Algemene regels inzake uitvoering Participatiewet gemeente Eijsden-Margraten 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten;

 

gelet op artikel 12.2 van de Verordening sociaal domein gemeente Eijsden-Margraten 2025;

 

besluit vast te stellen: Algemene regels inzake uitvoering Participatiewet gemeente Eijsden-Margraten 2026.

 

Algemene regels inzake uitvoering Participatiewet gemeente Eijsden-Margraten 2026

Op 18 februari 2025 heeft de gemeenteraad van Eijsden-Margraten de Integrale verordening Sociaal Domein vastgesteld. Deze verordening is op 1 maart 2025 in werking getreden en vervangt de diverse afzonderlijke beleidsstukken uit de SZMH-periode. Daarnaast bestaan er binnen de gemeente verschillende uitvoeringsbesluiten voor de uitvoering van de Participatiewet. Met dit document worden al deze besluiten samengevoegd en vervangen. Ook zijn in dit besluit alle noodzakelijke wijzigingen opgenomen die nodig zijn om per 1 januari 2026 over te kunnen gaan naar de Participatiewet in Balans.

 

Hoofdstuk 1: Bijstand bij bezit eigen woning

In het geval dat u in het bezit van een eigen huis/woonwagen/woonboot bent, en in aanmerking komt voor bijstand, verstrekken wij de bijstand in de vorm van een geldlening.

Artikel 1: Voorwaarden bijstand bij bezit eigen huis/woonwagen/woonboot (vanaf nu: woning)

De voorwaarden voor het verstrekken van bijstand bij het bezit van een eigen woning zijn als volgt:

  • o

    U heeft recht op bijstand;

  • o

    U woont zelf in de eigen woning;

  • o

    De voorwaarden voor het verstrekken van een geldlening bij het bezit van een eigen woning zijn overeenkomstig met artikel 50, lid 2 van de Participatiewet.

Artikel 2: Berekening overwaarde woning

De overwaarde van de woning wordt berekend volgens de laatste WOZ-waarde minus de openstaande hypotheekschuld en het vrij te laten vermogen (PW: artikel 34, lid 2, onderdeel d).

Artikel 3: Krediethypotheek bij eigen woning

  • a.

    Indien u aanspraak maakt op een geldlening volgens artikel 1 van dit hoofdstuk, wordt een lening onder het verband van een krediethypotheek verstrekt.

  • b.

    U bent verplicht mee te werken aan de totstandkoming van de hypotheekakte.

  • c.

    Indien pandrecht van toepassing is, in plaats van hypotheekrecht, dient het begrip hypotheekpand te worden gelezen.

Artikel 4: Bijstandsverlening om niet

Indien de overwaarde van de woning negatief is, zoals berekend volgens artikel 2 van dit hoofdstuk, wordt de bijstand om niet verstrekt. In dat geval wordt er geen krediethypotheek afgesloten.

Artikel 5: Aflossing geldlening

  • a.

    De geldlening is de eerste tien jaar rentevrij, daarna wordt er rente gerekend over het openstaande bedrag.

  • b.

    De aflossingstermijn begint op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats.

  • c.

    Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld.

  • d.

    Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Pw dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt geen aflossing gevergd.

  • e.

    Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan het maandbedrag van de aflossing op een lager of hoger bedrag worden vastgezet.

  • f.

    Bij de beoordeling van de omstandigheden in het vorige lid houden wij rekening met noodzakelijke, bijzondere kosten die voor uw eigen rekening komen. Deze brengen wij in mindering op uw inkomen.

  • g.

    Indien u tijdens de aflossingsperiode van tien jaar nalatig bent in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.

Artikel 6. Rentevordering over de geldlening

  • a.

    Indien door toepassing van artikel 5, lid d t/m f, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

  • b.

    De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente, verminderd met 3 procent.

  • c.

    Indien u naar ons oordeel de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, maar niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing. De rente die daardoor niet wordt betaald wordt bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

  • d.

    Indien u naar ons oordeel geen rente kan betalen, wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

  • e.

    Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.

Artikel 7. Aflossing geldlening bij vererving en verkoop woning, woonwagen of woonschip

  • a.

    Bij verkoop of bij vererving van de woning, de woonwagen of het woonschip en, indien het een echtpaar betreft, bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, evenals de op grond van artikel 6, lid c en d, bijgeschreven rente, meteen afgelost.

  • b.

    Bij verkoop van de woning kunnen wij wegens eventuele bijzondere omstandigheden van u van medische of sociale aard, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening. Deze lening is eveneens in de vorm van een hypotheek voor de aankoop van een andere woning, het gaat daarbij maximaal om het bedrag van de lening die volgens het eerste lid is afgelost. Voorwaarde is dat de u het geld dat daardoor vrijkomt volledig gebruikt voor de aankoop van een andere woning.

  • c.

    Indien bij verkoop van de woning, de woonwagen of het woonschip op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

Hoofdstuk 2: Terugvordering

In sommige gevallen heeft u een bijstand ontvangen waar u in feite recht had op lagere of geen bijstand. In deze gevallen kunnen wij deze uitkering terugvorderen van u.

