Verordening jeugdhulp gemeente Neder-Betuwe 2026

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 november 2025;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;

 

Overwegende dat:

  • -

    De Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd;

  • -

    Het uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt

  • -

    Het noodzakelijk is om regels vast te stellen over:

    • o

      De door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen;

    • o

      De voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

    • o

      De wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;

    • o

      De wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

    • o

      De bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;

    • o

      De waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

  • -

    Overwegende dat het verder ook wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;

besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Neder-Betuwe 2026

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet die vrij en rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand (diepgaand) onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders;

    • b.

      andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

    • c.

      budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet;

    • d.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neder-Betuwe;

    • e.

      draagkracht: Draagkracht verwijst naar het vermogen van ouders of andere huisgenoten om normale dagelijkse zorg voor kinderen te bieden. Verzorging, opvoeding en toezicht vallen onder de dagelijkse zorg voor kinderen. Dit geldt ook voor kinderen met een ziekte, aandoening of beperking;

    • f.

      draaglast: Draaglast betreft de omvang en aard van de benodigde zorg en de mate waarin deze zorg zwaarder is dan wat verwacht kan worden voor kinderen van dezelfde leeftijd zonder dergelijke problematiek;

    • g.

      formele hulp: Van formele hulp is sprake als het aantoonbaar is dat de jeugdige professionele jeugdhulp nodig heeft en deze hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de jeugdige of zijn budgethouder:

      • a.

        Personen die werkzaam zijn bij een hulpverlenende instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of

      • b.

        Personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren hulpverlenende taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of

      • c.

        Personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

    • h.

      gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 8;

    • i.

      onderzoeksverslag: document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren;

    • j.

      hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en/of opvoedingsproblematiek, psychische problemen en/of stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de wet;

    • k.

      individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening op grond van de jeugdwet. Toegankelijk na voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders. De voorziening wordt door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt;

    • l.

      informele hulp: Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, dan is er altijd sprake van informele hulp;

    • m.

      overbelasting: Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast;

    • n.

      persoonsgebonden budget (pgb): het door het college verstrekte budget dat een jeugdige of ouder(s) in staat stelt een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet bij derden in te kopen, zoals bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet;

    • o.

      Pgb-plan: een bij de aanvraag voor een pgb in te dienen plan, zoals nader omschreven in artikel 19 van deze verordening;

    • p.

      sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie onderhoudt;

    • q.

      Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

    • r.

      wet: de Jeugdwet.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2 Vormen van jeugdhulp

Artikel 2. Algemene voorzieningen

  • 1.

    De volgende vormen van jeugdhulp zijn beschikbaar:

    • a.

      algemene voorzieningen, gericht op het versterken van de sociale context en de algemene voorziening basisondersteuning;

      • Welzijnswerk/sociaal cultureel werk jeugd;

      • Schoolmaatschappelijk werk;

      • Opvoedondersteuning en opvoedadvies;

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen over welke voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn, wat ze inhouden, voor welke doelgroep ze gelden en onder welke voorwaarden ze beschikbaar zijn.

Artikel 3. Individuele voorzieningen

  • 1.

    De volgende individuele voorzieningen zijn ten minste beschikbaar:

    • a.

      individuele voorzieningen;

      • Dagbesteding, dagbehandeling, kortdurend verblijf jeugd inclusief vervoer;

      • Ambulante trajecten jeugd –begeleiding en jeugd- en opvoedhulp (begeleiding en zorg die niet (direct) gerelateerd is aan onderwijsdoeleinden);

      • Ambulante trajecten jeugd –behandeling (basis en specialistische jeugd GGZ);

      • Ambulante trajecten jeugd –observatie en diagnostiek;

      • Pleegzorg;

      • (Semi-) residentiële jeugdhulp;

      • Persoonlijke verzorging (voorbehouden medische handelingen).

