Gemeenteblad van Wierden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Wierden | Gemeenteblad 2025, 560249 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Wierden | Gemeenteblad 2025, 560249 | beleidsregel |
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wierden 2026
Burgemeester en wethouders van de gemeente Wierden,
Gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wierden 2024;
Besluiten vast te stellen de volgende Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wierden 2026.
Bijlage 1. Het onderzoeken van overbelasting bij mantelzorg
Bijlage 2. Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025
Bijlage 3: Richtlijn gebruikelijke hulp aan kinderen
Bijlage 4. 10 punten pgb-vaardigheid
1.1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Op 1 januari 2015 is de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo) in werking getreden. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van deze wet. De beleidsregels van de gemeente Wierden vormen, samen met de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wierden 2024, het kader voor de uitvoering van deze wet.
De beleidsregels geven aan hoe het college de bepalingen uit de verordening toepast. Zij dienen als praktisch hulpmiddel voor regisseurs bij het beoordelen van meldingen en aanvragen, met als doel dat elke inwoner op een gelijke manier wordt behandeld. Daarnaast bieden de beleidsregels duidelijkheid en voorspelbaarheid voor inwoners: zij kunnen hierin teruglezen wat zij van de gemeente mogen verwachten en op welke manier beslissingen over de Wmo tot stand komen.
De gemeente Wierden wil dat alle inwoners, ongeacht hun beperkingen, zoveel mogelijk zelfstandig leven en actief deelnemen aan de samenleving. De gemeente streeft naar een inclusieve gemeenschap waarin iedereen zich veilig, betrokken en gewaardeerd voelt. Inwoners zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor hun eigen leven, voor elkaar en voor hun omgeving.
Wanneer een inwoner niet volledig zelfredzaam is of onvoldoende kan participeren, wordt eerst gekeken in hoeverre hij zelf, samen met zijn directe omgeving en algemene voorzieningen, zijn situatie kan verbeteren. Pas wanneer dit onvoldoende is, kan de regisseur een maatwerkvoorziening toekennen, gericht op:
In onderstaande tabel is de procedure die begint bij de melding van de hulpvraag en eindigt bij de beslissing van de regisseur schematisch weergegeven.
Een melding kan door of namens de inwoner worden gedaan op de volgende wijze:
De gemeente bevestigt de melding per brief of per e-mail aan de inwoner of aan zijn gemachtigde.
In spoedeisende gevallen, zoals bij direct gevaar of noodzaak tot opvang (bijvoorbeeld bij huiselijk geweld), zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure als dat nodig is.
Na de melding kan de inwoner binnen zeven dagen zelf een persoonlijk plan indienen bij de gemeente. In dit plan legt de inwoner zijn persoonlijke situatie uit, wat hij wil bereiken met zijn hulpvraag en hoe hij denkt dat de maatschappelijke ondersteuning in zijn situatie vorm gegeven kan worden. Het indienen van een persoonlijk plan is niet verplicht. De gemeente betrekt het persoonlijk plan in het onderzoek (zie 2.5) en bij de beoordeling van een aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning.
Onafhankelijke cliëntondersteuning
In de ontvangstbevestiging wordt de inwoner geïnformeerd over de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Een onafhankelijke cliëntondersteuner van Stichting MEE Samen kan met de inwoner meedenken over zorg en ondersteuning, en desgewenst aansluiten bij gesprekken met de gemeente.
Wanneer een inwoner een melding of aanvraag doet, start de onderzoeksfase. De gemeente kan de inwoner uitnodigen voor een gesprek. Ook huisgenoten die gebruikelijke hulp bieden, kunnen hierbij worden betrokken. Soms kan de gemeente een deskundige inschakelen om vragen te stellen of een onderzoek uit te voeren.
Bij start van het onderzoek vraagt de regisseur om een geldig identiteitsbewijs, zoals een paspoort, identiteitskaart, rijbewijs of verblijfsdocument.
Het onderzoek moet binnen zes weken na de melding zijn afgerond. De Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste bestuursrechter in Nederland, heeft in verschillende uitspraken aangegeven welke stappen de gemeente in dit onderzoek moet volgen. Deze stappen worden hieronder toegelicht:
1. Vaststellen van de hulpvraag
De regisseur start met het vaststellen van de hulpvraag van de inwoner. De hulpvraag is het uitgangspunt, maar niet leidend voor het verdere onderzoeksproces. Het kan namelijk zo zijn dat, na onderzoek, blijkt dat andere hulpverlening passender is dan de concrete hulp die de inwoner vraagt.
2. In kaart brengen van knelpunten
De regisseur stelt vast welke problemen de inwoner ervaart bij zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Voor het vaststellen van de problematiek is deskundigheid vereist. De regisseur beoordeelt of zij over voldoende deskundigheid beschikt om de aanvraag voor een maatwerkvoorziening zorgvuldig te kunnen beoordelen. Indien dit niet het geval is, kan de regisseur advies inwinnen bij een externe deskundige, bijvoorbeeld een medisch adviseur (zie 2.7).
3. Bepalen welke ondersteuning nodig is
Wanneer de knelpunten in beeld zijn gebracht, bepaalt de regisseur welke ondersteuning nodig is, en in welke vorm, duur en frequentie. De ondersteuning moet een passende bijdrage leveren aan het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, zodat de inwoner zo lang mogelijk zelfstandig kan blijven wonen.
Bij deze afweging houdt de regisseur op grond van artikel 2.3.5, vijfde lid, van de Wmo rekening met:
4. In kaart brengen van eigen kracht en algemene voorzieningen
Wanneer duidelijk is welke ondersteuning nodig is, beoordeelt de regisseur in hoeverre de inwoner zelf, of met hulp van anderen, hierin kan voorzien. Daarbij wordt gekeken naar de inzet van:
De regisseur gebruikt hierbij het algemeen afwegingskader zoals beschreven in hoofdstuk 3.
5. Concluderen wat er overblijft om te compenseren
Na het doorlopen van de vier hiervoor genoemde stappen, is duidelijk of, en zo ja in welke vorm, duur en frequentie, de inwoner nog in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening.
2.6 Wijze van verstrekking van maatwerkvoorzieningen
Een maatwerkvoorziening is persoonsgebonden en afgestemd op de persoonlijke situatie van een inwoner. Een maatwerkvoorziening kan verstrekt worden in natura (ZIN), een persoonsgebonden budget (pgb) of als een financiële tegemoetkoming (FT).
De gemeente verstrekt een maatwerkvoorziening in principe als zorg in natura (ZIN). Dit houdt in dat de gemeente een contract heeft met een aanbieder die de voorziening levert. Een voorziening in natura kan bestaan uit goederen, producten of persoonlijke dienstverlening en wordt verstrekt in eigendom, in bruikleen of als dienst.
2.6.2 Persoonsgebonden Budget (pgb)
Een maatwerkvoorziening kan ook worden verstrekt in de vorm van een pgb. Hiermee kan de inwoner zelf de benodigde voorziening inkopen. De uitbetaling van het pgb verloopt, afhankelijk van het type voorziening, via de Sociale Verzekeringsbank (SVB) of via de gemeente.
Een pgb is mogelijk wanneer de inwoner:
2.6.3 Financiële Tegemoetkoming (FT)
Een financiële tegemoetkoming is een vooraf vastgesteld bedrag dat de inwoner ontvangt als bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening of ondersteuning. Een inwoner kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming als dit bijdraagt aan zelfredzaamheid en participatie en het gaat om één van de volgende voorzieningen:
Voor een zorgvuldig onderzoek is het noodzakelijk dat alle relevante informatie beschikbaar is. Wanneer de regisseur niet over voldoende gegevens beschikt, kan aanvullend advies worden gevraagd. Dit gebeurt alleen als het noodzakelijk is voor een goed onderzoek. Daarbij geldt de volgorde:
Na afronding van het onderzoek ontvangt de inwoner een verslag in de vorm van een ondersteuningsplan. Hierin staan de hulpvraag, de knelpunten, de mate van eigen kracht, eventuele algemene voorzieningen en (indien nodig) de voorgestelde maatwerkvoorziening. Als de inwoner aangeeft geen ondersteuningsplan te willen ontvangen, wordt dit niet verstrekt.
Een toekenning wordt, met uitzondering van hulpmiddelen, altijd voor een bepaalde periode verleend. Dit maakt het mogelijk om te beoordelen of de beoogde resultaten worden bereikt. In het ondersteuningsplan worden deze resultaten uitgewerkt in concrete doelen, zodat tussentijds kan worden geëvalueerd of de ondersteuning het gewenste effect heeft.
De inwoner kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen na het onderzoek of na het verlopen van de termijn van zes weken. Andere oplossingen die bijdragen aan het oplossen van de hulpvraag, kunnen zonder aanvraag worden ingezet. De aanvraag wordt in behandeling genomen als het daarvoor bedoelde aanvraagformulier volledig is ingevuld of als het ondersteuningsplan is ondertekend. De datum waarop het hiervoor genoemde aanvraagformulier door de gemeente wordt ontvangen, geldt als aanvraagdatum.