Artikel 1: Bevoegdheden om bijstand terug te vorderen:

  • a.

    Wij kunnen gebruik maken van de bevoegdheid om bijstand terug te vorderen op basis van de bepalingen in de:

    • o

      Participatiewet;

    • o

      Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

    • o

      Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).

Artikel 2: Besluit tot herziening of intrekking

  • a.

    Voorafgaand aan de terugvordering, sturen wij u een besluit tot herziening of intrekking.

  • b.

    In het herzienings- of intrekkingsbesluit geven wij aan hoeveel bijstand u teveel heeft ontvangen en hoeveel bijstand wij gaan terugvorderen.

  • c.

    In het herzienings- of intrekkingsbesluit geven wij aan welke informatie wij hebben geraadpleegd om tot het besluit van terugvordering te komen.

Artikel 3: Evenredigheidstoets

  • a.

    Bij elk besluit tot terugvordering toetsen wij of de terugvordering leidt tot onevenredige gevolgen voor u of uw gezin.

  • b.

    In uitzondering op onderdeel a, doen wij geen evenredigheidstoets wanneer een terugvordering wordt gedaan op grond van het schenden van de inlichtingenplicht.

Artikel 4: Afzien van terugvordering

Wij kunnen afzien van het terugvorderen bij het niet schenden van de inlichtingenplicht in de volgende gevallen:

  • o

    Er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Dit houdt in dat de evenredigheidstoets in artikel 3, onderdeel a, heeft aangetoond dat de terugvordering leidt tot onevenredige financiële of sociale gevolgen voor u of uw gezin, én;

    • U bewijsstukken heeft aangeleverd die bovengenoemde onevenredige gevolgen aantonen.

  • o

    Het terug te vorderen bedrag onder het kruimelbedrag ligt van 50 euro, conform de integrale verordening.

Artikel 5: Kwijtschelden restantvorderingen en overige vorderingen bij schending inlichtingenplicht

Wij kunnen eventuele restantvorderingen als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht kwijtschelden in de volgende situaties:

  • o

    U heeft zich sinds het terugvorderingsbesluit proactief aan de inlichtingenplicht gehouden én;

    • U heeft de vordering voor 120 maanden aaneengesloten afgelost

  • o

    U heeft 120 maanden niet aaneengesloten afgelost, maar het achterstallige bedrag over de 120 maanden alsnog betaald

Artikel 6: Kwijtschelden overige vorderingen

  • a.

    Wij kunnen overige vorderingen kwijtschelden in de volgende situaties:

    • o

      U heeft zich sinds het terugvorderingsbesluit proactief aan de inlichtingenplicht gehouden én;

      • U heeft de vordering voor 36 maanden aaneengesloten afgelost.

    • o

      U heeft 36 maanden niet aaneengesloten afgelost, maar het achterstallige bedrag over de 36 maanden alsnog betaald.

Artikel 7: Wijziging vorderingsbesluit

  • a.

    Wij kunnen bij gewijzigde omstandigheden ambtshalve of op verzoek van u de betalingsregeling opnieuw bekijken.

  • b.

    Indien de gewijzigde omstandigheden daarom vragen, wordt de betalingsregeling gewijzigd.

Artikel 8: Terugvordering leenbijstand

  • a.

    In bepaalde gevallen wordt bijstand in de vorm van een lening verstrekt aan u. Deze leenbijstand vorderen wij terug.

  • b.

    Bij de terugvordering van leenbijstand gelden de bepalingen in artikel 1 t/m 4 van dit hoofdstuk.

  • c.

    Een restantvordering van leenbijstand kunnen wij kwijtschelden volgens de bepalingen van artikel 6 van dit hoofdstuk.

Artikel 9: Samenhang met Wet inburgering 2021

In het geval dat u als inburgeraar in de gemeente Eijsden-Margraten onder de Participatiewet valt, en onrechtmatig (teveel) bijstand heeft ontvangen, wordt de bijstand teruggevorderd volgens de artikelen van dit uitvoeringsbesluit.

Hoofdstuk 3: Verhaal

Als gemeente hebben we de bevoegdheid om kosten van bijstand te verhalen op derden. Wij maken daarbij gebruik van de bepalingen in artikel 61 en 62 van de Participatiewet.

Artikel 1: Afzien van verhaal

  • a.

    Wij zien af van het verhalen van kosten van bijstand op derden indien het verhalen bij de persoon of bij het gezin op wie wordt verhaald ovenevenredige consequenties tot gevolg heeft.

  • b.

    De redenen in lid a zijn niet van toepassing als er een recente (6 maanden maximaal) rechtelijke uitspraak is geweest waar de onderhoudsplicht niet is nagekomen.

Artikel 2: Berekening verhaalsbijdrage

  • a.

    Om een berekening te maken van de verhaalsbijdrage vragen wij de betrokkene alle benodigde financiële gegevens aan te leveren.

  • b.