      • Vervoer

      • Dyslexiezorg (voor jeugdigen vanaf 7 jaar met ernstige dyslexie die het basisonderwijs volgen)

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot maximale duur en intensiteit van individuele jeugdhulpvoorzieningen.

Hoofdstuk 3 Voorzieningen: toegang, onderzoek en beoordeling

Artikel 4. Toegang algemene voorziening

Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders.

Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1.

    Jeugdigen en ouders met een hulpvraag kunnen contact opnemen met het college. Het college regelt de wijze waarop met deze hulpvraag wordt omgegaan in de nadere regels.

  • 2.

    Een aanvraag voor een individuele voorziening wordt schriftelijk ingediend via een vastgesteld aanvraagformulier bij het college, het college verstuurt bij ontvangst van het aanvraagformulier een ontvangstbevestiging.

  • 3.

    Als een jeugdige of ouder de jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een PGB-plan in zoals bedoeld in artikel 19 van deze verordening. Een door de jeugdige of ouder ondertekend PGB-plan kan worden aangemerkt als aanvraag.

  • 4.

    Het college wijst de jeugdige en/of zijn ouder op de mogelijkheid gebruik te maken van vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en onafhankelijke cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2.

    Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 3.

    Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

Artikel 7. Vooronderzoek

  • 1.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.

  • 2.

    Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.

  • 3.

    De jeugdige of zijn ouders verstrekken, indien het college dit gewenst acht, een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 4.

    Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 5.

    Het college stelt nadere regels vast voor de verdere invulling en uitvoering van het vooronderzoek.

Artikel 8. Gesprek en onderzoek

  • 1.

    Het onderzoek bestaat uit een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders.

  • 2.

    Het college onderzoekt zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • De behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;

    • Het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    • Het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

    • De mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening indien de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn;

    • De mogelijkheden om gebruik te maken van een algemene voorziening, indien de eigen mogelijkheden, het probleemoplossend vermogen en de mogelijke inzet van een andere voorziening ontoereikend zijn;

    • De mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken, indien de eigen mogelijkheden, het probleemoplossend vermogen, de mogelijkheid tot inzet van een andere of algemene voorziening ontoereikend zijn;

    • De wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

    • Hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders;

    • De mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige en zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 3.

    Het college kan, met instemming van de jeugdige of zijn ouders, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp.

  • 4.

    Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek.

  • 5.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s om de recht- en doelmatigheid daarvan te beoordelen.

  • 6.

    Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 9. Deskundigheid

  • 1.

    Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 2.

    Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

    • a.

      bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

    • b.

      bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

    • c.

      op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

  • 3.

    Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.

Artikel 10. Onderzoeksverslag

  • 1.

    Het college zorgt voor het onderzoeksverslag, waarbij de bevindingen van zowel het college als de jeugdige en ouders, alsmede het onderzoeksverslag worden weergegeven. Indien uit het onderzoeksverslag blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen, geldt als voorwaarde voor het compleet maken van de aanvraag dat het aanmeldformulier wordt ondertekend door ouders en/of de jeugdige en daarna wordt teruggestuurd.

  • 2.

    Het college verstrekt aan de jeugdige vanaf 12 jaar of zijn gezaghebbende ouder(s) het onderzoeksverslag.

Artikel 11. Voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening

  • 1.

    Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.

  • 2.

    Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025 zoals deze luidden op 1 januari 2025.

  • 3.

    Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. Er kunnen meerdere geschikte oplossingen zijn, maar er wordt gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven zowel passend als de meest goedkope individuele voorziening is.

  • 4.

    Indien cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens passend is) komen de meerkosten voor rekening van cliënt. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een PGB gebaseerd op de goedkoopst passende voorziening.

  • 5.

    In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.

  • 6.

    Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.

  • 7.

    Het college verleent geen individuele voorziening als het hulpverleningstraject waarvoor de jeugdige en/of de ouders de voorziening vragen op het moment van de aanvraag al is afgerond.

  • 8.

