Gemeenteblad van Zaanstad
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zaanstad | Gemeenteblad 2025, 558372 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zaanstad | Gemeenteblad 2025, 558372 | beleidsregel |
Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Zaanstad 2025
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
In deze beleidsregels staan verschillende begrippen die zijn bedoeld om de leesbaarheid van de beleidsregels te vergroten.
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
HOOFDSTUK 2. DOEL, UITZONDERINGEN EN DOELGROEP BREDE ONDERSTEUNING
Artikel 2. Doel van de brede ondersteuning
Artikel 3. Uitzonderingen brede ondersteuning
Geen onderdeel van de brede ondersteuning zijn:
Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning
Het college kan ook brede ondersteuning geven aan een aanvrager die onder de genoemde groep in artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet valt, maar geen inwoner is als gevolg van een verhuizing, detentie of andere bijzondere omstandigheden zoals genoemd in artikel 2.21, derde lid, van de wet. In dat geval wordt de aanvrager behandeld als een inwoner.
HOOFDSTUK 3. AANMELDING, EERSTE GESPREK EN VASTSTELLING VAN DE HULPVRAAG
HOOFDSTUK 4. BESLUIT OP DE AANVRAAG EN PLAN VAN AANPAK
Artikel 8. Besluit op de aanvraag
Artikel 11. Extra hulp voor jongeren met schulden
HOOFDSTUK 5. TOEKENNEN EN VERSTREKKEN VAN VOORZIENINGEN
Artikel 15. Medewerking aanvrager
Het college kan de aanvrager vragen om mee te werken voordat een voorziening wordt toegekend. Dit is nodig om te kunnen beoordelen of de voorziening past bij de voorwaarden in artikel 12, tweede lid, en de artikelen 13 en 14.
HOOFDSTUK 6. BEËINDIGING BREDE ONDERSTEUNING EN OVERDRACHT
Artikel 17. Beëindiging van de brede ondersteuning
Artikel 18. Overdracht van hulpverlening
Als de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning de doelstellingen uit het plan van aanpak niet heeft bereikt en het plan van aanpak niet expliciet in een overdracht naar reguliere ondersteuning voorziet, dan zorgt het college in samenspraak met de aanvrager alsnog voor een warme overdracht vanuit de brede ondersteuning.
Aldus vastgesteld door college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad in de vergadering van 16-12-2025.
Het college van burgemeester en wethouders,
drs. J. Hamming, burgemeester
mr. L. Graaff, gemeentesecretaris
Bij een zeer groot aantal ouders is tussen 2005 en 2019 onterecht de kinderopvangtoeslag stopgezet door de Belastingdienst. Dat heeft voor die ouders, hun gezinnen, ex-toeslagpartners en nabestaanden enorme gevolgen gehad. Deze ouders, hun gezinnen, ex-toeslagpartners en nabestaanden is daardoor ernstig onrecht aangedaan. Om die reden is in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) geregeld dat het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) bevoegd is om brede ondersteuning te bieden aan personen die zijn getroffen door de toeslagenproblematiek.
Toegang tot brede ondersteuning
Alle inwoners die vallen onder de personenkring van artikel 2.21, eerste lid, van de Wht hebben toegang tot de brede ondersteuning en kunnen deze dus aanvragen. Als een inwoner zich heeft aangemeld bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) voor een integrale beoordeling, kan de brede ondersteuning starten vanaf het moment van aanmelding. Deze werkwijze is zo geregeld (los van de beoordeling van hun situatie) omdat het kabinet ouders zo snel mogelijk wilde helpen zodat hun situatie niet erger wordt. Als uit de Integrale Beoordeling (IB) blijkt dat iemand niet als gedupeerde ouder wordt erkend, dan stopt de brede ondersteuning. Dit gebeurt ook als die persoon het niet eens is met de integrale beoordeling en bezwaar maakt. Het bezwaar verandert niets aan het stoppen van de brede ondersteuning. Ex-toeslagpartners, kinderen en nabestaanden kunnen brede ondersteuning krijgen, maar alleen als zij door de UHT zijn erkend als gedupeerden. Het college controleert bij de UHT of iemand recht heeft op brede ondersteuning.