Nadat de inwoner een aanvraag heeft ingediend, wordt binnen twee weken een besluit genomen. Het besluit wordt vastgelegd in een beschikking, die naar de inwoner wordt verstuurd. In de beschikking staat of de aanvraag die de inwoner doet, wordt toegekend of afgewezen. Als het gaat om een toekenning, staat er in de beschikking of het gaat om een maatwerkvoorziening in natura, een pgb of een FT.
Voor alle besluiten die worden genomen in het kader van deze beleidsregels geldt dat de datum van besluit de datum van toewijzing van de toegekende voorziening is. In uitzonderlijke gevallen kan het besluit terugwerkende kracht hebben en kan worden gekozen voor een toewijzingsdatum in het verleden, echter nooit eerder dan de meldingsdatum.
Als een inwoner het niet eens is met een besluit op een aanvraag, kan hij binnen zes weken schriftelijk bezwaar indienen bij de gemeente. Het bezwaar wordt behandeld door andere medewerkers dan degene die het oorspronkelijke besluit hebben genomen. In de bezwaarprocedure wordt ook beoordeeld of de onderzoeksfase zorgvuldig is verlopen.
Wanneer een inwoner een beroep doet op ondersteuning via de Wmo, wordt dit verzoek zorgvuldig gewogen. De uitkomst kan per persoon verschillen, omdat altijd naar de individuele situatie wordt gekeken. Tegelijkertijd moet de weging objectief zijn. Daarom betrekt de gemeente altijd de onderstaande elementen in de beoordeling.
3.1 Algemene voorwaarden maatwerkvoorzieningen
Een inwoner kan een maatwerkvoorziening krijgen als:
Onder eigen kracht worden alle mogelijkheden verstaan die een inwoner zelf kan benutten om de eigen zelfredzaamheid en participatie te verbeteren of te behouden. Dit betekent dat wordt gekeken naar:
Pas als deze mogelijkheden onvoldoende zijn, wordt gekeken naar algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen en uiteindelijk naar een maatwerkvoorziening.
Het college stimuleert dat de inwoner zoveel mogelijk zelf de regie voert en zijn eigen mogelijkheden benut. De regisseur kijkt daarbij naar de persoonlijke kenmerken van de inwoner, zoals talenten, vaardigheden en motivatie, in samenhang met de mogelijkheden binnen de directe omgeving.
Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Het betreft alle vormen van hulp die binnen een leefeenheid als normaal worden beschouwd. Onder een leefeenheid wordt verstaan: alle personen die op hetzelfde adres wonen en een gezamenlijk huishouden voeren. Uitwonende kinderen en partners maken hier geen deel van uit.
Gebruikelijke hulp en mantelzorg sluiten elkaar uit. Van mantelzorg is sprake wanneer de geboden hulp in zwaarte, duur of intensiteit uitgaat boven wat binnen het huishouden redelijkerwijs als gebruikelijke hulp kan worden beschouwd.
3.2.2.1 Gebruikelijke hulp binnen de leefeenheid
Van partners wordt verwacht dat zij gezamenlijk activiteiten ondernemen en verantwoordelijk zijn voor het huishouden. Voorbeelden van gebruikelijk hulp binnen de leefeenheid zijn:
3.2.2.2 Huishoudelijke ondersteuning als gebruikelijke hulp
Wanneer huisgenoten huishoudelijke taken kunnen overnemen, wordt van hen verwacht dat zij dit doen via een herverdeling van taken. Een huishouden is gezamenlijk verantwoordelijk voor het draaiende houden van het huishouden. Ook alleenstaanden voeren een huishouden naast werk of andere dagelijkse activiteiten. Wanneer degene die normaal de huishoudelijke taken uitvoert daartoe niet meer in staat is, nemen andere leden van de leefeenheid deze taken over. Dit uitgangspunt geldt voor alle huisgenoten van 23 jaar en ouder.
Van kinderen wordt, afhankelijk van hun leeftijd en ontwikkeling, een bijdrage aan het huishouden verwacht.
De regisseur beoordeelt steeds of het redelijk is om van een kind hulp te verwachten, op basis van leeftijd, ontwikkelingsfase en feitelijke mogelijkheden. De inzet van kinderen mag nooit ten koste gaan van hun welzijn of ontwikkeling.
3.2.2.3 Afwijken van gebruikelijke hulp
In principe is de aanwezigheid van gebruikelijke hulp een reden om een aanvraag voor een maatwerkvoorziening af te wijzen. De regisseur kan hiervan afwijken in de volgende situaties:
Gezondheidsproblemen. Als leden van de leefeenheid door gezondheidsproblemen de gebruikelijke taken niet redelijkerwijs kunnen uitvoeren, kan van gebruikelijke hulp worden afgezien. De regisseur vormt hierover een geobjectiveerd oordeel op basis van informatie van de inwoner en huisgenoten en eigen observatie. Indien nodig kan een onafhankelijk medisch advies worden ingewonnen.
(Dreigende) overbelasting. Wanneer huisgenoten door het leveren van gebruikelijke hulp overbelast zijn of dreigen te raken, wordt geen gebruikelijke hulp verwacht. Als er mogelijkheden zijn om overbelasting te voorkomen of te verminderen, geldt geen uitzondering. Ontstaat (dreigende) overbelasting door maatschappelijke activiteiten naast school of werk, dan heeft gebruikelijke hulp voorrang op deze activiteiten. Indien nodig kan een onafhankelijk medisch advies worden ingewonnen.
3.2.2.4 Factoren die geen reden zijn om van gebruikelijke hulp af te wijken
Onderstaande factoren vormen geen reden om af te wijken van gebruikelijke hulp. De lijst is niet limitatief.
Hoge leeftijd. Een hoge leeftijd betekent niet automatisch dat iemand geen gebruikelijke hulp kan bieden. Als een oudere inwoner in staat is om huishoudelijke taken of zorgtaken te verrichten, wordt dit verwacht. Tijdens het onderzoek beoordeelt de regisseur in hoeverre dit redelijk is en of nieuwe taken aangeleerd kunnen worden.
Gezamenlijke huishouding. Van een gezamenlijke huishouding is sprake als personen samen wonen en voor elkaar zorgen, bijvoorbeeld door bij te dragen aan kosten of door het leveren van zorg (het zogenoemde zorgcriterium). Bij huurders en verhuurders die op hetzelfde adres wonen is hiervan geen sprake. Ook niet-inwonende kinderen zijn niet verplicht om gebruikelijke hulp te bieden, omdat zij geen gezamenlijke huishouding voeren. De regisseur kan met de inwoner wel bespreken of niet-inwonende kinderen vrijwillig ondersteuning willen bieden. In dat geval gaat het om mantelzorg.
Mantelzorg is hulp die een inwoner aan iemand biedt om bij te dragen aan zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen of aan zorg zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Deze hulp komt voort uit een bestaande sociale relatie en wordt niet verleend vanuit een hulpverlenend beroep.
Gebruikelijke hulp kan overgaan in mantelzorg wanneer de hulp in zwaarte, duur of intensiteit de normale verwachtingen overstijgt. Mantelzorg is vrijwillig en niet afdwingbaar. Mantelzorgers hoeven geen gezamenlijke huishouding te voeren met de persoon aan wie zij hulp verlenen.
Wanneer sprake is van mantelzorg, beoordeelt de regisseur de belastbaarheid van de mantelzorger, op basis van de balans tussen draagkracht en draaglast zoals beschreven in bijlage 1. Indien nodig wordt medisch of deskundig advies ingewonnen. Bij (dreigende) overbelasting wordt samen met de mantelzorger gekeken naar voorliggende voorzieningen zoals respijtzorg, mantelzorgondersteuning of hulp via de Zvw. Als deze ondersteuning onvoldoende is, kan de regisseur een (tijdelijke) maatwerkvoorziening inzetten om de mantelzorg te behouden.
3.2.4 Hulp vanuit sociaal netwerk
Met sociaal netwerk wordt de vrijwillige steun bedoeld van familie, vrienden, buren, kennissen of vrijwilligers buiten de leefeenheid, die naar eigen vermogen tijdelijk of structureel ondersteuning kunnen bieden.
3.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Algemeen gebruikelijke voorzieningen komen in principe niet voor vergoeding vanuit de Wmo in aanmerking. Een voorziening wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd wanneer deze:
Toelichting criterium 4: Bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is, speelt de financiële situatie van de inwoner geen rol. Het uitgangspunt is dat de voorziening betaalbaar moet zijn met een inkomen op minimumniveau. Hiervoor wordt beoordeeld of de voorziening binnen 36 maanden kan worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de toepasselijke bijstandsnorm (inclusief vakantiegeld).
De regisseur beoordeelt altijd de persoonlijke situatie. Een voorziening die in het algemeen als gebruikelijk geldt, kan in een individueel geval toch niet algemeen gebruikelijk zijn, bijvoorbeeld bij een plotseling optredende beperking waardoor een voorziening eerder dan normaal moet worden aangeschaft of vervangen.