    Wij berekenen de verhaalsbijdrage volgens de normen in het jaarlijkse Tremarapport.

  • c.

    Als de persoon waarop wordt verhaald de benodigde gegevens niet aanlevert, dan berekenen wij zelf de verhaalsbijdrage op basis van de op dat moment beschikbare gegevens.

Artikel 3: Verhaal en rechtspraak

  • a.

    Als er een recente (niet ouder dan 6 maanden) zelfstandige rechtelijke uitspraak is geweest inzake alimentatie, dan volgen wij deze uitspraak.

  • b.

    Als de persoon waarop volgens een rechtelijke uitspraak wordt verhaald de bijdrage niet (correct) voldoet, gaan wij over tot rechtelijke stappen. Wij sturen de persoon waarop wordt verhaald een brief met het verzoek binnen 30 dagen het bedrag te voldoen. Wordt binnen de termijn niet het openstaande bedrag voldaan? Dan wordt er een aanmaning verstuurd met het verzoek het verschuldigde bedrag te betalen. Doet deze persoon dat niet, wordt overgegaan op invordering van het verschuldigde bedrag.

Artikel 4: Heronderzoek

  • a.

    De persoon die een verhaalsbijdrage verschuldigd is aan de gemeente, dient zelf aan ons mede te delen als er een wijziging heeft plaatsgevonden in het inkomen.

  • b.

    Op basis van de informatie, aangeleverd in lid a van dit artikel, kunnen wij overwegen een heronderzoek in te stellen naar de draagcapaciteit van de persoon waarop wordt verhaald.

  • c.

    Indien op basis van het onderzoek in lid b van dit artikel, de draagcapaciteit is gewijzigd, wordt de verhaalsbijdrage conform die wijziging aangepast. Dit wordt per brief medegedeeld aan de betrokken persoon.

  • d.

    De betaling van de gewijzigde verhaalsbijdrage gaat in vanaf de eerstvolgende kalendermaand nadat wij de betrokken persoon in lid c van dit artikel per brief op de hoogte is gesteld.

Hoofdstuk 4: Alleenverdienersproblematiek

Binnen de gemeente is er een kleine groep huishoudens die door een ongelukkige samenloop van wetten en regelingen te weinig toeslag ontvangt. Het betreft hierbij (echt)paren waarbij een van de twee partners een uitkering ontvangt, en de partner weinig tot geen inkomen heeft. Hierdoor kan een (echt)paar onbedoeld op een inkomen komen dat onder de grens ligt van het bestaansminimum. In deze situaties spreekt men over de alleenverdienersproblematiek. Voor de jaren 2025, 2026 en 2027 heeft het ministerie van SZW een tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek opgesteld om deze huishoudens te ondersteunen.

 

In een eerdere fase is door het ministerie van SZW via de Inlichtingendienst eenmalig aan de gemeente de namen en Burgerservicenummers van de huishoudens die in aanmerking komen voor deze regeling gedeeld. Daarnaast kunt u, indien u aan de criteria voor de alleenverdienersproblematiek voldoet, zelf een aanvraag doen bij de gemeente.

Artikel 1: Criteria alleenverdiener

U komt in aanmerking voor de tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek in de volgende gevallen:

  • o

    U heeft een inkomen uit een uitkering (niet op grond van artikel 19 Pw), met een eventuele aanvullende uitkering op grond van de Pw;

  • o

    U heeft een lager inkomen dan een huishouden met enkel een uitkering op grond van artikel 19 Pw na toepassing van alle noodzakelijke heffingen.

Artikel 2: Automatische toekenning tegemoetkoming:

In het geval dat de gegevens van een huishouden in een eerdere fase door het ministerie van SZW via de Inlichtingendienst is gedeeld met de gemeente, kent de gemeente ambtelijk de tegemoetkoming toe.

Artikel 3: Zelf ingediende aanvragen

  • a.

    U kunt zelfstandig een aanvraag voor toekenning van de tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek indienen middels het aanvraagformulier.

  • b.

    Op basis van de gegevens op het aanvraagformulier beoordelen wij of het huishouden in aanmerking komt voor de tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek.

  • c.

    Heeft het huishouden een vast maandelijks inkomen? Dan wordt de aanvraag bepaald volgens de meest recente maand.

  • d.

    Heeft het huishouden een variabel inkomen? Dan wordt het gemiddeld inkomen van de laatste drie maanden berekend richting een jaarinkomen.

  • e.

    De aanvragen voor de jaren 2025,2026 en 2027 moeten voor 1 juni 2028 worden ingediend bij de gemeente en worden, indien toepasselijk met terugwerkende kracht uitgekeerd.

Artikel 4: Hoogte tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek

  • a.

    De hoogte van de tegemoetkoming alleenverdienersproblematiek wordt jaarlijks vastgesteld door het ministerie van SZW. Voor het jaar 2025 is de hoogte van de regeling €1.000 per huishouden.

  • b.

    De tegemoetkoming wordt jaarlijks in één keer aan het huishouden toegekend en uitgekeerd.