Doel van de brede ondersteuning
Het belangrijkste doel van de brede ondersteuning is het mogelijk maken van een nieuwe start. Het maken van een nieuwe start is een breed begrip. Een nieuwe start is gekoppeld aan doelstellingen die verband houden met de vijf leefgebieden die in artikel 2.21, eerste lid, van de Wht zijn genoemd. Dit betreft financiën, gezin, werk, wonen en zorg.
Waar het financiële herstel, uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), zich richt op wat er is gebeurd in het verleden, kijkt de gemeente met de brede ondersteuning juist vooruit. De brede ondersteuning is tijdelijk, toekomstgericht en altijd gekoppeld aan het behalen van de doelstellingen zoals genoemd in artikel 2. De aanvrager moet de draad van het leven weer kunnen oppakken door het vinden van perspectief binnen de 5 leefgebieden en door de basis hierbinnen zoveel mogelijk op orde te krijgen. Brede ondersteuning is niet gericht op financieel herstel en biedt geen compensatie voor schade uit het verleden. Het kunnen maken van een nieuwe start in de toekomst staat centraal. Tegen die achtergrond is de brede ondersteuning ruimhartig. Dit betekent dat er geen aanvullende kaders of toetsen zijn verbonden aan de toegang tot de brede ondersteuning.
Middels maatwerk kan de meest adequate hulp worden ingezet die nodig wordt bevonden, zonder de kaderstelling die gemeenten vanuit het reguliere sociale domein hanteren. De individuele situatie van de gedupeerde en het gezin op het moment van de aanvraag is hierbij het uitgangspunt. De beleidsregels geven aan hoe het proces van brede ondersteuning verloopt, welke termijnen worden gehanteerd en welke afwegingen het college maakt bij het toekennen van voorzieningen. Inherent aan het hanteren van dit uitgangspunt en het bieden van maatwerk is dat er bepaalde verschillen in de ondersteuning bestaan. Ook tussen gemeenten onderling. De situatie en de behoefte van iedere gedupeerde is anders en hiermee ook de hulpverlening die wordt geboden.
Verhouding tot reguliere dienstverlening
De inzet van de ondersteuning is gericht op de doelstellingen die gemeenten ook hanteren vanuit de reguliere dienstverlening binnen het sociaal domein. Waar de reguliere dienstverlening is ingericht als sociaal vangnet, is de brede ondersteuning echter gericht op het bevorderen van een nieuwe start in het kader van herstel.
Hoewel er duidelijke verschillen zitten tussen de doelstellingen en voorwaarden van de reguliere ondersteuning in het sociaal domein en de brede ondersteuning in de hersteloperatie toeslagen, sluiten deze werkwijzen wel op elkaar aan. Veel van de reguliere kennis en hulpverlening die gemeenten inzetten voor al hun inwoners is passend voor het bevorderen van een nieuwe start. Deze voorzieningen kunnen dus ook worden ingezet via het plan van aanpak aan rechthebbenden van de brede ondersteuning. Denk hierbij aan de ondersteuning bij het in balans krijgen en houden van financiën en gezinscoaching vanuit het maatschappelijk werkveld.
Artikel 1. Uitleg van begrippen
In dit artikel leggen we uit wat belangrijke begrippen betekenen die in deze beleidsregels worden gebruikt. We sluiten zoveel mogelijk aan bij de wet. Denk bijvoorbeeld aan begrippen zoals gezin, kindregeling en leefgebieden.
Voor het begrip ‘bedreigende situatie’ gaan we uit van de uitleg uit artikel 4, tweede lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Dit omdat deze beleidsregels onderdeel zijn van de bredere hulp en ondersteuning in het sociaal domein.
We maken een duidelijk verschil tussen de begrippen ‘toekennen’ en ‘verstrekken’. Toekennen betekent dat is vastgesteld dat iemand recht heeft op bepaalde hulp of voorziening, zoals een opleiding of begeleiding. Verstrekken betekent dat de hulp of voorziening ook echt begint, bijvoorbeeld op het moment dat de opleiding of de begeleiding van start gaat.