    De voorziening wordt niet met terugwerkende kracht verstrekt. De meldingsdatum geldt als startdatum voor de bekostiging van de voorziening, tenzij het college in de beschikking anders bepaalt om redenen van billijkheid.

Artikel 12. Doeltreffendheid individuele voorzieningen

  • 1.

    Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en [waar beschikbaar] er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.

  • 2.

    Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:

    • a.

      de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut

    • b.

      de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

    • c.

      de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).

Artikel 13. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

  • 1.

    De jeugdige of zijn ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening na een aanvraag en wanneer uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) niet toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 2.

    Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 3.

    Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.

  • 4.

    Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:

    • a.

      geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of

    • c.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • 5.

    Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

    • a.

      de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt;

    • c.

      de planbaarheid van de hulp;

    • d.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    • f.

      de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.

  • 6.

    De inzet van jeugdhulp bij (dreigende) overbelasting is altijd tijdelijk. Van ouder(s) wordt verwacht dat zij een plan van aanpak opstellen om de (dreigende) overbelasting aan te pakken en dat zij in de tijd dat jeugdhulp wordt gegeven werken aan dit plan.

Artikel 14. Vervoer

  • 1.

    Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp, zijn jeugdige of diens ouders zelf verantwoordelijk voor het vervoer naar en van de locatie waar jeugdhulp wordt geboden.

  • 2.

    Indien de jeugdige vanwege een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet zelfstandig kan reizen en het probleemoplossend vermogen van zijn ouders ontoereikend is om zelf voor het vervoer te zorgen of te laten zorgen, kan een vervoersvoorziening worden verstrekt.

  • 3.

    Een vervoersvoorziening is altijd tijdelijk. De voorziening wordt beëindigd op het moment dat de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige en/of beperking in het probleemoplossend vermogen van ouders is opgeheven.

  • 4.

    Het college kan in de beleidsregels nadere regels stellen over de voorwaarden waaronder een vervoersvoorziening wordt toegekend.

Artikel 15. Vaktherapie

  • 1.

    Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines:

    • a.

      beeldende therapie;

    • b.

      danstherapie;

    • c.

      dramatherapie;

    • d.

      muziektherapie;

    • e.

      psychomotorische (kinder)therapie; en

    • f.

      speltherapie

  • 2.

    Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding OF een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding heeft volbracht.

  • 3.

    Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is.

  • 4.

    De behandelaar moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling.

  • 5.

    Vaktherapie kan alleen worden ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar OF een professional die is ingeschreven in het Register Vaktherapie.

  • 6.

    De gemeente vergoedt maximaal 20 behandeling voor vaktherapie. Als ouders aanvullend verzekerd zijn, dan moet het maximaal aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van het maximale aantal uren dat voor deze behandeling kan worden geïndiceerd. Verlenging is eenmalig mogelijk wanneer na onderzoek door het college blijkt dat dit nodig is.

Artikel 16. Kinderopvang en buitenschoolse opvang

  • 1.

    Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp.

  • 2.

    In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.

Artikel 17. Het besluit

  • 1.

    Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.

  • 2.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van de hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

  • 3.

    De jeugdige of zijn ouders moeten zich binnen drie maanden na de besluitdatum melden bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel het pgb binnen drie maanden inzetten voor de aangewezen jeugdhulp.

Artikel 18. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening

  • 1.

    In de beschikking ter verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • Welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • De termijn van 3 maanden waarbinnen de jeugdige of zijn ouder(s) zich moeten melden bij een jeugdhulpaanbieder dan wel het pgb moeten besteden;

    • Wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • Hoe de voorziening wordt verstrekt;

    • Indien van toepassing: welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • Voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • Wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • De kwaliteitseisen die gelden voor de besteding van het pgb;

    • Wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

    • De wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

    • Als het gaat om een pgb: met een in het besluit vastgestelde geldigheidsduur.

  • 4.

    Bij het besluit wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouders op grond van de wet, de verordening en de nadere regels.

  • 5.

    Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.

Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget (pgb)

Artikel 19. Aanvullende voorwaarden voor toewijzing pgb

  • 1.