Hoofdstuk 5: Toezicht en Handhaving

Conform hoofdstuk 8.5.4. van de verordening treffen wij een nadere regeling voor de gemeentelijke sociale recherche. De regeling wordt uitgewerkt in dit hoofdstuk.

Artikel 1: Bevoegdheden sociale recherche

  • a.

    De sociaal rechercheur heeft een opsporingsbevoegdheid, indien:

    • o

      Er gerede twijfel bestaat of u recht hebt op een uitkering;

    • o

      Er een vermoeden van uitkeringsfraude is én;

    • o

      De beschikbare gegevens niet overeenkomen met uw aangeleverde gegevens

  • b.

    De sociaal rechercheur mag pas een onderzoek instellen op basis van een melding of signaal.

  • c.

    Om een onderzoek in te stellen naar de voorwaarden in lid a, is de sociaal rechercheur vrij in de keuze om onderzoeksmiddelen in te zetten. Dit omvat in ieder geval de volgende onderzoeksmiddelen:

    • o

      (Onaangekondigde) huisbezoeken om uw woonsituatie te beoordelen. Dit huisbezoek zal ten alle tijde met een collega plaatsvinden;

    • o

      Opvragen gegevens bij instanties zoals het UWV of de Belastingdienst;

    • o

      Het controleren van uw (persoons)gegevens;

    • o

      Uw gedrag/woonsituatie onderzoeken via eigen waarnemingen en afstemmen met de door uw verstrekte gegevens;

    • o

      U uitnodigen voor een gesprek op het gemeentehuis van Eijsden-Margraten.

  • d.

    De sociaal rechercheur dient bij elk ingezet onderzoeksmiddel de afweging te maken of de noodzakelijke gegevens met een minder zwaar onderzoeksmiddel te verkrijgen zijn. Dit dient de sociaal rechercheur in de rapportage te benoemen.

  • e.

    De sociaal rechercheur mag tijdens het onderzoek u verhoren zonder bijstand van een advocaat. In het geval er over wordt gegaan op vervolging, heeft u te allen tijde recht op een advocaat bij een verhoor.

Artikel 2: Rechten inwoner

  • a.

    De sociaal rechercheur dient altijd toestemming te vragen om uw woning te betreden. U heeft het recht om een huisbezoek van de sociaal rechercheur te weigeren. Dit heeft echter de consequentie dat de sociaal rechercheur uw woonsituatie niet vast kan stellen. Dat betekent dat daarop de klantmanager inkomen een sanctie kan toekennen.

  • b.

    U hebt het recht de sociaal rechercheur te vragen om zich te legitimeren.

  • c.

    U hebt het recht de sociaal rechercheur te vragen naar de reden van het bezoek.

Artikel 3: Werkwijze sociale recherche

  • a.

    De sociaal rechercheur is verplicht zich te legitimeren aan u voorafgaand aan het binnentreden van uw woning.

  • b.

    De sociaal rechercheur dient bij een verhoor u te wijzen op de mogelijkheid tot het beroepen op het zwijgrecht.

  • c.

    De sociaal rechercheur moet u in de gelegenheid brengen een verklaring in vrijheid af te leggen.

Artikel 4: Rapportage

  • a.

    Na afloop van het onderzoek worden de bevindingen in de rapportage met u gedeeld.

  • b.

    De sociaal rechercheur is verplicht u mede te delen welke gegevens van u zijn geraadpleegd, en welke doeleinden met die gegevens zijn beoogd.

Hoofdstuk 6: Bestuurlijke boete

Op basis van artikel 18a Participatiewet leggen wij een bestuurlijke boete op voor het schenden van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 eerste lid van de Participatiewet of artikel 13 eerste lid van de IOAW of IOAZ. Dit houdt in dat u niet alle noodzakelijke informatie heeft gegeven aan de betrokken uitvoerder van de wet. Dit besluit komt voort uit hoofdstuk 8 van de integrale verordening.

Artikel 1: Waarschuwing in plaats van bestuurlijke boete

  • a.

    Wij zien af van een bestuurlijke boete en geven u een waarschuwing wanneer:

    • o

      De schending niet tot een benadelingsbedrag leidt;

    • o

      Het benadelingsbedrag lager is dan €150;

    • o

      U binnen 60 dagen na de schending van de inlichtingenplicht alsnog alle noodzakelijke informatie aanlevert, en wij de schending van de inlichtingenplicht niet eerder hebben geconstateerd.

  • b.

    In uitzondering op lid a zien wij af van een waarschuwing en geven wij een bestuurlijke boete wanneer u in de twee jaar voorafgaand aan de schending van de inlichtingenplicht een eerdere waarschuwing heeft ontvangen.

Artikel 2: Grondregels bestuurlijke boete

  • a.

    Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete kijken wij altijd naar de mate van verwijtbaarheid, bijzondere omstandigheden en eventuele dringende redenen. Daarbij kijken wij specifiek naar het moment dat u de inlichtingenplicht heeft geschonden.

  • b.