Artikel 2. Doel van de brede ondersteuning
De brede ondersteuning sluit aan op de rijksbrede doelstellingen die gemeenten ook hanteren vanuit de reguliere dienstverlening binnen het sociaal domein, maar richt zich nadrukkelijk niet op het bieden van een sociaal vangnet. Het gaat om het bieden van toekomstperspectief. Het in staat stellen van de aanvrager om een nieuwe start te maken en het leveren van een bijdrage aan het herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid. Dat is in het eerste lid expliciet gemaakt.
Een nieuwe start ziet er voor iedere gedupeerde anders uit en ook het startpunt, oftewel de situatie ten tijde van de aanvraag. Wel staan bij de brede ondersteuning steeds dezelfde vijf leefgebieden centraal. Deze leefgebieden en de daarbij behorende doelstellingen zijn in het tweede lid opgesomd. Het college bespreekt met iedere gedupeerde aan de hand van de doelstellingen of er behoefte is aan ondersteuning en waar die ondersteuning uit moet bestaan om de resultaten en doelen te kunnen behalen.
Artikel 3. Uitzonderingen brede ondersteuning
Dit artikel maakt duidelijk wat van de brede ondersteuning uitgezonderd is. Zo is brede ondersteuning niet bedoeld voor algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning (onderdeel a), vallen behoeften die niet gericht zijn op de vijf leefgebieden of het behalen van de bijbehorende doelstellingen uit artikel 2, tweede lid buiten de brede ondersteuning (onderdeel b) en is het geen taak van de gemeenten om financieel herstel te bieden en dus schade vanuit het verleden te vergoeden (onderdeel c). Verder geldt voor sommige vergoedingen en kosten dat deze in beginsel geen onderdeel uitmaken van de brede ondersteuning, maar dat er een uitzondering mogelijk is als er sprake is van een bedreigende situatie (onderdeel d en e). In dat geval staan niet de vergoedingen en kosten centraal, maar het voorkomen van de gevolgen van een acute noodsituatie. Het college stelt in die gevallen wel de voorwaarde dat er aanvullende voorzieningen zijn die herhaling van de bedreigende situatie voorkomen, bijvoorbeeld op het gebied van schuldhulpverlening. Verder is de vergoeding van kosten die zijn gemaakt voordat er een aanvraag is ingediend voor brede ondersteuning geen onderdeel van de brede ondersteuning (onderdeel e). Tot slot zijn er over de inzet van advocaten, voor bijstand in het financiële herstelproces, door het Rijk afspraken gemaakt met de Nederlandse Orde van Advocaten (onderdeel f). Er is gratis hulp van een advocaat beschikbaar via herstel.toeslagen.nl. Dit is om die reden ook van de brede ondersteuning uitgezonderd.
Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning
De Wht regelt welke inwoners van de gemeente in aanmerking komen voor brede ondersteuning. In het eerste lid wordt daarnaar verwezen. In de wet wordt de inwoner genoemd die:
Op grond van de Wht wordt ook brede ondersteuning geboden aan het gezin van de inwoners die in de wet worden genoemd. Het tweede lid maakt duidelijk dat de samenstelling van het gezin op het moment van de aanvraag daarbij doorslaggevend is. Het college beoordeelt per aanvrager welke personen tot het gezin kunnen worden gerekend.
In bijzondere omstandigheden kan tot slot brede ondersteuning worden geboden aan aanvragers die geen inwoner zijn. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als een persoon die voorheen inwoner was (al dan niet tijdelijk) is verhuisd naar een andere gemeente, in detentie is geplaatst buiten de gemeente of een vertrouwensband heeft met een medewerker van de gemeente die betrokken is bij de uitvoering van brede ondersteuning. Als brede ondersteuning wordt geboden aan een inwoner van een andere gemeente, dan wordt die aanvrager op grond van de beleidsregels gelijkgesteld met degene die wél inwoner is. Verder vindt er over de brede ondersteuning overleg met de andere gemeente plaats.