    Als een jeugdige en/of ouder(s) een individuele voorziening met een pgb wenst in te kopen, moeten zij een pgb plan opstellen. Zij kunnen daarvoor gebruik maken van een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb plan staat:

    • a.

      de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en waarom zij een pgb wensen;

    • b.

      welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;

    • c.

      de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt. Het pgb kan worden toegekend voor formele en informele hulp;

    • d.

      de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

    • e.

      wie het pgb beheert en hoe deze taken worden uitgevoerd;

    • f.

      hoe eventuele meerkosten van de ondersteuning worden bekostigd;

    • g.

      hoe de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd. Het pgb kan worden toegekend voor formele en informele hulp.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde artikel 8.1.1 van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3.

    Het pgb heeft geen vrij besteedbaar bedrag.

  • 4.

    Het pgb mag niet gebruikt worden voor:

    • a.

      kosten voor bemiddeling

    • b.

      kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers

    • c.

      kosten voor het voeren van een pgb-administratie

    • d.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb

    • e.

      kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering

    • f.

      kosten voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)

    • g.

      kosten voor spoedeisend jeugdhulp

  • 5.

    De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Het college verstrekt een pgb aan een persoon uit het sociaal netwerk als:

    • a.

      Op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het pgb is uitgeoefend bij diens besluitvorming;

    • b.

      Dit niet leidt tot voor de jeugdige onveilige situaties;

    • c.

      er geen sprake is van een ggz-behandeling. Een degelijke behandeling kan alleen door een professional worden verleend die niet tot het sociale netwerk van de jeugdige behoort.

    • d.

      de maximale werkweek van de (in)formele zorgverlener niet meer dan 40 uur per week is, rekening houdend met de totaal aantal uren werk waaraan een arbeidscontract ten grondslag ligt

  • 6.

    Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.

Artikel 20. Onderscheid formele en informele hulp

  • 1.

    Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of de ouder(s) het pgb krijgen. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren of;

    • b.

      personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of ouder(s) het pgb krijgen. De zzp’er staat voor deze werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Ook beschikt de zzp’er over de relevante diploma’s of werkervaring die nodig zijn voor uitoefening van deze werkzaamheden, of;

    • c.

      personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (SKJ-registratie). Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, dan is er altijd sprake van informele hulp.

  • 2.

    Als de jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van de budgethouder is altijd sprake van informele hulp.

  • 3.

    Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c gaat het altijd om informele hulp.

Artikel 21. Hoogte van het pgb

  • 1.

    De hoogte van een pgb-tarief voor formele hulp wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd. Hierin onderscheid het college de volgende onderverdeling:

    • a.

      Als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een aanbieder betreft het tarief per uur maximaal 100% van het laagste tarief per uur van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt;

    • b.

      Als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een zzp’er betreft het tarief per uur maximaal 85% van het laagste tarief per uur van een door de gemeente gecontracteerde instelling die een vergelijkbare vorm van dienstverlenging biedt;

  • 2.

    Als het op basis van lid 1 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht.

  • 3.

    De hoogte van het pgb voor informele hulp is gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek

  • 4.

    De hoogte van het pgb voor informele hulp voor opvang in etmalen of dagdelen bestaat uit 20% van het laagste tarief per etmaal/dagdeel van een door de gemeente gecontracteerde instelling die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt.

  • 5.

    Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening vastgestelde tarieven verhogen of verlagen. Het college kan per tarief en voorziening bepalen welk indexcijfer hierbij wordt gehanteerd.

  • 6.

    Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte en de mogelijke indexering van pgb-tarieven wordt vastgesteld.

  • 7.

    Bij jeugdhulp die wordt verleend op basis van een verklaring als bedoeld in artikel 8ab lid 1 Regeling Jeugdwet (HUS-regeling) bedraagt het pgb:

    • de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab van de regeling Jeugdwet;

  • 8.

