Gemeenteblad van 's-Hertogenbosch
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| 's-Hertogenbosch | Gemeenteblad 2025, 559024 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| 's-Hertogenbosch | Gemeenteblad 2025, 559024 | beleidsregel |
Beleidsregels Giften en schadevergoedingen Participatiewet ’s-Hertogenbosch 2026
Hoofdstuk 2. Giften en schadevergoedingen
Bij schade van blijvende aard (zoals bij letselschade): Indien de immateriële schadevergoeding meer bedraagt dan de vrijlating zoals genoemd in het vorige lid, wordt de overschrijding toegerekend aan de statistisch te verwachten resterende levensduur van de persoon, te rekenen vanaf het moment van ontstaan van de schade, en herleid tot een maandbedrag. Is dit bedrag lager dan 15% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande exclusief vakantietoeslag, geldend op het moment van ontstaan van de schade, dan wordt de schadevergoeding vrijgelaten. Is het bedrag hoger dan de voormelde bijstandsnorm dan wordt het meerdere vermenigvuldigd met het aantal in maanden, dat is gebruikt voor de herleiding in de eerste volzin. Het aldus verkregen bedrag is het deel van de schadevergoeding dat als vermogen in aanmerking wordt genomen. Als het bedrag hoger is dan zou zijn vrijgelaten als de schadevergoeding overeenkomstig het vierde lid zou zijn berekend, dan wordt dit lagere bedrag in aanmerking genomen.
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch op 9 december 2025.
Het college voornoemd,
De secretaris,
Drs. B. van der Ploeg
De burgemeester,
Drs. J.M.L.N. Mikkers
De definitie van een gift kan worden omschreven als ‘een betaling uit vrijgevigheid door een natuurlijk persoon of een instelling, waarvoor niets wordt terugverlangd’. Deze beleidsregel geeft aan hoe er met het ontvangen van giften moet worden omgegaan. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen giften van instellingen en giften van personen. Door giften niet volledig in aanmerking te nemen, wordt voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen. Het uitgangspunt hierbij is dat kerkelijk en particulier initiatief zoveel mogelijk wordt gerespecteerd. Wanneer deze giften niet leiden tot een duidelijke besparing op de kosten van levensonderhoud, zal vrijlating in beginsel mogelijk moeten zijn. Dit mag niet leiden tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is. Gezien het minimumbehoeftenkarakter van de bijstand kan de vrijlating daarom niet onbeperkt zijn.
Deze beleidsregels volgen de wettelijke lijn en zoals deze in jurisprudentie is vastgelegd over de omgang met giften in natura. Als een bijstandsgerechtigde een bepaald product, zoals boodschappen, (incidenteel) ontvangt als schenking of deze producten voor de bijstandsgerechtigde (incidenteel) worden betaald, dan kan de bijstandsgerechtigde er niet langer vrijelijk over beschikken. En dan vallen de schenkingen niet binnen het middelenbegrip, tenzij de geschonken goederen in redelijkheid weer te gelden gemaakt kunnen worden; zoals de gift van een voertuig. In de rechtspraak worden deze giften in natura aangemerkt als besparingsbijdrage, voor zover zij betrekking hebben op de kosten die tot de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan behoren (naast boodschappen kan het ook gaan om de betaling van huur of bijvoorbeeld de zorgverzekering). Als er sprake is van substantiële bijdragen, is de gemeente gehouden de bijstand op grond van artikel 18, eerste lid, Participatiewet (PW) hierop af te stemmen met inachtneming van het achtste lid van dat artikel.1
Voor het vaststellen van de economische waarde van giften in natura wordt gebruik gemaakt van de NIBUD prijzengids.
Bij het vaststellen van deze beleidsregels is geen onderscheid gemaakt tussen uitkeringsgerechtigden van 18 tot 21 jaar die in vergelijking met personen van 21 jaar en ouder een lagere bijstandsnorm ontvangen. Jongeren zijn kwetsbaarder voor de mogelijk opbouw van schulden. Het is wenselijk om schuldproblematiek te voorkomen bij deze groep. Er is daarom gekozen om geen aparte (beleids-)regel op te nemen voor jongeren van 18 tot 21 jaar.
Uit deze beleidsregels volgt wanneer giften in de bijstand tot de middelen moeten worden gerekend. Het omgekeerde is niet per definitie het geval. Wanneer er sprake is van giften die buiten deze beleidskaders vallen, betekent het niet automatisch dat mag worden aangenomen dat deze niet tot de middelen gerekend hoeven worden. Ten aanzien van deze giften zal altijd nog een specifieke afweging moeten worden gemaakt of de gift uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.
