Algemene subsidieverordening gemeente Gorinchem 2026

De raad van de gemeente Gorinchem;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

B E S L U I T :

 

vast te stellen de Algemene subsidieverordening gemeente Gorinchem 2026

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    activiteitensubsidie: een subsidie die wordt verstrekt voor een eenmalig of specifiek project, activiteit of evenement;

  • b.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    boekjaar: twaalfmaandsperiode welke niet gelijk valt met een kalenderjaar;

  • d.

    cofinanciering: eigen inbreng in geld of in natura, van de aanvrager of een organisatie voor een deel van de kosten van de activiteit;

  • e.

    college: het college van burgemeester en wethouders van gemeente Gorinchem;

  • f.

    de-minimissteun: steun die wordt verstrekt op basis van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352/1); Verordening (EU) nr. 2019/316 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 51 I/1); Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), of Verordening (EU) 2018/1923 van de Commissie van 7 december 2018 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PbEU L 313/2);

  • g.

    Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld;

  • h.

    natuurlijk persoon: niet zijnde een rechtspersoon;

  • i.

    onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent gericht op winst;

  • j.

    rechtspersoon: een organisatie die volgens de wet als zelfstandig wordt beschouwd, met eigen rechten en plichten;

  • k.

    SROI: Social Return on Investment, waarbij een deel van de subsidie wordt ingezet om maatschappelijke waarde te creëren;

  • l.

    subsidieregeling: een algemeen verbindend voorschrift ter uitwerking van onderdelen van de Algemene subsidieverordening;

  • m.

    verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47);

  • n.

    Wet Bibob: Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 2. Reikwijdte en bevoegdheden

  • 1.

    Het college is bevoegd met toepassing van deze verordening subsidies te weigeren, te verlenen, in te trekken, te wijzigen en vast te stellen en voorschriften, voorwaarden en verplichtingen te verbinden aan subsidiebesluiten.

  • 2.

    Het college is bevoegd subsidieregelingen vast te stellen. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke activiteiten en welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

  • 3.

    Het college verstrekt slechts subsidie op grond van een ingevolge het tweede lid vastgestelde subsidieregeling, tenzij het een subsidie betreft als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de awb.

Artikel 3. Aanvrager

  • 1.

    Een natuurlijk persoon of rechtspersoon kan subsidie aanvragen.

  • 2.

    Aan een natuurlijk persoon kan tot en met € 5.000 subsidie per jaar worden verleend. Het college kan hier bij subsidieregeling van afwijken.

Artikel 4. Staatssteunregels

  • 1.

    Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

  • 2.

    Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

  • 4.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader.

  • 5.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.

Hoofdstuk 2 Financiële bepalingen

Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1.

    Het college kan subsidieplafonds vaststellen. In dat geval bepalen zij bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de betrokken subsidie.

  • 2.

    Het college kan een subsidieplafond verlagen als:

    • a.

      het plafond wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld; en

    • b.

      de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld.

  • 3.

    Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

  • 4.

    Voor kalenderjaarsubsidies worden subsidieplafonds voor 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar vastgesteld en bekendgemaakt.

  • 5.

    Voor boekjaarsubsidies worden subsidieplafonds minimaal twee maanden voor de uiterlijke indiendatum van de subsidieaanvragen vastgesteld en bekendgemaakt.

  • 6.

    Voor activiteitensubsidies worden subsidieplafonds gelijktijdig bij het vaststellen van de subsidieregeling bekendgemaakt of wordt het subsidieplafond voor 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar vastgesteld en bekendgemaakt.

  • 7.

    Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

  • 8.

    De bekendmaking van een subsidieplafond gebeurt via het digitale gemeenteblad.

Hoofdstuk 3 Aanvraag subsidie

Artikel 6. Aanvraag subsidie

  • 1.

    Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij het college met een daarvoor bedoeld (digitaal) aanvraagformulier.

  • 2.

    Bij de aanvraag levert de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens aan:

    • a.

      de wettelijke grondslag waar de aanvraag om subsidie op berust;

    • b.

      de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • c.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • d.

      de doelen en resultaten die met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

    • e.

      een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • f.

      als de aanvrager een onderneming is:

      • een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

      • een verklaring als bedoeld in de verordening met betrekking tot de-minimissteun (de-minimisverklaring);

    • g.

      Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, legt tevens over:

      • a.

        een oprichtingsakte;

      • b.

        de statuten;

      • c.

        het meest recente jaarverslag, niet ouder dan één jaar

      • d.

        een uittreksel KvK, niet ouder dan 3 maanden;

      • e.

        een kopie bankafschrift met rekeningnummer en tenaamstelling aanvrager, niet ouder dan 3 maanden.

  • 3.

    De aanvrager is verplicht mee te werken aan een onderzoek in het kader van de wet Bibob.

  • 4.

    Het college kan bij subsidieregeling van voorgaande leden afwijken, behoudens lid 3.

  • 5.

    Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in lid 2 en 3 genoemde gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk, respectievelijk voldoende zijn.

Artikel 7. Aanvraagtermijn

  • 1.

    Een aanvraag voor een kalenderjaarsubsidie wordt vanaf 1 augustus tot en met 30 september voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft, ingediend.

  • 2.

    Een aanvraag voor een boekjaarsubsidie, wordt vanaf 20 weken tot uiterlijk 13 weken voorafgaand aan dat boekjaar of de boekjaren waarop de aanvraag betrekking heeft, ingediend.

  • 3.

    Een aanvraag voor een activiteitensubsidie wordt uiterlijk acht weken, voor start van de activiteit(en) ingediend.

  • 4.

    Het college kan bij subsidieregeling een andere termijn stellen.

  • 5.

    Indien een subsidieaanvraag na de daarvoor gestelde termijn wordt ingediend, wordt door de aanvrager de reden van de late indiening vermeld. Het college besluit vervolgens of het de aanvraag alsnog in behandeling zal nemen.

Hoofdstuk 4 Beoordeling subsidieaanvraag

Artikel 8. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7 eerste en tweede lid, binnen 13 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.

  • 2.

    Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7 derde lid, binnen 8 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.

  • 3.

    Bij subsidieregeling kan een andere termijn worden gesteld.

  • 4.

    Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

Artikel 9. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden

  • 1.

    Het college weigert een aanvraag voor subsidie naast de in de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 Awb genoemde gevallen:

    • a.

      als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt;

    • b.

      als het een aanvrager betreft tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

    • c.

      als de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien, die in strijd zijn met de wet- en regelgeving, het algemeen belang of de openbare orde;

    • d.

      als de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak het doel hebben het uitdragen van overtuigingen en denkbeelden van religieuze, levensbeschouwelijke of politieke aard;

  • 2.

    Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:

    • a.

      subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of

    • b.

      de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren als:

    • a.

      de gemeenteraad niet de benodigde gelden beschikbaar heeft gesteld in de vastgestelde gemeentebegroting;

    • b.

      de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

    • c.

      niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

    • d.

      de subsidie naar redelijke verwachting niet of in onvoldoende mate zal worden besteed aan de doelstellingen waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;

    • e.

      de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    • f.

      de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

    • g.

      de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

    • h.

      aan de aanvrager voor dezelfde activiteiten reeds door enig bestuursorgaan een subsidie is verleend;

    • i.

      de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de gemeente Gorinchem;

    • j.

      voor een activiteit reeds subsidie is verstrekt door het college;

    • k.

      de financiële situatie van de aanvrager, blijkens de laatst vastgestelde jaarrekening, onvoldoende zekerheid biedt dat de aangevraagde activiteiten zullen worden uitgevoerd;

    • l.

      de aanvrager niet alle benodigde vergunningen, ontheffingen en/of vrijstellingen ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten heeft gekregen.

  • 4.

    Het college kan in een subsidieregeling aanvullende weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden opnemen.

Artikel 10. Verantwoording

Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregelingen, wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.

Hoofdstuk 5 Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger

  • 1.

    Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:

    • a.

      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen;

    • d.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon;

    • e.

      als een activiteit(en) waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht;

    • f.

      dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan;

    • g.

      een wijziging van 10% of meer, of €250 of meer in de begrote kosten of opbrengsten is bij een direct vastgestelde subsidie is.

  • 2.

    De subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan een steekproefsgewijze controle van de gesubsidieerde activiteiten en legt de benodigde bewijsstukken over.

  • 3.

    De subsidieontvanger is verplicht om naast de verstrekte subsidie een eigen bijdrage te leveren in de vorm van cofinanciering.

Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

  • 1.

    Bij subsidies hoger dan € 5.000 kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.

  • 2.

    Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, Awb worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

  • 3.

    Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

  • 4.

    Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.

  • 5.

    Bij subsidieregeling verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger verplichtingen worden opgelegd in het kader van SROI.

Artikel 13. Betaling en bevoorschotting

Bij subsidieregeling of in de beschikking wordt besloten of de subsidie wordt bevoorschot of betaald. Hierbij worden de hoogte van en de termijnen voor de bevoorschotting of de betaling bepaald.

Hoofdstuk 6 Verantwoording subsidie

Artikel 14. Eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000

  • 1.

    Subsidies tot en met € 5.000 worden door het college:

    • a.

      direct vastgesteld, of

    • b.

      ambtshalve vastgesteld na 13 weken nadat de activiteiten zijn uitgevoerd.

  • 2.

    Voor het vaststellen van een subsidie als bedoeld in het eerste lid, onder b, toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat:

    • a.

      de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht; en

    • b.

      aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 3.

    Bij subsidieregeling kan worden afgeweken van dit artikel.

Artikel 15. Eindverantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 100.000

  • 1.