    Het college kan in nadere regels verdere invulling geven aan het bepaalde in de voorgaande leden.

Hoofdstuk 5. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik

Artikel 22. Niet meewerken ouder(s)

  • 1.

    De jeugdige en zijn ouder(s) is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp.

  • 2.

    Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.

Artikel 23. Herziening, intrekking en terugvordering

  • 1.

    Degene aan wie een individuele voorziening en/of persoonsgebonden budget is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededelingen te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening en/of persoonsgebonden budget.

  • 2.

    Het college kan een besluit met betrekking tot een individuele voorziening en/of persoonsgebonden budget, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      De jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      De jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • c.

      De individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      De jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb;

    • e.

      De jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd; of

    • f.

      De jeugdige langer dan 12 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

  • 3.

    Als het college een besluit op grond van het tweede lid, het eerste punt heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb.

  • 4.

    Het college stelt regels op over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid tot herziening, intrekking en terugvordering.

  • 5.

    Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken

Artikel 24. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik.

  • 1.

    Het college informeert jeugdige en ouders in begrijpelijke bewoording over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 3.

    Het college kan regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

Hoofdstuk 6. Afstemming met andere voorzieningen

Artikel 25. Afstemming met gezondheidszorg

  • 1.

    Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdeel e van de wet en artikel 6 van deze verordening, plaatsvindt.

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat de jeugdige en/of zijn ouders indien nodig ondersteund worden richting het CIZ, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

Artikel 26. Afstemming met gecertificeerde instellingen

  • 1.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 van deze verordening en de gecertificeerde instellingen.

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over:

    • Het overleg over de in te zetten jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3.5, eerste lid van de wet;

    • Het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;

    • De vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt;

    • Wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een persoonsgebonden budget kan zijn namens de jeugdige en zijn ouders;

    • Hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden.

  • 3.

    Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5, derde lid van de wet.

Artikel 27. Afstemming met het justitiedomein

  • 1.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de wet.

  • 2.

    Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken zoals bedoeld in het eerste lid op in het protocol zoals bedoeld in artikel 36, derde lid van deze verordening en het protocol bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid van de wet.

Artikel 28. Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht

  • 1.

    Het college maakt afspraken met het onderwijs en de voorschoolse voorzieningen over de toegang tot de jeugdhulp.

  • 2.

    Het college zorgt samen met de ketenpartners voor de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken. Op individueel niveau worden deze vastgelegd in het onderzoeksverslag van de jeugdige en/of zijn ouders.

  • 3.

    Het college stemt de samenwerking van onderwijs en door gemeenten gefinancierde jeugdhulp af met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in wettelijk verplichte OOGO’s (op overeenstemming gericht overleg). De Jeugdwet en de Wet op het passend onderwijs verplicht gemeentebestuurders binnen een regio om minimaal eenmaal per 4 jaar OOGO te voeren. In het OOGO passend onderwijs bespreekt het samenwerkingsverband zijn ondersteuningsplan met de gemeente. In het OOGO-jeugd bespreekt de gemeente haar jeugdplannen met de samenwerkingsverbanden. Deze overleggen kunnen ook worden gecombineerd.

Artikel 29. Afbakening Jeugdwet en de Wet passend onderwijs

  • 1.

    Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet.

  • 2.

    Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet passend onderwijs is deze wet voorliggend op de Jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet.

  • 3.

    Als de ondersteuning zoals beschreven in het eerste en tweede lid mogelijk ook een bijdrage levert aan de ontwikkeling op andere leefgebieden, is het college niet verantwoordelijk voor die ondersteuning

  • 4.

    Als een jeugdige voor het behalen van onderwijsdoelen begeleiding en/of persoonlijke verzorging nodig heeft op school in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen, valt de ondersteuning onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Daarbij zijn algemene voorzieningen voorliggend op individuele voorzieningen en zet het college geen individuele voorzieningen in die in strijd zijn met de leerplichtwet.

  • 5.

