|
Artikel 3 Bestanddelen van het vermogen
Artikel 3 van de beleidsregels geeft aan welke positieve bestanddelen bij het vaststellen van het vermogen worden betrokken. Voor wat betreft de giro- of bankrekeningen, de spraar- en depositorekeningen en de waarde van de aandelen of effecten gaat het erom dat de meest recente gegevens bij het vaststellen van het vermogen worden betrokken. De belanghebbende dient bewijsstukken te overleggen.
De vermogensbestanddelen auto, caravan, boot sieraden en overige op geld waardeerbare bestanddelen verdienen speciale aandacht. Deze beleidsregels bevatten voorschriften met betrekking tot de manier waarop de waarde van een auto in het economisch verkeer wordt vastgesteld. Voor wat betreft de overige vermogensbestanddelen geldt dat de lezing van de belanghebbende zelf een belangrijk middel is om de waarde vast te stellen. Soms kunnen taxatierapporten (bijvoorbeeld ten aanzien van sieraden of schilderijen) een indicatie vormen voor de waarde in het economisch verkeer. Het college betreft niet zonder meer alle vermogensbestanddelen bij de vaststelling van het vermogen. Het kan voorkomen dat bepaalde bestanddelen voor de belanghebbende een zodanige emotionele waarde hebben dat niet gevergd kan worden dat die te gelde gemaakt moeten worden of in de vermogensvaststelling betrokken worden.
|
Artikel 3 Bestanddelen van het vermogen
Artikel 3 van de beleidsregels geeft aan welke positieve bestanddelen bij het vaststellen van het vermogen worden betrokken. Voor wat betreft de giro- of bankrekeningen, de spaar- en depositorekeningen en de waarde van de aandelen of effecten gaat het erom dat de meest recente gegevens bij het vaststellen van het vermogen worden betrokken. De belanghebbende dient bewijsstukken te overleggen.
De vermogensbestanddelen auto, caravan, boot, sieraden en overige op geld waardeerbare bestanddelen verdienen speciale aandacht. Deze beleidsregels bevatten voorschriften met betrekking tot de manier waarop de waarde van een auto in het economisch verkeer wordt vastgesteld. Voor wat betreft de overige vermogensbestanddelen geldt dat de lezing van de belanghebbende zelf een belangrijk middel is om de waarde vast te stellen. Soms kunnen taxatierapporten (bijvoorbeeld ten aanzien van sieraden of schilderijen) een indicatie vormen voor de waarde in het economisch verkeer. Het college betrekt niet zonder meer alle vermogensbestanddelen bij de vaststelling van het vermogen. Het kan voorkomen dat bepaalde bestanddelen voor de belanghebbende een zodanige emotionele waarde hebben dat niet gevergd kan worden dat die te gelde gemaakt moeten worden of in de vermogensvaststelling betrokken worden.
|
|
Artikel 4 Op het vermogen in mindering te brengen bestanddelen
Artikel 4 van de beleidsregels schrijft voor welke zaken op de positieve bestanddelen in mindering mogen worden gebracht. Onderdeel a. geeft aan dat een bedrag ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan in mindering gebracht mag worden. Wanneer het recht op bijstandsverlening beoordeeld moet worden, staat dit recht niet altijd direct vast. De betaling van de bijstand vindt aan het eind van de maand plaats. De belanghebbende moet daarom een periode tot het moment van de eerste betaling van de bijstand overbruggen. Het is daarom redelijk om bij het vaststellen van het vermogen er rekening mee te houden dat de belanghebbende uit alle tot zijn beschikking staande middelen een deel gebruikt om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Het uitgangspunt is dat een bedrag ter grootte van de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet daarvoor bestemd wordt.