    Bij subsidies tussen € 5.000 en € 100.000 dient de subsidieontvanger een verzoek tot vaststelling in:

    • a.

      bij incidentele subsidies uiterlijk dertien weken nadat de subsidieperiode is verstreken;

    • b.

      bij kalenderjaarsubsidies op 30 april van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar of de kalenderjaren waarvoor subsidie is verleend;

    • c.

      bij boekjaarsubsidies uiterlijk twintig weken nadat het boekjaar of de boekjaren waarvoor subsidie is verleend is/zijn verstreken.

  • 2.

    Het verzoek bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

    • c.

      vanaf € 50.000 een goedkeurende beoordelingsverklaring over de gesubsidieerde activiteiten en de daaraan verbonden baten en lasten van de ontvangen subsidie, opgesteld door onafhankelijke accountant.

  • 3.

    Indien de beoordelingsverklaring zoals benoemd in lid 2 een beperking of een gedeeltelijke oordeelsonthouding bevat, levert de aanvrager het accountantsrapport aan.

  • 4.

    Bij subsidieregeling kan worden afgeweken van dit artikel, behoudens lid 2 sub c.

  • 5.

    Bij afwijkend verantwoordingsregime van subsidieverstrekker aan de gemeente kan worden afgeweken van de bedragen in lid 2 sub c.

  • 6.

    Het college kan andere informatie, dan hetgeen in dit artikel is genoemd, opvragen voor zover deze van belang is voor de vaststelling.

Artikel 16. Eindverantwoording subsidies vanaf € 100.000

  • 1.

    Bij subsidies vanaf € 100.000 dient de subsidieontvanger een verzoek tot vaststelling in:

    • a.

      bij incidentele subsidies uiterlijk dertien weken nadat de subsidieperiode is verstreken;

    • b.

      bij kalenderjaarsubsidies op 30 april van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar of kalenderjaren waarvoor subsidie is verleend;

    • c.

      bij boekjaarsubsidies uiterlijk twintig weken nadat het boekjaar of de boekjaren waarvoor subsidie is verleend is/zijn verstreken.

  • 2.

    Het verzoek bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

    • c.

      een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; en

    • d.

      een goedkeurende controleverklaring over de gesubsidieerde activiteiten en de daaraan verbonden baten en lasten van de ontvangen subsidie, opgesteld door een onafhankelijk accountant.

  • 3.

    Indien de controleverklaring zoals benoemd in lid 2 een beperking of een gedeelte oordeelsonthouding bevat, levert de aanvrager het accountantsrapport aan.

  • 4.

    Bij subsidieregeling kan worden afgeweken van dit artikel behoudens lid 2 sub d.

  • 5.

    Bij afwijkend verantwoordingsregime van subsidieverstrekker aan de gemeente kan worden afgeweken van de bedragen in lid 2 sub d.

  • 6.

    Het college kan andere informatie dan die welke in dit artikel is genoemd opvragen, voor zover deze van belang is voor de vaststelling.

Artikel 17. Eindverantwoording bij meerdere subsidies

  • 1.

    Als een subsidieontvanger in hetzelfde kalenderjaar meerdere subsidies van de gemeente verleend krijgt, worden deze voor de eindverantwoording bij elkaar opgeteld en samen verantwoord. Hierdoor kan een hoger verantwoordingsregime van toepassing worden, conform artikelen 15 en 16.

Artikel 18. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

  • 1.

    Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij subsidieregeling of verleningsbeschikking voorgeschreven berekeningswijze.

  • 2.

    Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van de bij subsidieregeling of verleningsbeschikking voorgeschreven definities.

  • 3.

    Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

Artikel 19. Beslistermijn verzoek tot subsidievaststelling

  • 1.

    Het college stelt de subsidie vast binnen 13 weken na de ontvangst van het verzoek tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald.

  • 2.

    Als een verzoek tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip of de termijn, bedoeld in de artikelen 14 eerste lid, 15 eerste lid en 16 eerste lid, is ingediend, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn of termijnen stellen. Wordt het verzoek niet binnen deze termijn(en) ingediend dan gaat het over tot ambtshalve vaststelling.

Hoofdstuk 7 Overige en slotbepalingen

Artikel 20. Hardheidsclausule

In bijzondere gevallen, en voor zover toepassing van deze verordening zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan het college afwijken van deze verordening behoudens de artikelen 2, 4, en 9.

Artikel 21. Overgangs- en slotbepalingen

  • 1.

    De Algemene Subsidieverordening gemeente Gorinchem 2020 wordt ingetrokken.

  • 2.

    De Algemene Subsidieverordening gemeente Gorinchem 2020 blijft van toepassing op aanvragen om subsidie en op subsidies die voor 1 januari 2026 zijn verleend en voor bezwaar- en beroepsschriften waarop nog niet is beslist.

  • 3.

    Deze verordening Algemene Subsidieverordening gemeente Gorinchem 2026 treedt in werking per 1 januari 2026.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Subsidieverordening gemeente Gorinchem 2026.

Aldus vastgesteld door de raad van Gorinchem op 16 december 2025

De voorzitter,

De griffier,

Naar boven