Als een inwoner die brede ondersteuning ontvangt verhuist en de brede ondersteuning wordt overgedragen aan een andere gemeente of juist van een andere gemeente overgenomen, dan draagt het college zorg voor een warme overdracht naar de nieuwe of van de oude woongemeente. De nieuwe woongemeente kan bij de oude woongemeente de gegevens opvragen die zij nodig acht voor (het continueren van) de brede ondersteuning.
Artikel 5. Brede ondersteuning voor een minderjarige
Kinderen van gedupeerde ouders die aanspraak kunnen maken op de kindregeling, kunnen eveneens aanspraak maken op brede ondersteuning. Dit artikel regelt tegen die achtergrond dat minderjarigen vanaf de leeftijd van zestien jaar zelfstandig brede ondersteuning kunnen aanvragen bij het college in de gemeente waar zij inwoner zijn. Minderjarigen die jonger zijn dan zestien jaar, kunnen hiervoor terecht bij het college in de gemeente waarvan degene die het ouderlijk gezag uitoefent inwoner is. Als beide ouders het gezag uitoefenen, maar geen inwoner van dezelfde gemeente zijn, dan kan de minderjarige brede ondersteuning aanvragen bij het college van de gemeente waar de ouder inwoner is bij wie de minderjarige feitelijk verblijft.
Artikel 6. Aanmelding brede ondersteuning
Een inwoner kan zelf een verzoek indienen voor brede ondersteuning. Dat kan schriftelijk (brief, mail), telefonisch, of via de website van de gemeente. De aanmelding hoeft niet aan een vaste vorm te voldoen. Er hoeft geen speciaal formulier ingevuld te worden.
Een ouder kan ook via de UHT kenbaar maken dat deze in aanmerking wil komen voor brede ondersteuning. Het college ontvangt dan de gegevens via het gegevensportaal van de Belastingdienst. Het moment van ontvangst van de gegevens via het portaal wordt gelijkgesteld met de aanmelding. Indien een inwoner zich direct bij het college meldt, verifieert het college of de inwoner in aanmerking komt voor brede ondersteuning bij het Serviceteam gemeenten bij de UHT.
Artikel 7. Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag
Het college nodigt de inwoner op grond van dit artikel binnen 8 weken, nadat de aanmelding is ontvangen, uit voor een eerste gesprek. Tijdens het eerste gesprek wordt aan de hand van de vijf doelstellingen uit artikel 2, tweede lid, de situatie van de inwoner besproken en wordt samen met de inwoner vastgesteld wat de hulpvraag is. Hierbij wordt op basis van de feiten en omstandigheden onderzocht wat er op elk van de vijf leefgebieden voor de aanmelder nodig is om de doelstellingen te kunnen bereiken. Voor het vaststellen van de hulpvraag en afronden van het eerste gesprek kunnen meerdere gesprekken nodig zijn. De datum van het afronden van het eerste gesprek wordt aangemerkt als de datum van het indienen van de formele aanvraag voor brede ondersteuning.
Om ervoor te zorgen dat het juiste maatwerk geleverd wordt én bij te dragen aan het herstel van vertrouwen in de overheid, is het van belang dat de inwoner de mogelijkheid heeft om tijdens het eerste gesprek de regie te voeren. Om die reden is in de beleidsregels vastgelegd dat de hulpvraag samen met de inwoner wordt bepaald. Verder krijgt de inwoner, wanneer die wordt uitgenodigd voor het eerste gesprek, ook de mogelijkheid om te bepalen waar dit gesprek plaatsvindt. Dit kan op locatie zijn of bij de inwoner thuis.
Artikel 8. Besluit op de aanvraag
Het college beslist maximaal 8 weken na het afronden van het eerste gesprek over de toegang tot de brede ondersteuning. De aanvrager krijgt een toekennings- of een afwijzingsbeschikking.