    De mate van verwijtbaarheid bevat de volgende vier categorieën

    • o

      Opzet;

    • o

      Grove schuld;

    • o

      Normale verwijtbaarheid;

    • o

      Verminderde verwijtbaarheid;

    • o

      Geen verwijtbaarheid.

Artikel 2.1: Opzet

Wij achten in ieder geval in de volgende gevallen opzet aanwezig:

  • o

    U heeft al dan niet in het kader van een handhavingsonderzoek, zelf aangegeven en toegegeven dat u de inlichtingenverplichting niet bent nagekomen om te voorkomen dat u een lagere uitkering zou ontvangen of de uitkering zou verliezen;

  • o

    U heeft werkzaamheden of uitbreiding van de werkzaamheden en daarmee gemoeide inkomsten bewust verzwegen, of;

  • o

    U heeft uw gezinssamenstelling of van bezit van vermogen of goederen van waarde bewust verzwegen.

Artikel 2.2: Grove schuld

Wij achten in ieder geval in de volgende gevallen grove schuld aanwezig:

  • o

    U heeft bij herhaling geen of onjuiste informatie verstrekt, terwijl bij soortgelijke overtredingen ten minste sprake is geweest van een normale verwijtbaarheid, of;

  • o

    Er is sprake van een samenloop van omstandigheden die apart normale verwijtbaarheid opleveren, maar in de onderlinge samenhang leiden tot grove schuld.

Artikel 2.3 Normale verwijtbaarheid

Wij achten in ieder geval in de volgende gevallen normale verwijtbaarheid aanwezig:

  • o

    U heeft informatie niet doorgegeven terwijl u redelijkerwijs had kunnen weten dat u dit had moeten doorgeven;

  • o

    U heeft geen bijzondere verzwarende of verzachtende omstandigheden die betrekking hebben op uw situatie.

Artikel 2.4: Verminderde verwijtbaarheid

Wij achten in ieder geval in de volgende gevallen verminderde verwijtbaarheid aanwezig:

  • o

    U verkeerde op het moment dat u aan uw verplichting moest voldoen in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren. Deze omstandigheden brachten u weliswaar niet in de onmogelijkheid om aan uw verplichting te voldoen, maar deze waren emotioneel zo ontwrichtend dat het u niet volledig valt toe te rekenen dat de informatie niet tijdig of volledig aan ons is verstrekt;

  • o

    Er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

Artikel 2.5: Geen verwijtbaarheid

Wij achten in ieder geval in de volgende situaties geen verwijtbaarheid aanwezig:

  • o

    Als u onjuiste of onvolledige informatie verstrekt of een wijziging van omstandigheden niet onverwijld meldt, maar uit eigen beweging alsnog de juiste informatie verstrekt voordat wij de overtreding constateren is er geen sprake van verwijtbaarheid;

  • o

    Als er bij u sprake is van een zodanige psychische stoornis dat u niet (op tijd) aan de inlichtingenplicht kan voldoen, of u door uw geestelijke vermogens feitelijk handelingsonbekwaam bent en er (nog) geen sprake is van adequate begeleiding en/of hulpverlening.

Artikel 3: Hoogte bestuurlijke boete

  • a.

    Wij stemmen de boete af op de verwijtbaarheid op de volgende wijze:

    • o

      100% van het benadelingsbedrag bij opzet of voorwaardelijke opzet;

    • o

      75% van het benadelingsbedrag bij grove schuld of grove onachtzaamheid;

    • o

      50% van het benadelingsbedrag bij normale verwijtbaarheid;

    • o

      25% van het benadelingsbedrag bij verminderde verwijtbaarheid.

  • b.

    Voor de hoogte van de maximaal op te leggen boete volgen wij artikel 23 vierde lid van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 4: Aflossingstermijn

Het uitgangspunt is dat de boete door u met de beschikbare draagkracht binnen redelijke termijn kan worden voldaan. Wij achten de volgende termijnen redelijk

  • o

    opzet: binnen 24 maanden;

  • o

    grove schuld: binnen 18 maanden;

  • o

    normale verwijtbaarheid: binnen 12 maanden

  • o

    verminderde verwijtbaarheid: binnen 6 maanden.

Artikel 5: Draagkrachtberekening bestuurlijke boete

  • a.

    Als fictief beschikbare draagkracht wordt aangemerkt:

    • o

      100% van het meerinkomen boven de 95% van de toepasselijke bijstandsnorm, of;

    • o

      een bedrag van € 45,00 op maandbasis als geen sprake is van inkomen, een inkomen dat minder bedraagt dan 95% van de toepasselijke bijstandsnorm of als sprake is van een toepasselijke kostendelersnorm.

  • b.

    De vast te stellen boete kan niet meer bedragen dan het aantal maanden van de toepasselijke redelijke termijn als bedoeld in artikel 4 van dit hoofdstuk vermenigvuldigd met de fictief beschikbare draagkracht als bedoeld in lid a.

  • c.

    Eventueel aanwezig vermogen bij u wordt meegenomen in de draagkrachtberekening.

Artikel 6: Kwijtschelding

  • a.