De genoemde criteria in deze beleidsregels zijn slechts handvatten om tot een redelijke afweging te komen wat wel en wat niet verantwoord is in het kader van (verdere) bijstandsverlening: in bijzondere gevallen kan het individualiseringsprincipe worden toegepast.
Deze beleidsregels zijn niet van toepassing op uitkeringen die verstrekt worden op basis van de IOAW en IOAZ. Voor deze regelingen geldt geen vermogensvaststelling en is het vermogen derhalve niet van belang. Het begrip inkomen, en daarmee ook de inhouding van inkomsten op de uitkering, is voor deze regelingen vastgelegd in artikel 8. Andere vormen van inkomen die hierin niet zijn genoemd, moeten buiten beschouwing worden gelaten en zijn niet van invloed op het recht op uitkering. Hieruit vloeit voort dat voor deze uitkeringen giften en schadevergoedingen niet als inkomen aangemerkt kunnen worden.
Eerste lid: een gift kan zowel eenmalig verstrekt zijn of een zeker periodiciteit kennen. Daarnaast kunnen giften in verschillende vormen aan de belanghebbende worden geschonken: per bankoverschrijving, contant of in natura. Voor het vaststellen van de economische waarde van giften in natura wordt gebruik gemaakt van de NIBUD prijzengids.
Het college volgt de vrijlatingsgrens voor giften zoals deze is vastgelegd in de wet. De vrijlatingsgrens geldt voor het gehele gezin aangezien bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt.
Tweede lid: wanneer de gift de vrijlatingsgrens van € 1.200,00 overstijgt, dient het meerdere als middel in aanmerking genomen te worden. Bij de beoordeling of een bijdrage als een gift kan worden beschouwd is het niet van belang of deze eenmalig is verstrekt of een zekere periodiciteit kent. Ook is het niet van belang of de bijdrage door een natuurlijk persoon of particuliere instelling plaatsvindt. Doorslaggevend is of de bijdrage een onverplicht karakter kent. Bijdragen die zijn gebaseerd op wederkerige overeenkomsten (zoals leningen) kunnen om die reden dan ook niet aangemerkt worden als giften. Er kan pas worden aangenomen dat er sprake is van een lening als er een daadwerkelijk terugbetalingsverplichting bestaat. Hiervoor hoeft niet altijd een schriftelijk bewijsstuk aangeleverd te worden (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6012).
Giften boven de vastgestelde vrijlatingsgrens hebben meestal het karakter van inkomsten. Er is sprake van een besteedbaar inkomen dat hoger ligt dan het bestaansminimum. Dit is vanuit het oogpunt van bijstandsverlening niet aanvaardbaar en het betreffen immers giften die kunnen worden aangewend voor levensonderhoud. Deze giften dienen dan ook verrekend te worden met de bijstand volgens artikel 32 lid 1 en artikel 58 lid 4 van de wet. Indien dit niet (meer) mogelijk is, dient (voor het resterende gedeelte) een terugvordering opgesteld te worden.
Er zijn situaties denkbaar waarin een gift wel aan het vermogen moet worden toegerekend. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de gift een auto betreft. Als de auto een waarde heeft die lager is dan de vrijlating voor een auto volgens het huidige beleid, heeft dit voor de vermogensvaststelling geen consequentie. Dit, voor zover de belanghebbende niet over een andere auto beschikt waarop al een vrijlating is toegepast. Indien de waarde van de auto meer bedraagt dan de vrijlating, wordt de waarde van de auto volledig aangemerkt als vermogen (zie ook beleidsregels Vermogensvaststelling gemeente ’s-Hertogenbosch).
Derde lid: Meldingsplicht versus meldingsverzoek
Ongeacht het feit dat giften tot € 1.200 niet onder de actieve inlichtingenplicht van de bijstandsgerechtigde vallen, staat het de gemeente vrij om de bijstandsgerechtigde te vragen inzicht te geven in de door hem ontvangen giften. Ook kan zij in meer algemene zin van hem vragen om giften die een aanmerkelijke waarde hebben, waarbij is gekozen voor een bedrag van € 600 of meer ineens, te melden. Op die manier kan de gemeente samen met bijstandsgerechtigde beter voorkomen dat op een later moment onbedoeld sprake is van een schending van de inlichtingenplicht of dat aan het einde van het kalenderjaar pas blijkt dat onverwacht de vrijlatingsgrens is overschreden.
Artikel 3. Giften voor bijzondere kosten
Eerste lid: giften voor kosten waarvoor bijzondere bijstand mogelijk is, worden niet tot de middelen gerekend waar in de bijstand rekening mee moet worden gehouden. Dit is ook het geval wanneer de bijzondere bijstand een maximale vergoeding kent en de gift hoger is.