In de toekenningsbeschikking is een plan van aanpak opgenomen. In dit plan van aanpak is samen met de aanvrager vastgelegd wat de doelstellingen van de brede ondersteuning zijn, welke ondersteuning de aanvrager wenst en welke ondersteuning het college toekent. Omdat het lastig kan zijn om binnen een aantal weken volledig zicht te hebben op de doelstellingen en ondersteuningsbehoeften, kan het plan van aanpak ook eerst op hoofdlijnen worden vastgesteld. Deze bevat ten minste een vastgestelde hulpvraag. Een plan van aanpak dat op hoofdlijnen is vastgesteld, kan vervolgens samen met de aanvrager worden aangevuld. Naast de mogelijkheid van een voorlopig plan van aanpak, biedt het tweede lid ook de mogelijkheid de termijn voor het opstellen van het plan van aanpak te verlengen. De aanvrager wordt hiervan op de hoogte gesteld.
In een afwijzingsbeschikking wordt gemotiveerd aangegeven waarom er geen toegang tot brede ondersteuning is. Tegen elke beschikking staat bezwaar en beroep open. Dit wordt schriftelijk kenbaar gemaakt.
Artikel 9. Het opstellen van het plan van aanpak
In het plan van aanpak staan de hulpvragen van de aanvrager centraal. Vanuit de situatie van de aanvrager op het moment waarop de aanvraag is ingediend, is uitgewerkt hoe stapsgewijs en op een samenhangende manier de doelstellingen (en daaraan gekoppelde subdoelstellingen) uit artikel 2, tweede lid, van de aanvrager worden bereikt. Verder staat ook in het plan van aanpak welke hulp en voorzieningen het college aan de aanvrager toekent om dit op een adequate en duurzame manier te doen. Hiermee wordt beoogd de aanvrager in staat te stellen om een nieuwe start te kunnen maken. In het plan van aanpak wordt dus ook gemotiveerd op welke wijze de toekenning van de voorziening bijdraagt aan het bereiken van een nieuwe start.
Artikel 10. Wijzigen plan van aanpak
Het plan van aanpak kan worden gewijzigd als dit nodig is om de doelstellingen uit artikel 2, tweede lid te bereiken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er gefaseerd naar een doelstelling wordt toegewerkt binnen één leefgebied of wanneer er onvoorziene omstandigheden zijn waardoor de toegekende ondersteuning niet langer passend is. Hiernaast is het mogelijk dat er situaties zijn waardoor aanvullende ondersteuning op een van de leefgebieden nodig is, bijvoorbeeld wanneer een aanvrager tussentijds diens werk kwijtraakt en op het leefgebied ‘werk’ geholpen wil worden.
Het college kan in samenspraak met de aanvrager tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak wijzigen en daarbij nieuwe of andere voorzieningen toekennen. Bij materiële voorzieningen is deze termijn beperkt tot zes maanden na het eerste gesprek. Deze termijnen brengen tot uitdrukking dat er in de brede ondersteuning een zekere fasering zit. In de eerste fase wordt bezien wat de aanvrager in de weg staat om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken. Om deze direct weg te kunnen nemen, kunnen er materiële voorzieningen worden toegekend en verstrekt. Vervolgens kan met de inzet van immateriële voorzieningen verder worden toegewerkt naar het bereiken van de doelstellingen.
Het college kan het plan van aanpak in samenspraak met de aanvrager wijzigen, maar de aanvrager kan op grond van het tweede lid ook zelf een aanvraag tot wijziging van het plan van aanpak indienen. Daarbij gaat het dan met name om het toekennen van nieuwe of andere voorzieningen.
Het college kan een verzoek tot wijziging van een plan van aanpak bij beschikking goedkeuren of weigeren. Het college kan een verzoek ook gedeeltelijk goedkeuren. Bij een goedkeuring of een gedeeltelijke goedkeuring is het gewijzigde plan van aanpak onderdeel van de beschikking. Tegen elke beschikking staat bezwaar en beroep open. Dit wordt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De in het plan van aanpak opgenomen doelstellingen waarnaar stapsgewijs en integraal wordt toegewerkt, wordt op grond van het vierde lid alleen gewijzigd als nieuwe feiten en omstandigheden dit noodzakelijk maken. Bij een wijziging gaat het dus in beginsel alleen om andere onderdelen uit het plan en dus met name de voorzieningen.