Een algemene voorziening is een dienst of activiteit waar inwoners gebruik van kunnen maken zonder dat hiervoor een uitgebreid onderzoek of formele beschikking van de gemeente nodig is. Wel kunnen er toegangseisen gelden. De gemeente Wierden kent geen algemene voorziening met een eigen bijdrage (zoals het abonnementstarief via het Centraal Administratie Kantoor, hierna: CAK) die een individuele maatwerkvoorziening vervangt.
De volgende voorzieningen worden als algemene voorzieningen beschouwd (niet-limitatief):
3.5 Andere (wettelijke) voorzieningen
Bij de beoordeling van een maatwerkvoorziening wordt altijd gekeken naar voorzieningen waarop een inwoner mogelijk al recht heeft vanuit andere wettelijke regelingen. De Wmo vult andere wetten alleen aan en is niet vervangend. Dat betekent dat eerst wordt gekeken of ondersteuning mogelijk is via een andere regeling. Pas wanneer deze voorliggende voorzieningen onvoldoende zijn, kan de gemeente een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo toekennen. De Wmo-voorziening moet hiermee worden afgestemd.
Voorzieningen op grond van andere wetten: Wanneer een voorziening of dienst al beschikbaar is op basis van een andere regeling, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) of via het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), wordt onderzocht of daarnaast een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo noodzakelijk is.
Persoonlijke verzorging: Indien er behoefte is aan lijfgebonden of lichaamsgerichte zorg, maar geen sprake is van geneeskundige zorg of een risico daarop, valt persoonlijke verzorging onder de Wmo en niet onder de Zvw. Bij signalen van verergering of een risico op geneeskundige zorg stemt de Wmo-aanbieder af met de wijkverpleegkundige.
Ondersteuning van ouders/verzorgers: Wanneer ouders of verzorgers ondersteuning nodig hebben bij hun eigen zelfredzaamheid en participatie, kan – naast eventuele jeugdhulp voor het kind – een beroep worden gedaan op de Wmo. Bij de inzet van Wmo-voorzieningen wordt rekening gehouden met de context van het gezin en de samenhang met andere wettelijke kaders. De inzet vanuit de Wmo moet altijd de goedkoopst compenserende oplossing zijn (zie 3.10). Dit kan betekenen dat de inzet in een huishouden met kinderen groter is dan in een huishouden zonder kinderen.
Wanneer een inwoner zorg nodig heeft die hoort bij de Wet langdurige zorg (Wlz), of wanneer het aannemelijk is dat de inwoner daarvoor in aanmerking komt, kan de gemeente geen Wmo-voorziening toekennen. Werkt een inwoner niet mee aan het aanvragen van een Wlz-indicatie, dan kan de gemeente de Wmo-aanvraag afwijzen.
Het doel van ondersteuning is dat de inwoner een niveau van zelfredzaamheid en participatie bereikt dat past bij zijn persoonlijke situatie. Daarbij wordt gekeken naar:
Een aanvaardbaar niveau betekent dat niet alle belemmeringen volledig hoeven te worden weggenomen. De ondersteuning is gericht op wat noodzakelijk is om weer zelfstandig te kunnen functioneren, niet op wat iemand zelf wenselijk vindt uit comfort of voorkeur. Zo hoeft iemand bijvoorbeeld niet alle hobby’s of activiteiten te kunnen blijven doen die hij voorheen deed.
De Wmo staat niet toe dat slechts op basis van inkomen ondersteuning wordt verleend of geweigerd. Tegelijkertijd biedt het beschikken over financiële middelen de mogelijkheid in eigen oplossingen te voorzien. De regisseur mag hierop een beroep doen in het gesprek met de inwoner, maar het mag geen reden zijn om passende ondersteuning te weigeren.
3.8 Goedkoopst compenserende voorziening
Bij een maatwerkvoorziening wordt gekozen voor de goedkoopst compenserende voorziening. Hiermee wordt bedoeld: de voorziening die de beperkingen in zelfredzaamheid of participatie op een toereikende en passende wijze compenseert, tegen de voor de gemeente laagst mogelijke kosten. Indien een inwoner een duurdere voorziening wil (die eveneens compenserend is), komen de meerkosten voor rekening van de inwoner.
De gemeente verstrekt in principe alleen een maatwerkvoorziening wanneer deze langdurig noodzakelijk is. Dit betekent dat de maatwerkvoorziening niet slechts voor een korte periode, maar voor minimaal zes maanden nodig is. Deze termijn sluit aan bij de Zorgverzekeringswet (Zvw), waarin inwoners voor maximaal zes maanden een hulpmiddel uit het hulpmiddelendepot kunnen lenen. Het criterium langdurig noodzakelijk geldt voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelvoorzieningen en sportvoorzieningen. Voorzieningen zoals begeleiding en huishoudelijke ondersteuning kunnen kortdurend worden ingezet.
4.1 Begeleiding individueel en dagbesteding
De gemeente is op grond van de Wmo verantwoordelijk voor begeleiding en dagbesteding. Het doel van begeleiding is het bevorderen, behouden en/of compenseren van zelfredzaamheid en participatie. Begeleiding kan in de vorm van begeleiding individueel en dagbesteding plaatsvinden. Bij inwoners die ondersteuning nodig hebben, bieden we dat het liefst zoveel mogelijk in hun eigen leefomgeving, maar soms is het tijdelijk niet mogelijk om thuis te zijn en is verblijf ergens anders nodig.
Uitgangspunten bij begeleiding en dagbesteding zijn:
● Wanneer een inwoner ondersteuning nodig heeft, is het belangrijk om naar het perspectief te kijken. Waar mogelijk, wordt ingezet op herstelgerichte ondersteuning. Er wordt van aanbieders verwacht dat ze de inwoner toeleiden naar zelfredzaamheid of passende voorliggende ondersteuning. Wanneer ontwikkelen niet meer mogelijk is, wordt er ingezet op stabiliseren, zodat een inwoner een stabiele woon- en leefomgeving heeft.
Voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel zijn er twee producten: begeleiding individueel basis en begeleiding individueel plus.
Begeleiding individueel basis is bedoeld voor inwoners met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden.
De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:
Begeleiding individueel plus is bedoeld voor inwoners met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuiglijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere levensgebieden.
De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:
Voor de beoordeling van de kenmerken hanteert de regisseur het afwegingskader zoals beschreven in het regionale handboek Wmo begeleiding individuele en dagbesteding.
Voor de maatwerkvoorziening dagbesteding zijn er twee producten: dagbesteding basis en dagbesteding plus.
De volgende uitgangspunten zijn voor dagbesteding van toepassing:
● De aanbieder leidt (indien mogelijk) de inwoner toe naar zelfredzaamheid of passende ondersteuning binnen het sociaal netwerk en/of het voorliggend veld;
● Dagbesteding vindt fysiek plaats in groepsverband, op een specifiek daarvoor ingerichte locatie, buiten de woonsituatie/woning van de inwoner.
Dagbesteding basis is bedoeld voor inwoners met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere levensgebieden.
De inwoner voldoet aan meerdere van de volgende kenmerken:
Dagbesteding plus is bedoeld voor inwoners met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere levensgebieden.
De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:
Voor de beoordeling van de kenmerken hanteert de regisseur het afwegingskader zoals beschreven in het regionale handboek Wmo begeleiding individueel en dagbesteding.
4.1.2.1 Maatwerkvoorziening vervoer naar dagbesteding
Voor vervoer van en naar de dagbesteding geldt als uitgangspunt dat de inwoner hier zelf in voorziet, bijvoorbeeld met de eigen fiets, auto of het openbaar vervoer, of met hulp uit de directe omgeving. Wanneer een inwoner beschikt over een eigen vervoermiddel dat geschikt is voor dit doel, komt hij of zij in principe niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening vervoer. Indien de inwoner geen geschikt vervoermiddel heeft, of het beschikbare vervoermiddel om medische of praktische redenen niet kan gebruiken en er geen andere alternatieven zijn, kan de gemeente een maatwerkvoorziening vervoer toekennen. Deze voorziening betreft deur-tot-deurvervoer naar de dichtstbijzijnde passende zorgaanbieder. De maatwerkvoorziening incidenteel (collectief) vervoer, zoals de Regiotaxi, mag niet worden ingezet voor vervoer van en naar dagbesteding.
4.2 Huishoudelijke ondersteuning
Het doel van huishoudelijke ondersteuning is dat inwoners zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen in een schoon en leefbaar huis. De ondersteuning helpt bij het uitvoeren van noodzakelijke huishoudelijke taken, het behouden van structuur in het dagelijks leven en het kunnen deelnemen aan de samenleving. Alleen wanneer de eigen mogelijkheden en algemene voorzieningen onvoldoende zijn, kan de regisseur maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning inzetten.