Voor de aanschaf van een nieuwe bril is de vergoeding vanuit de bijzondere bijstand maximaal € 180,00. Belanghebbende kiest voor optionele extra’s (zoals dunne glazen), waardoor de bril uitkomt op € 300,00. In dat geval wordt een gift van € 300,00 volledig buiten beschouwing gelaten.
Tweede lid: er kunnen situaties zijn waarin de gemaakte kosten vanuit medisch oogpunt wel wenselijk zijn, maar waarvoor geen bijzondere bijstand mogelijk is. In dat geval kan de gift vrijgelaten worden, mits deze de levensstandaard niet verhoogt.
Dit is bijvoorbeeld het geval als de belanghebbende een gift ontvangt voor het aanschaffen van een medisch hulpmiddel zoals een scootmobiel. Of iets medisch wenselijk is zal door de belanghebbende moeten worden aangetoond (bijvoorbeeld door een verklaring van een zorgprofessional zoals een huisarts).
Derde lid: dit artikel biedt voldoende ruimte om onverplichte verstrekkingen van werkgevers aan werknemers buiten beschouwing te laten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerstpakket of een tegoedbon.
Vierde lid: Verstrekkingen vanuit de voedselbanken verschillen van de structurele en onvoorwaardelijke ontvangst van boodschappen. Bij de ondersteuning vanuit de voedselbanken gaat het om noodhulp. Betrokkenen worden daarom door de voedselbanken voorafgaand, maar ook daarna periodiek, financieel beoordeeld. Daarbij gaat het om in beginsel tijdelijke ondersteuning. Zolang sprake is van noodhulp, is het in lijn van de bedoeling van de wet om aan de ontvangst van voedselpakketten en andere noodpakketten geen consequenties voor de bijstandsverlening te verbinden.
Artikel 4. Giften in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag
Eerste lid: als gevolg van een eventuele lange behandelingsduur door de gemeente kan het zijn dat familie of kennissen bijspringen voor de meest belangrijke uitgaven. Deze betalingen ter overbrugging worden vaak gedaan zonder een afdwingbare terugbetalingsverplichting. De gemeente maakt de keus deze overbruggingen tot de aangegeven hoogte niet toe te rekenen aan de vrijlatingsgrens.
Tweede lid: het gedeelte van de gift dat de maandelijkse bijstandsnorm overschrijdt, wordt meegeteld voor het bereiken van de vrijlatingsgrens.
De van toepassing zijnde bijstandsnorm is € 500,00 per maand voor de belanghebbende. De ontvangen gift bedraagt € 800,00. De overschrijding van € 300,00 op de bijstandsnorm wordt in mindering gebracht op de vrijlatingsgrens van € 1.200,00.
Artikel 5. Giften in verband met schulden
De Participatiewet biedt maar beperkte mogelijkheden tot bijstandsverlening voor schulden. Het hebben van problematische schulden is echter in algemene zin een belemmering in het sociaal functioneren. Giften in de vorm van afbetaling van schulden kunnen daarom worden vrijgelaten als de aflossing van de schuld, naar het oordeel van het college, de eventuele re-integratie en/of schuldhulpverlening ten goede komt.
Om de gift vrij te kunnen laten dient de afbetaling van de schuld rechtstreeks aan de schuldeiser plaats te vinden. Daarnaast dienen het schulden te zijn die geen betrekking hebben op de bijstandsperiode: de schulden zijn dus vooraf aan de bijstandsperiode ontstaan. Door een rechtstreekse betaling aan de schuldeiser ontstaat een voor de belanghebbende onherroepelijk karakter.
Een (nog) niet opeisbare schuld wordt niet als een problematische schuld beschouwd.
Materiele schadevergoeding is een vergoeding voor schade die direct in geld is uit te drukken. Het gaat om een vergoeding voor schade of verlies van iets dat belanghebbende al had. Bijvoorbeeld vervanging van een kapotte auto of brandschade in huis. Het kunnen reeds gemaakt kosten zijn of kosten die nog gemaakt moeten worden.
Bij immateriële schadevergoeding, ook wel smartengeld genoemd, gaat het om een vergoeding voor gederfde levensvreugde. Deze vergoeding is bedoeld voor geleden of zelfs voortdurende emotionele schade (zoals bij blijvende letselschade), waarvan de hoogte door een rechter of schadeverzekeraar is bepaald. Binnen de bijstandsuitkering moet worden gekeken naar de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Is de vergoeding exorbitant hoog, of heeft deze een loondervend karakter, dan kan dat deel wel als middel in aanmerking worden genomen. Voor het gedeelte van de immateriële schadevergoeding dat door de gemeente wordt vrijgelaten, is het aan de belanghebbende om te bepalen waar de vrijgelaten immateriële schadevergoeding voor wordt gebruikt. Invulling geven aan het hervinden van levensvreugde is immers een persoonlijke kwestie.