Artikel 11. Aanvullende schuldhulpverleningsaanbod jongeren
Binnen de brede ondersteuning is er bijzondere aandacht voor jongeren met problematische schulden. Doordat het voor deze groep moeilijker is om een nieuwe start te maken, is er een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod mogelijk. Het aanvullend aanbod bestaat uit twee (cumulatieve) onderdelen. Beide onderdelen samen vormen het aanbod:
Het eerste lid maakt dat expliciet en bevat de voorwaarden waarbij het college dit aanbod in elk geval doet. Het college beoordeelt of de schulden als problematisch worden gekwalificeerd. Het gaat dan in ieder geval om een situatie waarin niet binnen 36 maanden alle opeisbare vorderingen zijn af te lossen. Ook andere objectieve criteria, zoals beslag, registratie bij het CAK en de benodigde voorzieningen vanuit de brede ondersteuning worden meegewogen. Als een schuld niet als problematisch gekwalificeerd wordt, wordt de aanvrager op andere wijze geholpen bij het in balans krijgen van inkomsten en uitgaven. Verder is het uitgangspunt dat de aanvrager zich binnen de termijn, zoals genoemd in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, moet melden.
Als in het eerste gesprek blijkt dat er een financiële hulpvraag is, dan wordt de financiële situatie van de aanvrager in kaart gebracht. Op grond van het tweede lid helpt het college de aanvrager daarbij. Om vast te kunnen stellen of een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod nodig is en waaruit dit moet bestaan, wordt de werkwijze uit de reguliere schuldhulpverlening gebruikt. De voorzieningen uit de reguliere schuldhulpverlening worden vervolgens ook ingezet om deze jongeren te helpen.
De brede ondersteuning is gericht op het maken van een nieuwe start. De brede ondersteuning moet de aanvrager in staat stellen om in de toekomst zo zelfstandig en (zelf)redzaam mogelijk op elk van de vijf leefgebieden zijn of haar leven te kunnen leiden. De doelstellingen voor de vijf leefgebieden in het plan van aanpak vormen dus de kern. Om deze doelstellingen te bereiken kunnen er aan de aanvrager voorzieningen worden toegekend en verstrekt. Dit kunnen zowel materiële als immateriële voorzieningen zijn. Een belangrijke voorwaarde is wel dat het gaat om voorzieningen die zijn toegekend in het plan van aanpak.
In het tweede lid zijn de factoren benoemd die bij het toekennen van die voorzieningen een rol spelen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de financiële armslag van de aanvrager, maar ook het duurzame karakter van de voorziening is van belang. Voor het maken van een keuze en de onderbouwing daarvan moet verder de geschiktheid (is de voorziening geschikt om de doelstelling te bereiken?), de noodzakelijkheid (is de voorziening noodzakelijk of nodig of kan het ook op een andere manier?) en de evenredigheid (staat de voorziening in verhouding tot het doel?) van de voorziening aan de orde komen.
Artikel 13. Materiële voorzieningen
Een materiële voorziening kan worden toegekend als deze direct noodzakelijk is voor het bereiken van een in het plan van aanpak opgenomen doelstelling. Een materiële voorziening is noodzakelijk als het direct een belemmering wegneemt of beperkt, die de betrokkene bij het bereiken van een doelstelling ervaart. Het gaat dan veelal om een voorziening die onmiddellijk noodzakelijk is om de hulpverlening te kunnen starten en de immateriële voorzieningen te kunnen inzetten, het bieden van perspectief voor de toekomst staat dus ook hier voorop. Het toekennen van een materiële voorziening is maatwerk. Wat er noodzakelijk is, hangt af van situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak. Het college bepaalt de hoogte van het bedrag van de benodigde voorziening. Eigen data, maar ook bijvoorbeeld de Nibudbedragen, kunnen als richtlijn dienen om het benodigde bedrag te bepalen.
Verder is er ook aandacht voor de achterliggende ondersteuningsbehoefte. Dit betekent dat in veel gevallen de financiële zelfredzaamheid aandacht vraagt. Wat is er nodig om inkomsten en uitgaven in balans te krijgen en te houden en ervoor te zorgen dat een materiële voorziening nu of in de toekomst niet meer nodig is en de aanvrager daar zelf in kan voorzien?
