Beleidsregels Vermogen Participatiewet ’s-Hertogenbosch 2026

Omgaan met vermogensbestanddelen en vermogensvaststelling binnen de bijstand.

 

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch,

In zijn vergadering van 9 december 2025,

Gezien het voorstel met reg.nr. 18591009,

Gelet op

  • Participatiewet, art. 31;

  • Participatiewet, art. 34;

  • Overwegende dat het noodzakelijk is regels vast te stellen voor de verdere invulling van het vermogensbegrip

 

Besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:

 

Beleidsregels Vermogen Participatiewet ’s-Hertogenbosch 2026

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: de Participatiewet met inbegrip van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz);

  • b.

    vrij te laten vermogen: vermogen tot aan de vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34, lid 3 van de wet;

  • c.

    vermogen: het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet.

 

Hoofdstuk 2. Criteria voor het vaststellen van vermogen

 

 

Artikel 2. Vaststellen van het vermogen

De peildatum voor de vermogensvaststelling bij aanvang van de bijstandsverlening, is de datum waarop het recht op bijstand voor de belanghebbende is ontstaan.

 

Artikel 3. Bestanddelen vermogen

  • 1.

    Bij de vermogensvaststelling wordt anderhalf keer de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag) op het totale vermogen vrijgelaten.

  • 2.

    Op geld waardeerbare bezittingen met een persoonlijke waarde worden in beginsel niet als vermogen aangemerkt. In bijzondere gevallen kan hierbij het individualiseringsprincipe worden toegepast.

 

Artikel 4. Vrijlating voertuigen

  • 1.

    Eén voertuig met een waarde tot maximaal € 7.500,- wordt beschouwd als algemeen gebruikelijk bezit en telt niet mee als vermogensbestanddeel. Indien de waarde meer bedraagt dan € 7.500,- , wordt het meerdere aangemerkt als vermogen. Als het een elektrisch of hybride voertuig betreft, telt maximaal € 9.000-, niet mee als vermogensbestanddeel. Indien de waarde meer bedraagt dan € 9.000-, wordt het meerdere aangemerkt als vermogende waarde van de elektrische of hybride voertuig volledig aangemerkt als vermogen.

  • 2.

    Caravans en boten worden niet als algemeen gebruikelijk beschouwd en worden volledig aangemerkt als vermogen.

 

Artikel 5. Vermogensvaststelling bij vestiging vanuit een andere gemeente

Bij vestiging vanuit een andere gemeente wordt het vermogen niet opnieuw beoordeeld tenzij de situatie daar om vraagt.

 

Artikel 6. Vermogensvaststelling bij echtscheiding en verlating

Als er sprake is van een echtscheiding of verlating met een boedelscheiding, wordt het vermogen na afronding van de boedelscheiding vastgesteld.

 

Artikel 7. Vermogensvaststelling bij co-ouderschap

  • 1.

    Wanneer er sprake is van co-ouderschap wordt de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3, sub a en sub b van de wet naar rato berekend op basis van het aantal dagen dat de co-ouder de zorg heeft voor het kind.

  • 2.

    Wanneer er sprake is van co-ouderschap, worden de vermogensbestanddelen van het kind naar rato tot het vermogen van de co-ouder gerekend, berekend op basis van het aantal dagen dat de co-ouder de zorg heeft voor het kind.

 

Artikel 8. Vermogensvaststelling bij wijziging leefvorm

Bij een wijziging van de leefvorm tijdens de bijstandsverlening wordt het vermogen opnieuw vastgesteld. De hoogte van de vermogensgrens is gelijk aan de actuele vermogensgrens die geldt voor de nieuwe leefvorm van belanghebbende(n).

 

Artikel 9. Vermogensvaststelling bij reservering voor uitvaartkosten

Gereserveerd vermogen dat bestemd is voor begrafenis- of crematiekosten, wordt vrijgelaten op de vermogensvaststelling, als er geen (dekkende) uitvaartverzekering is afgesloten. Het vastgelegde bedrag, inclusief de waarde van de al afgesloten uitvaartverzekeringen, mag niet hoger zijn dan het vastgestelde bedrag van de actuele prijsgegevens van het Nibud.

 

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

 

 

Artikel 10. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2026.