In onderdeel b. van artikel 4 van deze beleidsregels staat dat de rest som van de bij de aanvang van de bijstandsverlening aanwezige schulden ook op het vermogen in mindering gebracht wordt. Het college houdt daarbij wel rekening met de criteria die in artikel 2.2 van de beleidsregels genoemd worden.
|
Artikel 4 Op het vermogen in mindering te brengen bestanddelen
Artikel 4 van de beleidsregels schrijft voor welke zaken op de positieve bestanddelen in mindering mogen worden gebracht. Onderdeel a. geeft aan dat een bedrag ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan in mindering gebracht mag worden. Wanneer het recht op bijstandsverlening beoordeeld moet worden, staat dit recht niet altijd direct vast. De betaling van de bijstand vindt aan het eind van de maand plaats. De belanghebbende moet daarom een periode tot het moment van de eerste betaling van de bijstand overbruggen. Het is daarom redelijk om bij het vaststellen van het vermogen er rekening mee te houden dat de belanghebbende uit alle tot zijn beschikking staande middelen een deel gebruikt om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Het uitgangspunt is dat een bedrag ter grootte van de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet daarvoor bestemd wordt.
In onderdeel b. van artikel 4 van deze beleidsregels staat dat de rest som van de bij de bijstandsverlening aanwezige schulden ook op het vermogen in mindering gebracht wordt. Het college houdt daarbij wel rekening met de criteria die in artikel 2.2 van de beleidsregels genoemd worden.
|
|
Artikel 9 Vaststellen vermogen bij overgang vanuit de Wet investeren in jongeren
Wanneer een belanghebbende tot aan het bereiken van de 27-jarige leeftijd een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren heeft ontvangen, is bij de aanvang van die voorziening het vermogen al vastgesteld. Voor het vaststellen van het vermogen op grond van de Wet investeren in jongeren gelden dezelfde regels als voor het vaststellen van het vermogen op grond van de Participatiewet. Het is onredelijk om, alleen vanwege de beëindiging van de inkomensvoorziening en de overgang naar bijstandsverlening, het vermogen in al zijn facetten opnieuw vast te stellen. Artikel 9 van de beleidsregels regelt daarom, dat het vermogen wordt overgenomen, zoals dat bij de aanvang van de inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren is vastgesteld.
|
Artikel 9 Vervallen.
|
|
Artikel 12 Vaststellen vermogen personen van
65 jaar of ouder
met onvolledige AOW
In beginsel dient het college bij de beoordeling van het recht op bijstand een onderzoek te doen naar de noodzaak van de gevraagde bijstand, het inkomen van de belanghebbende en diens vermogen. Er is echter een groep belanghebbenden, bij wie het vermogensonderzoek feitelijk achterwege kan blijven. Het betreft belanghebbenden van 65 jaar of ouder die een verlaagde uitkering ontvangen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Dat is mogelijk wanneer deze belanghebbenden in de periode tussen hun 15e en 65e jaar een aantal jaren niet verzekerd zijn geweest voor de Algemene Ouderdomswet. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, wanneer zij in het buitenland hebben gewoond – en hun verzekering niet vrijwillig hebben voortgezet – of wanneer belanghebbenden vanuit het buitenland in Nederland zijn komen wonen. In Nederland wonende verzekerden bouwen in 50 jaar een volledig recht op AOW-uitkering op. Voor elk jaar dat zij tussen hun 15 en 65e jaar niet verzekerd zijn geweest, vindt op de uiteindelijke AOW-uitkering een korting van 2% plaats.
Belanghebbenden met een onvolledige of verlaagde uitkering op grond van de AOW ontvingen tot 1 juli 2008 zo nodig een aanvullende bijstandsuitkering voor hun levensonderhoud. Vooruitlopend op een wettelijke regeling die op 1 januari 2009 van kracht is geworden, heeft het college van Leidschendam-Voorburg de beoordeling van het recht op deze aanvullende bijstandsuitkering overgedragen aan de Sociale Verzekeringsbank te Leiden. Vanaf 1 januari 2009 is wettelijk geregeld, dat de Sociale Verzekeringsbank bij de beoordeling van het recht op een AOW-uitkering ook een onderzoek doet naar het recht op een eventuele aanvullende inkomensvoorziening als blijkt dat belanghebbende niet recht heeft op een volledige AOW-uitkering.