Onder eigen kracht vallen de huishoudelijke taken die de inwoner zelf kan uitvoeren. Deze worden niet overgenomen via een maatwerkvoorziening. De gemeente verwacht dat inwoners bijdragen aan een efficiënte ondersteuning, bijvoorbeeld door:
Wanneer huisgenoten huishoudelijke taken kunnen overnemen, wordt dit van hen verwacht via een herverdeling van taken. Een huishouden is gezamenlijk verantwoordelijk voor het draaiende houden van het huishouden. Als van een kind hulp wordt verwacht, beoordeelt de regisseur of dit redelijk is, afhankelijk van leeftijd, ontwikkelingsfase en feitelijke mogelijkheden (zie 3. Algemeen afwegingskader). De inzet van kinderen mag nooit ten koste gaan van hun welzijn of ontwikkeling.
Wanneer mantelzorg aanwezig is, wordt de ondersteuning vanuit de gemeente daarop afgestemd. In de praktijk betekent dit dat mantelzorgers (tijdelijk) taken kunnen overnemen en de gemeente aanvullende of ontlastende ondersteuning biedt.
Voorzieningen die voor iedereen toegankelijk zijn en (gedeeltelijke) ondersteuning bieden, gaan voor op inzet van huishoudelijke ondersteuning.
4.2.1 Maatwerkvoorziening en normenkader voor huishoudelijke ondersteuning
Voor het bepalen van de noodzakelijke inzet, de frequentie en de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning wordt gebruikgemaakt van het meest recente Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning (zie bijlage 2). Het normenkader gaat uit van de gemiddelde cliëntsituatie (ijkcliënt). Dit betekent dat onderzocht is hoeveel tijd per week een professional nodig heeft voor volledige overname van het huishouden in een gemiddelde situatie. De uiteindelijke inzet wordt afgestemd op de individuele omstandigheden van de inwoner. De regisseur kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Dit kan alleen als gemotiveerd aangegeven wordt waarom de verhoging of verlaging noodzakelijk is.
Het Normenkader gaat uit van de basismodule Schoon en Leefbaar Huis (zie 4.2.2). Als gevolg van objectiveerbare (medische) beperkingen de inwoner onvoldoende ondersteund wordt door de basismodule kunnen de volgende aanvullende modules ingezet worden:
4.2.2 Basismodule Schoon en leefbaar huis
Het doel van de basismodule is dat de inwoner beschikt over een schoon en leefbaar huis.
Niet alle vertrekken hoeven wekelijks te worden schoongemaakt. Het gaat erom dat de woning niet vervuilt en periodiek op een aanvaard basisniveau schoon blijft.
De basismodule heeft betrekking op de woonruimten die nodig zijn voor het normale dagelijks gebruik:
De frequentie van schoonmaakwerkzaamheden is niet afhankelijk van woningtype, grootte of aantal bewoners. Het schoonmaken van de buitenruimte (zoals tuin, balkon of buitenramen) valt niet onder de maatwerkvoorziening.
Extra inzet kan worden toegekend in de volgende situaties:
De aanwezigheid van huisdieren is geen reden voor extra inzet. Alleen in uitzonderingsgevallen, bijvoorbeeld bij een hulphond, kan aanvullende huishoudelijke ondersteuning worden toegekend.
4.2.3 Aanvullende module wasverzorging
Het doel van de module wasverzorging is dat de inwoner schone en draagbare kleding en beddengoed heeft.
Van de inwoner wordt verwacht te beschikken over een wasmachine en droger. Als er geen wasmachine en droger zijn, behoort het realiseren van een wasmachine en droger tot de verantwoordelijkheid van de inwoner. Daarnaast wordt van de inwoner verwacht al het mogelijke te doen om het ontstaan van extra was te beperken, door bijvoorbeeld incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten te gebruiken.
Strijken wordt in principe niet toegekend. Hier zijn in de vorm van kreuk- en strijkvrije kleding algemeen gebruikelijke oplossingen voor beschikbaar.
Er kunnen factoren zijn, waardoor er meer hulp bij de wasverzorging noodzakelijk is, bijvoorbeeld:
4.2.4 Aanvullende module boodschappen
Het doel van de aanvullende module boodschappen is dat de inwoner beschikt over de benodigde dagelijkse maaltijden voor het volledige huishouden. De module omvat:
De aanvullende module boodschappen wordt alleen ingezet in uitzonderingssituaties, omdat in de gemeente voldoende algemene voorzieningen beschikbaar zijn, zoals maaltijdservices en boodschappendiensten.
Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, resulteert niet in extra tijd voor boodschappen doen.
4.2.5 Aanvullende module maaltijden
Het doel van de aanvullende module maaltijden is dat de inwoner beschikt over de benodigde dagelijkse maaltijden voor het volledige huishouden. De module omvat:
Het (voor)bereiden van maaltijden en het eventueel begeleiden (stimuleren of herinneren) bij de maaltijden vallen onder de Wmo. Als de inwoner niet zelfstandig eten en drinken kan nuttigen, dat wil zeggen in zijn mond kan stoppen, of wanneer er een medische noodzaak is voor de maaltijdondersteuning (denk hierbij bijvoorbeeld aan de noodzaak van bijvoeding in verband met ernstige ondervoeding) valt de hulp of het toezicht die de inwoner hierbij nodig heeft onder de Zorgverzekeringswet (Zvw).
De kosten voor de aanschaf van de maaltijden of de maaltijdvoorziening zijn voor rekening van de inwoner.
4.2.6 Aanvullende module regie/organisatie, Advies-instructie-voorlichting (AIV)
Het doel van deze module is het tijdelijk ondersteunen bij het (weer) kunnen voeren van de regie over het huishouden en het aanleren van activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis, wasverzorging, boodschappen en maaltijden. De huishoudelijke hulp heeft daarnaast een signalerende rol bij toenemende kwetsbaarheid of onveilige situaties. Onderdeel van deze module is het bewaken of zelfstandig wonen nog verantwoord is.
Bij de inzet van de module regie beoordeelt de regisseur of een andere maatwerkvoorziening passender is:
De module wordt niet gecombineerd met de maatwerkvoorziening begeleiding individueel.
4.2.7 Aanvullende module kindzorg
Het doel van deze module is dat in acute situaties de dagelijkse zorg voor minderjarige, gezonde kinderen wordt gewaarborgd, zodat het gezinsverband behouden blijft.
De zorg voor kinderen is primair een verantwoordelijkheid van ouders en/of verzorgers, ook wanneer één van hen door een beperking niet of beperkt in staat is deze zorg te bieden. Bij uitval van één ouder wordt verwacht dat de andere ouder de zorgtaken zoveel mogelijk overneemt.
De module wordt in principe tijdelijk toegekend, met een maximale duur van drie maanden. Dit geeft ouders of verzorgers ruimte om een structurele oplossing te vinden. Van hen wordt verwacht dat zij zich actief inspannen om dit te realiseren.
Het oppassen op kinderen valt niet onder de Wmo. Wanneer een ouder door medische of sociale problemen tijdelijk niet in staat is volledig voor zijn of haar kind te zorgen, kan de gemeente ondersteuning bieden via kinderopvang op grond van een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Deze voorziening valt onder de Wet kinderopvang en niet onder de Wmo. De SMI kan aanvullend worden ingezet naast Wmo-ondersteuning, bijvoorbeeld om overbelasting van ouders te voorkomen of herstel te bevorderen.
Ondersteuning die gericht is op opgroei- of opvoedingsproblemen van kinderen valt onder de Jeugdwet en niet onder de Wmo.
Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen te compenseren die het normale gebruik van de woning belemmeren. Zelfredzaamheid betekent dat de inwoner de woning op een gebruikelijke manier kan betreden en gebruiken. Met normaal gebruik wordt bedoeld dat de inwoner toegang heeft tot, en gebruik kan maken van, de elementaire woonfuncties van de woning.
De elementaire woonfuncties zijn:
Een woonvoorziening kan bestaan uit een:
woningaanpassing: een bouwkundige of woontechnische voorziening die aard- en nagelvast wordt aangebracht, dus niet zonder gereedschap kan worden verwijderd. Dit kan gaan om een verbouwing (bouwkundige ingreep) of om het plaatsen van speciale voorzieningen zonder aantasting van het gebouw (woontechnische ingreep).
Bij woonvoorzieningen worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Het beschikken over een woning behoort tot de eigen verantwoordelijkheid. Inwoners wordt gevraagd zoveel mogelijk zelf passende maatregelen te treffen die aansluiten bij hun situatie en levensfase. Een woonvoorziening wordt in principe alleen verstrekt wanneer sprake is van beperkingen die leiden tot verminderde zelfredzaamheid of participatieproblemen. Hierbij weegt de regisseur mee of deze beperkingen voor de inwoner redelijkerwijs te voorzien waren.
4.3.2 Voorwaarden en weigeringsgronden
Om in aanmerking te komen voor een woonvoorziening moet de inwoner, behalve aan de algemene criteria voor een maatwerkvoorziening (zie hoofdstuk 3. Algemeen afwegingskader), ook aan een aantal specifieke criteria voldoen. In artikel 9.4 van de Verordening staan de voorwaarden en weigeringsgronden voor een woonvoorziening vermeld. Hier volgt een samenvatting van de weigeringsgronden met bijbehorende uitzonderingen.