Het is de verantwoordelijkheid van belanghebbende om documenten aan te leveren waaruit blijkt op welke grond aan hem een schadevergoeding is toegekend. Dit kan bijvoorbeeld een besluit van een verzekeringsmaatschappij of rechtbank zijn. De bewijslast ligt bij de belanghebbende zelf; hij/zij zal zelf de schade aannemelijk moeten maken.
Eerste lid: wanneer er sprake is van ontvangst van een materiele schadevergoeding door belanghebbende, zal beoordeeld moeten worden of de vergoeding is gebruikt voor het wegnemen van de schade. Indien dit niet (helemaal) het geval is, wordt het deel dat niet is aangewend om de geleden schade weg te nemen als vermogen in aanmerking genomen. Hierbij moet rekening worden gehouden met eventuele kosten die in de toekomst nog gemaakt moeten worden, zoals fysiotherapie. Indien hier sprake van is kan de vergoeding niet als vermogen worden aangemerkt.
Tweede lid: door tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid kan iemand zijn baan verliezen. Het gevolg zal in veel gevallen zijn dat het inkomen van iemand voor een bepaalde periode, of zelfs helemaal, wegvalt. Een vergoeding voor loonderving is bestemd voor de kosten van levensonderhoud en wordt daarom beschouwd als inkomen binnen de bijstand.
Het proces van afhandelen van de schade kan lange tijd duren. De uiteindelijk toegekende schadevergoeding kan dan ook over een periode gaan die in het verleden ligt. Er zal daarom beoordeeld moeten worden op welke periode de vergoeding precies betrekking heeft. Het bedrag van de toegekende schadevergoeding wordt vervolgens gedeeld door het aantal maanden waarop deze vergoeding betrekking heeft en maandelijks gekort als inkomen. In de meeste gevallen gaat het om één bedrag, waarbij het bedrag per maand niet duidelijk is. De belanghebbende zal moeten aantonen om welk verlies van arbeidsvermogen het gaat. Dit kan bijvoorbeeld doormiddel van salarisspecificaties of jaaropgaven, maar ook door een overzicht van de nog te lijden schade opgemaakt door een letstelschadespecialist.
Derde lid: wanneer er een immateriële schadevergoeding wordt toegekend, gaat het meestal om een zeer ernstige situatie. Het college wil terughoudend zijn met de invloed ervan op het bijstandsrecht. In een dergelijke situatie heeft de belanghebbende het recht om gecompenseerd te worden voor de geleden schade, zonder dat dit direct van invloed is op het recht op bijstand. Immateriële schadevergoedingen worden daarom niet volledig als vermogen aangemerkt. Aan de andere kant kan deze vrijlating niet onbegrensd zijn. Een bedrag ter hoogte van het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande (artikel 34, lid 3, onder a van de Participatiewet) wordt gezien als verantwoord.
Vierde lid: wanneer de immateriële schadevergoeding hoger is, dan wordt 2/3 deel van het bedrag dat de vermogensgrens overschrijdt in aanmerking genomen als vermogen als dit op basis van de persoonlijke omstandigheden redelijk is. De eerste vrijlating ter hoogte van het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande geldt dus ook bij hogere immateriële schadevergoedingen.
We volgen hiervoor de meest recente jurisprudentie uit ECLI:NL:CRVB:2023:909:
Een vergoeding voor immateriële schade voor blijvende letstelschade is in beginsel bedoeld voor het resterende deel van het leven van de betrokkene om steeds tegemoet te komen aan de gevolgen van het blijvende letsel. Daarom moet dat bedrag ook toegerekend worden aan die periode. Voor de vraag of (een deel van) de ontvangen immateriële schadevergoeding vanuit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord uitgezonderd kan worden van de middelen moet daarom worden uitgegaan van het ontvangen bedrag aan immateriële schadevergoeding gedeeld door het aantal jaren en maanden waarin een betrokkene naar verwachting te leven heeft. Dit bedrag per maand is bepalend voor de vraag of het uitzonderen van de middelen van de ontvangen immateriële schadevergoeding vanuit een oogpunt van bijstandsverlening al dan niet verantwoord is.
In de genoemde gerechtelijke uitspraak was sprake van een vrijlating van € 125 per maand: ten tijde van het letsel circa 10% van de bijstandsnorm, wat door de CRvB als een beperkte hoogte werd aangeduid. Het college kiest voor een percentage van 15 % van de bijstandsnorm zodat de gewenste terughoudendheid ten opzichte van het bijstandsrecht geborgd blijft.
Als deze beleidsregel voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, kan hiervan afgeweken worden (zie ook algemene toelichting).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-559024.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.