    In geval van een aanvraag voor ondersteuning zoals bedoeld in lid 4, is bij betrokkenheid van de leerplicht of inzet op grond van de Variawet een onderwijsperspectiefplan vereist om te kunnen beoordelen welke ondersteuning noodzakelijk is. Dit plan dient derhalve voor de gemeente inzichtelijk te zijn.

Artikel 30. Afstemming met Veilig Thuis

Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen.

Artikel 31. Afstemming met Wmo-voorzieningen

  • 1.

    Het college zorgt voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen dan wel ouders op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 2.

    Het college zorgt voor de continuïteit van ondersteuning, hulp en zorg onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Artikel 32. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen

Het college zorgt dat het lokale team van de gemeente, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.

Artikel 33. Afbakening jeugdhulp 18-/18+

  • 1.

    Als een jeugdige gebruik maakt van een individuele voorziening en bijna 18 jaar wordt, zorgt het college ervoor dat er op tijd een gesprek plaatsvindt over de veranderingen vanaf 18 jaar en welke voorziening na 18 jaar nodig is.

  • 2.

    De jeugdhulpaanbieder stelt voor jeugdigen die jeugdhulp krijgen vanaf het 16e jaar een ‘toekomstplan’ op waarin staat:

    • Welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf de 18e verjaardag;

    • Hoe en vanuit welke wet (Wmo, WLZ, Zorgverzekeringswet of verlengde Jeugdwet) de hulp vanaf 18 jaar wordt ingezet.

  • 3.

    De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, het gezin en het college bij (het opstellen van) het perspectiefplan.

Hoofdstuk 7. Waarborgen verhoudingen prijs en kwaliteit

Artikel 34. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen

  • 1.

    De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding bij het vaststellen van de tarieven voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering door:

    • een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder; of

    • een reële prijs vast te stellen.

  • 2.

    De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:

    • de aard en omvang van de te verrichten taken;

    • de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

    • een redelijke toeslag voor overheadkosten, zoals huisvestingskosten;

    • kosten van beroepskrachten cliëntgebonden, zoals kosten voor het opmaken van rapportages en het volgen van multidisciplinair overleg;

    • kosten van beroepskrachten niet-cliëntgebonden, zoals een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

    • cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten, bijvoorbeeld kosten van verblijf of voedingskosten;

    • kosten van indexering.

  • 3.

    De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven voor door derden te leveren vrij toegankelijke hulp in het kader van jeugdhulp, in ieder geval rekening met:

    • a.

      de marktprijs van de voorziening, en

    • b.

      de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de aanbieder worden gevraagd, zoals verplichte deelname aan samenwerkingsverbanden.

  • 4.

    Lid 1, 2 en 3 geldt ook voor subsidies als deze worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of ouders en de subsidie bedoeld is om de te verrichtte diensten volledig te betalen.

Hoofdstuk 8. Klachten, medezeggenschap en inspraak

Artikel 35. Inspraak en medezeggenschap

  • 1.

    Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Artikel 36. Klachtenregeling

  • 1.

    Het college zorgt voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten van jeugdige of ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

  • 2.

    Het college ziet erop toe dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen een klachtenregeling hebben die voldoet aan de wet.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 37. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 38. Nadere regels en hardheidsclausule

  • 1.

    In gevallen, die de uitvoering van deze verordening betreffen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.

  • 3.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 39. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De verordening Jeugdhulp gemeente Neder-Betuwe 2023 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een jeugdige of ouder houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp gemeente Neder-Betuwe 2023, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend ten tijde van de inwerking van de Verordening Jeugdhulp gemeente Neder-Betuwe 2023 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Neder-Betuwe 2023 worden afgehandeld volgens die verordening, tenzij toepassing van deze verordening (2026) voor de belanghebbende gunstiger is.

Artikel 40. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Neder-Betuwe 2026

Aldus vastgesteld in de raadvergadering van 11 december 2025

de griffier,

Erwin van der Neut

de voorzitter,

Jan Kottelenberg

Naar boven