Bij de beoordeling van het recht op die aanvullende inkomensvoorziening voert de Sociale Verzekeringsbank ook een vermogensonderzoek uit. Daarbij gebruikt de SVB dezelfde criteria als de gemeente doet bij een vermogensonderzoek. Wanneer bij een onderzoek naar aanleiding van een bijstandsaanvraag van een belanghebbende van 65 jaar of ouder met een verlaagde AOW-uitkering blijkt dat deze een aanvullende inkomensvoorziening ontvangt, kan het college aannemen dat de Sociale Verzekeringsbank bij zijn onderzoek tot de conclusie is gekomen dat de belanghebbende geen vermogen heeft of dat dit binnen de vrijlatingsgrenzen van artikel 34 van de Participatiewet blijft. Het heeft dan geen belang dat het college zelf alsnog een onderzoek naar het vermogen doet. Artikel 12 van deze beleidsregels bepaalt daarom dat in dergelijke gevallen een vermogensonderzoek achterwege blijft. Het heeft – onder meer vanuit een oogpunt van administratieve lastenvermindering voor de overheid en de burger – geen toegevoegde waarde om bij de Sociale Verzekeringsbank in Leiden de beschikkingen betreffende een belanghebbende op te vragen. Zo nodig heeft het college de mogelijkheid om via Suwinet gegevens van een belanghebbende te verifiëren.
|
Artikel 12 Vaststellen vermogen personen van pensioengerechtigde leeftijd met onvolledige AOW
In beginsel dient het college bij de beoordeling van het recht op bijstand een onderzoek te doen naar de noodzaak van de gevraagde bijstand, het inkomen van de belanghebbende en diens vermogen. Er is echter een groep belanghebbenden, bij wie het vermogensonderzoek feitelijk achterwege kan blijven. Het betreft belanghebbenden van pensioengerechtigde leeftijd die een verlaagde uitkering ontvangen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Dat is mogelijk wanneer deze belanghebbenden in de periode tussen hun 15e jaar en de pensioengerechtigde leeftijd een aantal jaren niet verzekerd zijn geweest voor de Algemene Ouderdomswet. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, wanneer zij in het buitenland hebben gewoond – en hun verzekering niet vrijwillig hebben voortgezet – of wanneer belanghebbenden vanuit het buitenland in Nederland zijn komen wonen. In Nederland wonende verzekerden bouwen in 50 jaar een volledig recht op AOW-uitkering op. Voor elk jaar dat zij tussen hun 15e jaar en pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd zijn geweest, vindt op de uiteindelijke AOW-uitkering een korting van 2% plaats.
Bij de beoordeling van het recht op die aanvullende inkomensvoorziening voert de Sociale Verzekeringsbank ook een vermogensonderzoek uit. Daarbij gebruikt de SVB dezelfde criteria als de gemeente doet bij een vermogensonderzoek. Wanneer bij een onderzoek naar aanleiding van een bijstandsaanvraag van een belanghebbende van pensioengerechtigde leeftijd met een verlaagde AOW-uitkering blijkt dat deze een aanvullende inkomensvoorziening ontvangt, kan het college aannemen dat de Sociale Verzekeringsbank bij zijn onderzoek tot de conclusie is gekomen dat de belanghebbende geen vermogen heeft of dat dit binnen de vrijlatingsgrenzen van artikel 34 van de Participatiewet blijft. Het heeft dan geen belang dat het college zelf alsnog een onderzoek naar het vermogen doet. Artikel 12 van deze beleidsregels bepaalt daarom dat in dergelijke gevallen een vermogensonderzoek achterwege blijft. Het heeft – onder meer vanuit een oogpunt van administratieve lastenvermindering voor de overheid en de burger – geen toegevoegde waarde om bij de Sociale Verzekeringsbank in Leiden de beschikkingen betreffende een belanghebbende op te vragen. Zo nodig heeft het college de mogelijkheid om via Suwinet gegevens van een belanghebbende te verifiëren.