Verder geldt dat geen woonvoorziening wordt verstrekt voor:
Onderhoud, keuring en reparaties van voorzieningen
Reparatie-, onderhouds- en vervangingswerkzaamheden alsmede eventuele keuringen behoren in principe tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de woning. De kosten van onderhoud, keuring en reparatie van woonvoorzieningen die in bruikleen verstrekt zijn, zijn voor rekening van de gemeente.
Het primaat van verhuizen betekent dat de gemeente, wanneer een woningaanpassing nodig lijkt, eerst beoordeelt of verhuizen naar een geschikte woning een goedkopere én gelijkwaardig compenserende oplossing biedt voor de beperkingen die een inwoner ervaart. Het uitgangspunt is dus niet automatisch het aanpassen van de huidige woning, maar het bieden van de goedkoopst compenserende voorziening. Dat kan een woningaanpassing zijn, maar ook een verhuiskostenvergoeding met eventueel beperkte aanpassingen in de nieuwe woning. De inwoner is nooit verplicht om te verhuizen. Als verhuizen echter de goedkoopst compenserende oplossing is, mag de regisseur volstaan met het aanbieden van een verhuiskostenvergoeding. In dat geval voldoet de gemeente aan haar compensatieplicht op grond van de Wmo.
Wanneer de kosten van een woningaanpassing naar verwachting hoger zijn dan € 10.000,00 beoordeelt de regisseur of verhuizen naar een geschikte woning kan worden aangemerkt als de goedkoopst compenserende voorziening. Bij deze afweging worden de volgende aspecten betrokken:
Financiële tegemoetkoming verhuizen
Indien het primaat van verhuizen kan worden toegepast, kan een FT in de verhuis- en inrichtingskosten worden verstrekt (zie 6. Financiële tegemoetkoming). Deze tegemoetkoming moet worden gebruikt voor verhuizing naar een adequate woning en geldt niet voor verhuizing naar een Wlz-instelling of voor de situatie wanneer men voor het eerst zelfstandig gaat wonen.
Het kan ook voorkomen dat er een geschikte woning is voor een inwoner, maar dat die woning al bewoond is. Er kan dan een FT in de verhuis- en inrichtingskosten worden verstrekt aan de bewoner van de geschikte woning. Het doel is dan om deze bewoner te stimuleren om de woning ter beschikking te stellen aan de inwoner.
De gemeente verplicht inwoners niet om te verhuizen. Wanneer een inwoner ervoor kiest om in de huidige woning te blijven, terwijl verhuizen wel een passende oplossing zou zijn, kan de gemeente een FT in de verhuis- en inrichtingskosten toekennen. De inwoner mag deze vergoeding gebruiken voor het aanpassen van de huidige woning. In dat geval worden hierover duidelijke afspraken gemaakt met de inwoner. De gemeente verstrekt daarna geen aanvullende woonvoorzieningen meer voor beperkingen die het gevolg zijn van de keuze om niet te verhuizen, tenzij deze beperkingen ook zouden zijn ontstaan als de inwoner wél naar een passende woning was verhuisd.
4.3.4 Proces woningaanpassingen
Bij een melding voor een woningaanpassing doorloopt de regisseur de volgende stappen:
Bij huurwoningen vraagt de regisseur de verhuurder om een offerte aan te leveren op basis van het programma van eisen. De bouwkundig medewerker controleert de offertes op volledigheid en juistheid voordat de beschikking wordt vastgesteld.
4.3.5 Aandachtspunten woningaanpassingen
Aandachtspunten gelijkvloerse aanpassingen
Bij het uitvoeren van gelijkvloerse aanpassingen moet rekening gehouden worden met de volgende punten:
Een tegemoetkoming voor het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten (zoals een hellingbaan vanaf de openbare weg naar de ingang van het woongebouw) wordt alleen verstrekt als de inwoner de woning zonder deze aanpassing niet kan bereiken. Gemeenschappelijke ruimten zijn bijvoorbeeld entrees, trapportalen en portieken. Aanpassingen aan gemeenschappelijke recreatieruimten vallen hier niet onder. Wanneer het wooncomplex voornamelijk door ouderen of bewoners met een beperking wordt bewoond en de aanpassing voor alle bewoners van belang is, ligt de verantwoordelijkheid bij de woningeigenaar.
Voor het verstrekken van een scootmobiel geldt als voorwaarde dat er een geschikte stallingsmogelijkheid aanwezig is of kan worden gerealiseerd. De scootmobiel moet kunnen worden gestald in een overdekte en afsluitbare ruimte met een elektrische aansluiting. In uitzonderlijke situaties waarin de inwoner niet over een geschikte stalling beschikt en deze ook niet zelf kan realiseren, kan de regisseur voorzien in de realisatie van een passende stallingsmogelijkheid. Moderne scootmobielen zijn voorzien van onderhoudsvrije, gesloten accu’s waarvoor geen speciale ventilatie vereist is.
In artikel 2.3.7 van de Wmo is vastgelegd dat, als de regisseur heeft besloten om een woningaanpassing te verstrekken voor een woning waarvan de inwoner met beperkingen niet de eigenaar is, de regisseur bevoegd is om deze woningaanpassing aan te (laten) brengen zonder toestemming van de eigenaar. De gemeente dient wel vooraf de woningeigenaar te informeren en de mogelijkheid te geven zijn mening te geven. Hierdoor kan de eigenaar bij uitvoeringskwesties betrokken worden.
Woonvoorzieningen worden alleen in de vorm van een pgb verstrekt.
4.3.6 Roerende woonvoorzieningen
Roerende woonvoorzieningen zijn niet van bouwkundige of woontechnische aard en blijven verplaatsbaar. Ze worden ingezet wanneer algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen onvoldoende oplossing bieden. Dit betreft met name tilliften en andere hulpmiddelen die individueel noodzakelijk zijn voor transfers of persoonlijke verzorging. De meeste losse sanitaire voorzieningen (zoals douchestoelen of toiletverhogers) worden als algemeen gebruikelijk beschouwd en vallen buiten de maatwerkvoorziening.
Het bezoekbaar maken van een woning heeft als doel dat inwoners die in een Wlz-instelling verblijven, sociale contacten kunnen blijven onderhouden met hun naasten. Hiermee wordt eenzaamheid tegengegaan en participatie gestimuleerd. Wanneer een inwoner verblijft in een Wlz-instelling, kan de regisseur eenmalig een maatwerkvoorziening verstrekken voor het bezoekbaar maken van één woning. Dit betreft meestal de woning waar de inwoner vóór opname woonde of een woning waar hij of zij regelmatig op bezoek komt, bijvoorbeeld bij een partner, ouder of kind.
Onder bezoekbaar maken wordt verstaan dat de inwoner zelfstandig de woning kan betreden, één verblijfsruimte (zoals de woonkamer) kan gebruiken en het toilet kan bereiken en gebruiken. De voorziening is uitsluitend bedoeld om kortdurend bezoek mogelijk te maken en niet voor logeren of overnachting.
De inwoner van de Wlz-instelling dient de voorziening aan te vragen bij de gemeente waar hij of zij staat ingeschreven. Daarbij geldt het VNG-convenant ‘Niet innemen van hulpmiddelen bij verhuizing naar een Wlz-instelling’, waarin is vastgelegd dat hulpmiddelen die noodzakelijk zijn om een woning te kunnen bezoeken, behouden blijven en niet door de gemeente worden ingenomen. Dit vormt een uitzondering op de hoofdregel (zie 3.1) dat inwoners met een Wlz-indicatie in beginsel geen recht hebben op Wmo-voorzieningen.
4.3.8 Gebruikelijke hulp bij woningaanpassingen voor kinderen
Bij woningaanpassingen die noodzakelijk zijn vanwege de beperking van een kind, beoordeelt de regisseur eerst of de benodigde ondersteuning valt binnen de gebruikelijke hulp die ouders bieden aan hun kinderen. Hierbij maakt de regisseur gebruik van bijlage 3. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de zorg en begeleiding die past bij de leeftijd en ontwikkeling van hun kind, inclusief het treffen van aanpassingen die naar maatschappelijke maatstaven als gebruikelijk worden beschouwd. Wanneer de benodigde aanpassing structureel en langdurig noodzakelijk is en de zorg de gebruikelijke hulp overstijgt, kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt op grond van de Wmo.
Vervoersvoorzieningen worden verstrekt aan inwoners met een beperking die belemmeringen ondervinden bij het zich lokaal verplaatsen. Het doel is het behouden of vergroten van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Dit betekent dat een inwoner, ondanks zijn beperkingen zoals bedoeld in de Wmo, in redelijke mate in staat moet zijn om:
De maatwerkvoorziening hoeft de inwoner niet in dezelfde of een betere positie te brengen dan voor het ontstaan van de beperkingen. De ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot de oorspronkelijke situatie. Incidentele of zelden voorkomende reizen vallen buiten het bereik van de vervoersvoorziening.
De regisseur stelt de vervoersbehoefte vast op basis van de persoonlijke situatie van de inwoner. Daarbij wordt gekeken naar de aard van de beperkingen, de doelen van het vervoer (zoals werk, boodschappen, sociale contacten of recreatie) en persoonlijke omstandigheden, zoals leeftijd, gezinssamenstelling en de aanwezigheid van jonge kinderen.