    Op verzoek van u kunnen wij de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijtschelden bij medewerking aan een schuldregeling, mits geen sprake is geweest van opzet of grove schuld. Daarnaast mag u niet binnen één jaar vanaf de datum nadat de bestuurlijke boete is opgelegd nogmaals een overtreding wegens dezelfde gedraging begaan.

  • b.

    Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de boete op grond van het voorgaande lid is afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid van de gedraging waarvoor een boete is opgelegd:

    • o

      bij normale verwijtbaarheid: 50% kwijtschelding;

    • o

      bij verminderde verwijtbaarheid: 100% kwijtschelding.

Artikel 7: Hoor en wederhoor

Indien u een bestuurlijke boete krijgt opgelegd, krijgt u ten alle tijde de gelegenheid om uw zienswijze te duiden bij de klantmanager inkomen op het gemeentehuis van de gemeente Eijsden-Margraten.

Hoofdstuk 7: Giften

Vanuit de wetswijziging Participatiewet in Balans worden de bepalingen omtrent giften gewijzigd. In dit hoofdstuk werken wij deze bepalingen uit.

Artikel 1: Giften vrijlating

  • a.

    Eenmalige en periodieke giften worden per huishouden per kalenderjaar vrijgelaten tot de norm genoemd in artikel 31, tweede lid onder m van de Participatiewet.

  • b.

    Het is niet mogelijk om een ongebruikt deel van de vrijlating van de norm in artikel 31, tweede lid onder m van de Participatiewet mee te nemen naar een nieuw kalenderjaar.

Artikel 2 Giften met een speciale bestemming

  • a.

    Een gift wordt vrijgelaten als deze is bedoeld voor kosten waarvoor u anders een vergoeding vanuit de bijzondere bijstand of WMO-voorziening zou krijgen. Dit kunnen eenmalige en periodieke giften zijn.

  • b.

    De giften uit het voorgaande artikel tellen niet mee voor het maximale bedrag genoemd in artikel 1, onder a van dit hoofdstuk. Deze giften worden ook niet verrekend met de uitkering.

Artikel 3 Materiële schadevergoedingen

  • a.

    Materiële schadevergoeding wordt vrijgelaten als u de vergoeding gebruikt om de geleden of toekomstige schade te herstellen.

  • b.

    Als u een schadevergoeding voor materiële schade niet gebruikt om de schade te herstellen, telt deze mee voor de norm als bedoeld in artikel onder a.

  • c.

    Een schadevergoeding voor het verlies van inkomsten uit werk is inkomen. Dit wordt verrekend met de uitkering.

Artikel 4 Verplichtingen

  • a.

    Voor giften tot het bedrag in artikel 31, tweede lid onder m van de Participatiewet, per kalenderjaar geldt geen inlichtingenplicht.

  • b.

    Voor bedragen boven het bedrag in artikel 31, tweede lid onder m van de Participatiewet geldt de inlichtingenplicht als genoemd in artikel 17 van de wet. Als de totale som hoger is dan het bedrag in artikel 31, tweede lid onder m van de Participatiewet zonder dat u dit meldt, beoordelen wij of u zich opzettelijk niet aan de inlichtingenplicht heeft gehouden.

  • c.

    Giften boven het bedrag in artikel 31, tweede lid onder m van de Participatiewet is inkomen en worden verrekend met de uitkering. Is het bedrag zo hoog dat het niet helemaal verrekend kan worden met de maanduitkering, dan wordt de rest van het bedrag tot het vermogen gerekend. Indien beide opties niet mogelijk zijn dan volgt een terugvordering.

  • d.

    Bij een gift in natura bepalen wij de waarde van deze gift op basis van de economische waarde in het vrije verkeer.

  • e.

    Bij materiële schadevergoeding geldt de inlichtingenplicht als genoemd in artikel 17 van de wet. U bent verantwoordelijk om documenten aan te leveren waaruit blijkt waarom de schadevergoeding is toegekend en u dient te bewijzen waar de schadevergoeding aan is uitgegeven of wordt uitgegeven.

  • f.

    Bij immateriële schadevergoeding geldt de inlichtingenplicht als genoemd in artikel 17 van de wet. U bent verantwoordelijk om documenten aan te leveren waaruit blijkt waarom de schadevergoeding is toegekend.

Hoofdstuk 8: Zoektermijn jongeren

Met de wetswijziging Participatiewet in Balans worden twee leden toegevoegd aan artikel 41 van de Participatiewet. Deze leden maken het mogelijk om in bepaalde situaties de vier weken zoektermijn voor jongeren tot en met 27 jaar niet toe te passen en gelijk een bijstandsaanvraag in behandeling te nemen.