 

Artikel 11. Citeerartikel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ‘Beleidsregels vermogen’.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch op 9 december 2025.

Het college voornoemd,

De secretaris,

Drs. B. van der Ploeg

De burgemeester,

Drs. J.M.L.N. Mikkers

Toelichting Beleidsregels vermogen uitkering

ALGEMENE TOELICHTING

Wanneer middelen voor mensen ontbreken om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien, behoort een bijstandsuitkering tot de mogelijkheden. De wet regelt dan hoeveel vermogen iemand mag hebben om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering: de vermogensgrens. De wet voorziet ook in enkele vrijgestelde bedragen wat betreft de vermogensvaststelling. Daarnaast kan het college verdere regels opstellen omtrent de vermogensvaststelling. Met deze beleidsregels geeft het college aan op welke wijze er met vermogen(vaststelling) moet worden omgegaan.

Wanneer in deze beleidsregels gesproken wordt over vermogen, wordt hiermee bedoeld de vermogensbestanddelen van de belanghebbende en de personen die tot zijn gezin behoren (de partner en eventuele ten laste komende kinderen).

 

Binnen het Programma Participatiewet in Balans is het doel de bijstandswetgeving te vereenvoudigen en begrijpelijker te maken voor de inwoner. Aanpassing in de vermogenstoets is daar onderdeel van. Bij elke situatie weegt het college de noodzakelijkheid van het opvragen van bewijsstukken voor de vaststelling van het vermogen en het recht op bijstand.

 

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

 

Artikel 2. Vaststellen van het vermogen

Het opnieuw berekenen van het vermogen bij iedere (lichte) vermogenstoename is arbeidsintensief met relatief hoge uitvoeringskosten. Daarbij komt dat lang niet elke vermogenstoename rechtsgevolgen voor de belanghebbende heeft. Een veel voorkomend voorbeeld hierbij is de eenmalige afkoop van pensioen.

Wanneer er sprake is van vermogenstoename die binnen de grens van het maximaal vrij te laten vermogen blijft, heeft dit geen rechtsgevolgen voor de belanghebbende. In dergelijke situaties staan de inspanningen van het opnieuw berekenen van het vermogen niet in verhouding tot het resultaat. De uitkering kan in dergelijke situaties ongewijzigd worden voortgezet zonder dat een nieuwe specifieke vermogensvaststelling heeft plaatsgevonden.

 

Opgemerkt moet worden dat slechts bij een beperkt deel van de bijstandspopulatie sprake is van enige vorm van vermogen (< 30 %). Voor het grootste deel van de bijstandspopulatie geldt dus dat sprake moet zijn van een aanzienlijke toename voordat bijstandsrechtelijke consequenties zouden kunnen gaan spelen.

 

Vermogenstoename boven de vermogensgrens

Wanneer er sprake is van vermogenstoenames groter dan € 5.000,-, bestaat de kans dat de vermogensgrenzen van de bijstand worden overschreden. Bij dergelijke grote vermogenstoenames is wenselijk onderzoek naar het feitelijke vermogen te doen en daarmee de toets of nog recht op bijstand bestaat. Bij afronding van het onderzoek is van belang de inwoner te informeren over de mogelijke consequenties van dergelijk grote vermogenstoenames en het adviseren op maat over het melden van eventuele volgende vermogenstoenames om latere herbeoordeling en terugvordering van bijstand te voorkomen.

 

Aan bovenstaande dient toegevoegd te worden dat de bovengenoemde werkwijze vaak niet van toepassing zal zijn, wanneer er sprake is van vermogenstoename in het verleden (zoals in geval van ontvangst van een erfenis). Daarnaast wordt voor ontvangst van giften en schadevergoedingen verwezen naar de ‘beleidsregels giften en schadevergoedingen Participatiewet ’s-Hertogenbosch 2026’.