Het gaat niet om hoe vaak iemand wil reizen, maar om hoe vaak iemand moet kunnen reizen om maatschappelijk te kunnen deelnemen. De regisseur beoordeelt of de beperkingen van de inwoner in aanvaardbare mate kunnen worden gecompenseerd.
Bij de afweging of een activiteit tot maatschappelijke participatie behoort, kijkt de regisseur naar het belang van die activiteit binnen het dagelijks leven. Niet alle persoonlijke wensen hoeven te worden gehonoreerd. De voorziening is bedoeld om noodzakelijke deelname aan het maatschappelijk verkeer mogelijk te maken.
Een vervoersvoorziening is voldoende passend als deze de inwoner in staat stelt tot lokale verplaatsingen. Onder lokaal verplaatsen wordt verstaan een afstand van 15 tot 20 kilometer van het woonadres van de inwoner. De regisseur hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte. Verder mag de regisseur volstaan met een voorziening waarmee de inwoner 2.000 kilometer per jaar kan reizen. Als de inwoner een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de inwoner om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat dit zo is.
4.4.3 Voorliggende voorzieningen en andere (wettelijke) regelingen
De regisseur hanteert bij het beoordelen van vervoersvoorzieningen het afwegingskader uit hoofdstuk 3. Daarbij wordt altijd eerst gekeken of een voorliggende voorziening of andere wettelijke regeling de vervoersbehoefte al (gedeeltelijk) dekt.
Specifieke voorbeelden hiervan zijn:
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)
Wet op het primair onderwijs (WPO), Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en Wet op de expertisecentra (WEC)
Pas wanneer geen van bovenstaande regelingen of voorzieningen een passende oplossing biedt, kan de gemeente op grond van de Wmo een vervoersvoorziening toekennen.
4.4.4 Collectief vervoer (Regiotaxi Twente)
Het collectief vervoer, in de vorm van de Regiotaxi Twente, is uitsluitend beschikbaar voor inwoners die hiervoor een toekenning van de gemeente hebben ontvangen. De maximale ritafstand bedraagt 25 kilometer gemeten vanaf het woonadres. Het gebruik van de Regiotaxi is niet toegestaan voor woon-werkverkeer of voor vervoer van en naar dagbesteding (op grond van zowel de Wmo als de Wlz). De overige reisvoorwaarden zijn te vinden op www.regiotaxitwente.nl. Inwoners die gebruikmaken van de Regiotaxi betalen geen eigen bijdrage via het CAK, maar een ritbijdrage die gelijk is aan het reguliere tarief van het openbaar vervoer (zie hoofdstuk 8).
Het is ook mogelijk dat een inwoner, indien dit noodzakelijk is, individueel wordt vervoerd. Dit kan gelden voor zowel inwoners die rolstoelafhankelijk zijn als voor inwoners die dat niet zijn. Dit kan alleen op basis van medische indicatie of noodzaak.
Een scootmobiel is een gehandicaptenvoertuig met elektrische aandrijving en drie, vier of vijf wielen. De gemeente verstrekt uitsluitend driewiel-scootmobielen. De voorziening is bedoeld om vervoersproblemen op korte en middellange afstanden te compenseren. Een scootmobiel kan niet worden gecombineerd met een fietsvoorziening of een andere voorziening die voor dezelfde afstanden bedoeld is.
Een inwoner komt in aanmerking voor een scootmobiel als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
Voldoende rijvaardigheid: De inwoner moet in staat zijn veilig en zelfstandig aan het verkeer deel te nemen. Hierbij wordt onder andere gekeken naar verkeersinzicht, kennis van de verkeersregels, gedrag, concentratie, oriëntatievermogen, reactievermogen, gezichts- en gehoorvermogen. Als blijkt dat de rijvaardigheid of rijveiligheid onvoldoende is, wordt geen scootmobiel verstrekt. De regisseur onderzoekt dan samen met de inwoner een alternatieve oplossing voor het vervoersprobleem.
Adequate stalling: Voor het verstrekken van een scootmobiel geldt als voorwaarde dat er een geschikte stallingsmogelijkheid aanwezig is of kan worden gerealiseerd. De scootmobiel moet kunnen worden gestald in een overdekte en afsluitbare ruimte met een elektrische aansluiting. In uitzonderlijke situaties waarin de inwoner niet over een geschikte stalling beschikt en deze ook niet zelf kan realiseren, kan de regisseur voorzien in de realisatie van een passende stallingsmogelijkheid. Moderne scootmobielen zijn voorzien van onderhoudsvrije, gesloten accu’s waarvoor geen speciale ventilatie vereist is.
Een scootmobiel kan worden verstrekt in zorg in natura (ZIN) of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Bij verstrekking in natura ontvangt de inwoner de scootmobiel in bruikleen. Reparaties, onderhoud en eventuele vervanging worden in dat geval namens de gemeente verzorgd.
Wanneer de inwoner kiest voor een pgb, is hij of zij zelf verantwoordelijk voor het onderhoud, de reparaties en de verzekering van de scootmobiel. Naast het bedrag voor aanschaf wordt ook een vergoeding verstrekt voor onderhoud en verzekering. Het is de inwoner vrij om zelf te bepalen bij welke aanbieder het onderhoudscontract wordt afgesloten en waar de voorziening wordt verzekerd. Het verzekeren van de scootmobiel is verplicht op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). De hoogte van het pgb voor onderhoud en verzekering wordt vastgesteld op basis van een door het college goedgekeurde offerte.
Voor korte en middellange afstanden kan een fietsvoorziening worden verstrekt, zoals een driewielfiets of handbike. Hiervoor gelden in principe dezelfde voorwaarden als bij een scootmobiel. Een fietsvoorziening kan niet worden gecombineerd met een scootmobiel of een andere voorziening die voor dezelfde afstanden bedoeld is.
Een fietsvoorziening kan worden verstrekt als zorg in natura (ZIN), als persoonsgebonden budget (pgb) of als financiële tegemoetkoming (FT).
De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van een door de regisseur goedgekeurde offerte. De inwoner bepaalt zelf waar het onderhoud wordt uitgevoerd.
Als uit onderzoek blijkt dat de beperkingen van een inwoner ten aanzien van het verplaatsen niet kunnen worden weggenomen door gebruikmaking van de regiotaxi kan er een pgb verstrekt worden voor de kosten van het aanpassen van de eigen auto. De noodzaak van de aanpassing moet wel zijn vastgesteld en het betreft geen aanpassing die algemeen gebruikelijk is.
Bij de beoordeling van een autoaanpassing moet voldaan worden aan de volgende eisen:
Autoaanpassing voor kinderen met een beperking
Omdat het belangrijk is dat kinderen met een beperking kunnen meedoen aan het gezinsleven, kan de regisseur een autoaanpassing verstrekken aan gezinnen met een kind jonger dan 18 jaar dat zich vanwege een beperking niet zelfstandig kan verplaatsen binnen de eigen leefomgeving. De aanpassing moet aantoonbaar nodig zijn om het kind in staat te stellen met het gezin mee te reizen en deel te nemen aan het maatschappelijke leven.
Een rolstoel kan worden verstrekt wanneer een inwoner zich in en om de woning niet op eigen kracht kan verplaatsen. Er zijn twee typen rolstoelen:
Een elektrische rolstoel komt alleen in aanmerking wanneer een inwoner zich niet zelfstandig kan voortbewegen in een handbewogen rolstoel, bijvoorbeeld door beperkingen in arm- of handfunctie of door energetische problemen waardoor slechts enkele meters gereden kunnen worden. Een rolstoel kan ook worden verstrekt om zittend vervoer mogelijk te maken, bijvoorbeeld in het collectief vervoer, eigen vervoer of een rolstoeltaxi.
Een rolstoelvoorziening kan als ZIN worden verstrekt of in de vorm van een pgb. In geval van ZIN, zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de toegekende rolstoel ontvangt door een gecontracteerde leverancier. De rolstoel wordt dan in bruikleen verstrekt. Dit betekent dat de leverancier eigenaar blijft van de rolstoel en dat de inwoner deze zolang het nodig is, mag gebruiken. Wanneer een rolstoel in bruikleen wordt verstrekt, vallen ook alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking.
Bij de keuze voor een pgb, moet de inwoner de reparaties/het onderhoud en de verzekering van de rolstoelvoorziening zelf regelen. Omdat een pgb een gelijkwaardig alternatief is voor een zorg in natura voorziening, wordt er naast een bedrag voor de aanschaf van de rolstoelvoorziening, ook een bedrag verstrekt voor onderhoud en verzekering. Het staat de inwoner vrij om te kiezen waar een onderhoudscontract wordt afgesloten en waar de voorziening wordt verzekerd. De hoogte van het pgb voor onderhoud en verzekering wordt vastgesteld aan de hand van een door de regisseur goedgekeurde offerte.