Artikel 1: Omstandigheden waarin zoektermijn niet wordt toegepast

Wij kunnen besluiten om de zoektermijn niet toe te passen en de bijstandsaanvraag direct in behandeling te nemen indien u:

  • o

    Verblijft in een inrichting of hebt recht op opvang volgens de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO);

  • o

    Het afgelopen jaar in een inrichting of opvang heeft verbleven volgens de Jeugdwet of de WMO;

  • o

    Onder een kinderbeschermingsmaatregel heeft gevallen het afgelopen jaar;

  • o

    U heeft een zorgbehoefte;

  • o

    U bent niet ingeschreven als ingezetene in de BRP of met een briefadres;

  • o

    U heeft het afgelopen jaar bijstand ontvangen;

  • o

    U heeft probleemschulden, of hier kans op wanneer wij de zoektermijn toepassen.

Artikel 2: Wel toepassen zoektermijn

In afwijking van artikel 1 van dit hoofdstuk kunnen wij wel besluiten de zoektermijn toe te passen en de bijstandsaanvraag pas na vier weken in behandeling te nemen wanneer:

  • o

    U heeft een geldige startkwalificatie;

  • o

    U heeft zich onvoldoende ingespannen om betaald werk te vinden.

Hoofdstuk 9: Bijstandsverlening met terugwerkende kracht

Artikel 1: Omstandigheden voor bijstandsverlening met terugwerkende kracht

  • a.

    Wij kunnen een bijstandsaanvraag voor maximaal 3 maanden vóór de aanvraagdatum met terugwerkende kracht toekennen indien:

    • o

      U niet eerder in staat was de aanvraag in te dienen of niet op de hoogte was van de mogelijkheid tot bijstand;

    • o

      Een voorliggende voorziening (zoals een IOAW. IOAZ, Bbz of WW-uitkering) is afgewezen;

    • o

      Een eerdere bijstandsaanvraag van U is afgewezen of buiten behandeling gesteld omdat niet tijdig alle gegevens zijn aangeleverd;

    • o

      U onvoldoende inzicht had in uw financiële situatie. Bijvoorbeeld door een echtscheiding, erfenis of een flexibel arbeidscontract;

    • o

      U heeft met terugwerkende kracht een vaste verblijfsvergunning gekregen.

  • b.

    Daarnaast kunnen wij een bijstandsaanvraag voor maximaal 3 maanden vóór de aanvraag met terugwerkende kracht toekennen indien het niet toekennen ernstige gevolgen heeft voor uw persoonlijke situatie. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

    • o

      U heeft probleemschulden en/of betalingsachterstanden;

    • o

      U bent na de melding failliet verklaard, of er is beslag gelegd op uw middelen;

    • o

      De huur van uw woonruimte is opgezegd, uw zorgverzekering is geroyeerd, of uw gas/water/licht is afgesloten

Hoofdstuk 10: Verkorte aanvraagprocedure

Artikel 1: Voorwaarden verkorte aanvraagprocedure

  • a.

    Wij kunnen gebruik maken van een verkorte aanvraagprocedure voor algemene bijstand, indien:

    • o

      U de nieuwe aanvraag heeft ingediend binnen maximaal 12 maanden na het eindigen van de algemene bijstand, en;

    • o

      De eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege het aanvaarden van werk, óf;

    • o

      U heeft een korte periode buiten de gemeente gewoond.

  • b.

    Indien wij gebruik maken van de verkorte aanvraagprocedure, controleren wij de laatst beschikbare gegevens die u heeft aangeleverd.

  • c.

    In aanvulling op lid b, verzoeken wij u mede te delen of de volgende gegevens zijn veranderd ten opzichte van de datum bij einde uitkering:

    • o

      Gegevens (adres, bankrekeningnummer);

    • o

      Gezinssamenstelling;

    • o

      Vermogen;

    • o

      Overige inkomsten.

Hoofdstuk 11: Mantelzorg

Artikel 1: Wettelijk kader

Voor de uitzonderingssituaties aangaande mantelzorg en bijstandsverlening, volgen wij de bepalingen in artikel 3, 22a, 33 en 40 van de Participatiewet.

Artikel 2: Vaststelling zorgbehoefte bij samenwonen

  • a.

    Volgens de wetswijziging Participatiewet in Balans is het mogelijk om samen te wonen zonder dat dit gevolgen heeft voor de uitkering, onder de voorwaarde dat het samenwonen voortkomt uit een zorgbehoefte. Hiervoor stellen wij de zorgbehoefte vast.

  • b.

    Voor het vaststellen van de zorgbehoefte bekijken wij in eerste instantie naar de bestaande zorgindicaties. Dit houdt in dat de zorgbehoevende in aanmerking komt voor ondersteuning vanuit de:

    • o

      Wet langdurige zorg;

    • o

      Wet maatschappelijke ondersteuning.

  • c.

    In aanvulling op lid a, kunnen wij bij de zorgverzekeraar van de zorgbehoevende beschikkingen opvragen of de zorgbehoevende:

    • o

      Duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse handelingen;

    • o

      Duurzaam is aangewezen op constant toezicht omdat de zorgbehoevende mogelijk een gevaar voor zichzelf of anderen is.

  • d.

    In de gevallen dat wij de zorgbehoefte niet vast kunnen stellen middels de methoden van artikel 2, lid b en c, zetten wij een medisch adviseur in om de zorgbehoefte vast te stellen.