Materiële voorzieningen zijn zaken als bedoeld in artikel 3:2 van het Burgerlijk Wetboek. Gedacht kan worden aan een wasmachine die noodzakelijk is om een huishouding te voeren binnen een gezin of een laptop die noodzakelijk is voor het volgen van een opleiding. Wat er precies vereist is, is maatwerk. Dit hangt van de situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak af. De noodzakelijkheid van de materiële voorziening wordt ook onderbouwd in het plan van aanpak. Toegelicht wordt waarom de verstrekking noodzakelijk is voor het wegnemen of beperken van een belemmering en hoe de verstrekking een bijdrage levert aan een of meer van de doelstellingen die in het plan van aanpak zijn vastgelegd.
Benadrukt wordt dat materiële voorzieningen tot zes maanden na het eerste gesprek in het plan van aanpak kunnen worden toegekend. Dit vloeit voort uit artikel 2.21, lid 4a, van de Wht. Die periode vormt echter geen belemmering voor het verstrekken van de voorziening. De verstrekking kan ook na die periode plaatsvinden.
Artikel 14. Immateriële voorzieningen
Bij het toekennen van een immateriële voorziening is niet de striktere eis van noodzakelijkheid aan de orde die wel voor materiële voorzieningen geldt. Bij de immateriële voorzieningen draait het om de vraag of een voorziening nodig en passend is. Dit betekent dat een voorziening adequaat en duurzaam moet zijn en dus niet alleen voldoende geschikt, maar ook op de langere termijn geschikt moet zijn om een doelstelling uit het plan van aanpak te bereiken.
Verder gaat het bij immateriële voorzieningen om het ontwikkelen van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties door de aanvrager. De persoonlijke ontwikkeling van de aanvrager staat dus centraal. Het gaat om diens zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Bij immateriële voorzieningen kan onder andere worden gedacht aan reguliere hulpverlening of begeleiding, maar ook aan een opleiding of cursus. Ook voor de immateriële voorzieningen geldt dat de toekenning maatwerk is en dat dit van de situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak afhangt. Verder moet de toekenning van een immateriële voorziening eveneens in het plan van aanpak worden onderbouwd. Waarom is deze voorziening nodig en passend en hoe levert deze een bijdrage aan een of meer van de doelstellingen die in het plan van aanpak zijn vastgelegd?
Benadrukt wordt dat immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek in het plan van aanpak kunnen worden toegekend. Die periode vormt echter ook hier geen belemmering voor het verstrekken van de voorziening. De verstrekking kan langer doorlopen dan twee jaar.
Artikel 15. Medewerking aanvrager
Om te kunnen beoordelen of een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is en hierover dus een zorgvuldig besluit te nemen, kan het college de aanvrager om medewerking verzoeken. Het gaat dan met name om medewerking om een beeld te krijgen van de situatie van de aanvrager op de vijf leefgebieden. Te denken valt aan een huisbezoek om te beoordelen of, en zo ja welke, materiele voorzieningen nodig zijn om een woning in een veilige staat te brengen. Verder geldt ook hier dat het om informatie over de financiële situatie kan gaan. Dat is nodig om bespreekbaar te maken hoe een aanvrager meer zelfstandig en (zelf)redzaam kan worden in de toekomst en zelf de benodigde voorzieningen kan bekostigen.
In de beleidsregels staat voorop dat het college de aanvrager om medewerking vraagt. Dit veronderstelt dat het college met de aanvrager in gesprek gaat. Waar ziet de medewerking precies op en wat kan de aanvrager daarin bieden? Dit is in lijn met het uitgangspunt dat een aanvrager zelf regie moet kunnen voeren en de brede ondersteuning ruimhartig is en geen onnodige drempels opwerpt. Het moet voor het college aannemelijk zijn dat een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is. Voor het inzicht in de financiële draagkracht hoeft het overleggen van salarisspecificaties of bankafschriften van de afgelopen maanden bijvoorbeeld niet noodzakelijk te zijn, gedacht kan ook worden aan het in kaart brengen van de inkomsten en uitgaven en het voeren van een gesprek hierover als de aanvrager dat prettiger vindt.