Inwoners die een Wlz-indicatie hebben en intramuraal (in een zorginstelling) verblijven, kunnen op grond van de Wlz een rolstoel aanvragen bij het Zorgkantoor. Inwoners met een Wlz-indicatie die thuis wonen middels een pgb, volledig pakket thuis (VPT) of een modulair pakket thuis (MPT), kunnen via de gemeente een rolstoel aanvragen.
Een sportvoorziening heeft als doel dat een inwoner een sport kan beoefenen en bevordert daarmee de participatie. Uitgangspunt hierbij is dat men in principe zelf verantwoordelijk is voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij sportbeoefening. Wanneer vanwege een beperking extra kosten worden gemaakt, kan er een sportvoorziening worden verstrekt.
De volgende criteria worden afgewogen voor het verstrekken van een sportvoorziening:
Het kan daarbij gaan om sporten in verenigingsverband, maar ook om sporten in georganiseerd en structureel verband lijkend op een vereniging, zoals een trainingsgroep onder leiding van een professional. Sportvoorzieningen voor gezamenlijk of collectief gebruik komen niet voor individuele compensatie in aanmerking.
Een sportvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een FT (zie 6. Financiële tegemoetkoming). Deze FT wordt maximaal een keer in de drie jaar verstrekt voor de aanschaf, het onderhoud en de reparatie, tenzij de eerder verstrekte sportvoorziening nog adequaat is. De maximale hoogte staat beschreven in hoofdstuk 9.
Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang
Op grond van de Wmo zijn alle gemeenten verantwoordelijk voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen. In de praktijk is de uitvoering van deze taken belegd bij zogenoemde centrumgemeenten. Een centrumgemeente voert namens meerdere omliggende gemeenten bepaalde taken uit die specialistische kennis, continuïteit of schaalgrootte vragen. De centrumgemeente ontvangt hiervoor het budget van het Rijk en is verantwoordelijk voor de uitvoering, inkoop en beleidsontwikkeling binnen de regio.
Voor de gemeente Wierden vervult de gemeente Almelo deze rol. Dat betekent dat Almelo de uitvoering verzorgt van maatschappelijke opvang en beschermd wonen voor inwoners van Wierden. Almelo hanteert daarbij haar eigen, door de gemeenteraad vastgestelde beleid en beheert het bijbehorende uitvoeringsbudget. De gemeente Wierden volgt voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen het beleid, de verordening en de beleidsregels van de centrumgemeente Almelo.
Beschermd wonen is het wonen in een accommodatie van een instelling met toezicht en begeleiding, gericht op:
Beschermd wonen is bedoeld voor personen met psychische of psychosociale problemen die zich niet zelfstandig kunnen handhaven zonder 24-uurs toezicht of ondersteuning.
Inwoners die ondersteuning nodig hebben in de vorm van beschermd wonen, worden doorverwezen naar de Centrale Intake Maatschappelijke Opvang Twente (CIMOT). Het CIMOT beoordeelt of de inwoner is aangewezen op beschermd wonen. Waar mogelijk wordt een plek gerealiseerd in de gemeente van herkomst. De maatwerkvoorziening wordt toegekend door de centrumgemeente Almelo en is erop gericht dat de inwoner, zodra dit kan, weer zelfstandig kan wonen en functioneren.
Maatschappelijke opvang biedt onderdak en begeleiding aan personen die hun thuissituatie hebben verlaten, al dan niet vanwege huiselijk geweld, en die zich niet zelfstandig kunnen handhaven. Wanneer maatschappelijke opvang mogelijk nodig is, wordt een melding gedaan bij het Centrale Intake Maatschappelijke Opvang Twente (CIMOT). Het CIMOT beoordeelt of de inwoner is aangewezen op opvang.
Een pgb is een geldbedrag waarmee een inwoner zelf de ondersteuning kan inkopen die nodig is. Het pgb en zorg in natura (ZIN) zijn gelijkwaardige alternatieven. De gemeente gaat er in principe vanuit dat een maatwerkvoorziening in natura wordt geleverd. Als een inwoner liever een pgb ontvangt en aan de voorwaarden hiervoor voldoet, kan de regisseur dit toekennen.
5.1 Formele hulp en informele hulp
Bij het vaststellen van de hoogte van een pgb maakt de gemeente onderscheid tussen formele en informele hulp:
Om een pgb te krijgen, moet de inwoner een budgetplan invullen. In dit plan staat:
De regisseur beoordeelt of de inwoner pgb-vaardig is: kan hij de taken die bij een pgb horen op een verantwoorde manier uitvoeren? Daarbij wordt onder andere gebruikgemaakt van de vragenlijst in bijlage 4 ‘Tien punten pgb-vaardigheid’. Deze lijst dient als richtlijn om duidelijkheid te krijgen over de motivatie van de inwoner en of een pgb passend is.
Een pgb kan worden geweigerd als:
Als een inwoner het pgb niet zelf kan beheren, kan een pgb-beheerder worden aangewezen. Dit kan iemand uit het sociaal netwerk zijn, een professionele beheerder of een door de rechtbank benoemde mentor, curator of bewindvoerder. De pgb-beheerder mag niet ook hulpverlener zijn. De pgb-beheerder moet voldoende tijd en aandacht hebben om de taken goed uit te voeren.
Voor de besteding en de kwaliteit van een pgb gelden de volgende regels:
Wanneer het pgb wordt ingezet voor informele hulp, gelden aanvullende voorwaarden om de veiligheid en doeltreffendheid van de ondersteuning te waarborgen:
De kwaliteitseisen voor formele en informele pgb-hulp zijn verder uitgewerkt in bijlage 5. De regisseur betrekt de contractmanager om deze kwaliteitseisen te toetsen.
De hoogte van het pgb wordt bepaald op basis van de soort voorziening of ondersteuning. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:
Voor informele hulp wordt het tarief gebaseerd op de cao die past bij de soort hulp, inclusief vakantiegeld en verlofuren. Ook als iemand wel over diploma’s beschikt of staat ingeschreven in het Handelsregister, maar onderdeel is van het sociaal netwerk van de inwoner, wordt dit als informele hulp gezien.
Een pgb kan ook tijdens een vakantieperiode binnen Nederland worden gebruikt, mits de ondersteuning in die periode noodzakelijk blijft en bijdraagt aan het doel van de maatwerkvoorziening. Het pgb mag nooit (deels) worden besteed aan vakantiegerelateerde kosten, zoals reis-, verblijf- of accommodatiekosten, maar uitsluitend aan de noodzakelijke ondersteuning.
De inwoner stemt het voornemen minimaal acht weken van tevoren af met de regisseur, zodat de gemeente kan beoordelen of de kwaliteit en doelmatigheid van de ondersteuning ook tijdens de vakantie geborgd zijn.
Gebruik van een pgb in het buitenland valt in principe buiten de reikwijdte van de Wmo. Slechts in uitzonderlijke, gemotiveerde gevallen kan de regisseur hiervan afwijken, mits de kwaliteit, veiligheid en controleerbaarheid van de ondersteuning aantoonbaar zijn gewaarborgd.
Een financiële tegemoetkoming is een vooraf vastgesteld bedrag dat de inwoner ontvangt als bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening of ondersteuning.
Een financiële tegemoetkoming heeft de volgende kenmerken:
Voor onderstaande financiële voorzieningen gelden de volgende maximale bedragen:
De bedragen zijn gebaseerd op een vergelijking met omliggende gemeenten in de regio Twente en jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (vergoeding dient toereikend maar sober te zijn).
De maximale bedragen worden minimaal eens per drie jaar beoordeeld op basis van prijsontwikkelingen, regionale vergelijking en landelijke normen.
7. BESTRIJDING MISBRUIK, CONTROLE EN VERREKENING
De regisseur legt inwoners duidelijk uit welke rechten en plichten horen bij het krijgen van een maatwerkvoorziening, een pgb of een FT. Ook wordt uitgelegd wat de gevolgen zijn als het pgb, de voorziening of de FT verkeerd wordt gebruikt.
De gemeente controleert regelmatig of een maatwerkvoorziening of pgb nog terecht wordt gebruikt. Dit kan via een periodiek onderzoek of door middel van steekproeven. Daarbij kijkt de gemeente of:
Als blijkt dat een voorziening of pgb ten onrechte is ontvangen of verkeerd is gebruikt, kan de gemeente het geld terugvorderen. Dit kan worden verrekend met betalingen die de gemeente nog aan de inwoner moet doen op grond van de Wmo.
Als er aanwijzingen zijn dat het pgb niet goed gebruikt wordt, kan de gemeente de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vragen om de betalingen tijdelijk (maximaal dertien weken) stop te zetten.
Mantelzorg is hulp die een inwoner aan iemand biedt om bij te dragen aan zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen of aan zorg zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Deze hulp komt voort uit een bestaande sociale relatie en wordt niet verleend vanuit een hulpverlenend beroep.
De gemeente is op grond van de Wmo verantwoordelijk voor het ondersteunen van mantelzorgers van inwoners zonder een Wlz-indicatie. Een manier om dit te doen kan het bieden van respijtzorg of van kortdurend verblijf zijn.