Hoofdstuk 12: Vermogensvaststelling

Volgens hoofdstuk 7 van de integrale verordening berekenen wij uw vermogen op basis van artikel 31 t/m 34 van de Participatiewet. In dit hoofdstuk geven wij aan hoe auto's, motorvoertuigen, boten en caravans zich verhouden tot uw vermogen.

Artikel 1: In aanmerking te nemen waarde

  • a.

    Een auto of motorvoertuig met een waarde tot maximaal €4.500 beschouwen wij als algemeen gebruikelijk. Indien de waarde hoger is dan €4.500 rekenen wij de meerwaarde als vermogen.

  • b.

    Caravans en boten beschouwen wij niet als algemeen gebruikelijk. De volledige waarde van deze goederen worden aangemerkt als vermogen.

  • c.

    Indien wij gerede twijfel hebben dat uw voertuig na 8 jaar minder dan €4.500 waard is, kunnen wij alsnog besluiten een onderzoek in te stellen naar de waarde van het voertuig.

Artikel 2: Waardevaststelling

  • a.

    Indien het gaat om één auto of motorvoertuig van 8 jaar of ouder, nemen wij aan dat de waarde van deze auto onder de grens van €4.500 ligt. Wij doen in dat geval geen verder onderzoek.

  • b.

    Wij berekenen de waarde van auto's of motorvoertuigen jonger dan 8 jaar, op basis van prijzen van voertuigen met vergelijkbare kenmerken.

  • c.

    Wij berekenen de waarde van caravans op basis van prijzen van caravans met vergelijkbare kenmerken.

  • d.

    Voor de waarde van boten vragen wij u een taxatierapport aan te leveren.

  • e.

    Indien uw auto, motorvoertuig, caravan of boot recent is aangeschaft, gaan wij voor de waardebepaling uit van de recente aankoopprijs. Dit controleren wij aan de hand van prijzen van vergelijkbare voertuigen.

Artikel 3: Afwijkende waardevaststelling

  • a.

    Voor exclusieve auto's of oldtimers berekenen wij altijd de waarde, zelfs als deze ouder dan 8 jaar zijn. Wij vragen u in dat geval om een taxatierapport van een BOVAG-garagebedrijf.

  • b.

    Indien u een 2e auto of motorvoertuig heeft, rekenen wij de volledige waarde van dit voertuig mee in de vaststelling van uw vermogen.

  • c.

    Indien u in een periode van 12 maanden meer dan drie keer een ander kenteken op uw naam heeft staan, stellen wij een onderzoek hiernaar in.

  • d.

    Indien uw voertuigbezit om bijvoorbeeld medische redenen noodzakelijk is, en op basis van die noodzaak is aangepast, houden wij dat voertuig buiten de vermogensvaststelling onder de voorwaarde dat dit wel in verhouding staat tot uw beroep op bijstand.

Hoofdstuk 13: Overige bepalingen

Artikel 1: Onderzoek naar de werking van het uitvoeringsbesluit

Wij onderzoeken met regelmaat of deze algemene regels voldoende bijdragen aan de doelen die wij willen bereiken.

Artikel 2: Hardheidsclausule

  • a.

    Indien een van de bepalingen in dit uitvoeringsbesluit onredelijke gevolgen voor u heeft, behouden wij de mogelijkheid om van de bepalingen af te wijken.

  • b.

    Indien uw situatie niet wordt gedekt door dit uitvoeringsbesluit, of de integrale verordening Sociaal Domein Eijsden-Margraten, stemmen wij het besluit af op uw persoonlijke omstandigheden.

Artikel 3: Ingangsdatum, citeertitel en intrekken oude uitvoeringsbesluiten

  • a.

    Deze regels treden in werking per 1 januari 2026.

  • b.

    Deze regels wordt aangehaald als: Algemene regels inzake uitvoering Participatiewet gemeente Eijsden-Margraten 2026.

  • c.

    De volgende uitvoeringsbesluiten worden per 1-1-2026 ingetrokken:

    • o

      Uitvoeringsbesluit Boetes Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2017 e.v;

    • o

      Uitvoeringsbesluit aanvullende bijstand levensonderhoud jongeren 18 t/m 20 jaar Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2016 e.v;

    • o

      Uitvoeringsbesluit hoogwaardig handhaven en debiteuren Participatiewet, IOAW, IOAZ Maastricht-Heuvelland 2016 e.v;

    • o

      Uitvoeringsbesluit individuele inkomenstoeslag Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2016 e.v;

    • o

      Uitvoeringsbesluit krediethypotheek Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2016 e.v;

    • o

      Uitvoeringsbesluit inkomstenvrijlating parttime werkzaamheden Participatiewet, IOAW en IOAZ Maastricht-Heuvelland 2016 e.v;

    • o

      Uitvoeringsbesluit vermogensvaststelling Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2016 e.v.

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten in hun vergadering van 09.12.2025.

Burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten,

De secretaris,

Drs. J.M.F. Kool

De burgemeester,

Mr. A.P. Krijnen

Naar boven