|
|
Artikel 13 Bijstand onder zekerheidstelling van hypotheekrecht en pandrecht
De Algemene bijstandswet stelde tot en met 31 december 2003 dat bij de vestrekking van leenbijstand in verband met vermogen in de eigen woning als zekerheid voor de terugbetaling van de lening een krediethypotheek gevestigd diende te worden. Bij de invoering van de Participatiewet op 1 januari 2004 is de gemeente volledig financieel
verantwoordelijk geworden voor de verstrekte bijstandsgelden. In die wet zijn daarover geen verplichtingen meer opgenomen. Wel moet op grond van artikel 50 van die wet de algemene bijstand bij overschrijding van het vrij te laten vermogen in de woning in de vorm van een geldlening worden verstrekt. Dit mits de totale bijstand over een heel jaar meer bedraagt dan eenmaal het minimumloon (gezinsnorm).
Het college is bevoegd om aan de bijstandsverlening de voorwaarde van zekerheidstelling voor de belanghebbende te verbinden. Deze zekerheidstelling beperkt zich niet tot een krediethypotheek. Bij woonschepen of woonwagens kan het gaan om een ‘stil pand’. Om de terugbetaling van de bijstand te waarborgen regelt artikel 48, derde lid, van de Participatiewet dat bijstand aan eigenwoningbezitters, eigenaars van woonwagens en woonschepen onder zekerheidstelling van een hypotheek of pandovereenkomst geschiedt. Gelet op de (hoge) kosten om een hypotheek te kunnen vestigen, is in artikel 11.2 van de beleidsregels geregeld dat, indien de overwaarde van de woning minder bedraagt dan € 2.500,-, de bijstand verleend wordt onder zekerheidstelling van een pandovereenkomst.
Het verschil tussen hypotheek en pandrecht
Hypotheek en pandrecht zijn beide zekerheidstellingen.
De gemeente heeft bij beide rechten het recht van parate executie als de schuldenaar zijn verplichtingen niet nakomt. Een hypotheekrecht kan alleen gevestigd worden op registergoederen. Een woonhuis is altijd een registergoed.
Voor woonschepen ligt dat anders. Een woonschip kan op grond van artikel 8:790, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek ingeschreven worden in het kadaster. Voor woonschepen met een laadvermogen van 20 ton of meer en binnenschepen met een waterverplaatsing van meer dan 10 kubieke meter is registratie verplicht. Een woonschip voldoet bijna nooit aan deze eisen. Voor woonwagens geldt dat deze niet geregistreerd kunnen worden in het kadaster. Het vestigen van een pandrecht is dan de enige optie.
Het hypotheekrecht geeft een veel grotere zekerheid dan het pandrecht. Hypotheekrecht wordt gevestigd door inschrijving van de notariële akte bij het kadaster. Aan vervreemding of belening van het registergoed komt iedere keer weer een notaris te pas. Deze moet de kadastrale registers raadplegen. Een pandrecht wordt geregistreerd bij de Inspectie Registratie en Successie van de
Belastingdienst of bij een notaris. Een probleem bij het pandrecht is dat deze registers niet openbaar zijn. De kenbaarheid voor derden is daardoor beperkt. Het kan dan ook gebeuren dat een zaak waarop pandrecht rust, wordt verkocht zonder dat de koper bekend was met het pandrecht. Bij een registergoed is dat onmogelijk.
|
Artikel 13 Bijstand onder zekerheidstelling van hypotheekrecht
Op grond van artikel 50 van de Participatiewet moet de algemene bijstand bij overschrijding van het vrij te laten vermogen in de woning in de vorm van een geldlening worden verstrekt. Dit, mits de totale bijstand over een heel jaar meer bedraagt dan eenmaal het minimumloon (gezinsnorm).