Respijtzorg is een vorm van ondersteuning waarbij een mantelzorger tijdelijk wordt ontlast van de zorgtaken. Dit kan een deel van de dag, een paar dagen per week of in het weekend zijn. Het doel is dat de mantelzorger tijd krijgt om te ontspannen en weer op te laden. De zorgtaken kunnen tijdelijk worden overgenomen door een vrijwilliger of professionele hulpverlener. Respijtzorg kan verschillende vormen hebben, zoals inzet van vrijwilligers, begeleiding individueel (thuis), dagbesteding of logeerzorg. Voordat een maatwerkvoorziening wordt toegekend, bekijkt de gemeente of er passende ondersteuning mogelijk is via andere voorzieningen, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), patiëntenverenigingen of vrijwilligersorganisaties zoals De Zonnebloem.
8.2 Kortdurend verblijf / logeeropvang
Kortdurend verblijf is een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo waarbij een inwoner tijdelijk (één tot maximaal drie etmalen per week) buitenshuis verblijft, zodat de mantelzorger tijdelijk wordt ontlast en overbelasting wordt voorkomen. De voorziening omvat in ieder geval verblijf, bed, bad en drie maaltijden per dag. De inwoner regelt in principe zelf het vervoer van en naar de verblijfslocatie, eventueel met hulp uit het eigen netwerk. Als dit niet mogelijk is, kan vervoer worden geïndiceerd. Kortdurend verblijf wordt alleen verstrekt als de mantelzorger geen aanspraak kan maken op respijtzorg via de zorgverzekering of de WLZ.
8.3 Belastbaarheid mantelzorger
Gezien de intensiteit van de ondersteuning en de vaak hoge mate waarin de inwoner afhankelijk is van de ondersteuning, is het met name bij mantelzorg van belang om inzicht te krijgen in de belastbaarheid van de mantelzorger. De regisseur maakt hierbij gebruik van de onderzoeksvragen in bijlage 1.
De gemeente laat jaarlijks haar waardering zien voor mantelzorgers die zorgen voor inwoners van de gemeente. Dit gebeurt door het organiseren van verschillende activiteiten, zowel gedurende het jaar als rondom de Dag van de Mantelzorg. Daarnaast richt de mantelzorgwaardering zich op ondersteuning van (jonge) mantelzorgers en het organiseren van lotgenotencontact.
Voor het gebruik van maatwerkvoorzieningen kunnen gemeenten een bijdrage in de kosten vragen. De bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het CAK. De bijdrage is afhankelijk van het inkomen, vermogen en de leefsituatie van de inwoner en bedraagt nooit meer dan de kostprijs van de voorziening.
De gemeente Wierden hanteert een eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen in natura of in de vorm van een pgb, en voor aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten, zolang de inwoner van de voorziening gebruikmaakt of gedurende de periode waarvoor het pgb is toegekend.
Voor algemene voorzieningen kunnen gemeenten zelf bepalen of een bijdrage wordt gevraagd. De hoogte van deze bijdrage wordt lokaal vastgesteld en kan per voorziening verschillen. De inning van de bijdrage voor algemene voorzieningen vindt plaats door of namens de gemeente. De gemeente Wierden kent op dit moment geen algemene voorziening met een eigen bijdrage.
9.3 Uitzonderingen eigen bijdrage
Voor de volgende voorzieningen wordt door de gemeente Wierden in principe geen eigen bijdrage gevraagd:
Bijlage 1. Het onderzoeken van overbelasting bij mantelzorg
De regisseur onderzoekt altijd of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels. Een van de redenen om in de individuele situatie af te wijken, kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij taken overneemt, reeds overbelast dreigt te raken. In Van Dale wordt overbelasting uitgelegd als “meer belasten dan het prestatievermogen toelaat”. In medische kringen praten we dan over het (on)evenwicht tussen draagkracht (=belastbaarheid) en draaglast (=belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.
Factoren die van invloed zijn op de draagkracht zijn onder meer:
Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer:
Onderzoek naar de draaglast-draagkracht mantelzorger
Het kan soms heel duidelijk zijn dat de mantelzorger overbelast is, in ander gevallen is dat minder duidelijk en zal dit in het indicatieonderzoek moeten worden uitgediept. Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Wel bestaan er allerlei vragenlijsten op dat gebied en kunnen door de mantelzorger ervaren klachten duiden op overbelasting. Een uitspraak (Zknr. 23010188) van het CVZ (nu Zorginstituut Nederland) leert dat de beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid van de mantelzorger dienen te worden beoordeeld door of onder verantwoordelijkheid van een arts. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. Dit dient dan wel onder aanwijzing van een arts te gebeuren; deze dient vervolgens ook bij het eindoordeel te worden betrokken.
Hieronder volgt een reeks van vragen die de regisseur kan helpen bij het verkrijgen van een indruk van de eventuele overbelasting van de mantelzorger:
Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting
Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. Dit kunnen o.a. zijn: gespannen spieren, hoge bloeddruk, slapeloosheid, migraine, duizeligheid, verminderde weerstand, opvliegingen, ademnood, ongeduld, verhoogde prikkelbaarheid, vaak huilen, neerslachtigheid, isolering, verbittering, concentratieproblemen, rusteloosheid, denkblokkades en boosheid.
Het is mogelijk, dat slechts één van deze symptomen waarneembaar is, maar over het algemeen zullen meerdere symptomen gecombineerd optreden. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Daarnaast dient men zich te bedenken dat het hierbij om veelal, a-specifieke symptomen gaat, die ook bij andere stoornissen kunnen passen (dit is een van de redenen waarom het Zorginstituut Nederland de beoordeling hiervan bij de CIZ-arts neerlegt). Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Indien er meerdere symptomen aanwezig zijn, is het raadzaam dat de mantelzorger zijn huisarts raadpleegt, omdat langdurige aanwezigheid en/of verwaarlozing van dergelijke symptomen weer kan leiden tot andere, ernstige stoornissen.
Bijlage 2. Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025
|
Tabel 2. Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (basisactiviteiten). |
||
|
Keukenblok (buitenzijde) incl. tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventuele tafel |
||
|
Tabel 7. Activiteiten voor verzorgen van minderjarige kinderen. |
|
|
Afstemming/sociaal contact (aankomst, vertrek, administratie, contact met cliënt) |
|
Bijlage 3: Richtlijn gebruikelijke hulp aan kinderen
Gebruikelijke hulp betreft verzorging, begeleiding en opvoeding van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot een kind met een zorgbehoefte. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 en uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1. De regisseur neemt de leeftijd van het kind, de aard van de zorghandeling, de frequentie van de zorghandeling en de tijd die daarvoor nodig is als uitgangspunt.
Bandbreedte gebruikelijke hulp
Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen.
Van boven-gebruikelijke hulp bij kinderen in chronische situaties is pas sprake wanneer de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding meer is dan een gezond kind van dezelfde leeftijd gemiddeld nodig heeft.
Bijlage 4. Tien punten pgb-vaardigheid
Onderstaande vaardigheden en kennis vormen een richtlijn bij de beoordeling of een jeugdige en/of ouder(s) het pgb op verantwoorde wijze kan beheren. De regisseur weegt deze factoren in samenhang en kan, waar nodig, ondersteuning of vertegenwoordiging inzetten.
2. Inzicht in regels en verplichtingen
3. Overzichtelijke administratie bijhouden
6. Afspraken maken en vastleggen
10. Kennis over werk- of opdrachtgeverschap
De budgethouder is bewust dat juridische en arbeidsrechtelijke zaken behoren tot het pgb-beheer en bij de rol als werk- of opdrachtgever. De budgethouder is dan ook in staat zich (wanneer nodig) te verdiepen in juridische en arbeidsrechtelijke zaken zoals: ontslag en aansprakelijkheidsvraagstukken en/of zich hierover te laten adviseren.
Bijlage 5. Kwaliteitseisen zorgverleners pgb
De kwaliteitseisen voor zorgverleners die maatwerkvoorzieningen via een persoonsgebonden budget (pgb) leveren, gelden naast de kwaliteitseisen die voortvloeien uit de Wmo en zijn als volgt:
Kwaliteitseisen m.b.t. de doelmatigheid
Kwaliteitseisen m.b.t. veiligheid
Zorgverleners bepalen mede op basis van de risico's de in te zetten ondersteuning
Kwaliteitseisen m.b.t. leefklimaat en fysieke omgeving
Kwaliteitseisen m.b.t. bedrijfsvoering
Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)
De zorgverlener levert een geldige VOG aan voor alle beroepskrachten en overige medewerkers die direct of indirect met cliënten in contact kunnen komen. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de start van de werkzaamheden en moet binnen negen weken na het verzoek worden aangeleverd. Onder indirect contact valt ondersteunend personeel dat op de locatie werkt waar zorg wordt verleend.
Minimum opleidingsniveau personeel
Kwaliteitseisen informele hulp
Kwaliteitseisen m.b.t. de doelmatigheid
Kwaliteitseisen m.b.t. veiligheid
Kwaliteitseisen m.b.t. leefklimaat en fysieke omgeving
Kwaliteitseisen m.b.t. bedrijfsvoering
Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-560249.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.