Als de aanvrager niet op het verzoek van het college ingaat om medewerking te verlenen, dan is het aan het college om te beoordelen of dit betekent dat er onvoldoende informatie voorhanden is om te bepalen of een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is. Als dat zo is, dan kan het college besluiten een voorziening niet toe te kennen. Zie hiervoor de weigeringsgronden in artikel 16.
Artikel 16. Weigeren voorzieningen
Het college kan besluiten een door de aanvrager gevraagde voorziening te weigeren. Bijvoorbeeld als het om een voorziening met terugwerkende kracht gaat of de voorziening niet aan de vereisten voldoet. Het college onderbouwt de weigering in een beschikking. Tegen die beschikking staat bezwaar en beroep open.
Artikel 17. Beëindiging van de brede ondersteuning
De brede ondersteuning wordt in de eerste plaats op grond van artikel 2.21, lid 4b, van de Wht beëindigd als de aanvrager een nieuwe start heeft kunnen maken. Verder eindigt de brede ondersteuning op grond van diezelfde bepaling uiterlijk twee jaar nadat het eerste gesprek is gevoerd. Toegekende voorzieningen kunnen na de deze periode nog wel doorlopen indien dat nodig is. Daarnaast eindigt de brede ondersteuning op grond van artikel 2.21, zesde lid, van de Wht als de aanvraag tot toekenning van een herstelmaatregel wordt afgewezen. Dit binnen een termijn van 30 dagen nadat de Dienst Toeslagen het college heeft geïnformeerd dat een afwijzende beschikking is gegeven. Het indienen van bezwaar bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) tegen de afwijzende beschikking schort de beëindiging van de brede ondersteuning niet op.
In aanvulling hierop heeft de aanvrager op grond van de beleidsregels de mogelijkheid om de brede ondersteuning zelf te beëindigen. De aanvrager kan het college daarom verzoeken. Tot slot kan de brede ondersteuning in uitzonderlijke gevallen eindigen als de aanvrager daar niet binnen een redelijke termijn gebruik van heeft gemaakt, of hier geen gebruik heeft gemaakt zoals overeengekomen in het plan van aanpak en ook niet heeft gereageerd op een oproep van het college om alsnog gebruik te maken van de brede ondersteuning. Voordat het college een beëindigingsbeschikking stuurt, nodigt het college de aanvrager uit om de actuele situatie van de aanvrager op de vijf leefgebieden te bespreken om te zien wat de effecten van de brede ondersteuning zijn en of aanvullende reguliere ondersteuning nodig is waar het plan van aanpak niet in voorziet.
Artikel 18. Overdracht van hulpverlening naar regulier
Het is mogelijk dat, ondanks de brede ondersteuning, de persoonlijke doelstellingen uit het plan van aanpak niet zijn bereikt en de aanvrager na beëindiging van de brede ondersteuning binnen de vijf leefgebieden nog steeds problemen ervaart, terwijl het plan van aanpak niet in een overgang naar reguliere ondersteuning voorziet. Te denken valt aan ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. In dat geval is in dit artikel vastgelegd dat het college zorgt voor een warme overdracht naar deze reguliere ondersteuning. Een warme overdracht betekent in ieder geval dat er vanuit de brede ondersteuning direct contact wordt gelegd met de afdeling of organisatie die de benodigde (reguliere) ondersteuning biedt, dat de situatie wordt uitgelegd en dat de hulpvraag wordt toegelicht.
Artikel 9.1, tweede lid, onder d, van de Wht bepaalt dat het college, ook wanneer er sprake is van brede ondersteuning, gebruik kan maken van een hardheidsclausule. Dit houdt in dat het college de bevoegdheid heeft om in uitzonderlijke situaties af te wijken van de regels die op grond de Wht gelden. Zo’n afwijking is toegestaan wanneer toepassing van de regels, gelet op de belangen die de regels beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Deze mogelijkheid geldt ook voor de toepassing van de beleidsregels. Indien het college gebruik maakt van de hardheidsclausule, motiveert het college de afwijking, zodat inzichtelijk is waarom van het geldende beleid of de beleidsregel is afgeweken.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-558372.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.