Het college is bevoegd om aan de bijstandsverlening de voorwaarde van zekerheidstelling voor de belanghebbende te verbinden. Deze zekerheidstelling beperkt zich niet tot een krediethypotheek. Bij woonschepen of woonwagens kan het gaan om een ‘stil pand’. Om de terugbetaling van de bijstand te waarborgen regelt artikel 48, derde lid, van de Participatiewet dat bijstand aan eigenwoningbezitters, eigenaars van woonwagens en woonschepen onder zekerheidstelling van een hypotheek geschiedt.
|
|
Artikel 14 Bijstand voor vestigingskosten
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
|
Artikel 14 Vervallen
|
|
Artikel 15 Waardebepaling en taxatie
Wanneer er sprake is van een door de belanghebbende in eigendom bewoonde woning, stuit tegeldemaking van de overwaarde (het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en het saldo van de hypothecaire geldlenig(en)) vaak op problemen. Bij een aanvraag voor een geldlening zullen kredietverstrekkende instanties op grond van het inkomen bepalen welk bedrag geleend kan worden. Juist het gebrek aan inkomen noopt tot het aanvragen van de lening. Bij de andere mogelijkheid, verkoop van de woning, komt iemand zonder huisvesting te zitten.
Primair moet beoordeeld worden of er naast een eventueel vermogen in de woning geen sprake is van andere bezittingen die een waarde hebben die de vermogensgrenzen van artikel 34 van de Participatiewet overschrijden. Wanneer dat zich voordoet, heeft de belanghebbende geen recht op bijstand en zal het vermogen, anders dan in de woning, eerst gedaald moeten zijn tot beneden de vrijlatingsgrenzen. Vervolgens moet het vermogen in de woning worden vastgesteld. Dit vermogen betreft het verschil tussen de verkoopwaarde van de woning bij vrije oplevering (artikel 34 Participatiewet) en het saldo van de schuld – de (hypothecaire) geldlening – die erop rust. Het hoeft niet altijd te gaan om een hypothecaire geldlening, omdat hypotheken alleen gevestigd kunnen worden op registergoederen. Bij woonschepen en woonwagens gaat het om een andere soort geldlening.
De waarde van de woning wordt vastgesteld door een taxateur die is aangewezen door het college. Dit gebeurt met toestemming van de belanghebbende. Omdat de belanghebbende de gegevens over zijn vermogen moet overleggen, zijn de kosten die daaruit voortvloeien en alle bijkomende kosten die voortvloeien uit het vestigen van een hypotheek of pand voor zijn rekening. Als de belanghebbende een taxatie rapport van niet ouder dan zes maanden kan overleggen, blijft taxatie achterwege.
Onder de voorwaarde dat de waarde van de woning niet langer dan 1 jaar geleden in het kader van de WOZ is vastgesteld, kan de WOZ-waarde aangehouden worden voor het vaststellen van de waarde van de woning. In dat geval vindt dus geen taxatie van de woning plaats.
De kosten van het vestigen van een hypotheek- of stil pandrecht, evenals de bijkomende kosten zijn voor rekening van de eigenaar. Dit zijn dan vervolgens voor de aanvrager uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke bestaanskosten. Wanneer hij deze niet uit eigen middelen kan bekostigen zal bijzondere bijstand verstrekt worden
|
Artikel 15 Waardebepaling en taxatie
Wanneer er sprake is van een door de belanghebbende in eigendom bewoonde woning, stuit tegeldemaking van de overwaarde (het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en het saldo van de hypothecaire geldlenig(en)) vaak op problemen. Bij een aanvraag voor een geldlening zullen kredietverstrekkende instanties op grond van het inkomen bepalen welk bedrag geleend kan worden. Juist het gebrek aan inkomen noopt tot het aanvragen van de lening. Bij de andere mogelijkheid, verkoop van de woning, komt iemand zonder huisvesting te zitten.
Primair moet beoordeeld worden of er naast een eventueel vermogen in de woning geen sprake is van andere bezittingen die een waarde hebben die de vermogensgrenzen van artikel 34 van de Participatiewet overschrijden. Wanneer dat zich voordoet, heeft de belanghebbende geen recht op bijstand en zal het vermogen, anders dan in de woning, eerst gedaald moeten zijn tot beneden de vrijlatingsgrenzen. Vervolgens moet het vermogen in de woning worden vastgesteld. Dit vermogen betreft het verschil tussen de verkoopwaarde van de woning bij vrije oplevering (artikel 34 Participatiewet) en het saldo van de schuld – de (hypothecaire) geldlening – die erop rust. Het hoeft niet altijd te gaan om een hypothecaire geldlening, omdat hypotheken alleen gevestigd kunnen worden op registergoederen. Bij woonschepen en woonwagens gaat het om een andere soort geldlening.
