeft.
Bijlage 5. Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie persoonlijke verzorging
Onderstaande overzichten zijn bedoeld als richtlijn en bieden handvatten voor het inschatten van de benodigde tijd en frequentie van informele ondersteuning. Het zijn nadrukkelijk richtlijnen, geen standaarden. Per situatie beoordeelt de regisseur wat passend is, zodat maatwerk geleverd wordt.
De gemiddelde tijden gelden voor jeugdigen die zich gemiddeld kunnen bewegen, meewerken en geen gedragsproblemen hebben. Daarbij gaat het niet alleen om de directe handeling, maar ook om indirecte zorg, zoals binnenkomen, begroeten of handen wassen.
Wanneer meerdere activiteiten tijdens hetzelfde zorgmoment plaatsvinden, spreken we van samenvallende activiteiten. De zorg kan dan efficiënter worden geboden, omdat de indirecte zorg niet steeds opnieuw hoeft te worden uitgevoerd. Als richtlijn kan per extra activiteit 3,5 minuut indirecte tijd in mindering worden gebracht. Als er meerdere zorgmomenten zijn kan vervolgens weer 3,5 minuut indirecte tijd toegevoegd, omdat deze bij ieder zorgmoment opnieuw nodig is.
Bijlage 7. Tien punten pgb-vaardigheid
Onderstaande vaardigheden en kennis vormen een richtlijn bij de beoordeling of een jeugdige en/of ouder(s) het pgb op verantwoorde wijze kan beheren. De regisseur weegt deze factoren in samenhang en kan, waar nodig, ondersteuning of vertegenwoordiging inzetten.
● De budgethouder is bewust dat juridische en arbeidsrechtelijke zaken behoren tot het pgb-beheer en bij de rol als werk- of opdrachtgever. De budgethouder is dan ook in staat zich (wanneer nodig) te verdiepen in juridische en arbeidsrechtelijke zaken zoals: ontslag en aansprakelijkheidsvraagstukken en/of zich hierover te laten adviseren.
Bijlage 8. Kwaliteitseisen zorgverleners pgb
De kwaliteitseisen voor zorgverleners die individuele voorzieningen via een persoonsgebonden budget (pgb) leveren, gelden naast de kwaliteitseisen die voortvloeien uit de Jeugdwet en zijn als volgt:
Kwaliteitseisen m.b.t. de doelmatigheid
Daarnaast zorgt de zorgverlener voor deskundigheidsbevordering, verantwoorde werktoedeling, een veilige en gezonde werkomgeving, een goede werksfeer, ziekteverzuimbeleid en periodieke ontwikkelgesprekken. Hierbij handelt de zorgverlener conform de geldende landelijke richtlijnen van de relevante brancheorganisaties.
Kwaliteitseisen m.b.t. veiligheid
Zorgverleners bepalen mede op basis van de risico's de in te zetten ondersteuning.
De zorgverlener legt afspraken over vervoer vast (voor zover dit door de zorgverlener zelf wordt georganiseerd en niet onder een individuele jeugdhulpvoorziening valt). Deze afspraken zijn duidelijk voor personeel en cliënten en beschrijven hoe een cliënt wordt vervoerd, met welke middelen en welke risico’s daarbij horen.
Kwaliteitseisen m.b.t. leefklimaat en fysieke omgeving
Kwaliteitseisen m.b.t. bedrijfsvoering
Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)
De zorgverlener levert een geldige VOG aan voor alle beroepskrachten en overige medewerkers die direct of indirect met cliënten in contact kunnen komen. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de start van de werkzaamheden en moet binnen negen weken na het verzoek worden aangeleverd. Onder indirect contact valt ondersteunend personeel dat op de locatie werkt waar zorg wordt verleend.
Minimum opleidingsniveau personeel
Kwaliteitseis m.b.t. medicatieprotocol
Kwaliteitseisen informele hulp
Kwaliteitseisen m.b.t. de doelmatigheid
Kwaliteitseisen m.b.t. veiligheid
Kwaliteitseisen m.b.t. leefklimaat en fysieke omgeving
Kwaliteitseisen m.b.t. bedrijfsvoering
Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)
Kwaliteitseis m.b.t. medicatieprotocol
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-560352.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.