 

Artikel 3. Bestanddelen vermogen

Het vermogen is de som van de waarde van de bezittingen waar de op dat moment redelijkerwijs over kan worden beschikt, verminderd met de aanwezige schulden. Daarbij kan gedacht worden aan de volgende vermogensbestanddelen:

  • Saldi spaar- en betaalrekeningen

  • Saldi afkoopwaarde (levens)verzekeringen

  • De beurswaarde van aandelen, effecten en cryptomunten

  • De (particuliere) verkoopwaarde van een auto, motor en/of boot

  • Overige op geld waardeerbare bezittingen

  • Opeisbare schulden met een aantoonbare aflossingsverplichting. Een schuld kan in mindering gebracht worden op het vermogen als deze wordt aangetoond met schriftelijke bewijsstukken en er daadwerkelijk een verplichting tot terugbetaling is. Een studieschuld op grond van de Wet Studiefinanciering (WSF) kent vaak een uitgestelde betalingsverplichting. Indien hier sprake van is, wordt deze niet in de vermogensberekening meegenomen. In geval van een directe terugbetalingsverplichting via een deurwaarder wordt de studieschuld wel meegerekend.

Merk daarbij op dat deze opsomming niet limitatief is.

 

Eventuele vermogen van de belanghebbende dat gebonden is in de koopwoning, is nadrukkelijk géén onderdeel van de vermogensvaststelling zoals bedoeld in deze beleidsregels. In artikel 50 en artikel 34, lid 2 van de wet is aangegeven hoe hiermee om moet worden gegaan.

 

Lid 1: bij de vaststelling van het vermogen dient rekening gehouden te worden met een deel van het vermogen dat is bedoeld voor het levensonderhoud van de lopende maand. Dit gedeelte is bedoeld ter overbrugging. Bij zowel de aanvraag van de bijstandsuitkering als bij eventuele heronderzoeken wordt daarom het bedrag van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld) op het totale vermogen vrijgelaten.

 

Lid 2: van vermogensbestanddelen met een emotionele en persoonlijke waarde kan gesteld worden dat het voor de belanghebbende niet wenselijk is om deze te gelde te maken. In beginsel worden deze dan ook niet als vermogen aangemerkt. Hierbij dient opgemerkt te worden dat deze beleidsregels slechts handvatten zijn om tot een redelijke afweging te komen wat wel en wat niet verantwoord is in het kader van (verdere) bijstandsverlening. In bijzondere gevallen kan hiervan af worden geweken en het individualiseringsprincipe worden toegepast. Dit zal altijd een vorm van maatwerk zijn, waarbij elke situatie afzonderlijk beoordeeld moet worden

 

Artikel 4. Vrijlating voertuigen

Lid 1: Belanghebbende wordt geacht arbeid te accepteren over een afstand met een totale reisduur van maximaal 3 uur per dag. Het is dan ook redelijk om in lijn hiervan een auto of motor als algemeen gebruikelijk te beschouwen.

 

Er wordt geen grens van het bouwjaar van de auto gehanteerd. Dit is enkel verwarrend bij oudere auto’s die een relatief hoge waarde hebben. Het hanteren van alleen een bedrag is afdoende. Bij de vaststelling van de waarde van de auto dient gebruik gemaakt te worden van de onafhankelijke autokoerslijsten van de ANWB (www.anwb.nl/auto/koerslijst) of Independer (www.independer.nl). Daarbij dient de waarde van ‘verkoop tussen particulieren’ te worden gehanteerd. Auto’s ouder dan 15 jaar kunnen niet middels deze koerslijst worden opgezocht.

 

Het college maakt van haar bevoegdheid gebruik om één voertuig tot een maximumbedrag van € 7.500,00, vrij te laten van de vermogensvaststelling.

Als er sprake is van een exclusief model of oldtimer, dan dient de waarde door de belanghebbende aangetoond te worden doormiddel van bijvoorbeeld een actueel taxatierapport van een dealer.

 

Elektrische of hybride auto’s

Als gevolg van het duurzaamheidsbeleid van de regering zijn de prijzen van elektrische en hybride auto’s enigszins gedaald. Daarom bestaat er een geringe kans dat een bijstandsgerechtigde over een elektrische of hybride auto beschikt.

Een elektrische of hybride auto is duurder in aanschaf dan een vergelijkbaar model op benzine of diesel. Echter, een elektrische of hybride auto is duurzamer dan de overige auto’s. Daarom hanteren we een waarde van € 9.000,00 voor de elektrische/hybride auto’s. Bedraagt de waarde van een auto meer dan € 9.000,00 dan dient het meerdere te worden betrokken bij de vaststelling van het vermogen.