De waarde van de woning wordt vastgesteld door een taxateur die is aangewezen door het college. Dit gebeurt met toestemming van de belanghebbende. Omdat de belanghebbende de gegevens over zijn vermogen moet overleggen, zijn de kosten die daaruit voortvloeien en alle bijkomende kosten die voortvloeien uit het vestigen van een hypotheek of pand voor zijn rekening. Als de belanghebbende een taxatie rapport van niet ouder dan zes maanden kan overleggen, blijft taxatie achterwege.
Onder de voorwaarde dat de waarde van de woning niet langer dan 1 jaar geleden in het kader van de WOZ is vastgesteld, kan de WOZ-waarde aangehouden worden voor het vaststellen van de waarde van de woning. In dat geval vindt dus geen taxatie van de woning plaats.
De kosten van het vestigen van een hypotheekrecht, evenals de bijkomende kosten zijn voor rekening van de eigenaar. Dit zijn dan vervolgens voor de aanvrager uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke bestaanskosten.
|
|
Artikel 16 Medewerkingsverplichting
Indien het college besluit tot verlening van bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek of stil pandrecht, kan op grond van artikel 48 lid 3 van de wet aan de bijstand de verplichting verbonden worden om medewerking te verlenen aan het vestigen van die hypotheek of het stil pandrecht. In de praktijk zal het college vrijwel altijd een dergelijke verplichting aan de bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van stil pandrecht of hypotheek moeten verbinden. Dit houdt verband met het feit dat op grond van het BW de eigenaar van het onderpand de hypotheekakte of authentieke akte van pand bij de notaris moet ondertekenen. Zonder deze handeling van de eigenaar kan de gemeente geen hypotheek of stil pandrecht vestigen op zijn woning.
In lid 1 is geregeld dat belanghebbende de verplichting heeft om mee te werken aan het vestigen van een hypotheekrecht of stil pandrecht. Hiertoe dient de belanghebbende in de aanvraagfase een zogenaamde bereidverklaring te ondertekenen waarin de medewerking aan de vestiging van een krediethypotheek (of pandrecht) wordt verleend. Aangezien de notariskosten voor rekening komen van de klant, kan de notaris in principe door hem/haar worden gekozen. In de bereidverklaring kan de notaris van keuze worden genoemd.
In lid 2 is geregeld het niet verlenen van de medewerking als bedoeld in lid 1 tot gevolg heeft dat een aanvraag voor bijstand wordt afgewezen en dat verstrekte bijstand terstond opeisbaar is.
|
Artikel 16 Medewerkingsverplichting
Indien het college besluit tot verlening van bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek, kan op grond van artikel 48 lid 3 van de wet aan de bijstand de verplichting verbonden worden om medewerking te verlenen aan het vestigen van die hypotheek. In de praktijk zal het college vrijwel altijd een dergelijke verplichting aan de bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek moeten verbinden. Dit houdt verband met het feit dat op grond van het BW de eigenaar van het onderpand de hypotheekakte bij de notaris moet ondertekenen. Zonder deze handeling van de eigenaar kan de gemeente geen hypotheek vestigen op zijn woning.
In lid 1 is geregeld dat belanghebbende de verplichting heeft om mee te werken aan het vestigen van een hypotheekrecht. Hiertoe dient de belanghebbende in de aanvraagfase een zogenaamde bereidverklaring te ondertekenen waarin de medewerking aan de vestiging van een krediethypotheek wordt verleend. Aangezien de notariskosten voor rekening komen van de klant, kan de notaris in principe door hem/haar worden gekozen. In de bereidverklaring kan de notaris van keuze worden genoemd.
In lid 2 is geregeld het niet verlenen van de medewerking als bedoeld in lid 1 tot gevolg heeft dat een aanvraag voor bijstand wordt afgewezen en dat verstrekte bijstand terstond opeisbaar is.
|