 

Indien de belanghebbende meer dan één auto of motor op zijn naam heeft staan, geldt voor de overige vervoermiddelen niet de vrijlating van genoemde bedragen. De vrijlating is van toepassing op het voertuig die de belanghebbende het langst in zijn/haar bezit heeft.

 

Auto op medische redenen

In sommige gevallen kan het bezit van een auto om medische redenen noodzakelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan een autobus in verband met een gehandicapt familielid. Wellicht dat in dergelijke gevallen de auto dan ook is aangepast. In deze situaties dient de waarde van de auto niet als vermogen te worden beschouwd. Er is in ieder geval sprake van een medische noodzaak als op grond van een Wmo-beschikking (Wet maatschappelijke ondersteuning) is vastgesteld dat de auto noodzakelijk is.

Indien er sprake is van een dergelijke situatie, dienen belanghebbenden dit zelf aan te geven. Het is ook de verantwoordelijkheid van de belanghebbende zelf om hier bewijsstukken, zoals een Wmo-beschikking, over aan te leveren.

 

Lid 2: Voor het vaststellen van de waarde van caravans kan gebruik worden gemaakt van de website www.caravans-verkopen.nl. Voor het vaststellen van de waarde van motoren kan gebruik worden gemaakt van een actueel taxatierapport van een dealer of van overige verkoopsites.

 

Artikel 5. Vermogensvaststelling bij vestiging vanuit een andere gemeente

Bij belanghebbenden die direct voorafgaand aan hun verhuizing naar de gemeente ’s-Hertogenbosch een bijstandsuitkering in een andere gemeente genoten, wordt het vermogen niet opnieuw onderzocht en vastgesteld.

De huidige zienswijze is dat bij overname van een belanghebbende uit een andere gemeente de bijstand in theorie ‘doorloopt’, waardoor niet opnieuw een vermogensvaststelling hoeft plaats te vinden. In het kader van de vereenvoudiging van de vermogenstoets en de aanvraagprocedure binnen het Programma Participatiewet in Balans is niet wenselijk dat het college gebruik maakt van haar bevoegdheid om bij elke nieuwe bijstandsaanvraag het vermogen te onderzoeken en vast te stellen. Zo wordt de procedure eenvoudiger en de bijstandsaanvrager ontlast. Enkel wanneer de situatie er om vraagt, zoals met de verhuizing een nieuwe gezinssamenstelling ontstaat (alleenstaand (ouder) naar gehuwd en vice versa), bestaat noodzaak om het vermogen opnieuw vast te stellen in het licht van de gewijzigde vermogensgrenzen voor deze persoon.

 

Voor aanvraag van enkel bijzondere bijstand verwachting dat sneller opnieuw moet worden gekeken i.v.m. grote verschillen tussen gehanteerde inkomensgrenzen bij gemeenten voor bijzondere bijstand.

 

Artikel 6. Vermogensvaststelling bij echtscheiding en verlating

Soms is definitieve vermogensvaststelling (nog) niet mogelijk. Dergelijke situaties kunnen zich voordoen bij echtscheiding en verlating. In deze gevallen moet worden afgeweken van de hoofdregel door het daadwerkelijke vermogen vast te stellen op het moment dat de boedelscheiding een feit is. Het vermogen wordt in dat geval voorlopig vastgesteld met de op dat moment bekende gegevens. In de beschikking moet opgenomen worden dat het vermogen na afwikkeling van de (boedel)scheiding wordt vastgesteld en dat bij overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens de teveel betaalde bijstand zal worden teruggevorderd. Middels een heronderzoek dient het vermogen dan op een later tijdstip definitief vastgesteld te worden.

 

Artikel 7. Vermogensvaststelling bij co-ouderschap

Ouders die niet (meer) bij elkaar wonen, kunnen afspreken om hun kind(eren) gezamenlijk te (blijven) verzorgen en opvoeden in de vorm van co-ouderschap. Het co-ouderschap moet door de rechter vastgesteld zijn of beide ouders moeten hierover duidelijke, schriftelijke afspraken hebben gemaakt en deze afspraken daadwerkelijk nakomen. Er is sprake van co-ouderschap als beide ouders in een regelmatige afwisseling de zorg voor het kind of de kinderen hebben voor ten minste drie etmalen per week. Bij co-ouderschap is de feitelijke situatie van het verblijf en de feitelijke verzorging doorslaggevend. Niet van belang is welke ouder de kinderbijslag ontvangt.

Wanneer het kind of de kinderen incidenteel en voor een korte periode bij de andere ouder verblijven (bijvoorbeeld voor vakantie), kan dit niet worden beschouwd als co-ouderschap. Als het kind of de kinderen minder dan drie dagen per week bij één van de ouders verblijven, dan wordt dit niet beschouwd als co-ouderschap, maar als een verblijf in het kader van een gebruikelijke omgangsregeling.

 

Lid 1: het college hanteert bij het vaststellen van de vermogensgrens bij co-ouders de volgende regel: de vermogensgrens voor een co-ouder wordt naar rato vastgesteld op basis van het aantal dagen dat die ouder de zorg heeft voor het kind.

 

Voorbeeld: het kind van de belanghebbende verblijft drie dagen bij hem/haar. Wat betreft het vermogen is de belanghebbende drie dagen alleenstaande ouder en vier dagen een alleenstaande. 3/7 vermogensgrens alleenstaande norm + 4/7 vermogensgrens alleenstaande ouder = de vermogensgrens voor de specifieke co-ouder.

 

Lid 2: Om te berekenen welk vermogensdeel van het kind bij de vaststelling van het vermogen van de co-ouder meegenomen dient te worden, kan gebruik worden gemaakt van dezelfde systematiek.

 

Voorbeeld: het kind heeft een spaarrekening met een positief saldo van € 1.000,00. Het vermogen van het kind telt dan voor 3/7 deel mee: 3/7 * € 1.000,00 = € 300,00.

 

Artikel 8. Vermogensvaststelling bij wijziging leefvorm

Een wijziging in de leefvorm kan gepaard gaan met een wijziging van de vermogensgrens. Bij een wijziging van de leefvorm is echter niet wettelijk bepaald hoe om te gaan met de vaststelling van het vermogen en de vermogensgrens. In dergelijke situaties dient daarom een nieuwe vermogensvaststelling plaats te vinden, waarbij de vermogensgrens van de nieuwe leefvorm van de belanghebbende van toepassing is. Daarbij dienen onredelijke situaties te worden voorkomen. Het uitgangspunt is de stelregel ‘eens vrijgelaten, blijft vrijgelaten’ (zolang de bijstand doorloopt).

 

Artikel 9. Vermogensvaststelling bij reservering voor uitvaartkosten

Wanneer men verzekerd is voor uitvaartkosten is het normaal gesproken niet mogelijk de uitvaartpolis vóór de datum van overlijden te gelde te maken. Aangezien de belanghebbende redelijkerwijs niet over het vermogen kan beschikken dat in de polis is opgebouwd, kan het verzekerde bedrag niet in de vermogensvaststelling worden meegenomen.

Als de belanghebbende niet of onderverzekerd is voor de kosten van een uitvaart, kan hij/zij hier wel voor sparen. Het is niet in lijn met bovenstaande om in dergelijke situaties het gespaarde bedrag (geheel) in de vermogensvaststelling mee te nemen. Het college maakt daarom van haar bevoegdheid gebruik om in dit geval bij de vermogensvaststelling een vrijlating toe te passen.

Vermogen bestemd voor begrafenis- of crematiekosten wordt vrijgelaten, mits het vermogen uitdrukkelijk de bestemming heeft voor uitvaartkosten. Daarnaast mag het vastgelegde bedrag, inclusief de waarde van de al afgesloten uitvaartverzekering, niet hoger zijn dan de actuele prijsgegevens van het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) voor een gemiddelde uitvaart. Voorwaarde is wel dat er bewijsstukken aangeleverd dienen te worden waaruit blijkt dat de gereserveerde middelen alleen kunnen worden gebruikt voor uitvaartkosten. Dit kan bijvoorbeeld een speciale (deposito) rekening of koopsompolis zijn. In dergelijke situaties mag het betreffende vermogen niet zijn vastgelegd op een moment dat de verwachting was dat er een beroep op bijstand moest worden gedaan.

 

Artikel 10 en 11

Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.

 

Naar boven